Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-19
ECLI:NL:GHDHA:2026:2474
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.359.785/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11589655 \ RP VERZ 25-50164 Beschikking van 19 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats], verzoeker, advocaat: (voorheen) mr. J.M.C. Wessels, kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht, nu procederend in persoon, tegen de Autoriteit Persoonsgegevens , gevestigd in Den Haag, verweerster, advocaat: mr. M.A.P. Haddink, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en de AP. 1 De zaak in het kort 1.1 Het hof dient te beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden voortgezet en zo niet, of de AP aan [verzoeker] een billijke vergoeding dient te betalen. 1.2 Het hof komt tot het oordeel dat voor beide verzoeken geen grond bestaat. Het hof bekrachtigt daarmee de beschikking van de kantonrechter. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij pro forma-beroepschrift, ter griffie ingekomen op 4 september 2025, is [verzoeker] (in persoon) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 juni 2025 (hierna: de beschikking). [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om alsnog een beroepschrift door een advocaat te laten indienen. Op 7 november 2025 heeft mr. Wessels namens [verzoeker] een beroepschrift ingediend. 2.2 [verzoeker] heeft op 4 december 2026 de aanvullende producties 1 tot en met 15 ingediend. Vervolgens heeft [verzoeker] op 16 maart 2026 een ‘akte van reactie op het verweerschrift (tevens inhoudelijke onderbouwing in hoger beroep)’ en de producties 1 tot en met 88 ingediend, met - op twee USB-sticks - een productieboek en overige documenten. 2.3 De AP heeft een verweerschrift ingediend dat op 9 maart 2026 is ontvangen ter griffie van het hof. Per e-mail van 10 maart 2026 heeft de AP een leesbare versie toegestuurd van productie 12 bij het door haar ingediende verweerschrift. 2.4 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 31 maart 2026. Vervolgens is een datum voor deze beschikking bepaald. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt, met daaraan gehecht de reacties van mr. Haddink van 28 april 2026 en van [verzoeker] van 7 mei 2026. 2.5 Na de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat [verzoeker] op 30 maart 2026 per e-mail een aanvullende productie heeft ingediend. Op deze productie, evenals de door [verzoeker] op 7 en 8 mei 2026 per e-mail toegezonden stukken, zal bij de beoordeling van de zaak geen acht worden geslagen wegens de te late indiening ervan, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1.1.4.5 en 1.2.4.9 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven (hierna: het Procesreglement). 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De kantonrechter heeft in de beschikking onder 2.1 tot en met 2.22 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Volgens [verzoeker] heeft de kantonrechter de feiten onvolledig weergegeven. De kantonrechter was echter niet gehouden alle feiten te vermelden, reden waarom deze klacht geen succes heeft. Dat neemt niet weg dat het hof rekening zal houden met wat [verzoeker] in de toelichting op deze klacht heeft aangevoerd. Omdat partijen geen grieven hebben aangevoerd tegen de door de kantonrechter (wel) vastgestelde feiten zijn deze in hoger beroep niet in geschil en dienen zij ook het hof als uitgangspunt. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 3.2 [verzoeker] is op 13 mei 2024 in dienst getreden als adviseur bij de afdeling Wetgevingsadvisering en Normuitleg van de directie Juridische Zaken en Wetgevingsadvisering van de AP op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar. [verzoeker] is bij indiensttreding ingeschaald in salarisschaal 11 op salaristrede 2 van de van toepassing Een andere zorg is de situatie rondom het verplicht stellen van een foto, wat volgens de AVG-wetgeving niet verplicht is en mogelijk vijandigheid creëert omdat ik waarde hecht aan de autonomie over mijn gegevens. Deze situaties lijken samen te komen in een bredere kwestie van mogelijke benadeling. Toen ik hier begon, ging ik er niet vanuit dat mijn werkervaring en opleidingen ertoe zouden leiden dat ik als een soort 'charity case' zou worden gezien. Dit voelt voor mij niet gelijkwaardig, en ik kaart dit nu aan om het tijdig te melden, voordat de situatie onomkeerbaar wordt. Ook heb ik geen deel mogen uitmaken van de sollicitatiecommissie, en nu hoor ik dat de afdeling vol is. Het lijkt erop dat er mogelijk plannen zijn om mijn contract niet te verlengen. Dit alles veroorzaakt bij mij onzekerheid over mijn toekomst binnen de organisatie. (…)” 3.6 Later die dag heeft [ledinggevende] per e-mail gereageerd op de e-mail van [verzoeker]. In zijn reactie heeft [ledinggevende] zijn verbazing geuit over de inhoud van het bericht van [verzoeker], dat volgens hem uit verschillende ongefundeerde beschuldigingen bestaat van deels bijzonder ernstige aard. Daarbij heeft hij geschreven: “(…) Dat pik ik niet zo maar, weet dat wel. Ja we hebben een lastig gesprek over je ontwikkeling gehad, maar dit is echt van de gekke. (…)” 3.7 Op 29 september 2024 heeft [verzoeker] [ledinggevende] per e-mail gevraagd of er bezwaar bestaat tegen zijn aanwezigheid bij de Dag van de Wetgeving. Op 30 september 2024 heeft [ledinggevende] laten weten hiertegen geen bezwaar te hebben. Daaraan heeft hij toegevoegd dat [verzoeker] zich ervan bewust moet zijn dat hij tijdens het evenement wordt gezien als vertegenwoordiger van de AP en daarom moet opletten met wat hij zegt over onder andere wetgeving en geen vragen moet stellen waaruit kan blijken dat hij bepaalde leerstukken (nog) niet overziet. 3.8 Op 3 oktober 2024 heeft [coördinator HR] (hierna: [coördinator HR]), coördinator HR van de AP, [verzoeker] bericht dat zijn klachten over stigmatisering en discriminatie besproken zullen worden, dat zijn andere punten daarna zullen worden geadresseerd, desgewenst schriftelijk, en hem verwezen naar informatie over de klokkenluidersregeling op een intranetpagina. [verzoeker] heeft diezelfde dag laten weten dat hij openstaat voor een gesprek onder begeleiding van een onafhankelijke derde. 3.9 Op 24 oktober 2024 heeft [coördinator HR] [verzoeker] gewezen op en uitleg gegeven over de interne klachtenregeling en misstandenregeling van de AP. [verzoeker] heeft hierop per e-mail van 26 oktober 2024 als volgt gereageerd. [verzoeker] heeft weinig vertrouwen in een eerlijke behandeling van zijn klachten. Volgens [verzoeker] is het contact met [ledinggevende] na zijn eerdere melding over ongewenst gedrag merkbaar afgenomen. [ledinggevende] heeft hem niet serieus genomen toen hij een racistische opmerking meldde. [verzoeker] stelt ook dat hij lagere arbeidsvoorwaarden heeft dan gebruikelijk is voor iemand met zijn opleiding en ervaring. [verzoeker] ziet dat als raciale ongelijkheid. Er is bovendien volgens hem sprake van een onveilig werkklimaat en grensoverschrijdend gedrag van collega’s. Kennelijk is de vertrouwelijkheid van zijn melding geschonden. Dit alles roept bij hem vragen op over de integriteit van [ledinggevende]. Bij e-mail van 28 oktober 2024 heeft [ledinggevende] onder meer laten weten dat hij de beschuldigingen aan zijn adres verwerpt. 3.10 Op 29 oktober 2024 heeft [verzoeker] [ledinggevende] per e-mail laten weten dat in zijn ogen de werksfeer en hun samenwerking de laatste tijd merkbaar onder druk staan. Volgens [verzoeker] heeft [ledinggevende] hem de vorige dag op de werkvloer herhaaldelijk boos aangekeken, is hij afstandelijk in de communicatie en lijkt zijn focus vaker te liggen op persoonlijke aanvallen en het belachelijk maken van [verzoeker] dan op een constructieve samenwerking. 3.11 Later die dag heeft [verzoeker] zich per e-mail ziek gemeld wegens overspanne Daardoor heeft de AP niet voldoende zicht op uw functioneren kunnen krijgen, (en dit ook na 12 mei jl. niet zal krijgen), hetgeen ook een reden is om uw tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te verlengen. U heeft een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar met uitzicht op vast bij gebleken geschiktheid. Deze tijdelijke arbeidsovereenkomst dient na een jaar conform par. 2.1 van de CAO Rijk 2024-2025 te worden omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangezien een tijdelijke arbeidsovereenkomst die is aangegaan om de geschiktheid te bepalen maar één jaar mag duren. Vanwege het arbeidsconflict en door het onzekere verloop van uw arbeidsongeschiktheid waardoor ook na 12 mei a.s. onzekerheid bestaat of uw functioneren beoordeeld kan worden, heeft de AP geen andere keuze dan de tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege af te laten lopen en dus niet om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. (…)” 3.21 Op 19 maart 2025 heeft [directeur Juridische Zaken] [verzoeker] per e-mail gevraagd of hij nog openstaat voor mediation. [verzoeker] heeft dat bevestigd per e-mail van 24 maart 2025. 3.22 Op 28 april 2025 heeft [directeur Juridische Zaken] [verzoeker] per e-mail bericht dat zij het mediationtraject wil doorzetten, om ervoor te zorgen dat hij en [ledinggevende] ‘on speaking terms’ komen en om uiteindelijk op goede voet uit elkaar te gaan. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 [verzoeker] heeft op 11 maart 2025 de kantonrechter in de rechtbank Den Haag verzocht: te verklaren voor recht dat sprake is van benadeling als gevolg van een melding van misstanden in de zin van de Wbk; vast te stellen dat de AP tekortschiet in haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van re-integratie en begeleiding bij ziekte; vast te stellen dat de AP opzettelijk een vijandige werkomgeving heeft gecreëerd; primair de AP te bevelen om het dienstverband voort te zetten per 12 mei 2025 en subsidiair te verklaren voor recht dat de AP ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:673 lid 9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en haar te veroordelen tot betaling van € 3.812.144,40 netto; de AP te veroordelen in de proceskosten. 4.2 De AP heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de verzoeken. 4.3 De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen en [verzoeker] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter, kort samengevat, het volgende overwogen. Van een misstand in de zin van de Wbk is geen sprake. [verzoeker] heeft slechts melding gemaakt van persoonlijke ervaringen en problemen, niet van een situatie waarbij het openbaar belang in het geding is of ten minste een situatie die uitstijgt boven een individuele kwestie of een persoonlijk conflict. Zijn vermoeden van structurele discriminatie binnen de AP heeft [verzoeker] niet onderbouwd. De AP is niet tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen. Er is niet gesteld of gebleken dat AP in strijd met adviezen van de bedrijfsarts heeft gehandeld. De AP heeft de mediation willen voortzetten. Omdat [verzoeker] niet belastbaar was, treft de AP geen verwijt dat zij niet is gestart met andere re-integratieactiviteiten dan mediation. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat de AP (opzettelijk) een vijandige omgeving zou hebben gecreëerd. De AP heeft in redelijkheid kunnen besluiten om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. De AP heeft niet ernstig verwijtbaar of als slecht werkgever gehandeld. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [verzoeker] verzoekt, zakelijk weergegeven, de beschikking te vernietigen en: voor recht te verklaren dat hij benadeeld is wegens zijn klokkenluidersmelding in de zin van de Wbk; voor recht te verklaren dat de AP is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen en een vijandige werkomgeving heeft gecreëerd; primair: de AP te bevelen om het dienstverband met [verzoeker] voort te zetten en subsidiair, indien en voor zover het hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, voor recht te verklaren dat de beëindiging het gevol De AP heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 282 lid 2 en artikel 362 Rv gehandeld door haar verweerschrift in te dienen bij het hof. Daarmee mocht de AP volstaan. Vervolgens heeft de griffier van het hof, zoals gebruikelijk, een afschrift toegestuurd aan [verzoeker] (vergelijk ook artikel 1.1.3.3 van het Procesreglement). De beschikking van het UWV van 2 juni 2025 is niet bepalend 6.6 [verzoeker] heeft zich met grief I op het standpunt gesteld dat de kantonrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan de beschikking van het UWV van 2 juni 2025 die formele rechtskracht heeft. Volgens [verzoeker] volgt hieruit dat bindend is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd en dat de AP gehouden is tot doorbetaling van het loon van [verzoeker]. 6.7 Als tegen de UWV-beschikking geen (of niet tijdig) bezwaar is gemaakt, heeft deze inderdaad formele rechtskracht gekregen. Maar volgens vaste rechtspraak ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op overwegingen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag liggen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:14 of van 3 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445). 6.8 De UWV-beschikking houdt in dat de aanvraag van [verzoeker] om toekenning van een Ziektewetuitkering, die was gedaan met het oog op zijn ziekmelding op 29 oktober 2024, is afgewezen omdat de AP als werkgever verplicht is om gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte het loon door te betalen. Als de beschikking formele rechtskracht heeft, betekent dit dat de beschikking in zoverre onherroepelijk is en voor rechtmatig moet worden gehouden. 6.9 Uit de tekst van de UWV-beschikking volgt niet dat volgens het UWV de arbeidsovereenkomst tussen partijen op en na 13 mei 2025 is voortgezet en dat de AP vanaf die datum gehouden was tot doorbetaling van het loon van [verzoeker]. 6.10 Geheel ten overvloede wordt overwogen dat het aan de rechter is, en niet aan het UWV, om te beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op en na 13 mei 2025 is voortgezet. De rechter is bij die beoordeling bovendien niet gebonden aan een eventueel oordeel daarover van het UWV, omdat de formele rechtskracht van de UWV-beschikking daarop geen betrekking heeft, zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 6.7 is overwogen. Ten slotte overweegt het hof dat de kantonrechter feitelijk geen kennis heeft kunnen nemen van de UWV-beschikking omdat kennelijk geen van partijen die beschikking heeft overgelegd in de procedure bij de kantonrechter, zoals hierna in 6.28 wordt overwogen. Grief I slaagt daarom niet. De AP heeft niet gehandeld in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte en de WGBH/CZ 6.11 [verzoeker] heeft met de grieven II en VII betoogd dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nietig is wegens het opzegverbod tijdens ziekte en dat met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst sprake is van verboden onderscheid in de zin van de WGBH/CZ. Volgens [verzoeker] heeft de kantonrechter ten onrechte niet onderzocht of de AP de constructie van een “einde van rechtswege” heeft gebruikt om wettelijke bescherming te omzeilen. De AP heeft in haar brief van 13 maart 2025 (hiervoor in 3.20 gedeeltelijk geciteerd) de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] expliciet genoemd als een van de redenen voor het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst. Dit vormt een begin van bewijs van discriminatie waardoor de bewijslast op grond van de WGBH/CZ verschuift naar de AP. De loonstrook van juli 2025 bevat de component ”Bezoldiging ziek bij ontslag”. Dit is volgens [verzoeker] een erkenning in de eigen administratie van de AP dat de situatie juridisch niet als een einde van rechtswege, maar als een ontslag werd beschouwd. [verzoeker] beroept zich in dit verband op paragraaf 2.1 van de cao waarin staat dat indien een juiste beoordeling [van de geschiktheid van een medewerker, hof] door afw De AP heeft in deze brief verwezen naar het conflict met [ledinggevende] waarvan de afloop ongewis was, en naar de e-mail van 26 september 2024 (hiervoor in 3.4 gedeeltelijk geciteerd) waarin [ledinggevende] zijn zorg dat de arbeidsovereenkomst mogelijk niet verlengd zou worden al had uitgesproken. Verder heeft de AP erop gewezen dat de mediation nog niet van de grond was gekomen mede doordat [verzoeker] zelf een afspraak had afgezegd wegens ziekte, en dat re-integratie nog niet mogelijk was geweest omdat [verzoeker] volledig arbeidsongeschikt was en alleen schriftelijk contact met hem mogelijk was. De AP verwachtte niet dat deze situatie aan het eind van de arbeidsovereenkomst, dus na 12 mei 2025, substantieel zou zijn veranderd. De AP had door dit alles niet voldoende zicht op het functioneren van [verzoeker] gekregen terwijl het voor haar ook onzeker was of het functioneren van [verzoeker] na 12 mei 2025 beoordeeld kon worden. 6.18 Het hof is van oordeel dat de AP niet gehouden was de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te verlengen. De AP heeft voldoende toegelicht dat en waarom de geschiktheid van [verzoeker] omstreeks maart 2025 niet buiten redelijke twijfel was, dat onzekerheid bestond over de termijn waarop de geschiktheid van [verzoeker] voldoende beoordeeld zou kunnen worden, en dat de AP niet bereid was om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te verlengen. Gelet op het feit dat [ledinggevende] al in het gesprek op 23 september 2024 en in de e-mail van 26 september 2024 zijn zorgen had geuit over de geschiktheid van [verzoeker] voor zijn functie en de redenen die de AP daarvoor in haar brieven van 26 februari 2025 en 13 maart 2025 heeft gegeven, stond het haar vrij om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet te verlengen. Het is het hof niet gebleken dat de AP daarbij de grenzen van de haar toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden of in strijd met de beginselen van redelijkheid en billijkheid of goed werkgeverschap heeft gehandeld. De grieven II en VII falen eveneens. De Wbk is door de kantonrechter niet onjuist toegepast 6.19 [verzoeker] heeft met grief III gesteld dat de kantonrechter het begrip ‘misstand’ dan wel ‘vermoeden van een misstand’ in de zin van de Wbk te beperkt en onjuist heeft uitgelegd door de meldingen van [verzoeker] te degraderen tot louter persoonlijke ervaringen en individuele aangelegenheden. De kantonrechter is eraan voorbijgegaan dat de AP structureel re-integratieverplichtingen, discriminatie en het bestaan van een onveilige werksfeer negeert. Bovendien heeft de kantonrechter de wettelijke bewijslastverdeling volledig miskend. Het feit dat de AP in haar verweerschrift in eerste aanleg heeft erkend dat de melding als belastend werd ervaren, suggereert op zijn minst een direct causaal verband tussen zijn melding en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst dat de kantonrechter ten onrechte heeft genegeerd, volgens [verzoeker]. 6.20 Artikel 17e van de Wbk luidt als volgt: “Een melder mag tijdens en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand niet worden benadeeld, onder de voorwaarde dat bij de melding aan de werkgever (…) de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is. 6.21 In de Wbk wordt onder een ‘melding’ verstaan: “ een melding van een vermoeden van een misstand ”. Onder een ‘misstand’ wordt verstaan: “een schending of een gevaar voor schending van het Unierecht, of een handeling of nalatigheid waarbij het maatschappelijk belang in het geding is bij: 1. een schending of een gevaar voor schending van een wettelijk voorschrift of van interne regels die een concrete verplichting inhouden en die op grond van een wettelijk voorschrift door een werkgever zijn vastgesteld, dan wel 2. een gevaar voor de volksgezondheid, voor de veiligheid van personen, voor de aantasting van het milieu of voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onder Volgens [verzoeker] heeft de AP een onveilige en vijandige werkomgeving gecreëerd na zijn Wbk-melding, heeft de AP zijn re-integratietraject gefrustreerd en heeft zij misleidend gecommuniceerd over loonbetalingen door die onterecht als ‘Ziektewetuitkering’ te bestempelen. 6.30 [verzoeker] heeft deze verwijten in hoger beroep echter niet of nauwelijks onderbouwd. De kantonrechter heeft in r.o. 4.15 tot en met 4.19 van zijn beschikking uitvoerig gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat er geen sprake is van het creëren van een onveilige en vijandige werkomgeving. De kantonrechter heeft daar het volgende overwogen: “ 4.15 Volgens [verzoeker] heeft de AP zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk creëren van een vijandige werkomgeving. [verzoeker] baseert dit verwijt op de volgende gedragingen van de AP: (1) intimidatie naar aanleiding van zijn e-mail van 26 september 2024, (2) structurele uitsluiting van projecten, overleg en communicatie en (3) het onder druk zetten met middelen die in strijd zijn met privacyrechten en (4) het uitblijven van herstelgerichte acties. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] zijn stelling dat de AP een vijandige werkomgeving heeft gecreëerd, tegenover de betwisting daarvan door de AP, onvoldoende heeft onderbouwd. 4.16 Wat de vermeende intimidatie betreft stelt [verzoeker] concreet dat [ledinggevende] hem na de e-mail van 26 september 2024 telefonisch zou hebben uitgemaakt voor ‘dom’ en gezegd zou hebben dat zijn mail ‘gevolgen zou hebben’. [ledinggevende] heeft ontkend dat hij dit gezegd heeft. Volgens [ledinggevende] heeft hij na de mail van [verzoeker] telefonisch enkel opgemerkt dat het niet verstandig was om de genoemde aantijgingen op die manier te uiten, omdat er een traject zou worden gestart om zijn functioneren te verbeteren. Tegenover deze gemotiveerde ontkenning heeft [verzoeker] niet onderbouwd dat [ledinggevende] daadwerkelijk de door hem gestelde uitlatingen heeft gedaan. Wat wel aan [verzoeker] kan worden toegegeven, is dat de reactie van [ledinggevende] op de e-mail van 26 september 2024 niet de schoonheidsprijs verdiend. De daarin gedane uitlating “Dat pik ik niet zo maar, weet dat wel” kan immers als intimiderend worden ervaren. [ledinggevende] heeft toegelicht dat de beschuldigingen aan zijn adres hem diep raakten en dat zijn reactie voortkwam uit emotie, ingegeven door wat hij als oneerlijke en ongegronde beschuldigingen beschouwde. Gezien de ernst van (delen van) de beschuldigingen wordt zijn reactie niet als volstrekt onbegrijpelijk beschouwd. Niettemin had [ledinggevende] zich, gelet op zijn rol als leidinggevende van [verzoeker], van dergelijke bewoordingen moeten onthouden. Dit betekent echter nog niet dat gesproken kan worden van het creëren van een vijandige werkomgeving. 4.17 Dat geldt temeer nu uit de correspondentie met [verzoeker] van na 26 september 2024 geen enkele intimiderende of denigrerende toon blijkt van de zijde van [ledinggevende], [directeur Juridische Zaken] of HR. Ook de e-mail van [ledinggevende] van 30 september 2024, waarin hij toestemming geeft voor deelname van [verzoeker] aan de Dag van de Wetgeving, bevat dergelijke toonzetting niet. In die e-mail wijst [ledinggevende] er slechts op dat [verzoeker] zich ervan bewust moet zijn dat hij tijdens het evenement optreedt namens de AP, en daarom zorgvuldig moet zijn in zijn uitlatingen en geen vragen moet stellen waaruit blijkt dat hij bepaalde leerstukken nog niet (voldoende) beheerst. Deze opmerkingen worden niet gezien als een vorm van (een poging tot) wegpesten of uitsluiting, zoals [verzoeker] stelt. Het is veeleer bedoeld als waarschuwing en bewustwording van het feit dat [verzoeker] tijdens dat evenement de AP representeert. Verder is geen van de door [verzoeker] in zijn e-mails van 26 oktober en 29 oktober 2024 geuite verwijten naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen op de werkvloer door hem onderbouwd. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat deze verwijten voortkomen uit een verschil Er is ook niet gebleken dat de onjuiste veronderstelling van de AP over het eigen risicodragerschap nadelige gevolgen heeft gehad voor [verzoeker]. Het hof acht het onaannemelijk dat [verzoeker], zoals hij heeft gesteld, niet in aanmerking zou zijn gekomen voor gesubsidieerde rechtsbijstand en vrijstelling van griffierecht, en dat de Deken van de lokale orde van advocaten een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat zou hebben afgewezen, dit alles uitsluitend omdat de AP loonbetalingen als ‘Ziektewetuitkering’ heeft bestempeld. Dat de AP geen eigen risicodrager bleek te zijn, is ten slotte niet relevant voor de vraag of de AP heeft mogen besluiten om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. 6.34 Het hof concludeert dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de AP en dat de AP niet kan worden verweten dat zij haar verplichting om als goed werkgever te handelen heeft geschonden. Voor toekenning van een billijke vergoeding is daarom geen grond aanwezig. Geen schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde 6.35 Volgens [verzoeker] zijn in de procedure bij de kantonrechter beginselen van een goede procesorde geschonden waardoor hij geen eerlijk proces heeft gehad (grief IV). Er is sprake geweest van schending van het recht van hoor en wederhoor en het recht op ‘equality of arms’ doordat [verzoeker] het door de AP ingediende verweerschrift pas twee dagen voor de zitting heeft ontvangen en zijn bezwaar daartegen door de kantonrechter is genegeerd. Het proces-verbaal van de zitting is pas na het geven van de bestreden beschikking opgemaakt op 12 juni 2025 en herhaalde verzoeken van [verzoeker] om het procesdossier te mogen inzien zijn onbeantwoord gebleven. Het mondelinge voornemen tot wraking van [verzoeker] tijdens de zitting is niet in het proces-verbaal opgenomen. Bovendien is niet op dat voornemen gereageerd. Het negeren van een dergelijk signaal duidt op een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid en vooringenomenheid en tast de integriteit van de procedure en de schijn van onpartijdigheid van de rechtbank ernstig aan, aldus [verzoeker]. 6.36 Het hof stelt voorop dat [verzoeker] geen belang heeft bij deze grief omdat deze niet kan leiden tot een andere beslissing dan de kantonrechter heeft gegeven. De grief kan inhoudelijk ook niet slagen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter blijkt (pagina 2, eerste alinea) dat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling aandacht heeft besteed aan het verweerschrift en heeft gewezen op artikel 282 Rv waaruit volgt dat het verweerschrift ook tijdens de mondelinge behandeling mag worden ingediend. Het verdient uiteraard de voorkeur dat het proces-verbaal, wanneer partijen daarom vragen, vóór het geven van de beschikking wordt opgemaakt en wordt toegezonden aan partijen. Wanneer dat niet is gebeurd, beschikt de kantonrechter echter wel over de zittingsaantekeningen van de griffier waarop hij zijn oordeel mede baseert. Hij kon bovendien ook terugvallen op zijn eigen waarnemingen van die zitting. De AP heeft betwist dat herhaalde verzoeken van [verzoeker] om het procesdossier te mogen inzien onbeantwoord zijn gebleven, en [verzoeker] heeft deze stelling niet nader toegelicht met verwijzing naar en overlegging van de desbetreffende verzoeken. Een daadwerkelijk verzoek tot wraking wordt in het proces-verbaal opgenomen, waarna de behandeling van de zaak wordt stilgelegd en het wrakingsverzoek wordt doorgeleid naar de griffier van de wrakingskamer ter verdere behandeling. Kennelijk is het niet zover gekomen want op pagina 5 van het proces-verbaal is vermeld dat [verzoeker] heeft verklaard dat hij de kantonrechter niet wil wraken. Overigens valt niet in te zien waarom het niet-opnemen in het proces-verbaal van een voornemen tot wraking, dus niet een daadwerkelijke wraking, van [verzoeker] duidt op een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid en vooringenomenhe