Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:2461
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/210 tot en met BK-24/212 en BK-24/225 tot en met BK-24/227 Uitspraak van 16 juli 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: P. de Haas) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] en […] ) op de hoger beroepen van de Inspecteur en van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 januari 2024, nummers SGR 20/418, SGR 20/423 en SGR 20/426. Procesverloop BK-24/210 en BK-24/225 (SGR 20/418) betreffende het jaar 2011 1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.313 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2011). Daarbij is een bij de primitieve aanslag vastgesteld ondernemingsverlies herzien (de verliesherzieningsbeschikking 2011). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 105 aan heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV 2011) en een vergrijpboete opgelegd van € 250 (de boetebeschikking 2011). 1.1.2. Omdat een bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 vastgesteld verlies achterwaarts was verrekend met de winst van het jaar 2008, heeft de Inspecteur aan belanghebbende tevens een navorderingsaanslag over het jaar 2008 opgelegd (de navorderingsaanslag 2008). 1.1.3. Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 22.405 (de navorderingsaanslag Zvw 2011). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 266 aan heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking Zvw 2011). BK-24/211 en BK-226 (SGR 20/423) betreffende het jaar 2012 1.2.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.269 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2012). Daarbij is een bij de primitieve aanslag vastgesteld ondernemingsverlies herzien (de verliesherzieningsbeschikking 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 3.119 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV 2012) en een vergrijpboete opgelegd van € 8.136 (de boetebeschikking 2012). 1.2.2. Omdat een bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 vastgesteld verlies achterwaarts was verrekend met de winst van het jaar 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag over het jaar 2009 opgelegd (de navorderingsaanslag 2009). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 2.184 aan heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV 2009). 1.2.3. Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 61.053 (de navorderingsaanslag Zvw 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 131 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking Zvw 2012). BK-24/212 en BK-227 (SGR 20/426) betreffende het jaar 2013 1.3.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.019 (de eerste navorderingsaanslag IB/PVV 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 94 aan belastingrente in rekening gebracht (de eerste rentebeschikking IB/PVV 2013). 1.3.2. Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2013 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.603 (de eerste navorderingsaanslag Zvw 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 12 belastingrente in rekening gebracht (de eerste rentebeschikking Zvw 2013). 1.3.3. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een tweede navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd 1.9. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] (de eenmanszaak). Het motortankschip [naam schip] (het schip) was in de onderhavige jaren eigendom van belanghebbende en werd in voornoemde jaren door de eenmanszaak geëxploiteerd. Belanghebbende was in de onderhavige jaren de schipper van het schip. 2.2. Met het schip vervoerde belanghebbende in de onderhavige jaren bedrijfsmatig plantaardige (eetbare) olie (spijsolie). 2.3. Het schip heeft een lengte van 94,80 meter en een breedte van 11,39 meter. Het schip beschikt over acht ladingtanks met een totaal laadvermogen van ruim 2.223 m³. 2.4. Na het lossen van een lading spijsolie blijft een hoeveelheid spijsolie achter in de ladingtanks van het schip. Bij het reinigen van een ladingtank wordt waswater toegevoegd, waarna het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in zogenoemde sloptanks. Als het waswater niet meer bruikbaar is (omdat het te zeer vervuild is geraakt) of als een sloptank (bijna) vol is, ontdoet de schipper zich van de slops. De slops bevatten enerzijds olie en anderzijds vocht en vuil. In de branche pleegt de verhouding tussen beide componenten te worden uitgedrukt in een ‘vocht/vuilpercentage’, waarmee wordt aangeduid hoeveel procent van de slops bestaat uit vocht en vuil; het restant is olie. 2.5. Belanghebbende ontdeed zich in de onderhavige jaren van de in het schip verzamelde slops door deze op te laten halen door [B.V. 1] te [vestigingsplaats 1] ( [B.V. 1] ), die de slops per vrachtwagen (soms met aanhangwagen) vanaf het schip transporteerde naar [B.V. 2] te [vestigingsplaats 2] ( [B.V. 2] ). [B.V. 2] bewerkte de slops en verwerkte de olie uit de slops voor gebruik in de biodiesel-industrie. [B.V. 2] bepaalde aan de hand van de weegbrug het gewicht van de afgegeven slops (het nettogewicht), scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte (zuurgraad). 2.6. Voor een ontdoening belde belanghebbende met [B.V. 1] om een afspraak te maken. [B.V. 1] kwam dan voorrijden en pompte de slops over naar zijn vrachtwagen (en/of de aanhangwagen). Ter gelegenheid van de ontdoening werd een zogenoemde begeleidingsbrief opgemaakt, waarbij diverse gegevens (zoals de gegevens van de eenmanszaak, [B.V. 1] en [B.V. 2] en de afvalstoffen- en euralcode) vooraf door [B.V. 1] werden geprint op de begeleidingsbrief. De begeleidingsbrief was voorzien van een uniek volgnummer en bestond uit vier exemplaren (doordrukken): 1. Administratie-/vrijwaringsbewijs (Begeleidingsbrief C1/A2) voor de transporteur ( [B.V. 1] ). 2. Interne kopie (D) / extra bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B2) voor de ontdoener (de schipper). 3. Begeleidingsbrief vrachtbrief (Begeleidingsbrief A1) voor de ontvanger ( [B.V. 2] ). 4. Bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B1), retour naar de ontdoener (de schipper). 2.7. Belanghebbende ontving Begeleidingsbrief B2 van [B.V. 1] op het moment van de ontdoening. Op begeleidingsbrief B2 werd onder meer de datum van de ontdoening vermeld, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 1] en in de meeste gevallen de geschatte hoeveelheid afgegeven slops (in kilogram). Begeleidingsbrief B2 werd ondertekend door belanghebbende en door [B.V. 1] . 2.8. Bij de aflevering van de slops door [B.V. 1] aan [B.V. 2] werden door [B.V. 2] gegevens op Begeleidingsbrieven C1/A2, A1 en B1 vermeld, de zogenoemde weegbrugstempel. Op dit weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 1] en het bruto, tarra en netto gewicht van de slops dat werd bepaald aan de hand van de gegevens van de weegbrug. Deze doordrukken werden ondertekend door de ontvanger ( [B.V. 2] ). Het we Onderzoek door de Belastingdienst 2.14. Bij het OM rees naar aanleiding van de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen contantfacturen het vermoeden dat schippers van diverse motortankschepen contante betalingen hadden ontvangen van [B.V. 1] voor het leveren van slops. In dat kader heeft het OM zich tot de Belastingdienst gewend, waarna de Inspecteur een vordering op grond artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft ingesteld strekkende tot het verkrijgen van toestemming van de Officier van Justitie voor inzage en het gebruik van (relevante delen van) gegevens uit het strafdossier van onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ ten behoeve van fiscale- en invorderingsdoeleinden. Op 26 mei 2016 heeft de Officier van Justitie deze toestemming verleend en de gegevens verstrekt. 2.15. In het strafdossier van onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ bevindt zich onder meer de in 2.12 vermelde Excel-spreadsheet van de politie en de in 2.13 vermelde kasboeken, grootboeken, kalenders en het notitieblok, waaruit de veronderstelde contante betalingen die belanghebbende zou kunnen hebben ontvangen voor de afgifte van slops kunnen worden afgeleid. 2.16.1. De Belastingdienst heeft na ontvangst van de gegevens uit het strafdossier op 30 november 2017 een onderzoek bij [B.V. 1] ingesteld. Een verslag van een op 30 november 2017 bij [B.V. 1] gehouden bespreking vermeldt onder meer het volgende: “6. Opeenvolgende factuurnummer op dezelfde datum bij zelfde aanbieder Als voorbeeld zijn de leveringen door (…) genomen. Er is vastgesteld dat een aantal inkopen op dezelfde datum met een opvolgend factuurnummer voorkomen. De contant-factuur vermeld een afgerond bedrag, de per bank betaalde factuur vermeld een niet-afgerond bedrag. Door [ [B.V. 1] , Hof ] is hierover het volgende verklaard: Op verzoek van de schipper werd er een factuur gemaakt bijvoorbeeld voor € 5.000,= Dit geld werd daarvoor bij de bank opgenomen en bij de inname werd dit bedrag betaald aan de schipper. Deze was dus de opdrachtgever, ingeval van een vof, was dat meestal een van de firmanten. De factuur werd samen met de geleidebon bij de eerstvolgende inname aan de schipper overhandigd. Er werd hiervan geen afzonderlijke kwitantie gemaakt. Voorbeeld facturen 2259 en 2260 van (…) Ingeval facturen 2260 en 2259 van (…) is ingenomen: 20.303 (2259) plus 5.603 (2260) kilo, totaal derhalve 25.906 kilo. Op factuur 2259 staat vloeibare olie 35.980. Het verschil tussen de 25.906 en de 35.980 is dus 10.074 vuil water. Deze hoeveelheden sluiten aan bij de geleide bonnen. Er zijn twee geleid bonnen, een voor de vrachtwagen en een voor de aanhangwagen. Op de geleide bon staat tevens een vocht/vuil percentage van 28%. (geleidebonnen zijn bijgevoegd) 28% van 35.980 = 10.074. Dit sluit dus aan bij de genoemde kilo's op de facturen. Deze werkwijze was bij alle schepen het zelfde.” 2.16.2. Op 13 maart 2018 heeft een bespreking bij [B.V. 1] plaatsgevonden. Het gespreksverslag van die bespreking vermeldt, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer het volgende: “ Waarom is er de ene keer per bank en de andere keer contant betaald? Wie bepaalt dat? De schipper bepaalt of per bank of contant betaald wordt. Hij geeft aan wat hij wil en hoeveel geld hij contant wil hebben. [B.V. 1] ging dan naar [naam 1] , die het geld bij de bank ophaalde en aan hem meegaf. Het komt voor dat de rest wel per bank wordt voldaan. Dan zijn er 2 facturen van 1 levering. Er zien dan 2 betalingen op 1 afgifte van slops. Waarom staat er geen btw op de contant betaalde facturen en wel op de facturen die per bank worden betaald? [B.V. 1] kan dan toch geen voorbelasting verrekenen? Geen duidelijk antwoord. Dit zou afgesproken zijn met de Belastingdienst. Schoonzus [naam 1] heeft dit geprobeerd uit te leggen aan [naam 2] , maar hij geeft aan dit vergeten te zijn. De getoonde brief (bijlage 3) ging echter over de opname van veel contanten bij de bank. Niet om het achterwege laten van btw op Bij deze brief heeft de Inspecteur het in 2.19 genoemde overzicht van de gestelde contante betalingen (nogmaals) verstrekt, inclusief digitale afschriften van de in het overzicht opgenomen contantfacturen, welke digitale afschriften tijdens het strafrechtelijk onderzoek in de administratie van [B.V. 1] zijn aangetroffen. 2.21. De daaropvolgende nadere correspondentie en het e-mailverkeer tussen de advocaat van belanghebbende en de Inspecteur heeft niet geleid tot herziening van het voornemen van de Inspecteur tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes, welke overeenkomstig de aankondiging zijn opgelegd. De Inspecteur heeft het nader vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt berekend: 2011 2012 2013 Eerder vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € - 30.109 € - 9.784 € 29.448 Bij: contante betalingen € 64.900 € 53.362 € 24.380 Af: lagere zelfstandigenaftrek € - 9.427 Af/bij: meer/minder zelfstandigenaftrek voorgaande jaren € - 9.427 € 17.084 € 1.827 Af: hogere meewerkaftrek € - 1.067 Af: hogere mkb-winstvrijstelling € - 5.785 € - 8.326 € - 3.669 Nader vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning € 12.313 € 51.269 € 51.986 2.22. Tijdens de bezwaarfase heeft de advocaat van belanghebbende, op verzoek van de Inspecteur, bij brief van 23 april 2018 stukken uit de administratie van belanghebbende overgelegd. Dit betreft: 6 bankfacturen uit 2011 van [B.V. 1] aan belanghebbende met betrekking tot de afgifte van slops van het schip; 19 bankfacturen uit 2012 van [B.V. 1] aan belanghebbende met betrekking tot de afgifte van slops van het schip; 12 bankfacturen uit 2013 van [B.V. 1] aan belanghebbende met betrekking tot de afgifte van slops van het schip; Begeleidingsbrieven B1 die betrekking hebben op de door belanghebbende afgegeven slops in de periode maart 2012 tot en met december 2013; 2 begeleidingsbrieven B2 met datum weegbrugstempel 29/06/2012 en 12/11/2012; Bankafschriften op naam van de eenmanszaak waaruit de ontvangst van de bankbetalingen blijkt van de door belanghebbende verstrekte bankfacturen; en Grootboekmutatiekaart 2013 van de eenmanszaak. 2.23. Bij brief van 30 mei 2018 heeft de advocaat van belanghebbende aanvullend stukken uit de administratie van belanghebbende verstrekt, waaronder begeleidingsbrieven B2 uit 2011, 2012 en 2013 met betrekking tot de afgifte van slops van het schip en een olieafgifteboekje. 2.24. Belanghebbende heeft op 25 juni 2018 globaal inzage gekregen in het digitale en fysieke dossier van de Inspecteur met betrekking tot het schip. De Inspecteur heeft ook bij brief van 4 september 2018 inzage verstrekt in onder meer de (in 2.13 vermelde) doorschrijfkasboeken 2011 en 2013, de kladkasboeken 2011 en 2012, de weekkalenders 2013 en de maandkalender 2011. Tevens is inzage verleend in de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen verkoopfacturen aan [B.V. 2] (zie 2.18). Het betreft verkoopfacturen die zijn te herleiden naar vijf inkoopfacturen uit 2012 en naar acht inkoopfacturen uit 2013. Van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen in 2011 en de overige 14 gestelde contante betalingen in 2012 behoren geen corresponderende verkoopfacturen aan [B.V. 2] tot de gedingstukken. 2.25. Op 6 september 2018 heeft de Inspecteur met behulp van Belastingdienst Filetransfer inzage verleend in stukken afkomstig uit de administratie van [B.V. 1] uit 2011, 2012 en 2013, waaronder de Begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1) die betrekking hebben op de inkoopfacturen zoals opgenomen in het in 2.19 genoemde overzicht, alsmede diverse bijbehorende contantfacturen (afgedrukt op papier met het logo en gegevens van [B.V. 1] ). 2.26. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes gehandhaafd. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft overwogen, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: Eiser stelt zich op het standpunt dat aan de navorderingsaanslagen geen nieuw feit ten grondslag ligt omdat volgens hem uit de ambtsedige verklaring volgt dat verweerder reeds in 2013 bekend was met de verdenking van contante geldstromen naar schepen. Volgens eiser had verweerder naar aanleiding van de in 2013 verkregen informatie zelf onderzoek moeten doen en vragen moeten stellen. De rechtbank volgt hem hierin niet. Verweerder mocht het verloop van het strafrechtelijk onderzoek afwachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [getuige [naam 4] ] heeft verklaard dat verweerder op dat moment ook niet wist om welke schippers het zou gaan en dat er toen nog geen concrete informatie over contanten met betrekking tot het schip van eiser bekend was. Gelet op het onder 3 en 10 beschreven verloop werd verweerder pas bekend met de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van het schip en eiser nadat de definitieve aanslagen waren opgelegd. Daarmee is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De vraag of sprake is van kwade trouw behoeft geen beantwoording meer. Vereiste aangiften 39. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.[3] 40. Verweerder wijst hiertoe op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek (met name de daar beschreven modus operandi), de bevindingen uit het door verweerder ingestelde onderzoek bij [B.V. 1] en op de bevindingen uit het onderzoek naar de administratie van eiser en de door [B.V. 1] beschreven werkwijze (zie r.o. 12). Volgens de spreadsheet bevatten de vanaf het schip geleverde slops zeer lage percentages vocht/vuil; meerdere slops bestonden volgens de op de spreadsheet vermelde meetgegevens van [B.V. 2] uit 2% of 3% vocht/vuil en ook 0% vocht/vuil kwam voor. Verweerder heeft aangevoerd dat de beschreven werkwijze ook volgt uit de administratie van [B.V. 1] . Hij wijst op inkoopfacturen […] en […] en begeleidingsbrief met nummer […] (r.o. 13 tot en met 15). Inkoopfactuur […] en het bijbehorende bedrag komt voor op de door eiser verstrekte bankafschriften. Inkoopfactuur […] en het bijhorende bedrag komt niet voor in eisers administratie. Volgens inkoopfactuur […] heeft [B.V. 1] voor 11.421 kilogram een bedrag van € 7.195,23 betaald. Volgens de begeleidingsbrief bedroeg de geschatte afgegeven hoeveelheid 19.000 kilogram. Uit de weegbrugstempel op de begeleidingsbrief leidt verweerder af dat de door het schip daadwerkelijk afgegeven slop 17.220 kilogram bedraagt. Op inkoopfactuur […] staat dat [B.V. 1] voor 5.454 kilogram een bedrag van € 3.000 contant heeft betaald. Volgens verweerder is het onwaarschijnlijk dat eiser geen vergoeding heeft ontvangen voor de 5.454 kilogram. Uit de weegbonstempel op de begeleidingsbrief staat dat weegbonnummer […] bij deze levering hoort. Op 28 februari 2013 heeft [B.V. 1] voor deze lading een bedrag van € 11.981,68 ontvangen van [B.V. 2] . Het is volgens verweerder zeer onwaarschijnlijk dat [B.V. 1] slechts voor 11.421 kg van de ingenomen 17.220 kg olie zou hebben betaald. Verweerder heeft verder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen. 41. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd Het bedrag van de belasting dat als gevolg van het niet aangeven van de contante betalingen niet zou worden geheven is voor alle jaren zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk. Eiser moet zich hier bewust van zijn geweest. Redelijke schatting 45. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De rechtbank acht de schatting van verweerder redelijk. Verweerder is namelijk uitgegaan van de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen facturen en de uit de stukken op te maken geldstromen. 46. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat verweerder de winst uit onderneming te hoog heeft vastgesteld. De enkele ontkenning van de ontvangst van de betalingen is daartoe onvoldoende. Boetebeschikkingen 47. Verweerder heeft gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013, vergrijpboetes van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd aan eiser. Het betreft vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de Awr in verband met (voorwaardelijke) opzet. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De bewijslast voor een boete rust op verweerder. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Verweerder moet de voor de boete vereiste feiten en omstandigheden dan ook doen blijken, wat inhoudt overtuigend aantonen[4]. 48. Verweerder stelt dat eiser met zijn handelwijze willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat de contante ontvangsten onbelast zijn gebleven. Verweerder voert aan dat gelet op de substantiële omvang van de contante betalingen deze niet aan de aandacht van eiser kunnen zijn ontsnapt. Door de contante betalingen zijn de betreffende leveringen aan het zicht onttrokken. Door het structureel niet opnemen van de contante ontvangsten in de administratie heeft eiser volgens verweerder willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de omzet tegen een te laag bedrag in de aangiften is verantwoord als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven. Derhalve zijn volgens verweerder boetes van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden. 49. Eiser stelt dat de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd aangezien verweerder niet heeft aangetoond dat hij de door verweerder gestelde contante bedragen heeft ontvangen van [B.V. 1] . Volgens eiser valt die conclusie ook niet te trekken uit het strafrechtelijk onderzoek en heeft verweerder de vergrijpboetes ten onrechte alleen gebaseerd op bewijsvermoedens. 50. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd. Voor een boete rust een zwaardere bewijslast op verweerder dan bij de aanslagoplegging (overtuigend aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder heeft niet overtuigend aangetoond dat eiser de contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder niet heeft aangetoond aan wie de contante betalingen, waarvan de facturen op naam staan van het schip, zijn gedaan. Dat het aannemelijk is dat eiser de contanten heeft ontvangen, is voor een vergrijpboete niet voldoende. Het voorgaande betekent dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. Rentebeschikkingen 51. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de heffingsrente dan wel belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend. 52. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 50 dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. (…) [1] ECLI:NL:HR:2018:2389 [2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. [3] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083. [4] ECLI:NL: Belanghebbende heeft voorts gesteld dat delen (bijlagen) van het Basis proces-verbaal uit het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (Basis PV) niet zijn overgelegd en verwijst daarbij naar ambtshandeling 336 en ambtshandeling 050 uit het Basis PV. Uit ambtshandeling 336 zou blijken dat [B.V. 1] niet alle begeleidingsbrieven dan wel vervalste begeleidingsbrieven verstrekte aan [B.V. 4] , één van de bevrachters waarvoor belanghebbende heeft gevaren. Ambtshandeling 050 heeft betrekking op de afgifte van slops vanaf het schip in 2011. Voornoemde ambtshandelingen betreffen op de zaak betrekking hebbende stukken, aldus belanghebbende. 5.2.2. De Inspecteur stelt dat ambtshandeling 336 geen op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb, omdat ambtshandeling 336 betrekking heeft op de afgifte van slops in de maanden januari en februari 2012. In die periode voer belanghebbende echter niet voor [B.V. 4] , maar voor bevrachter [B.V. 5] , zodat ambtshandeling 336 geen informatie bevat die op de zaak betrekking heeft, aldus de Inspecteur. Ten aanzien van ambtshandeling 050 heeft de Inspecteur ter zitting gesteld dat hij daarover niet beschikt en dat hij dit stuk niet heeft gebruikt voor het opleggen van de navorderingsaanslagen en bijbehorende beschikkingen, zodat ook dit stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb betreft. 5.2.3. Belanghebbende heeft in zijn (voor de zitting ingediende) pleitnota toegelicht dat hij reeds in 2011 niet meer voor [B.V. 4] voer en dat hij in 2012 (onder meer) voor [B.V. 5] is gaan varen, hetgeen belanghebbende ter zitting heeft bevestigd. Gelet hierop en op de omstandigheid dat ambtshandeling 336 betrekking heeft op de maanden januari en februari 2012, bestaat voor de Inspecteur geen aanleiding om deze ambtshandeling als een op de zaak betrekking hebbend stuk te overleggen. Wat betreft ambtshandeling 050 is geen reden om aan de verklaring van de Inspecteur, dat deze ambtshandeling hem niet ter beschikking heeft gestaan, te twijfelen, gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur zich bij het opleggen van de navorderingsaanslagen en bijbehorende beschikkingen heeft gebaseerd op de in 2.12 vermelde Excel-spreadsheet van de politie. De Inspecteur is evenmin gehouden tot het opvragen van stukken die zich onder het OM bevinden (zoals ambtshandeling 050), ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2, en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:29, r.o. 3.3.1.3). Geschilpunt b (onderlinge gegevensuitwisseling) 5.3.1. Belanghebbende heeft erop gewezen dat onduidelijk is op welke wettelijke grondslag informatie is gedeeld tussen de Inspecteur en de relevante opsporingsautoriteiten (het OM en de politie) in de periode voordat de vordering als bedoeld in artikel 55 AWR is ingesteld (zie 2.14). Hij betwist derhalve de rechtmatigheid van die gegevensuitwisseling. 5.3.2. Uit de ambtsedige verklaring van belastingambtenaar [naam 4] blijkt dat de vordering op grond van artikel 55 AWR het vervolg vormde op een briefingbijeenkomst over het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ op 5 augustus 2013, gehouden bij de dienst Regionale Recherche te […] , waarbij ambtenaren van het OM, de politie en de Belastingdienst aanwezig waren. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2389, r.o. 2.4, moet worden afgeleid dat een zodanig overleg ook zonder bijzondere wettelijke grondslag is toegestaan en dat het plaatsgrijpen daarvan niet van belang is voor het antwoord op de vraag of het gebruik van strafvorderlijke gegevens waarop het overleg betrekking had voor heffingsdoeleinden toelaatbaar is. Daar komt bij dat nergens uit blijkt dat tijdens dit overleg strafvorderlijke gegevens over belanghebbende zijn gedeeld. Het voorgaande ligt anders voor de overdracht van de strafvorderlijke gegevens op 26 mei 2016, maar daarvoor bestond een wettelijke grondslag i 1] door het deel van de afgegeven partij waarvoor nog niet contant was betaald te vermenigvuldigen met de prijs per kilogram. De som van het gewicht waarvoor volgens de bank- en contantfacturen wordt betaald, is lager dan het op deze facturen vermelde nettogewicht, wat overeenkomt met het netto afgegeven aantal kilogram volgens de weegbrugstempel van [B.V. 2] op de desbetreffende begeleidingsbrief. Het verschil betreft het vocht/vuil. Deze hoeveelheid komt overeen met het absolute equivalent van het percentage vocht/vuil dat [B.V. 1] bijschreef op de begeleidingsbrief met weegbrugstempel (Begeleidingsbrief B1), welke door [B.V. 1] ofwel tezamen met de bankfactuur aan belanghebbende werd gezonden, ofwel bij de volgende levering aan belanghebbende werd overhandigd. Door deze werkwijze werd belanghebbende, aldus de Inspecteur, door [B.V. 1] op de hoogte gesteld van de door [B.V. 2] gemeten hoeveelheid zuivere plantaardige olie in kilogram en het vastgestelde vocht/vuilpercentage. 5.6.6. Ter illustratie van de geld- en goederenstromen heeft de Inspecteur een tweetal voorbeelden nader uitgewerkt. 5.7. Volgens de Inspecteur leveren de gegevens uit de administratie van [B.V. 1] , de gegevens verkregen bij het fiscale onderzoek (waaronder het gespreksverslag van 13 maart 2018) en de stukken uit en getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het kader van het strafrechtelijke onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ het bewijsvermoeden op dat belanghebbende de op de contantfacturen vermelde bedragen contant heeft ontvangen van [B.V. 1] . 5.8.1. Belanghebbende heeft de juistheid van de door de Inspecteur geschetste toedracht gemotiveerd weersproken en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de persoon van de afnemer ( [B.V. 1] ) en de redenen die [B.V. 1] zou kunnen hebben gehad om (valse) contantfacturen op te nemen in zijn administratie. 5.8.2. Over de gang van zaken bij de afgifte van slops aan [B.V. 1] heeft belanghebbende onder meer ter zitting van het Hof het volgende verklaard. Op het moment van ontdoening was belanghebbende niet op de hoogte van de (daadwerkelijke) verhouding tussen de olie en het vocht/vuil en het FFA-gehalte. Het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte werden veelal niet op de Begeleidingsbrieven B2 vermeld door [B.V. 1] . Hoewel [B.V. 1] beschikte over een centrifuge in zijn vrachtwagen waarmee het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte kon worden gemeten, maakte [B.V. 1] daar niet altijd gebruik van, aldus belanghebbende. Indien het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte wel werden gemeten, werd de meting met behulp van de centrifuge niet aan belanghebbende getoond. In die gevallen werd het door [B.V. 1] op de Begeleidingsbrief B2 geplaatste (geschatte) vocht/vuilgehalte daarbij door belanghebbende aangenomen; hij ging af op hetgeen door [B.V. 1] daaromtrent werd gesteld. Belanghebbende had verder geen inzicht in de daadwerkelijke waarde die de slops hadden voor [B.V. 1] en [B.V. 2] . Voor hem ging het namelijk om een afvalstof waarvan hij zich moest ontdoen; het was voor hem al mooi meegenomen als hij voor zijn slops een vergoeding kreeg. Pas geruime tijd na de afgifte van de slops (een maand later) door [B.V. 1] aan [B.V. 2] ontving belanghebbende een bankfactuur van [B.V. 1] , alsmede de bijbehorende Begeleidingsbrief B1. De gegevens op de ontvangen bankfacturen hebben bij belanghebbende nooit de vraag opgeroepen of hij meer betaald had moeten krijgen dan wat hij volgens de bankfacturen betaald heeft gekregen. Hij heeft de ontvangen bankfacturen ook niet vergeleken met de bijbehorende Begeleidingsbrieven B1. Op latere vermeldingen door [B.V. 1] op begeleidingsbrieven had hij geen zicht en evenmin op het bij [B.V. 2] bepaalde gewicht van de inhoud van tankwagen, het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte. 5.8.3. Belanghebbende heeft voorts erop gewezen dat [B.V. 1] als verdachte aangemerkt is (geweest) in het strafrechtelijk onderzoek, alsmede dat hij de mogelijkheid had om de samenstelling van de slops te Verder werden van de gestelde contante betalingen, aldus ook de Inspecteur, geen kwitanties opgemaakt en is het opmerkelijk dat de contantfacturen (zonder het bedrijfslogo van [B.V. 1] ) zijn opgemaakt exclusief omzetbelasting, terwijl de bankfacturen (mét bedrijfslogo) inclusief omzetbelasting zijn. Tevens is opvallend dat [B.V. 1] op contantfacturen veelal een andere marktprijs per kilogram slops hanteerde dan op de bankfacturen, terwijl voor deze verschillen geen bevredigende verklaring voorhanden is. Ten slotte is van belang dat geen enkele van de door [B.V. 1] opgemaakte contantfacturen is aangetroffen in de administratie van belanghebbende. Dit alles doet in sterke mate af aan de overtuigingskracht van de contantfacturen als bewijs voor de gestelde contante betalingen aan belanghebbende. 5.11.3. Er zijn ook andere aanwijzingen dat [B.V. 1] heeft gesjoemeld met cijfers/gegevens op de inkoopfacturen dan wel begeleidingsbrieven. Op een aantal inkoopfacturen staan stortkosten vermeld, welke kosten aan een schipper in rekening worden gebracht indien de afgeleverde partij olie een hoog vocht/vuilgehalte bevat. Uit de gedingstukken blijkt evenwel dat niet bij alle contantfacturen waarop stortkosten in rekening zijn gebracht, sprake is van een hoog vocht/vuilgehalte. Ook is gebleken dat de op de contantfacturen dan wel begeleidingsformulieren vermelde vocht/vuilgehaltes niet altijd de percentages betreffen waarmee de te betalen bedragen op de inkoopfacturen zijn berekend. Verder bevatten niet alle begeleidingsbrieven een handtekening van belanghebbende, maar is de naam van de eenmanszaak of de naam van het schip (verkeerd gespeld) erbij geschreven. In het Basis-PV ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ worden ten slotte nog diverse andere gevallen beschreven die aanwijzingen opleveren dat controlerende instanties, opdrachtgevers en anderen door [B.V. 1] opzettelijk werden misleid door het opmaken van valse en vervalste documenten en het achterwege laten van documenten. 5.11.4. Dat de naam van het schip (inclusief het bedrag van de contante betaling) voorkomt op weekkalenders dan wel dat de bedragen die in de doorschrijfkasboeken, kladkasboeken, grootboeken en het notitieblok voorkomen corresponderen met de bedragen die volgens de contantfacturen op de desbetreffende data aan belanghebbende zouden zijn betaald, doet, met inachtneming van de hiervoor vermelde omstandigheden, niet af aan de mogelijkheid dat [B.V. 1] een dergelijke administratie heeft opgezet teneinde de administratie van de in- en verkoop van de afgeleverde slops sluitend te maken. Ten slotte ontbreken aanknopingspunten die wijzen op het bezit van contanten bij belanghebbende. 5.12. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat de contante betalingen aan belanghebbende die de Inspecteur heeft afgeleid uit de administratie van [B.V. 1] , daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Voor zover al aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contant betaald heeft gekregen voor het totale aantal kilo’s aan olie zoals die bij [B.V. 2] werden vastgesteld, geldt dat dit gelet op het voorgaande redelijkerwijs moet worden betwijfeld, zodat het vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd en niet tot de door de Inspecteur voorgestane uitkomst kan leiden. Slotsom 5.13. Het voorgaande brengt mee dat de Rechtbank terecht de boetebeschikkingen heeft vernietigd en dat de onderhavige navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen eveneens moeten worden vernietigd. De in 4.1 onder d) en 4.2 genoemde geschilpunten kunnen derhalve onbesproken blijven. 5.14. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond en het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof ziet aanleiding voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. 6.2. Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Beslu