Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-28
ECLI:NL:GHDHA:2026:2456
Faillissement Bopec (Bonaire). Aansprakelijkstelling curator q.q. en pro se, naast Nederlandse gedaagden. Hoger beroep in bevoegdheidincident. Het hof verklaart de rechtbank op grond van artikel 7 lid 1 Rv internationaal bevoegd om kennis te nemen van de (in hoger beroep gewijzigde) eis tegen de curator q.q. en pro se. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.355.678/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/663925 HA ZA 24-300 Arrest van 28 juli 2026 in de zaak van [appellant] , zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Bonaire Petroleum Corporation N.V. (BOPEC) , wonend op [plaats 1] en in zijn hoedanigheid van curator kantoorhoudend op [plaats 2] , appellant, advocaat: mr. C. de Bres, kantoorhoudend in Den Haag, tegen: Alphaville Holdings Limited , gevestigd in de Republiek der Seychellen, geïntimeerde, advocaat: mr. N. Kose-Albayrak, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof noemt partijen hierna de curator pro se, de curator en Alphaville. De curator pro se en de curator noemt het hof gezamenlijk ook: de curator (pro se). Tenzij hierna anders aangegeven, wordt met Nederland steeds geduid op het land in Europa (Europees Nederland), niet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caraïbisch Nederland). 1 De zaak in het kort Deze zaak betreft een hoger beroep van een vonnis in een bevoegdheidsincident, waarin de rechtbank zich internationaal bevoegd heeft geacht om van het voorgelegde geschil tussen partijen kennis te nemen. Ook het hof acht de Nederlandse rechter internationaal bevoegd, om van de in hoger beroep gewijzigde eis kennis te nemen. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 19 mei 2025, waarmee de curator (pro se) krachtens verlof van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 14 mei 2025, in hoger beroep is gekomen van het vonnis van diezelfde rechtbank van 5 maart 2025; de memorie van grieven van de curator (pro se), met bijlagen 9-12; de memorie van antwoord, tevens akte wijziging van eis, van Alphaville. 2.2 Op 9 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. De Bres voor de curator (pro se) en – op introductie van mr. Kose-Albayrak – mr. G. de Hoogd, advocaat te Aruba, voor Alphaville, hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Op 18 maart 2021 is Bopec in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig. Op dat moment had een zustermaatschappij van Bopec, PDVSA Petróleo S.A. (hierna: PPSA), een hoeveelheid olie (hierna ook: de Olie) opgeslagen in een tank (hierna: de Tank) op de terminal van Bopec op Bonaire. PPSA had op dat moment een betalingsachterstand ter zake van volgens Bopec verschuldigde opslag- en overige kosten. 3.2 Een (andere) crediteur van PPSA, GMC Global Marine Contractors Carribean N.V. (hierna: GMC), heeft een tegen PPSA verkregen titel ten uitvoer gelegd door openbare verkoop van de Olie op een executieveiling op 2 december 2021. Alphaville heeft de Olie toen gekocht en is op 13 december 2021 daarvan eigenaar geworden. 3.3 Alphaville heeft de curator vervolgens om afgifte van de Olie gevraagd. De curator stelde daartegenover dat de gevraagde afgifte (vergunning)technisch niet mogelijk was. Daarnaast schortte de curator afgifte op met een beroep op een retentierecht ter zake van (i) de vordering van Bopec op PPSA, en (ii) een vordering van de boedel op Alphaville ter zake van volgens hem verschuldigde opslagkosten per de datum van haar eigendomsverkrijging. 3.4 Bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2022 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (hierna: het Gerecht), Alphaville veroordeeld om opslagkosten aan de curator te voldoen ten bedrage van USD 1.710.968,- en per 1 juli 2022 USD 260.000,- per maand, steeds vermeerderd met rente. Bij vonnis in kort geding van 4 juli 2023 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie Alphaville veroordeeld om openbare verkoop van de Olie te gehengen en te gedogen voor de opgebouwde retentievordering van de curator op PPSA ten bedrage van USD 13.520.000,-, vermeerderd met rente. Op 27 februari 2024 heeft de curator ter uitvoering van deze vonnissen de Olie openbaar doen verkopen tegen een koopprijs van USD 21.500.000,-. Uit de opbrengst heeft hij zich verhaald voor zijn vorderingen op PPSA en Alphaville, waarna voor Alphaville geen (rest)opbrengst meer resteerde. 3.5 Via zijn diensten Rijkswaterstaat (RWS) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) was en is de Staat der Nederlanden (de Staat) verantwoordelijk voor de vergunningverlening aan en het toezicht op (naleving van de vergunningvoorwaarden door) Bopec. 3.6 [Naam] ( [bestuurder] ) is bestuurder van een rechtspersoon die krachtens een overeenkomst met de curator assistentie en advies bij het beheer van de terminal van Bopec verleende. 4 Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep 4.1 Alphaville heeft de curator (pro se), de Staat (‘IL&T’) en [bestuurder] gedagvaard en gevorderd: te verklaren voor recht dat [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en pro se én [bestuurder] én IL&T ieder voor zich, althans gezamenlijk, althans ieder voor zich én gezamenlijk aansprakelijk zijn jegens Alphaville voor de schade die het gevolg is van het onrechtmatige handelen en nalaten van [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en/ of pro se én/ of [bestuurder] én/ of IL&T; te verklaren voor recht dat [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator geen retentierecht heeft op de Olie op grond waarvan dan ook (in ieder geval ook voor wat betreft een pré-faillissements- en pré-veilingvordering), althans dat het uitoefenen van het retentierecht onrechtmatig is, als gevolg waarvan [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator aansprakelijk is voor de schade die daarvan het gevolg is; te verklaren voor recht dat de redelijke opslagkosten per barrel in het Caraïbisch gebied bij een normaal functionerende terminal per maand USD 0,25 per barrel bedragen; te verklaren voor recht dat alleen voor de daadwerkelijk opgeslagen hoeveelheid Olie opslagkosten verschuldigd zijn en niet voor de gehele tankinhoud; te verklaren voor recht dat voor zover [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator een pre-veilingvordering zou hebben uit hoofde van opslagloon uit het PDVSA contract, de hoogte daarvan wordt bepaald op nihil, althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; te verklaren voor recht dat de Curator geen retentierecht heeft op de Olie voor de beweerde vordering voor opslagkosten van voor de veiling; te verklaren voor recht dat de Curator geen retentierecht heeft op de Olie voor de beweerde vordering voor opslagkosten van na de veiling alleen voor de daadwerkelijk opgeslagen hoeveelheid Olie opslagkosten verschuldigd zijn en niet voor de gehele tankinhoud; te verklaren voor recht dat gedurende de periode dat [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator in schuldeisersverzuim verkeert, te weten 22 december 2021 tot op heden, Alphaville wordt bevrijd van enige verbintenis tot het betalen van opslagkosten; te oordelen dat Alphaville gedurende de periode dat door het toedoen en/of nalaten van [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en/of IL&T de Olie niet kan worden gelost geen kosten voor opslag verschuldigd is althans dat deze dienen te worden gematigd tot een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator te veroordelen tot vergoeding van alle door Alphaville geleden en te lijden schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en pro se, alleen en/of tezamen met én/of [bestuurder] én/of IL&T, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt; IL&T te veroordelen tot vergoeding van alle door Alphaville geleden en te lijden schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van IL&T, alleen en/ of tezamen met én/ of [bestuurder] én/of, [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en pro se welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt; [bestuurder] te veroordelen tot vergoeding van alle door Alphaville geleden en te lijden schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van [bestuurder] , alleen en/ of tezamen met én/ of IL&T én/ of, [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en pro se welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt; [appellant] in zijn hoedanigheid van Curator en pro se en [bestuurder] en IL&T ieder hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen alsook in de wettelijke rente over die kosten in het geval van betaling daarvan binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis uitblijft. 4.2 Bij vonnis in incident van 5 maart 2025, gewezen tussen Alphaville (als verweerster in het incident) en de curator (pro se), [bestuurder] en de Staat (als eisers in het incident), heeft de rechtbank de door de curator (pro se) en [bestuurder] opgeworpen excepties van onbevoegdheid verworpen, en de incidentele vordering van de Staat tot aanhouding of verwijzing afgewezen. Bij vonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank tegen dat vonnis van 5 maart 2025 tussentijds hoger beroep opengesteld. 4.3 In hoger beroep heeft de curator (pro se) Alphaville gedagvaard en gevorderd dat het hof het vonnis van 5 maart 2025 vernietigt en alsnog de (internationale) onbevoegdheid uitspreekt van de Nederlandse rechter, met veroordeling van Alphaville in de kosten van beide instanties. Alphaville heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 5 maart 2025, met veroordeling van de curator (pro se) in kosten van het hoger beroep. Daarnaast heeft Alphaville haar eis als volgt gewijzigd: Primair i. De Curator in zijn hoedanigheid van Curator en pro se, [bestuurder] en IL&T hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, te veroordelen om, binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis, aan Alphaville te betalen een bedrag ter hoogte van USD 28.486.020 (zegge: achtentwintig miljoen vierhonderdzesentachtigduizend twintig), althans een door uw Rechtbank vast te stellen bedrog, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf datum verzuim tot aan de dag der algehele voldoening. Subsidiair Te verklaren voor recht dat de Curator in zijn hoedanigheid van Curator en pro se, [bestuurder] en IL&T ieder voor zich en/of gezamenlijk onrechtmatig jegens Alphaville hebben gehandeld en dat gedaagden de schade die Alphaville als gevolg daarvan lijdt en/of heeft geleden dienen te vergoeden, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat. Primair en subsidiair De Curator in zijn hoedanigheid van Curator en pro se, [bestuurder] en IL&T hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, te voldoen binnen twee weken na het in deze te wijze vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele voldoening. 5 Beoordeling in hoger beroep Juridisch kader 5.1 Het geschil tussen Alphaville en de curator (pro se) draagt een internationaal karakter door de vestigingsplaats van Alphaville (Republiek der Seychellen). Voor toetsing van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter komt Verordening (EU) 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis) niet in aanmerking omdat de curator (pro se) geen woon- of vestigingsplaats heeft in een lidstaat in de zin van Brussel I bis en geen sprake is van vorderingen als bedoeld in artikelen 18 lid 1, 21 lid 2, 24 en/of 25 Brussel I bis (artikel 6 lid 1 Brussel 1 bis). 5.2 De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet daarom worden getoetst aan het commune internationale-bevoegdheidsrecht: artikelen 1-14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In deze zaak is aan de orde of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 7 lid 1 Rv. Deze bepaling houdt in dat als in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid (zoals de onderhavige) de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden (hierna ook: de ankergedaagde) rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van medegedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. 5.3 De zinsnede van artikel 7 lid 1 Rv dat ‘de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft’ moet aldus worden verstaan dat de Nederlandse rechter – als eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv – ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht dient te hebben op een andere grond dan die vermeld in artikel 7 lid 1 Rv zelf. Als aan die voorwaarde is voldaan, geldt als tweede voorwaarde voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv dat de vorderingen tegen de andere gedaagde(n) voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de gedaagde ten aanzien van wie de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op een andere grond dan die vermeld in artikel 7 lid 1 Rv zelf (HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443). 5.4 Artikel 4 lid 1 Brussel I bis bepaalt, voor zover hier van belang, dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Ten aanzien van de Staat kan de Nederlandse rechter zijn internationale bevoegdheid ontlenen aan deze bepaling, nu de Staat zogezegd in Nederland zetelt. De Staat kan dus als ankergedaagde fungeren ten opzichte van de curator (pro se). De Nederlandse rechter is ten aanzien van de vorderingen tegen [bestuurder] ook internationaal bevoegd op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis, omdat ook [bestuurder] woonplaats in Nederland heeft. (En de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag is in dit geval ook is te ontlenen aan artikel 107 Rv.) Ook [bestuurder] kan dus als ankergedaagde fungeren ten opzichte van de curator (pro se). In het navolgende zal daarvan worden uitgegaan. De beslissing van het hof over de internationale bevoegdheid geldt intussen evenzeer wanneer slechts zou worden uitgegaan van de Staat als ankergedaagde, langs dezelfde lijnen als hierna in 5.7-5.15 weergegeven (met dan weglating van de passages over [bestuurder] ). Eiswijzigingen 5.5 De curator (pro se) heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling in het hoger beroep een op 12 maart 2025 gedateerde akte vermeerdering van eis van Alphaville gefourneerd. Deze akte is echter niet genoemd in de weergave van het procesverloop in het vonnis van de rechtbank van 14 mei 2025, en op de mondelinge behandeling in het hoger beroep is desgevraagd niet gesteld dat deze akte daadwerkelijk op de rol is genomen. Het hof kan daarom niet vaststellen dat deze akte tot de processtukken van de eerste aanleg behoort en reeds om deze reden moet het deze, in het bijzonder de hierin vervatte eiswijziging, buiten beschouwing laten. 5.6 Het hof kan wél de eiswijziging die is opgenomen in de memorie van antwoord in aanmerking nemen, voor zover deze ziet op de vorderingen tegen de curator (pro se). Voor zover Alphaville in het onderhavige incident (in eerste aanleg en in hoger beroep) bedoelt om (ter wille van de door artikel 7 lid 1 Rv vereiste samenhang van de vordering tegen de curator (pro se) met de vorderingen tegen de ankergedaagden), de vorderingen tegen de Staat en/of [bestuurder] en/of de grondslagen daarvan uit te breiden, laat het hof de desbetreffende stellingen echter buiten beschouwing. De Staat en [bestuurder] zijn in dit incident immers geen partij. Voor de toetsing van de bevoegdheid ten aanzien van de gewijzigde eis tegen de curator (pro se) gaat het hof dus uit van de vorderingen tegen de Staat en [bestuurder] zoals die in de inleidende dagvaarding zijn geformuleerd. Toetsing van de bevoegdheid 5.7 Het kernverwijt van Alphaville aan het adres van de curator (pro se), de Staat en [bestuurder] is , samengevat, dat de curator de door Alphaville verlangde afgifte van de Olie op onrechtmatige wijze heeft tegengehouden en dat de Staat en [bestuurder] hierin met de curator hebben samengespannen. Ook de Staat en [bestuurder] hebben volgens Alphaville daarom onrechtmatig tegenover haar gehandeld, naast de curator pro se. De onrechtmatigheid zit er volgens Alphaville onder meer hierin dat de curator, de Staat en [bestuurder] niet alleen tegenover haar maar ook tegenover verschillende rechters die over de verlangde afgifte hadden te oordelen, het standpunt hebben betrokken dat ontsluiting van de Tank – benodigd voor de verlangde afgifte – (steeds) werd verhinderd door (vergunning)technische problemen, die er volgens Alphaville in werkelijkheid niet waren. In het bijzonder stelt Alphaville dat de ontsluiting van de Tank zowel (vergunning)technisch als financieel zich (steeds) in een veel verder gevorderd stadium bevond dan de curator, de Staat en [bestuurder] de zaken voorstelden. 5.8 Gedragingen die Alphaville de Staat verwijt, betreffen door ILT geschreven brieven in de periode 1 november 2022-4 mei 2023 waarin ILT bezwaren schetst wat betreft het ontsluiten van de Tank, en het beleid van de curator onderschrijft om zich vooraleerst op de ontsluiting van andere tanks te richten. Volgens Alphaville heeft ILT zich deze brieven door de curator laten dicteren met het oog op door de curator tegen Alphaville gevoerde of nog te voeren procedures, terwijl het geschrevene bezijden de waarheid was. Naar het hof begrijpt bedoelt Alphaville dat ILT wist of moest weten dat (i) de curator de brieven in procedures zou (kunnen) gebruiken tegen Alphaville en (ii) het geschrevene onwaar was. Gedragingen die Alphaville [bestuurder] verwijt betreffen mededelingen die hij heeft gedaan in het kort geding dat leidde tot het hiervoor in 3.4 genoemde vonnis van het Gerecht van 15 augustus 2021, in de procedure in hoger beroep in die zaak, en in een procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. Ook deze verklaringen gaan over de (vergunning)technische problemen bij het ontsluiten van de Tank en hoeveel tijd naar verwachting gemoeid zou zijn met het overwinnen van die problemen. Ook deze verklaringen waren volgens Alphaville onjuist. Naar het hof begrijpt, bedoelt Alphaville dat [bestuurder] dat ook wist of moest weten. 5.9 De stellingen van Alphaville houden onder meer in dat de curator, de Staat en [bestuurder] wat deze in 5.8 bedoelde gedragingen betreft hebben samengespannen en dat zij – en de curator pro se – daarom hoofdelijk voor de hierdoor ontstane schade aansprakelijk zijn. In elk geval in zoverre hebben de vorderingen van Alphaville tegen de curator (pro se) (gewijzigde eis) enerzijds en die tegen de Staat en [bestuurder] (oorspronkelijke eis) anderzijds zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Het gaat in zoverre immers steeds om de vraag in hoeverre (vergunning)technische problemen aan ontsluiting van de Tank in de weg stonden en dat daarover volgens Alphaville (voor een belangrijk deel: dezelfde) onwaarheden zijn verkondigd. Het risico dat over in zoverre dezelfde kwestie verschillende oordelen worden gegeven in relatie tot de onderscheiden gedaagden (in procedures bij verschillende rechters), dient te worden vermeden. 5.10 De verwijten aan het adres van de curator (pro se) reiken intussen verder. Deze gaan er ook over dat de curator de afgifte tevens vóór en ná de hiervoor besproken feitelijke betrokkenheid van ILT en [bestuurder] heeft tegengehouden, deels ook met andere dan (vergunning)technische argumenten: met name het argument dat het door hem gestelde verzuim van Alphaville om opslagkosten te betalen hem de bevoegdheid gaf om de gevraagde afgifte op te schorten. In deze discussie stelt Alphaville zich op het standpunt dat haar weigering juist verband hield met het niet ontsloten zijn van de Tank en het vooruitzicht dat dit niet binnen de eerder voorziene termijn zou gebeuren, en daarna het gegeven dát dit ook – volgens Alphaville: ten onrechte – niet gebeurde. Ook heeft de curator volgens haar redelijke voorstellen tot (deel)betaling en/of zekerheidstelling afgehouden. 5.11 In deze zin is er samenhang tussen enerzijds het aan de curator, de Staat en [bestuurder] verweten debiteren van (vergunning)technische problemen voor het ontsluiten van de Tank, en anderzijds de verderreikende verwijten aan het adres van slechts de curator (pro se): het gaat steeds om het feitelijk niet afgeven van de Olie, mede op gronden ten aanzien waarvan Alphaville niet alleen de curator (pro se) maar ook de Staat en [bestuurder] verwijten maakt. Deze gronden heeft de curator naast elkaar gebezigd en ze zijn ook naast elkaar en als zelfstandig dragende gronden aan de orde gekomen in het afgiftekortgeding (leidend tot het hiervoor in 3.4 genoemde vonnis van het Gerecht van 15 augustus 2022) en het hoger beroep in die zaak. Het gestelde onrechtmatig handelen van de curator (pro se) in relatie tot het niet afgeven van de Olie laat zich tegen deze achtergrond niet splitsen in verschillende rechtsvorderingen (die bij verschillende rechters zouden kunnen worden aangebracht), althans de samenhang is zodanig dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. 5.12 De curator (pro se) heeft nog gesteld dat Alphaville de vorderingen tegen de Staat en [bestuurder] slechts heeft ingesteld met het doel om internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter te scheppen voor de vorderingen tegen de curator (pro se) en hem daarmee van de rechter van zijn woonplaats/kantooradres af te houden, dat dit misbruik van procesrecht oplevert, en dat de Nederlandse rechter daarom niet te zijnen aanzien internationaal bevoegd mag worden geoordeeld. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Alphaville heeft de curator (pro se) echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie wettigen dat sprake is van (zodanig) misbruik van procesrecht. 5.13 De toelichting die Alphaville op haar gewijzigde eis heeft gegeven, maakt duidelijk dat het haar met zowel haar primaire als haar subsidiaire eis om de hiervoor bedoelde gedragingen van de curator gaat en de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad hiervoor van de curator (pro se). Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof de Nederlandse rechter (de rechtbank Den Haag) internationaal bevoegd acht om van deze eis kennis te nemen. Dit geldt ook voor de gevorderde kostenveroordeling. De gewijzigde eis valt in zoverre in essentie samen met de oorspronkelijke eis sub 1, 2 subsidiair, 11 en 14. Voor zover de grieven van de curator (pro se) zich richten tegen de afwijzing van zijn bevoegdheidsexceptie voor zover die ziet op deze onderdelen van de oorspronkelijke eis, falen ze. Voor zover ze zien op de overige onderdelen van de oorspronkelijke eis behoudt de curator (pro se) belang bij zijn grieven, in verband met de proceskosten. 5.14 De oorspronkelijke eis sub 2 primair (post-veiling), 7 en 9 wil(l)(d)en klaarblijkelijk consequenties in andere vorm dan schadevergoeding verbinden aan de gedragingen van de curator, de Staat en [bestuurder] die volgens Alphaville onrechtmatig tegenover haar zijn; ook te dien aanzien moet de Nederlandse rechter internationaal bevoegd worden geacht. De oorspronkelijke eis sub 10 behelst voor het hof niet duidelijk een bij de wet voorziene rechtsvordering, maar het onderwerp sluit aan bij die van de hiervoor genoemde vorderingen, zodat hiervoor hetzelfde geldt. Wat betreft deze onderdelen van de oorspronkelijke eis zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. 5.15 Alphaville heeft niet toegelicht dat en hoe de in de oorspronkelijke eis sub 2 primair (pre-faillissement en pre-veiling) en 3-6 geformuleerde vorderingen als zodanig verband houden met gedragingen van de curator die tegenover haar onrechtmatig zouden zijn, laat staan met de vorderingen tegen de Staat en/of [bestuurder] . Ten aanzien van deze onderdelen van de oorspronkelijke eis zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen en de Nederlandse rechter internationaal onbevoegd verklaren. Dit geldt ook voor het gestelde in de oorspronkelijke eis sub 8: dat laat zich niet lezen als een rechtsvordering, maar wordt in elk geval volledig overlapt door de oorspronkelijke eis sub 4 (die wel een rechtsvordering inhoudt, en ten aanzien van waarvan het hof de Nederlandse rechter internationaal onbevoegd oordeelt). Aan dit alles doet niet af dat de door deze onderdelen van de oorspronkelijke eis aan de orde gestelde vragen wel indirect een rol kunnen spelen bij de begroting van de schade uit hoofde van de gestelde aansprakelijkheid ten aanzien waarvan het hof de rechtbank bevoegd oordeelt. Conclusie en proceskosten 5.16 De conclusie is dat het hoger beroep van de curator (pro se) gedeeltelijk slaagt. Het hof zal het vonnis bekrachtigen respectievelijk vernietigen zoals hiervoor vermeld, en de rechtbank bevoegd verklaren ten aanzien van de gewijzigde eis. Het hof zal voor beide instanties de proceskosten in het incident compenseren aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt. 6 Beslissing Het hof: - vernietigt het vonnis van 5 maart 2025 voor zover de rechtbank daarmee de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring heeft afgewezen ten aanzien van het petitum van de inleidende dagvaarding sub 2 primair (pre-faillissement en pre-veiling), 3-6 en 8, en de curator (pro se) in de kosten van het bevoegdheidsincident heeft veroordeeld; in zoverre opnieuw rechtdoende verklaart de rechtbank internationaal onbevoegd om van deze vorderingen kennis te nemen; compenseert de proceskosten in het bevoegdheidsincident in eerste aanleg aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt; bekrachtigt het vonnis voor het overige; verklaart de rechtbank internationaal bevoegd om kennis te nemen van de met het petitum van de memorie van antwoord gewijzigde eis; compenseert de proceskosten in het bevoegdheidsincident in hoger beroep aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, H.J. van Kooten en C.W.M. Lieverse, en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.