Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-08-05
ECLI:NL:GHDHA:2026:2455
Kwalificatie overeenkomst na gewijzigde afspraken; toetsing aan Deliveroo gezichtspunten; geen arbeidsovereenkomst. Wel vergoeding verschuldigd in verband met opzegging op te korte termijn. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.359.767/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : 1124324 / RP VERZ 25-50247 Beschikking van 5 augustus 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. J.C.E. Savelsbergh, kantoorhoudend in Eindhoven, tegen 1 De vereniging Unie van Waterschappen, gevestigd in Den Haag, advocaat: mr. A.M. Mellema, kantoorhoudend in Haarlem, 2. Haert Contractmanagement B.V. , gevestigd in Helmond, advocaat: mr. J.M. Buist en mr. V. Heidsma, verweersters in hoger beroep. Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] , De Unie en Haert. 1 De zaak in het kort 1.1 [verzoeker] had een arbeidsovereenkomst met De Unie. Op enig moment is die arbeidsovereenkomst geëindigd en hebben partijen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden door [verzoeker] voor De Unie nieuwe afspraken gemaakt. [verzoeker] stelt dat daarbij feitelijk niets is veranderd en dat tussen partijen ook daarna een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kantonrechter heeft geoordeeld dat na de nieuwe afspraken tussen partijen geen arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst van opdracht heeft bestaan. 1.2 Het hof is het met de kantonrechter eens en bekrachtigt de beslissing van de kantonrechter. Wel is de overeenkomst op te korte termijn opgezegd. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 29 september 2025, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 26 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking). 2.2 De Unie en Haert hebben ieder afzonderlijk een (eigen) verweerschrift ingediend. Deze zijn respectievelijk op 6 maart 2026 en 12 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 2.3 Partijen hebben hun standpunten nader uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 27 maart 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De kantonrechter heeft in rov. 2.1 tot en met 2.12 van de bestreden beschikking een aantal feiten vastgesteld. Grief 1 houdt in dat de kantonrechter een aantal feiten niet heeft vermeld. Deze grief kan op zichzelf niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden. Wel zal het hof hierna - voor zover nodig - rekening houden met wat [verzoeker] in de toelichting op grief 1 naar voren heeft gebracht. Hierbij kan het hof alleen feiten aannemen die tussen partijen niet in geschil zijn. 3.2 De Unie is de overkoepelende vereniging van alle 21 waterschappen in Nederland. Zij vertegenwoordigt de waterschappen in het nationale en internationale speelveld, behartigt de belangen van de waterschappen en stimuleert kennisuitwisseling en samenwerking. 3.3 [verzoeker] is op 7 januari 2002 voor de periode van een jaar in dienst getreden bij De Unie in de functie van systeembeheerder bij de afdeling Bedrijfsvoering voor 30 uur in de week. Vanaf 7 januari 2003 is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortgezet. Het salaris bedroeg op dat moment € 2.073,24 bruto per maand. 3.4 Daarnaast is [verzoeker] op 2 juni 2004 een eenmanszaak gestart onder de naam [bedrijf]. Deze eenmanszaak houdt zich bezig met het bouwen en beheren van websites voor derden. 3.5 De Unie en [verzoeker] hebben op 9 oktober 2008 een voortgangsgesprek gevoerd. Daarin is gesproken over het gedrag en de houding van [verzoeker] . [verzoeker] heeft daarbij opgemerkt dat hij sinds kort bezig is met de verbetering van de internet/extranetsite van De Unie en dat die werkzaamheden hem een beter gevoel geven. Ondanks dat stelt De Unie dat het zowel voor de organisatie als [verzoeker] onverstandig is veel langer met elkaar door te gaan. Het gedrag en de houding van [verzoeker] worden door haar niet langer getolereerd en zullen hoe dan ook binnen afzienbare tijd leiden tot een einde van het dienstverband. De Unie heeft zich wel bereid getoond om bijvoorbeeld een opdracht aan het bedrijf van [verzoeker] te geven als mogelijke compensatie voor het beëindigen van het dienstverband. 3.6 In een brief van 9 juni 2009 heeft De Unie aan [verzoeker] laten weten dat het haar bedoeling is om de arbeidsovereenkomst met hem in 2010 te beëindigen. De redenen daarvoor zijn voor De Unie het gedrag en de houding van [verzoeker] en daarnaast dat het systeembeheer in 2010 anders zal worden opgezet, waarbij zijn functie komt te vervallen. De Unie is bereid om bij vertrek een opdracht mee te geven aan [verzoeker] voor zijn eenmanszaak [bedrijf] en doet daartoe een voorstel. 3.7 [verzoeker] heeft op 12 juni 2009 gereageerd op de brief van 9 juni 2009. Hij bevestigt dat er gesproken is over het uitbouwen van zijn eenmanszaak en dat hij zijn vertrek bij De Unie kan overwegen indien hij een redelijke compensatie krijgt voor de rechten die hij opgeeft als hij vrijwillig vertrekt. Het voorstel van De Unie vindt [verzoeker] niet voldoende recht doen aan het risico dat hij loopt en hij komt daarom met een tegenvoorstel. 3.8 De Unie schrijft [verzoeker] in een brief van 20 juli 2009 het volgende: ‘(…) In de met u gevoerde gesprekken zijn wij overeengekomen om uw dienstverband onder onderstaande condities per 1 juni 2010 te beëindigen. De redenen zijn u in eerdere brief uiteengezet. 1. Uw dienstverband wordt beëindigd op 1 juni 2010. 2. Te rekenen van 1 juli 2009 tot 1 juni 2010 (einde dienstverband) wordt uw arbeidstijd gewijzigd van 30 naar 37 uur. 3. In deze periode zult u - naast uw werkzaamheden voor het systeembeheer - worden belast met het optimaliseren van de uniesites op basis van het door de directie destijds goedgekeurde stappenplan. 4. Per 1 juni 2010 wordt u via uw eigen bedrijf voor een periode van 2 jaar ingehuurd voor maximaal 16 uur per week voor een uurtarief van € 60,-- exclusief B.T.W. Van deze uren zult u 14 uren besteden aan onderhoud van de geoptimaliseerde websites en 2 uren voor systeembeheer. Uw offerte voor deze opdracht kunt u begin 2010 zenden naar (...)’ 3.9 Bij brief van 27 april 2010 bericht De Unie aan [verzoeker] het volgende. “Naar aanleiding van de met u gevoerde gespreken en de met u gemaakte afspraken medio 2009 doe ik u hierbij de uitwerking van de opdracht toekomen. Onderdeel van die uitwerking is een aantal bepalingen en randvoorwaarden die voor u van belang zijn en op sommige punten afwijken van, of toegevoegd worden aan, de Algemene Voorwaarden die uw bedrijf hanteert (versie 01-01-2006). Een en ander conform artikel 2.3. van de Algemene Voorwaarden. Daarnaast gaat het om een paar praktische afspraken. (…)”. 3.10 Op 20 april 2012 heeft [verzoeker] (onder meer) de volgende afspraken tussen partijen op papier gezet die door de Unie voor akkoord zijn ondertekend. “Naar aanleiding van onlangs plaatsgevonden gesprekken en op basis van met u gemaakte afspraken doe ik u hierbij de overeenkomst voor de inhuur van [bedrijf] voor 832 uur in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 mei 2013 toekomen. 1. [bedrijf] wordt door de Unie van Waterschappen voor 832 uur ingehuurd in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 mei 2013, welke per 16 uren per week zullen worden ingezet; 2. Voor de te verrichten werkzaamheden zal een uurtarief worden gehanteerd van € 62,50 per uur exclusief de wettelijk verschuldigde btw percentage, voor de gehele duur van de overeenkomst; 3. In afwijking van artikel 4.6 van de Algemene Voorwaarden van [bedrijf] worden uren achteraf gefactureerd; 4. Niet ingezette uren die per 1 juni 2013 niet verbruikt zijn zullen na 1 juni 2013 alsnog worden ingezet binnen een redelijke termijn, waarbij de richtlijn zal blijven van 16 uren per week, deze uren worden tevens achteraf gefactureerd; 5. Ingekochte uren kunnen flexibel ingezet worden met een richtlijn van 16 uur per week; 6. Door [bedrijf] geleverde software en diensten worden in tegenstelling tot artikel 8, punt 1 tot en met 5, eigendom van de Unie van Waterschappen indien deze niet in strijd zijn met de GPL en Common Creative licenties op de geleverde software en of diensten; 7. Alle door [bedrijf] te leveren werkzaamheden worden in samenspraak en onder auspiciën van (…) van de Unie van Waterschappen uitgevoerd en opgeleverd; 8. Artikel 5.4 van de Algemene Voorwaarden is expliciet uitgesloten van deze overeenkomst. 9. [bedrijf] is gerechtigd indien nodig (ziekte of anders), doch niet verplicht en in overleg en met goedkeuring van de Unie van Waterschappen gelijkwaardige vervangende dienst in te huren om de werkzaamheden voor de Unie van Waterschappen te kunnen continueren, hiervoor zal het zelfde uurtarief worden gehanteerd van € 62,50 exclusief het dan geldende btw percentage per gewerkt uur; 10. [bedrijf] of werknemers van [bedrijf] zijn gemachtigd door de Unie van Waterschappen om zich tijdens reguliere kantoortijden in het pand aan de Koningskade 40 te Den Haag te bevinden om werkzaamheden uit te voeren; 11. De Unie van Waterschappen zal zorg dragen voor een vaste werkplek voor [bedrijf] gedurende de werkzaamheden; 12. Het is [bedrijf] toegestaan in overleg werkzaamheden voor de Unie van Waterschappen elders te verrichten dan op de Koningskade 40; (…)” 3.11 Deze afspraken zijn in 2014, 2016 en 2018 verlengd en weer door [verzoeker] op papier gezet en door De Unie voor akkoord ondertekend. In 2016 is daar de volgende voorwaarde bij gekomen: “13. [bedrijf] draagt zorg voor de in de algemene voorwaarden onder 8.5 genoemde gebruiksrechten op geleverde software. [bedrijf] behoud het recht de door [bedrijf] ontwikkelde software, indien niet expliciet anders overeengekomen, voor commerciële doeleinden te mogen gebruiken. Door de Unie van Waterschappen aangeleverde ontwerpen, content en vormgeving /uitvoering van producten blijft intellectueel eigendom van de Unie van Waterschappen. Technische specificaties zijn eigendom van [bedrijf].” En in 2018 is deze voorwaarde gewijzigd in: “13. [bedrijf] draagt zorg voor de de in de algemene voorwaarden onder 8.5 genoemde gebruiksrechten op geleverde software. [bedrijf] behoud het recht de door [bedrijf] ontwikkelde software, indien niet expliciet anders overeengekomen, voor commerciële doeleinden te mogen gebruiken.” 3.12 In 2020 heeft De Unie het applicatiebeheer via een aanbesteding uitgezet, waar [verzoeker] zich voor heeft ingeschreven. Op 22 januari 2021 is aan [verzoeker] bericht dat hem de opdracht is gegund. Er is door de Unie een nieuwe overeenkomst op papier gezet. Nieuw hierin is dat [verzoeker] een beroeps- en aansprakelijkheidsverzekering diende te hebben. Deze verzekering is vervolgens door [verzoeker] afgesloten. Ook is opgenomen dat de algemene voorwaarden van De Unie van toepassing zijn. Deze overeenkomst kon worden verlengd tot 31 januari 2024. 3.13 Haert is een organisatie met een gecertificeerd Bovib keurmerk die zich onder meer richt op het leveren van MSP-diensten, brokerdienstverlening en contractmanagement. Met betrekking tot contractmanagement ondersteunt Haert organisaties bij de inzet van interim-professionals door de administratieve en financiële afhandeling volledig te verzorgen. 3.14 De Unie heeft een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor de inhuur van personeel via een broker. Deze aanbesteding beoogde het sluiten van een raamovereenkomst met één opdrachtnemer die De Unie zou ontzorgen op het gebied van extern personeel. Haert heeft uiteindelijk de raamovereenkomst gegund gekregen en is medio 2024, toen de overeenkomst die na de aanbesteding was afgesloten (hierboven genoemd onder 3.12) na 31 januari 2024 niet meer verlengd kon worden, als broker tussen [verzoeker] en De Unie gaan functioneren. 3.15 Op 31 januari 2024 heeft De Unie per e-mail aan Haert [bedrijf] aangemeld als zzp-er. [bedrijf] kreeg een opdracht voor de periode van één jaar voor 16 uur per week en tegen een uurtarief van +/- € 75,-. Haert heeft vervolgens een ondernemerscheck uitgevoerd op [verzoeker] ([bedrijf]). Deze controle heeft plaatsgevonden op basis van aangeleverde informatie van [verzoeker] zelf en op grond van zelfstandig onderzoek in de Kamer van Koophandel, het hebben van een aansprakelijkheidsverzekering en het raadplegen van social media. In dit kader heeft [verzoeker] gemeld dat hij gemiddeld 32 tot 50 uur per week werkt aan zijn eigen onderneming, een aansprakelijkheidsverzekering Bedrijven en rechtsbijstandsverzekering Bedrijven heeft, zijn eigen materialen en/of apparatuur gebruikt bij de uitvoering van zijn opdrachten en in de afgelopen 24 maanden drie of meer opdrachtgevers had. 3.16 Haert heeft vervolgens [bedrijf] in haar systeem gezet en een concept overeenkomst van opdracht opgesteld, conform de opdracht van de Unie. [verzoeker] heeft laten weten het niet eens te zijn met het voorgestelde tarief van € 75,- en de betalingstermijn van 30 dagen. Daarnaast heeft [verzoeker] ten aanzien van de eigendom van werken die worden ontwikkeld aan de Unie bericht dat ‘Code’ te allen tijde zijn eigendom is, waarbij De Unie het niet exclusieve ongelimiteerde gebruiksrecht heeft. Als reden hiervoor noemde hij dat deze Code zijn core business betreft en hij zonder dit eigendomsrecht de ‘plugin’ die hij in eerste instantie voor De Unie heeft ontwikkeld niet verder zou kunnen ontwikkelen en verkopen. Ook heeft [verzoeker] aan Haert bericht dat hij het contract ter controle heeft aangeleverd bij zijn accountant en de due dilligence afwacht voor hij tekent. [verzoeker] heeft in dit kader ook het volgende aan De Unie bericht: “- Deze overeenkomst, is per sec, 1 jaar. Volgens mij zijn we drie x 1 jaar overeengkomen.” Waarop De Unie heeft bericht: “Passage is nodig om dit contract überhaupt bij Haert onder te brengen. Om zo een sluitend (tijdvak) geheel te hebben, waarvoor een ZZP-er wordt ingezet. Dit kan volgens de nieuwe strengere wet DBA, niet op doorlopende vaste functies, vandaar.” 3.17 Vervolgens is een overeenkomst gesloten tussen [verzoeker] en Haert voor de periode 1 februari 2024 tot 1 februari 2025 met een uurtarief van € 79,- exclusief btw en een betalingstermijn van 14 dagen. Ten aanzien van het eigendomsrecht van de opgeleverde werken/resultaten is overeengekomen dat dit in beginsel bij [verzoeker] ligt, waarbij De Unie gebruiksrecht krijgt na betaling van de facturatie. De Unie krijgt wel het eigendomsrecht ten aanzien van zaken die speciaal worden opgeleverd voor De Unie. 3.18 [verzoeker] heeft daarnaast op 12 september 2024 een extra opdracht van De Unie gekregen voor de ontwikkeling van het online platform waterkracht tot een maximaal bedrag van € 7.199,50 inclusief btw, te factureren door [verzoeker] . 3.19 Begin december 2024 heeft De Unie [verzoeker] meegedeeld dat de overeenkomst op 1 februari 2025 niet wordt verlengd. Ook Haert heeft dit vervolgens begin januari 2025 aan [verzoeker] meegedeeld. 3.20 Op 5 februari 2025 mailt De Unie het volgende aan [verzoeker] : “(…) Wat nog resteert, is het gebruik van de plug-ins voor waterschappen.nl (postcodechecker) en de tool voor digitale toegankelijkheid. Deze zijn deels in Unietijd en deels in jouw eigen tijd ontwikkeld. Zoals eerder aangegeven zou ik graag een afspraak maken over het gebruik daarvan. Dat zou kunnen door tegen een vergoeding een gebruiksrecht overeen te komen. Een andere mogelijkheid is het kopen van die plug-ins door de Unie, maar ik weet niet of je daarvoor open staat.” 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Na wijziging van het verzoek dat bij verzoekschrift van 28 maart 2025 is ingediend, heeft [verzoeker] de kantonrechter in de rechtbank verzocht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: Primair : - voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en De Unie van 1 juni 2010 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; Subsidiair : voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en de Unie van 1 juni 2010 tot 1 februari 2024, althans een in goede justitie te bepalen datum, een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en Haert van 1 februari 2024 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; voor recht te verklaren dat Haert en De Unie ten aanzien van de verrichte arbeid van [verzoeker] redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn; Zowel primair en subsidiair : De Unie, althans Haert, te veroordelen tot: betaling van de wettelijke transitievergoeding; betaling van de gefixeerde schadevergoeding over de niet juist toegepaste opzegtermijn; betaling van 8% vakantiegeld en 13% individueel keuzebudget over de vergoeding die over de periode 1 april 2020 tot en met 1 februari 2025 aan [verzoeker] is voldaan; betaling van een billijke vergoeding van € 180.000,- bruto; betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, het vakantiegeld en het individueel keuzebudget, te rekenen vanaf het moment waarop deze bedragen betaald hadden moeten worden tot de datum van algehele voldoening; verstrekking van deugdelijke en correcte specificaties aan [verzoeker] op straffe van een dwangsom; betaling van de kosten van de procedure. 4.2 [verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat hij sinds 7 januari 2002 in dienst is van De Unie en dat de feitelijke situatie na 1 juni 2010 niet is gewijzigd. In 2024 is Haert er tussengeschoven om een papieren werkelijkheid te creëren. De overeenkomsten zijn te (her)kwalificeren als een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en De Unie dan wel (laatstelijk) Haert. De opzegging tegen 1 februari 2025 van de overeenkomst is daarom onregelmatig en [verzoeker] heeft recht op de verzochte vergoedingen. 4.3 De Unie en Haert hebben verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Zij voeren - samengevat - aan dat de werkzaamheden die [verzoeker] heeft verricht - gelet op de gezichtspunten uit het Deliveroo arrest - niet zijn verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht. Daarnaast heeft Haert nog aangevoerd dat, mocht er toch sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, zij slechts als contractuele en administratieve tussenpersoon fungeerde en niet als werkgever kan worden aangemerkt. 4.4 De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen en [verzoeker] in de proceskosten veroordeeld. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [verzoeker] verzoekt - zakelijk weergegeven - de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende: Primair : - voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en De Unie van 1 juni 2010 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; Subsidiair : voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en De Unie van 1 juni 2010 tot 1 februari 2024, althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen datum, een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en Haert van 1 februari 2024 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; voor recht te verklaren dat Haert en De Unie ten aanzien van de verrichte arbeid van [verzoeker] redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn; Zowel primair als subsidiair : De Unie, althans Haert, te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding; De Unie, althans Haert, te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding over de niet juist toegepaste opzegtermijn; De Unie, althans Haert, te veroordelen tot betaling van 8% vakantiegeld en 13% individueel keuzebudget over de vergoeding die over de periode van 1 april 2020 tot 1 februari 2025 aan [verzoeker] is voldaan; De Unie, althans Haert, te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 180.000,00 bruto, althans een door U. E.A. in goede justitie te bepalen bedrag; De Unie, althans Haert, te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van de wettelijke transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, het vakantiegeld en het individueel keuzebudget, te rekenen vanaf het moment waarop deze bedragen betaald hadden moeten worden tot de datum van algehele voldoening; De Unie, althans Haert, te veroordelen tot het binnen veertien dagen nadat de beschikking is gewezen aan [verzoeker] verstrekken van deugdelijke en correcte specificaties van de in het petitum genoemde bedragen, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 per dag tot een maximum van € 40.000,00; Meer subsidiair : - De Unie, althans Haert, te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een schadevergoeding ter hoogte van € 255.742,17, althans € 132.288,00, althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen schadevergoeding; Zowel primair, als subsidiair als meer subsidiair : - De Unie, althans Haert, te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de voor de tenuitvoerlegging van de beschikking verschuldigde nakosten alsmede het salaris van de gemachtigde. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1 De grieven van [verzoeker] komen er in de kern op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er vanaf juni 2010 geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Het hof zal dan ook eerst beoordelen of er tussen [verzoeker] en De Unie, dan wel Haert, een arbeidsovereenkomst bestond op het moment dat de Unie en/of Haert aan [verzoeker] liet weten dat de overeenkomst niet zou worden verlengd. 6.2 Om te kunnen beoordelen of de tussen partijen gesloten overeenkomst al dan niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, moet eerst worden vastgesteld welke rechten en plichten tussen partijen golden. Rechten en plichten (uitleg) 6.3 Tussen De Unie en [verzoeker] is niet in geschil dat aanvankelijk tussen hen een arbeidsovereenkomst is gesloten en dat de functie van [verzoeker] systeembeheerder was. Partijen hebben hun afspraken na onderhandelingen per 1 juni 2020 gewijzigd en nieuwe afspraken gemaakt. Deze afspraken kwamen er op neer dat de destijds gesloten arbeidsovereenkomst werd beëindigd en [verzoeker] het beheer en het onderhoud van de websites (applicatiebeheer) zou gaan verzorgen voor 16 uur per week, tegen een vergoeding van € 60,- exclusief btw per uur. Afgesproken is dat van de 16 uur nog maximaal 2 uur aan advisering systeembeheer wordt besteed en de overige uren zijn voor het onderhoud van de websites. Hierdoor werd de rechtsverhouding tussen partijen op fundamentele onderdelen, namelijk de uren, de beloning en de inhoud van de werkzaamheden gewijzigd. [verzoeker] heeft gesteld dat hij zijn arbeidsovereenkomst eigenlijk niet wilde beëindigen, maar geen keuze had. In elke geval heeft [verzoeker] ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst althans gesteld noch gebleken is dat hij hiermee niet heeft ingestemd. Ook heeft hij ingestemd met de nieuwe afspraken in het kader van de verschillende overeenkomsten van opdracht, zodat deze vanaf dat moment tussen partijen golden. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan deze afspraken tussen partijen niet geldig zouden zijn en die bijvoorbeeld zouden kunnen leiden tot nietigheid of anderszins de overeenkomst zouden kunnen aantasten, zijn door [verzoeker] niet aangevoerd. Partijen hebben vervolgens de door hen gemaakte afspraken in de praktijk ook uitgevoerd, althans gesteld noch gebleken is dat partijen zich niet aan deze afspraken hebben gehouden of anders hebben gehandeld. Ook hieruit leidt het hof af dat [verzoeker] met de afspraken zoals weergegeven onder 3.8 heeft ingestemd. 6.4 Dat er geen wijziging was wat de werkzaamheden betreft, zoals [verzoeker] heeft betoogd, kan het hof niet volgen. Vóór juni 2020 bestonden de werkzaamheden van [verzoeker] hoofdzakelijk uit systeembeheer werkzaamheden. Daarna maakten deze werkzaamheden nog maar een klein deel van de overeengekomen werkzaamheden uit (maximaal 2 uur per week) en zagen de werkzaamheden vooral op applicatiebeheer/web programmeur werkzaamheden (beheer, bouw optimalisatie en beheer van websites). Dat in de periode daarvoor al een verschuiving aan het plaatsvinden was, wordt verklaard door de wat langere periode die partijen hebben gebruikt om de veranderingen door te voeren: er zat bijna een jaar tussen het eerste voorstel om bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst een opdracht aan [verzoeker] te geven en de eerste feitelijke opdracht. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat De Unie niet op de ingeslagen weg met hem verder wilde en dat De Unie het systeembeheer anders wilde gaan opzetten. Daar komt bij dat [verzoeker] niet heeft betwist dat het werk van een systeembeheerder wezenlijk anders is dat dat van beheer en onderhoud van websites. In dit verband heeft [verzoeker] ook zelf aangevoerd dat de ICT- branche veranderde door de toenemende complexiteit van dit vakgebied. Dit alles tezamen brengt het hof tot de conclusie dat niet over dezelfde werkzaamheden kan worden gesproken. 6.5 [verzoeker] was (in tegenstelling tot de periode vóór 1 juni 2020) geheel vrij om te bepalen wanneer hij de overeengekomen gemiddeld 16 uren per week uitvoerde. Hij mocht dus ook de ene week meer en de andere week minder uren maken. Ook volgens zijn eigen stellingen werkte [verzoeker] met regelmaat op onregelmatige tijden en op verschillende tijdstippen vanuit huis, hoewel hij wel geacht werd de helft van zijn tijd op kantoor te komen werken waar hij zijn eigen werkplek had. Hoe en op welke wijze hij deze uren verdeelde werd aan hemzelf overgelaten, met dien verstande dat hij beschikbaar moest zijn als zich problemen voordeden en dat de websites goed moesten werken. Ook zijn [verzoeker] en De Unie overeengekomen dat de uren flexibel konden worden ingezet en dat uren die niet werden gemaakt nog later konden worden ingezet. Dat deze vrije indeling van de gewerkte uren ook in de periode voor juni 2020 gold, is gesteld noch gebleken. En hoewel [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij, ongeacht de werkelijk door hem gewerkte uren, altijd 16 uur per week declareerde, blijkt uit de door De Unie en Haert overgelegde producties dat [verzoeker] altijd een wisselend aantal uren declareerde. Nu [verzoeker] hier niets tegenover heeft gesteld, terwijl hij hier wel toe in staat moet worden geacht, heeft tot uitgangspunt te gelden dat er door [verzoeker] geen vast aantal uren en bedrag per maand werd gedeclareerd. [verzoeker] bracht btw in rekening over de door hem gewerkte uren. Niet in geschil is verder dat er door partijen geen loonbelasting en/of andere werkgever/werknemer premies werden voldaan. De Unie heeft voorts van [verzoeker] verlangt dat hij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering zou afsluiten, wat [verzoeker] vervolgens heeft gedaan. 6.6 Gebleken is dat [verzoeker] wel arbeidsmiddelen ter beschikking gesteld heeft gekregen van De Unie, maar dat hij voor de uitvoering van zijn werk ook (of juist) gebruik maakte van eigen middelen (apparatuur) omdat hij een grote voorkeur had voor zijn eigen apparatuur en de middelen van De Unie voor hem ontoereikend waren. Gesteld noch gebleken is dat hij hiervoor een vergoeding van De Unie ontving, deze middelen kwamen dus voor zijn eigen rekening. 6.7 Hoewel in de overeenkomsten die partijen sloten aanvankelijk niet en later wel stond dat [verzoeker] zich mocht laten vervangen, staat tussen partijen vast dat [verzoeker] zich nimmer heeft laten vervangen. Hoewel het hem dus wel was toegestaan iemand anders het werk te laten uitvoeren, heeft hij het werk dus altijd zelf uitgevoerd. 6.8 De afspraken hadden steeds een vastgestelde looptijd. Na verloop van die tijd, werden er nieuwe afspraken gemaakt, waarbij (soms) ook weer werd onderhandeld. In de loop van de tijd is het tarief van aanvankelijk € 60,- verhoogd tot uiteindelijk € 79,- in 2025. Ook hebben partijen (wisselende) afspraken gemaakt over het intellectuele eigendomsrecht. In de eerste overeenkomst kwam de eigendom van de producten (in tegenstelling tot wat in de algemene voorwaarden van [verzoeker] stond) bij De Unie te liggen. Deze afspraak wijzigde in 2016 toen werd overeengekomen dat [verzoeker] zorg zou dragen voor de gebruiksrechten op de software en [verzoeker] zich het recht voorbehield de door hem ontwikkelde software voor commerciële doeleinden te mogen gebruiken. Door De Unie aangeleverde ontwerpen, content en vormgeving/uitvoering bleef eigendom van De Unie. Technische specificaties waren eigendom van [verzoeker] . In 2018 vervielen deze twee laatste afspraken. In 2021 hebben partijen weer andere afspraken gemaakt over de intellectuele eigendom. Bij beëindiging van de overeenkomst moesten op dit vlak ook nog nadere afspraken worden gemaakt (zie onder 3.20). 6.9 Aanvankelijk waren de algemene voorwaarden die [verzoeker] hanteerde van toepassing op de overeenkomsten, met dien verstande dat op bepaalde punten daarvan is afgeweken door partijen. Vanaf het moment dat De Unie na de aanbesteding de overeenkomst met [verzoeker] afsloot, zijn de algemene voorwaarden van De Unie van toepassing geworden. 6.10 Hoewel op papier stond dat er maandelijkse evaluatiegesprekken zouden worden gevoerd en er zou worden beoordeeld of de werkzaamheden naar tevredenheid werden uitgevoerd, is tussen partijen niet in geschil dat dit in de praktijk niet gebeurde. Niet in geschil is dat bij De Unie niemand de werkzaamheden van [verzoeker] (inhoudelijk) kon beoordelen. Wel kon De Unie beoordelen of het resultaat van de werkzaamheden uitgevoerd door [verzoeker] naar haar tevredenheid was, maar gesteld noch gebleken is dat er in de praktijk een evaluatie daarvan plaatsvond. [verzoeker] heeft wel gesteld dat hij maandelijks verslag deed van zijn werkzaamheden, maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd, terwijl deze door De Unie wel is betwist. Het hof leidt hieruit af dat [verzoeker] zijn werkzaamheden zelfstandig uitvoerde en dat slechts het resultaat telde (op grond waarvan werd besloten of er aan het einde van de afgesproken looptijd nieuwe afspraken werden gemaakt). 6.11 Tussen partijen zijn aparte afspraken gemaakt met daarbij aparte vergoedingen voor andere of bijkomende werkzaamheden die [verzoeker] uitvoerde. Dit betreft onder andere het beheer van domeinnamenregistraties en het project waterkracht. 6.12 [verzoeker] was welkom op personeelsfeesten en ontving attenties bij bijzonderheden. [verzoeker] werd niet uitgenodigd voor het tweewekelijkse overleg van De Unie en was daarbij ook niet aanwezig. [verzoeker] heeft op enig moment na afloop van zijn werkzaamheden voor de Unie een afscheidsbijeenkomst gehad. Kwalificatie 6.13 Vervolgens komt de vraag aan de orde of deze rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Of partijen al dan niet bedoeld hebben een overeenkomst van opdracht of arbeidsovereenkomst te sluiten, speelt hierbij geen rol. 6.14 Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van ‘loon’, ‘arbeid’ en ‘gedurende zekere tijd’ staat vast. Ook staat vast dat [verzoeker] deze arbeid al die tijd persoonlijk heeft verricht. Partijen zijn het echter niet eens over de vraag of [verzoeker] vanaf het moment dat nieuwe afspraken zijn gemaakt ook ondergeschikt was aan De Unie en dus of er tussen partijen een gezagsverhouding bestond. Ten aanzien hiervan geldt dat niet één kenmerk beslissend is, maar een en ander in onderling verband moet worden bezien en het hierbij vooral gaat om de feitelijke gang van zaken. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Uit het Deliveroo-arrest volgt dat hierbij onder meer van belang kunnen zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Daarbij geldt dat het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, mede afhangt van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht. 6.15 Hoewel de omstandigheden dat [verzoeker] aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst als systeembeheerder bij De Unie werkzaam was, de lange duur van de werkzaamheden en het feit dat [verzoeker] de werkzaamheden altijd zelf heeft uitgevoerd wijzen in de richting van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, is het hof van oordeel dat de overige omstandigheden (die wijzen op een overeenkomst van opdracht) van meer gewicht zijn, waardoor de conclusie van het hof luidt dat vanaf het moment dat de afspraken zijn gewijzigd niet langer sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst van opdracht. Hiertoe overweegt het hof het volgende. 6.16 Gebleken is dat partijen voor het sluiten van de elkaar opvolgende overeenkomsten die elke keer een bepaalde looptijd hadden, over de te maken afspraken hebben onderhandeld en deze niet werden gedicteerd door De Unie. [verzoeker] kon laten weten wat hij van de voorstellen van De Unie vond. Hij deed dit ook en deed daarbij ook tegenvoorstellen. Daarnaast liet [verzoeker] zich in dit proces bijstaan door deskundige(n) en had hij juridisch advies. [verzoeker] , die een eenmanszaak had die ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel, had zijn eigen algemene voorwaarden die aanvankelijk ook op de overeenkomst tussen partijen van toepassing waren. De overeenkomsten die in 2014, 2016 en 2018 zijn gesloten, waren opgesteld door [verzoeker] . De voorwaarden in alle overeenkomsten waren ook niet de hele tijd gelijk en, zoals bijvoorbeeld de afspraken over de intellectuele eigendom, aan verandering onderhevig. Ook [verzoeker] had invloed op de afspraken, zoals ook blijkt uit het uiteindelijk in 2024 overeengekomen tarief van € 79,- en de betalingstermijn van 14 dagen. 6.17 [verzoeker] was vrij in het indelen van zijn uren en deze uren stonden per week of per maand, hoewel er in totaal een maximum aantal uren gold, niet vast. Uit het overzicht dat door Haert is overgelegd (productie 19 bij het verweerschrift in eerste aanleg) blijkt dat maandelijks heel verschillende bedragen werden gedeclareerd en er ook maanden waren waarin door [verzoeker] niet werd gedeclareerd, waaruit wordt afgeleid dat in die maanden ook geen werkzaamheden zijn uitgevoerd door [verzoeker] . Daar komt bij dat [verzoeker] zelf mocht bepalen wanneer hij deze uren maakte. Het was ook kennelijk aan zijn eigen oordeelsvermogen overgelaten in welke periode er meer dan wel minder uren werden gewerkt. Daaraan kan niet af doen dat van [verzoeker] verwacht werd dat hij af en toe ook bij De Unie aanwezig was en daar soms ook op hem gerekend werd, omdat partijen nu eenmaal ook afhankelijk van elkaar waren. 6.18 Ook de hoogte van het uurloon duidt op een overeenkomst van opdracht en niet op een arbeidsovereenkomst. Hoewel [verzoeker] stelt dat hij ongeveer hetzelfde is blijven verdienen als vóór juni 2020, verliest [verzoeker] daarbij uit het oog dat het aantal uren waarin werd gewerkt, drastisch naar beneden was bijgesteld, zodat hij per uur wel degelijk (veel) meer verdiende dan in de periode voor juni 2020. Daarnaast bracht [verzoeker] btw in rekening en werden op zijn beloning geen loonbelasting en premies voor sociale verzekeringen ingehouden. 6.19 Verder staat vast dat [verzoeker] tegenover Haert heeft verklaard dat hij 32 tot 50 uur per week als zelfstandige werkt en naast De Unie ook andere opdrachtgevers heeft. Dat deze verklaring in strijd met de waarheid is afgelegd dan wel onder druk van De Unie en/of Haert is afgelegd is gesteld noch gebleken. [verzoeker] heeft in ieder geval geen stukken (belasting- dan wel inkomensgegevens) overgelegd waaruit volgt dat een en ander niet juist is en hij eigenlijk alleen voor De Unie heeft gewerkt in al die jaren. Daarnaast kon [verzoeker] zich gelet op alle afspraken tussen partijen zich als ondernemer gedragen en deed hij dat ook. Er was, gelet op een vrij in te delen gemiddelde duur van 16 uur per week, voldoende tijd om ook andere werkzaamheden te verrichten en blijkens zijn eigen verklaring deed hij dat ook. 6.20 Ook het feit dat [verzoeker] over een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering beschikt, al dan niet op verlangen van De Unie, duidt erop dat hij als zelfstandige voor De Unie werkte. Hiermee dekte [verzoeker] een eventueel commercieel risico af. 6.21 Voorts is gebleken dat geen beoordelingen en/of evaluaties van de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. [verzoeker] kon en mocht zijn werkzaamheden naar eigen inzicht invullen, mits problemen werden opgelost en de websites functioneerden. [verzoeker] stelde ook geen rapportages op over zijn werkzaamheden. Dat er onderling overleg was, bepaalde personen betrokken waren bij de processen en de gesloten overeenkomsten een bepaalde looptijd hadden, maakt nog niet dat het functioneren van [verzoeker] periodiek werd beoordeeld. 6.22 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] zich moest houden aan alle de binnen De Unie geldende regels en processen. Vast staat dat hij niet meedeed aan het overleg voor de medewerkers van De Unie dat om de week plaatsvond. Dat hij werd uitgenodigd voor feestelijkheden en attenties ontving, is op zichzelf onvoldoende om van een gezagsverhouding te kunnen spreken. 6.23 De werkzaamheden die [verzoeker] uitvoerde, werden niet ook door iemand anders binnen De Unie uitgevoerd en stonden, hoewel ondergebracht bij een specifieke afdeling, op zichzelf. Hoewel goed functionerende websites nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door De Unie (zoals bij zoveel organisaties en bedrijven) is het niet haar kerntaak, zodat dergelijke werkzaamheden ook buiten de organisatie belegd kunnen worden. Ook niet in geschil is dat [verzoeker] ook nog andere opdrachten voor De Unie uitvoerde en daarvoor aparte facturen stuurde. De omstandigheid dat er voor hem een werkplek beschikbaar was waar hij ook zijn eigen spullen neer kon zetten, sluit een overeenkomst van opdracht niet uit. 6.24 Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven omstandigheden in onderling verband bezien voornamelijk wijzen op een overeenkomst van opdracht en niet op een arbeidsovereenkomst. Dat [verzoeker] te kennen heeft gegeven liever zijn arbeidsovereenkomst voort te zetten, maakt dit niet anders. Integendeel: deze omstandigheid wijst juist eerder op de omzetting van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst in een overeenkomst van opdracht. Ook de overige door [verzoeker] gestelde omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat er tussen [verzoeker] en De Unie, dan wel Haert, van 1 juni 2010 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Het hof merkt nog op dat ook het uit artikel 7:610a BW voorvloeiende rechtsvermoeden met hetgeen hierboven is overwogen, is weerlegd. 6.25 De conclusie is dan ook dat de grieven die erop gericht zijn dat ten onrechte is geoordeeld dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst bestond, tevergeefs zijn voorgesteld. Ook de gevorderde vergoedingen die [verzoeker] heeft gegrond op het bestaan van een arbeidsovereenkomst zijn terecht afgewezen. 6.26 [verzoeker] heeft zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd en heeft voor het geval er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, schadevergoeding gevorderd van De Unie, althans van Haert. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat De Unie en/of Haert tekortgeschoten is in de naleving van de overeenkomst van opdracht. Allereerst heeft [verzoeker] daartoe aangevoerd dat De Unie en/of Haert zou onderzoeken of er een functieprofiel en functiewaardering kon worden opgesteld voor de werkzaamheden die [verzoeker] uitvoerde en dat hieraan niet is voldaan. Als De Unie en/ of Haert deze afspraak waren nagekomen, dan was tussen partijen een arbeidsovereenkomst ontstaan, aldus [verzoeker] . De Unie en Haert hebben bestreden dat zij zijn tekortgeschoten. Zij hebben betoogd dat de mogelijkheid tot het opstellen van een functieprofiel en functiewaardering wel degelijk is onderzocht, maar dat dit niet mogelijk bleek. Daarnaast is betwist dat [verzoeker] schade heeft geleden. 6.27 Het hof is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat als het wél mogelijk zou zijn geweest een functieprofiel en functiewaardering op te stellen en De Unie hiertoe was overgegaan hierdoor een arbeidsovereenkomst zou zijn ontstaan dan wel zou worden afgesloten. Evenmin heeft [verzoeker] aannemelijk gemaakt dat hij door het achterwege blijven hiervan de door hem gestelde schade heeft geleden. De vordering die hierop ziet, moet dan ook reeds daarom worden afgewezen. Bovendien heeft [verzoeker] niet betwist dat De Unie hem gevraagd heeft of hij voor zijn werkzaamheden een arbeidsovereenkomst voor 16 uur in de week met De Unie zou willen aangaan waarop [verzoeker] heeft laten weten dat niet te willen. 6.28 [verzoeker] heeft ook gesteld dat hij met De Unie heeft afgesproken dat de laatste overeenkomst die met de tussenkomst van Haert gesloten is, een looptijd had van drie jaar, althans dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de overeenkomst die reeds zo lang duurde (de overeenkomst is steeds verlengd en heeft een totale looptijd van veertien jaar en acht maanden gehad), in ieder geval zou worden verlengd tot 1 februari 2027. De niet-verlenging per 1 februari 2025 kwalificeert dan ook als een tussentijdse opzegging van deze (duur)overeenkomst, aldus [verzoeker] . 6.29 Dat [verzoeker] deze afspraken met Haert heeft gemaakt is onvoldoende onderbouwd, zodat dit verzoek, voor zover het zich tegen Haert richt, moet worden afgewezen. 6.30 De Unie heeft niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij met [verzoeker] een periode van drie jaar is overeengekomen. Ook uit de reactie van De Unie zoals weergegeven onder 3.16 blijkt niet dat De Unie betwist drie keer één jaar te hebben afgesproken met [verzoeker] , maar alleen dat om het contract bij Haert onder te kunnen brengen het nodig is om één jaar in de overeenkomst op te nemen. Dat deze periode dus niet in de overeenkomst staat opgenomen, maar wel dat een verlenging mogelijk is, neemt dan ook niet weg dat partijen wel (mondeling) een duur van drie jaar zijn overeengekomen, zoals [verzoeker] stelt en De Unie dus niet betwist. 6.31 [verzoeker] heeft niet gesteld dat de overeenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd. Wel stelt hij dat De Unie schadeplichtig is door de tewerkstelling via Haert plotseling niet te verlengen maar te beëindigen en dat zij daarom op basis van redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding verschuldigd is. [verzoeker] begroot zijn schade op € 132.288,- . Dit is het bedrag dat hij had kunnen factureren als de overeenkomst was doorgelopen tot 1 februari 2027. 6.32 Het hof overweegt op dit punt als volgt. Met De Unie kwam [verzoeker] overeen dat in principe drie achtereenvolgende jaren een overeenkomst voor de duur van een jaar (al dan niet via Haert) zou worden afgesloten. [verzoeker] mocht daar ook op rekenen, te meer nu de opdracht-relatie tussen partijen op dat moment al meer dan tien jaar duurde. Het had bij deze stand van zaken op de weg van De Unie gelegen om [verzoeker] tijdig te informeren wanneer zij alsnog zou afzien van verlenging van de toegezegde opdracht. Het hof is van oordeel dat in ieder geval een periode van zes maanden in acht had moeten worden genomen voor deze kennisgeving. Dat heeft De Unie niet gedaan, zij heeft immers pas in december 2024 aan [verzoeker] te kennen gegeven dat zij de opdracht per 1 februari 2025 alsnog niet zou verlengen. Door niet een redelijke termijn (van ten minste zes maanden) in acht te nemen, is De Unie tekortgeschoten in haar verplichtingen. De schade die [verzoeker] daardoor heeft geleden, wordt daarom begroot op € 33.072,- (zesmaal de vergoeding per maand die [verzoeker] volgens zijn berekening onder 271. van het beroepschrift had kunnen verdienen). Dit bedrag is De Unie dan ook nog aan [verzoeker] verschuldigd en zal worden toegewezen. 6.33 Alle overige stellingen van partijen kunnen niet tot een ander oordeel leiden en blijven daarom onbesproken. Conclusie en proceskosten 6.34 De conclusie is dat de kantonrechter de vorderingen van [verzoeker] , zoals in eerste aanleg geformuleerd, terecht heeft afgewezen. Ook is [verzoeker] naar het oordeel van het hof terecht in de proceskosten in eerste aanleg van De Unie en Haert veroordeeld. Wel komt de in hoger beroep gewijzigde vordering van [verzoeker] voor een deel voor toewijzing in aanmerking. Het hof zal de bestreden beschikking van de kantonrechter daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen. 6.35 Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep van Haert. Deze kosten worden begroot op € 827,- aan griffierecht en op € 2.580,- aan salaris voor de advocaat. 6.36 In de procedure tussen [verzoeker] en De Unie ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat partijen over en weer (deels) in het gelijk en ongelijk zijn gesteld. 7 Beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 26 juni 2025; opnieuw rechtdoende a. veroordeelt De Unie tot betaling van € 33.072,- aan [verzoeker] ; bepaalt dat als De Unie niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan a) heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, De Unie de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten in eerste aanleg van € 1.221,- aan de zijde van De Unie; bepaalt als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan c) heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten in eerste aanleg van € 1.221,- aan de zijde van Haert; veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Haert begroot op € 3.407,-; bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het onder e) en f) heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; compenseert de kosten in hoger beroep tussen [verzoeker] en De Unie; i. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat meer of anders is gevraagd. Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Verkerk, R.G.C. Veneman en G.J.J. Heerma van Voss en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746. Hoge Raad 21-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:319.