Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:2429
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/109 tot en met BK-24/111 Uitspraak van 16 juli 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M .J. van Dam) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2023, nummers SGR 21/4656, SGR 21/4657, SGR 21/4659 tot en met SGR 21/4661 en SGR 21/4663. Procesverloop 1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.445 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2011). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 1.977 aan heffingsrente (de heffingsrentebeschikking 2011) in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 2.049 (de vergrijpboetebeschikking 2011). 1.1.2. Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.564 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2012). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 765 aan belastingrente (de belastingrentebeschikking IB/PVV 2012) in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 1.888 (de vergrijpboetebeschikking 2012). Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 31.673 (navorderingsaanslag ZVW 2012). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 104 belastingrente (de belastingrentebeschikking ZVW 2012) in rekening gebracht. 1.1.3. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.473 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2013). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 611 aan belastingrente (de belastingrentebeschikking IB/PVV 2013) in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 2.329 (de vergrijpboetebeschikking 2013). Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag ZVW opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 35.537 (navorderingsaanslag ZVW 2013). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 77 belastingrente (de belastingrentebeschikking ZVW 2013) in rekening gebracht. 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 3 juni 2021, heeft de Inspecteur de door belanghebbende gemaakte bezwaren tegen de in 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 21/4660, SGR 21/4661 en SGR 21/4663 ongegrond; - verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 21/4656, SGR 21/4657, SGR 21/4659 gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de boetebeschikkingen betreft; - vernietigt de boetebeschikkingen; - veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres van € 472,22; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres van € 361,11; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.477,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Nadat belanghebbende door het Hof is uitgenodigd tot het indienen van verweer en incidenteel hoger beroep, heeft de Inspecteur het hoger beroep per brief van 26 februari 2024 ingetrokken. Belanghebbende heeft incidenteel Op Begeleidingsbrief B2 werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen de geschatte hoeveelheid (in kilogram) slops. In veel gevallen werd ook het geschatte vocht/vuilpercentage ingevuld. Er stonden ook enkele voorgedrukte gegevens op, zoals het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 2] en de adresgegevens van de betrokkenen. Begeleidingsbrief B2 werd ondertekend door de schipper en door [B.V. 2] . 2.7. Bij de aflevering van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] werden door [B.V. 3] gegevens op de Begeleidingsbrieven C1/A2, A1 en B1 afgedrukt. Dit betrof het zogenoemde weegbrugstempel. Op dit weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 2] en het bruto, tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de gegevens van de weegbrug. Deze doordrukken werden ondertekend door de ontvanger ( [B.V. 3] ). Het weegbrugstempel vermeldde niet het exacte vocht/vuilpercentage. 2.8. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht/vuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht/vuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie. Het komt dus voor dat slops per saldo een negatieve waarde hebben (wat kan inhouden dat de schipper moet betalen voor de ontdoening), dat de slops per saldo geen waarde hebben of dat de slops per saldo een positieve waarde hebben. In dat laatste geval krijgt de schipper (doorgaans) betaald voor de ontdoening. Strafrechtelijk onderzoek 2.9. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (onderzoeknummer […] ) gekregen. 2.10. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere als verdachten aangemerkt: [B.V. 2] , de aandeelhouders van [B.V. 2] , [B.V. 3] en de aandeelhouder van [B.V. 3] . Daarnaast werden ook enkele schippers/ontdoeners als verdachten aangemerkt. Het OM heeft ervoor gekozen niet alle schippers/ontdoeners die uit de onderzoeksgegevens naar voren komen als verdachten aan te merken. 2.11. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn 52 motortankschepen naar voren gekomen. De politie heeft een samenvattende Excel-spreadsheet opgesteld waarin per schip de bevindingen zijn opgenomen van de goederenstromen en geldstromen met betrekking tot de slops/plantaardige olie. In die spreadsheet is op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 2] per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram spijsolie, het door [B.V. 2] op de facturen vermelde contant betaalde bedrag en het nummer van de desbetreffende begeleidingsbrief. Op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 3] zijn daarbij ook het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram spijsolie, het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte, de prijs per kilogram en het door [B.V. 3] aan [B.V. 2] betaalde bedrag voor de slops opgenomen. 2.12. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn ook een maandkalender 2011 en twee weekkalenders 2013 van [B.V. 2] inbeslaggenomen. Op deze kalenders zijn op verschillende data bedragen en namen van schepen genoteerd. Deze gegevens corresponderen met de bedragen die volgens inkoopfacturen op de desbetreffende data in contanten zouden zijn betaald (de contantfacturen) aan de schippers/ontdoeners van de genoemde schepen. Ook zijn 2] aan de Belastingdienst uit juni 2006 luidt als volgt: “Cliënte heeft sinds kort de mogelijkheid gekregen restantpartijen vet, aanwezig in binnenvaartschepen, te kopen en deze vervolgens te transporteren naar en te verkopen aan industriële eindverwerkers (fabrieken). Gezien het feit dat deze binnenvaartschepen slechts korte tijd aan wal liggen, en snel moeten worden gelost, dienen de ladingen contant te worden voldaan. Van de lading wordt een geleidebrief opgesteld, waarop de geladen kilo’s -na weging- worden vermeld. Dit nummer, alsmede de leverancier van de lading, worden op de factuurbon vermeld, waarna de lading wordt getransporteerd naar een industriële verwerker. Deze betaalt de lading vervolgens per bank. Betaling van de inkopen vindt uitsluitend plaats middels pin-opnamen van de rekening, waarop de verkopen binnenkomen. Administratief bestaat evenwicht tussen het gewicht van de ingekochte en verkochte ladingen. Aangezien het belang van cliënte uitsluitend bestaat uit het realiseren van de marge tussen inkoop en verkoop van de lading, wenst zij gevolgde procedure met de Belastingdienst afstemmen, teneinde in de toekomst eventuele discussies inzake de contante inkoop te voorkomen.” 2.15.4. Belastingambtenaar [naam 4] van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor […] heeft bij brief van 27 juli 2006 bericht dat hij akkoord kan gaan met de voorgestelde werkwijze van [B.V. 2] . 2.16. De Belastingdienst heeft in de administratie van [B.V. 2] onder meer aangetroffen: (i) begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1); (ii) genummerde inkoopfacturen op naam van het schip van belanghebbende ter zake van ingekochte slops, waaruit de Belastingdienst opmaakt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden. 2.17. Verder is vastgesteld dat de administratie van [B.V. 2] verkoopfacturen bevatte ter zake van de aflevering van ladingen uit de tankwagens van [B.V. 2] aan [B.V. 3] . Op basis van de administratie van [B.V. 2] (in het bijzonder de begeleidingsbrieven met daarop de afdrukken van het weegbrugstempel van [B.V. 3] ) kon worden bepaald welke omzet [B.V. 2] heeft behaald met de verkoop van de ladingen aan [B.V. 3] en welke ladingen volgens de desbetreffende begeleidingsbrieven afkomstig waren van belanghebbende. Ook kon zodoende worden bepaald wat het vocht/vuilpercentage van de afgeleverde ladingen was, omdat die ladingen bij [B.V. 3] op de weegbrug werden gewogen en werden bemonsterd. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [B.V. 2] op het punt van de van de schipper ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen (ook die waaruit volgt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden) als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de desbetreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden. De navorderingsaanslagen 2.18. Bij brief van 3 november 2017 heeft de Inspecteur de vof in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat en op welke wijze de veronderstelde contante betalingen van [B.V. 2] voor de afgifte van slops zijn verantwoord in de administratie van de onderneming en in de aangiften IB/PVV van de vennoten over de jaren 2011, 2012 en 2013. Bij deze brief is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de desbetreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [B.V. 2] . Tevens zijn de desbetreffende inkoopfacturen van [B.V. 2] in een bijlage bij deze brief gevoegd. De Inspecteur heeft in deze brief aangekondigd dat hij navorderingsaanslagen met vergrijpboetes zal opleggen als blijkt dat de vof de gestelde contante betalingen niet heeft verantwoord. De Inspecteur ging op dat moment ervan uit dat de betalingen inclusief omzetbelasting waren, waardoor hij voor de jaren 2012 en 2013 Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.[3] 38. Verweerder wijst hiertoe op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek (met name de daar beschreven modus operandi), de bevindingen uit het door verweerder ingestelde onderzoek bij [B.V. 2] [ [B.V. 2] , Hof ] en op de bevindingen uit het onderzoek naar de administratie van eiseres en de door [B.V. 2] beschreven werkwijze (zie r.o. 12). Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat de beschreven werkwijze ook volgt uit de administratie van [B.V. 2] . Hij wijst op inkoopfactuur 2762 en begeleidingsbrief met nummer […] (r.o. 14 en 15). Verweerder heeft uit die begeleidingsbrief afgeleid dat de op de factuur genoemde contante betaling van € 3.300 een schatting bij afgifte door het schip betreft die gevolgd werd door de daadwerkelijke meting bij [B.V. 3] [ [B.V. 3] , Hof ]. Verweerder herleidt de schatting als volgt: 18.000 kilogram (genoemd op de begeleidingsbrief) * 40% (uitgaande van 60% vocht/vuil resteert 40% olie) = 7.200 kilogram. Vermenigvuldigd met de op de inkoopfactuur 2762 genoemde € 0,45 per kilogram komt verweerder uit op € 3.240, wat in lijn ligt met de geschatte waarde van € 3.300. Uit de weegbrugstempel op de begeleidingsbrief leidt verweerder af dat de door het schip daadwerkelijk op 7 december 2011 afgegeven slop 10.760 kilogram bedraagt met een vocht/vuil percentage van de op de begeleidingsbrief vermelde 28% (immers 10.760 * 28% = 7.747 kilogram). Dit betreft het gewicht dat is genoemd op de inkoopfactuur, waarop staat “7747 kg x 0.45”, wat een waarde vertegenwoordigd van € 3.500, en dat sluitend is met de vermelding van het nog te betalen bedrag van € 200 op factuurnummer 2717. Verweerder heeft als voorbeeld ook gewezen op factuurnummer 2887 en begeleidingsbrief […] .Volgens de factuur is op 6 februari 2012 19.340 kg olie met vocht/vuilpercentage 17 afgegeven. Op de begeleidingsbrief staat als geschatte hoeveelheid 18.500 kg en achter “Vocht/Vuil” links van het percentageteken 17 en rechts 56. Het volgens de factuur contant voldane bedrag van € 10.750 past volgens verweerder bij de geschatte hoeveelheid van 18.500 kg met 17% vocht/vuil. Naar aanleiding van de meetgegevens van [B.V. 3] is te weinig betaald; volgens de factuur geldt een bedrag van € 805,09 als nog te betalen. Dit bedrag is verrekend op de volgende factuur met nummer 2981. Bovendien blijkt uit de door eiseres overgelegde bankafschriften dat eiseres betalingen van [B.V. 2] heeft ontvangen. Eiseres heeft bijvoorbeeld op 8 mei 2012 onder vermelding van factuurnummer 3056 een bedrag van [B.V. 2] per bank ontvangen, terwijl op die factuur ook een contant betaling van € 10.000 is vermeld (zie r.o. 13 en 21). Verweerder heeft verder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat de omzet uit de contante betalingen naar rato van het winstaandeel van de vennoten in de vof in de aangiften verantwoord had moeten worden. 39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd dat eiseres contante betalingen heeft ontvangen die niet in haar aangiften zijn opgenomen. Met name redengevend daarvoor acht de rechtbank de gedetailleerde Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat de winstverdeling tussen de vennoten anders is dan waar verweerder vanuit is gegaan. Volgens eiseres hadden zij en [F] [de echtgenoot, Hof ] in onderhavige jaren een winstaandeel van 45% en had [E] [de zoon, Hof ] een winstaandeel van 10%. Verweerder heeft daarop toegelicht dat hij is aangesloten bij de winstverdeling van 33,33% per vennoot zoals door de vennoten is gehanteerd in de aangiften IB/PVV over de onderhavige jaren. Aangezien de door verweerder gehanteerde winstverdeling voor eiseres gunstiger is, leidt dit reeds daarom niet tot een ander oordeel. 44. Met wat eiseres heeft aangevoerd, heeft zij niet overtuigend aangetoond dat verweerder de winst uit onderneming te hoog heeft vastgesteld. De enkele ontkenning van de ontvangst van de betalingen is daartoe onvoldoende. Boetebeschikkingen 45. Verweerder heeft gelijktijdig met de navorderingsaanslagen, vergrijpboetes van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd aan eiseres. Het betreft vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de AWR in verband met (voorwaardelijke) opzet. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De bewijslast voor een boete rust op verweerder. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Verweerder moet de voor de boete vereiste feiten en omstandigheden dan ook doen blijken, wat inhoudt overtuigend aantonen[4]. 46. Verweerder stelt dat eiseres met haar handelwijze willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat de contante ontvangsten onbelast zijn gebleven. Verweerder voert aan dat gelet op de substantiële omvang van de contante betalingen deze niet aan de aandacht van eiseres kunnen zijn ontsnapt. Door de contante betalingen zijn de betreffende leveringen aan het zicht onttrokken. Door het structureel niet opnemen van de contante ontvangsten in de administratie heeft eiseres volgens verweerder willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de omzet tegen een te laag bedrag in de aangiften is verantwoord als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven. Derhalve zijn volgens verweerder boeten van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden. 47. Eiseres stelt dat de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd aangezien zij de door verweerder gestelde contante bedragen niet heeft ontvangen van [B.V. 2] . Volgens eiseres valt die conclusie ook helemaal niet te trekken uit het strafrechtelijk onderzoek. Verder stelt eiseres dat indien er wel sprake zou zijn van contante betalingen door [B.V. 2] , verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt aan wie die betalingen dan zijn gedaan. 48. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd. Voor een boete rust een zwaardere bewijslast op verweerder dan bij de aanslagoplegging (overtuigend aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder heeft niet aangetoond dat eiseres de contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder niet heeft aangetoond aan wie de contante betalingen, waarvan de facturen op naam staan van het schip, zijn gedaan. Dat het aannemelijk is dat eiseres de contanten heeft ontvangen, is voor een vergrijpboete niet voldoende. Het voorgaande betekent dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. Belastingrente 49. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend. 50. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 48 dienen de beroepen met nummers SGR 21/4656, SGR 21/4657 en SGR 21/4659 gegrond en de beroepen met nummers SGR 21/4660, SGR 21/4661 en SGR 21/4663 ongegrond te worden verklaard. Immateriële Belanghebbende concludeert voorts tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV, de navorderingsaanslagen ZVW en de bijbehorende heffings- en belastingrentebeschikkingen, tot toekenning van een (aanvullende) vergoeding van immateriële schade, alsmede tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. 4.4. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het incidentele hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het incidentele hoger beroep Geschilpunt a (op de zaak betrekking hebbende stukken) 5.1. Belanghebbende wijst erop dat het strafdossier ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ niet volledig is ingebracht door de Inspecteur. Dat hij slechts delen daarvan heeft ontvangen, blijkt niet uit de stukken. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op artikel 8:42, lid 1, Awb, zodat stellingen van de Inspecteur niet kunnen worden geverifieerd. Volgens belanghebbende is het in het bijzonder van belang hetgeen uit het strafdossier over de administratie van [B.V. 2] en de geloofwaardigheid daarvan blijkt. Bovendien heeft het ontbreken van op de zaak betrekking hebbende stukken erin geresulteerd dat de Rechtbank haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd, aldus belanghebbende. 5.2. De Inspecteur heeft verklaard dat de officier van justitie de naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek opgestelde processen-verbaal alsmede delen van de in beslaggenomen stukken uit de administraties van [B.V. 2] , [B.V. 3] en een aantal betrokken schippers op een USB-stick aan hem ter beschikking heeft gesteld. Hij heeft een lijst van deze bestanden opgesteld. Hij heeft deze stukken als bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegd, behoudens voor zover zij niet specifiek betrekking hebben op belanghebbende. 5.3. Artikel 8:42, lid 1, Awb schrijft voor dat de inspecteur binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Dit betreft alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2). Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2; HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.2; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2). 5.4. Aannemelijk is geworden dat de officier van justitie slechts de door de Inspecteur genoemde delen van het strafdossier ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ aan hem heeft verstrekt. Die opsomming is immers goed te rijmen met de tot de gedingstukken behorende vordering die de Inspecteur op grond van artikel 55 AWR heeft ingesteld, en concrete aanwijzingen dat meer documenten zouden zijn overgedragen ontbreken. Verder geldt dat de Inspecteur stukken die zich bevinden onder het OM en die niet aan hem zijn verstrekt niet behoeft over te leggen, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2). Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat de Inspecteur ten onrechte een of meer van de bij name opgesomde documenten van de USB-stick heeft achtergehouden, is verzuimd die documenten te benoemen en te motiveren dat ze van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in deze zaak. Dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, is derhalve niet aannemelijk geworden. De grief over een daaruit voortvloeiend motiveringsgebrek behoeft mitsdien geen behandeling. Geschilp Deze hoeveelheid komt overeen met het absolute equivalent van het percentage vocht/vuil dat [B.V. 2] bijschreef op de begeleidingsbrief met weegbrugstempel (Begeleidingsbrief B1), welke door [B.V. 2] ofwel tezamen met de bank inkoopfactuur aan de vof werd gezonden, ofwel bij de volgende levering werd overhandigd. Door deze werkwijze werd de vof, aldus de Inspecteur, door [B.V. 2] op de hoogte gesteld van de door [B.V. 3] gemeten hoeveelheid zuivere plantaardige olie in kilogram en het vastgestelde vocht/vuilpercentage. 5.7.5. Ter illustratie van de geld- en goederenstromen heeft de Inspecteur een tweetal voorbeelden nader uitgewerkt. 5.8. Volgens de Inspecteur leveren de gegevens uit de administratie van [B.V. 2] , de gegevens verkregen bij het fiscale onderzoek (waaronder het gespreksverslag van 13 maart 2018) en de stukken uit en getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het kader van het strafrechtelijke onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ het bewijsvermoeden op dat de vof de op de contantfacturen vermelde bedragen contant heeft ontvangen van [B.V. 2] . 5.9. Belanghebbende heeft de juistheid van de door de Inspecteur geschetste toedracht gemotiveerd weersproken en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de persoon van de afnemer ( [B.V. 2] ) en de redenen die [B.V. 2] zou kunnen hebben gehad om (valse) contantfacturen op te nemen in zijn administratie. 5.9.1. Ter zitting van het Hof hebben de echtgenoot en drie andere belanghebbenden in één van de onder 1.6 vermelde zaken verklaard dat zij nooit het vermoeden hebben gehad dat er (veel) meer kilogram olie in hun slops zat dan waarvoor zij door [B.V. 2] per bankbetaling op de bank inkoopfactuur betaald hebben gekregen. Zij hebben gesteld dat zij voor de ontdoening van hun slops waren aangewezen op [B.V. 2] en dat zij erop vertrouwden, en mochten vertrouwen, dat [B.V. 2] een betrouwbare zakenpartner was en daarom in goed vertrouwen met hem hebben gehandeld. 5.9.2. Over de gang van zaken bij de afgifte van slops aan [B.V. 2] hebben de echtgenoot en de andere schippers ter zitting van het Hof het volgende verklaard. Op het moment van ontdoening werd de hoeveelheid afgegeven slops (in kilogram) geschat, waarbij de schipper geen direct zicht had op de hoeveelheid olie die in het waswater van de sloptank zat. Dit was namelijk afhankelijk van verschillende factoren, zoals de soort olie die werd vervoerd en of sprake was van een zogenoemd eenheidstransport (opeenvolgende transporten met dezelfde soort olie); het ging om waswater dat vele malen was gebruikt en om restolie welke was verzameld na diverse reinigingen van de tanks en leidingen na verschillende transporten. In sommige gevallen werd door [B.V. 2] bij de afgifte van de slops een monster genomen en werd het vocht/vuilgehalte bij benadering gemeten in een centrifuge in zijn vrachtwagen. Het door [B.V. 2] op de Begeleidingsbrief B2 geplaatste (geschatte) vocht/vuilgehalte werd door de schipper aangenomen; zij gingen af op hetgeen door [B.V. 2] daaromtrent werd gesteld. De schippers hadden geen inzicht in de waarde die de slops hadden voor [B.V. 2] en [B.V. 3] . Voor hen ging het om een afvalstof, waarvan zij zich moesten ontdoen; het was voor hen al mooi indien zij daarvoor niet hoefden te betalen. De Begeleidingsbrief B2 (zonder weegbrugstempel) werd door de schipper en door [B.V. 2] ondertekend. Pas geruime tijd na de afgifte van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] (een maand of maanden later) werd, indien de slops een positieve waarde bleken te hebben, door de schipper een bank inkoopfactuur van [B.V. 2] ontvangen. De gegevens op de ontvangen bank inkoopfacturen hebben bij de schippers nooit de vraag opgeroepen of zij meer betaald hadden moeten krijgen dan wat zij volgens de bank inkoopfacturen betaald hebben gekregen. Zij vergeleken die stukken niet met elkaar. Op latere vermeldingen door [B.V. 2] op begeleidingsbrieven hadden zij geen zicht en evenmin op het bij [B.V. 3] bepaalde gewicht van de inhoud van tank 2] bestond een motief voor het opnemen van contante betalingen in zijn administratie; dat drukte immers de nettowinst, terwijl hij bovendien over die contante bedragen, waarvan waarschijnlijk is dat [B.V. 2] die in eigen zak heeft gestoken, geen belasting hoefde te betalen. Verder werden van de gestelde contante betalingen, aldus ook de Inspecteur, geen kwitanties opgemaakt en is het opmerkelijk dat de contantfacturen (zonder het bedrijfslogo van [B.V. 2] ) zijn opgemaakt exclusief omzetbelasting, terwijl de bank inkoopfacturen (mét bedrijfslogo) inclusief omzetbelasting zijn. Tevens is opvallend dat [B.V. 2] op contantfacturen veelal een andere marktprijs per kilogram slops hanteerde dan op de bankfacturen, terwijl voor deze verschillen geen bevredigende verklaring voorhanden is. Ten slotte is van belang dat geen enkele van de door [B.V. 2] opgemaakte contantfacturen is aangetroffen in de administratie van de vof. Dit alles doet in sterke mate af aan de overtuigingskracht van de contantfacturen als bewijs voor de gestelde contante betalingen aan de vof. 5.12.3. In het dossier waarover het Hof beschikt, bevinden zich geen Begeleidingsbrieven B1 uit de administratie van belanghebbende. Het Hof heeft dan ook in het geheel niet kunnen vaststellen dat belanghebbende door [B.V. 2] op de hoogte is gebracht van het bij [B.V. 3] gemeten vocht/vuilgehalte, zoals de Inspecteur heeft gesteld, maar door belanghebbende wordt betwist. Evenmin is in het geval van belanghebbende sprake van een vast patroon van opeenvolgende ‘setjes’ van contante en bank inkoopfacturen, waarmee belanghebbende door [B.V. 2] op de hoogte zou zijn gesteld van het totale aantal kilo’s aan olie zoals die bij [B.V. 3] werden vastgesteld (vgl. 5.7.4). Derhalve is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende daarvan op de hoogte was. Ten slotte ontbreken aanknopingspunten die wijzen op het bezit van contanten bij belanghebbende. 5.13. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat de contante betalingen aan de vof die de Inspecteur heeft afgeleid uit de administratie van [B.V. 2] , daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Voor zover al aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contant betaald heeft gekregen voor het totale aantal kilo’s aan olie zoals die bij [B.V. 3] werden vastgesteld, geldt dat dit gelet op het voorgaande redelijkerwijs moet worden betwijfeld, zodat het vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd en niet tot de door de Inspecteur voorgestane uitkomst kan leiden. Tussenconclusie 5.14.1. Het voorgaande brengt mee dat de onderhavige navorderingsaanslagen en heffings-en belastingrentebeschikkingen moeten worden vernietigd. 5.14.2. Het in 4.2.1 onder c) benoemde geschilpunt kan, gelet op het voorgaande onbesproken blijven. Geschilpunt d (vergoeding van immateriële schade en undue delay) 5.15. Belanghebbende verzoekt om een aanvullende vergoeding van immateriële schade nu de redelijke termijn ook in hoger beroep zal worden overschreden. Belanghebbende meent voorts dat nu de redelijke termijn niet alleen is overschreden bij de behandeling van de procedure tegen de navorderingsaanslagen, maar ook in die tegen de boetes, daarvoor een aanvullende schadevergoeding dient te worden toegekend, aangezien de boetes zijn vernietigd door de Rechtbank, zodat genoegdoening niet kan plaatshebben door vermindering van die boetes. 5.16. De Inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen separate vergoeding van immateriële schade wat betreft de boetes toekomt, aangezien het geschil over de boetes is geëindigd op het moment dat de Inspecteur het principaal hoger beroep heeft ingetrokken en belanghebbende eerst nadien, in het nader stuk van 20 januari 2026, heeft verzocht om een aanvullende schadevergoeding. Subsidiair meent de Inspecteur kennelijk dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de redelijke termijn is overschreden, dient te worden bezien in hoeverre de tijd gemoeid met de behan In deze fase is de redelijke termijn daarom overschreden met 2 jaar en afgerond 8 maanden (32 maanden) (te weten: 74 maanden minus 42 maanden). In verband met deze overschrijding heeft belanghebbende recht op een vergoeding van zes maal € 500 = € 3.000 (32 maanden vormen afgerond zes keer een half jaar à € 500). Van het tijdsverloop in eerste aanleg kan de periode vanaf de uitspraak op bezwaar (3 juni 2021) tot de uitspraak van de Rechtbank op 19 december 2023, derhalve een tijdsverloop van afgerond 31 maanden, worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (74 – 31 =) 43 moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet – gelet op de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden – een periode van (43 – 24 =) 19 maanden aan de Inspecteur worden toegerekend en een periode van (31 – 18 =) 13 maanden aan de Staat. Aangezien de vergoeding van immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn plaatsvindt voor elke vernietigde boete afzonderlijk, dient de Inspecteur van de schadevergoeding voor deze fase van de procedure 19/32 deel van drie keer € 3.000 te betalen (€ 5.344) en de Staat 13/32 deel (€ 3.656). 5.19. Gelet op het vorenoverwogene zal – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding van € 833,33 – de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade van € 3.823 (€ 3.656 + € 167) en de Inspecteur worden veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade van € 5.344. Slotsom 5.20. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. De beslissingen van de Rechtbank omtrent de proceskosten en het griffierecht worden in stand gelaten. De Rechtbank heeft terecht en naar het juiste bedrag proceskosten toegekend naar de tarieven die golden op het moment van doen van uitspraak door de Rechtbank. 6.2. Verder bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het incidentele hoger beroep, waarbij, gelet op de inhoud van de dossiers, de onderhavige zaken met de nummers BK-24/109 tot en met BK-24/111 alsook de zaken van de medevennoten van belanghebbende, [E] met de nummers BK-24/121 tot en met BK-24/123 en [F] met de nummers BK-24/157 tot en met BK 24/159, worden aangemerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, tezamen vastgesteld op € 4.203 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (respectievelijk voor het indienen van het incidentele hogerberoepschrift en voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 934 x 1,5 (gewicht van de zaak) x 1,5 (vier of meer samenhangende zaken), waarvan één derde deel (€ 1.401) aan belanghebbende toekomt. 6.3. Voor het incidentele hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd (artikel 8:111, lid 2, Awb). Nu de Inspecteur het door hem ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken, wordt van hem geen griffierecht geheven. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin de boetebeschikkingen 2011, 2012 en 2013 zijn vernietigd en een vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht is toegekend; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2011, 2012 en 2013, alsmede de daarbij gegeven heffings- en belastingrentebeschikkingen 2011, 2012 en 2013; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 3.823; veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 5.344; en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.401. Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, R.A. Bosman e