Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:2420
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/58 tot en met BK-24/60 en BK-24/85 tot en met BK-24/87 Uitspraak van 16 juli 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M.J. van Dam) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2023, nummers SGR 21/4618 tot en met SGR 21/4620. Procesverloop BK-24/58 en BK-24/85 (SGR 21/4618) betreffende het jaar 2011 1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 85.158 (de navorderingsaanslag 2011). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 5.055 aan heffingsrente (de heffingsrentebeschikking 2011) in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 7.058 (de vergrijpboetebeschikking 2011). BK-24/59 en BK-24/86 (SGR 21/4619) betreffende het jaar 2012 1.1.2. Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 75.026 (de navorderingsaanslag 2012). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 3.778 aan belastingrente (de belastingrentebeschikking 2012) in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 5.694 (de vergrijpboetebeschikking 2012). BK-24/60 en BK-24/87 (SGR 21/4620) betreffende het jaar 2013 1.1.3. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 143.603 (de aanslag 2013). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 1.467 aan belastingrente (de belastingrentebeschikking 2013) in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 2.491 (de vergrijpboetebeschikking 2013). Alle jaren 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de door belanghebbende gemaakte bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011, 2012 en 2013, de heffings- en belastingrentebeschikkingen en de vergrijpboetebeschikkingen ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 360 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de boetebeschikkingen betreft; - vernietigt de boetebeschikkingen; - veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.741,94; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.258,06; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.955; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. Partijen hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van het hoger beroep van belanghebbende is een griffierecht geheven van ven € 559. Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft op 20 januari 2026 een nader stuk ingediend. Op 13 maart 2026 is een nader stuk van de Inspecteur ingekomen. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting drie pleitnota’s ingediend. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van: - [A] met nummers BK 24/56, BK 24/57, BK 24/166 en 24/167, - [B] met nummers BK-24/109 t/m BK-24/111; - [C] B.V. met nummer BK-24/119; - [D] met nummer BK-24/120; - [E] met nummers BK-24/121 t/m BK-24/123; en - [F] met nummers BK-24/157 t/m BK-24/159. Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd, wordt aangemerkt als te zijn aangevoerd in de an Op dit weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 2] en het bruto, tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de gegevens van de weegbrug. Deze doordrukken werden ondertekend door de ontvanger ( [B.V. 3] ). Het weegbrugstempel vermeldde niet het exacte vocht/vuilpercentage. 2.8. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht/vuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht/vuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie. Het komt dus voor dat slops per saldo een negatieve waarde hebben (wat kan inhouden dat de schipper moet betalen voor de ontdoening), dat de slops per saldo geen waarde hebben of dat de slops per saldo een positieve waarde hebben. In dat laatste geval krijgt de schipper (doorgaans) betaald voor de ontdoening. Strafrechtelijk onderzoek 2.9. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (onderzoeknummer […] ) gekregen. 2.10. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere als verdachten aangemerkt: [B.V. 2] , de aandeelhouders van [B.V. 2] , [B.V. 3] en de aandeelhouder van [B.V. 3] . Daarnaast werden ook enkele schippers/ontdoeners als verdachten aangemerkt. Het OM heeft ervoor gekozen niet alle schippers/ontdoeners die uit de onderzoeksgegevens naar voren komen als verdachten aan te merken. Belanghebbende is één van de schippers/ontdoeners waarvan het OM over onderzoeksgegevens beschikt, maar die niet als verdachte zijn aangemerkt. 2.11. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn 52 motortankschepen naar voren gekomen. De politie heeft een samenvattende Excel-spreadsheet opgesteld waarin per schip de bevindingen zijn opgenomen van de goederenstromen en geldstromen met betrekking tot de slops/plantaardige olie. In die spreadsheet is op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 2] per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram spijsolie, het door [B.V. 2] op de facturen vermelde contant betaalde bedrag en het nummer van de desbetreffende begeleidingsbrief. Op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 3] zijn daarbij ook het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram spijsolie, het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte, de prijs per kilogram en het door [B.V. 3] aan [B.V. 2] betaalde bedrag voor de slops opgenomen. 2.12. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn ook een maandkalender 2011 en twee weekkalenders 2013 van [B.V. 2] inbeslaggenomen. Op deze kalenders zijn op verschillende data bedragen en namen van schepen genoteerd. Deze gegevens corresponderen met de bedragen die volgens inkoopfacturen op de desbetreffende data in contanten zouden zijn betaald (de contantfacturen) aan de schippers/ontdoeners van de genoemde schepen. Ook zijn op de kalenders bedragen genoteerd die corresponderen met bedragen die volgens de (klad)kasboeken en de bankafschriften door [B.V. 2] zijn opgenomen bij de bank. Onderzoek door de Belastingdienst 2.13. Op enig moment heeft het OM de Belastingdienst ‘getipt’ over een vermoeden dat schippers van motortankschepen contante betalingen van [B.V. 2] hadden ontvangen voor het leveren van slops. De Inspecteur heeft vervolgens een vordering ingesteld op grond van artikel 55 van de Dit nummer, alsmede de leverancier van de lading, worden op de factuurbon vermeld, waarna de lading wordt getransporteerd naar een industriële verwerker. Deze betaalt de lading vervolgens per bank. Betaling van de inkopen vindt uitsluitend plaats middels pin-opnamen van de rekening, waarop de verkopen binnenkomen. Administratief bestaat evenwicht tussen het gewicht van de ingekochte en verkochte ladingen. Aangezien het belang van cliënte uitsluitend bestaat uit het realiseren van de marge tussen inkoop en verkoop van de lading, wenst zij gevolgde procedure met de Belastingdienst afstemmen, teneinde in de toekomst eventuele discussies inzake de contante inkoop te voorkomen.” 2.15.4. Belastingambtenaar [naam 4] van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor […] heeft bij brief van 27 juli 2006 bericht dat hij akkoord kan gaan met de voorgestelde werkwijze van [B.V. 2] . 2.16. De Belastingdienst heeft in de administratie van [B.V. 2] onder meer aangetroffen: (i) begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1); (ii) genummerde inkoopfacturen op naam van [B.V. 1] ter zake van ingekochte slops, waaruit volgt dat de betaling per bank aan belanghebbende zou plaatsvinden; (iii) genummerde inkoopfacturen op naam van het schip van belanghebbende ter zake van ingekochte slops, waaruit de Belastingdienst opmaakt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden. 2.17. Verder is vastgesteld dat de administratie van [B.V. 2] verkoopfacturen bevatte ter zake van de aflevering van ladingen uit de tankwagens van [B.V. 2] aan [B.V. 3] . Op basis van de administratie van [B.V. 2] (in het bijzonder de begeleidingsbrieven met daarop de afdrukken van het weegbrugstempel van [B.V. 3] ) kon worden bepaald welke omzet [B.V. 2] heeft behaald met de verkoop van de ladingen aan [B.V. 3] en welke ladingen volgens de desbetreffende begeleidingsbrieven afkomstig waren van belanghebbende. Ook kon zodoende worden bepaald wat het vocht/vuilpercentage van de afgeleverde ladingen was, omdat die ladingen bij [B.V. 3] op de weegbrug werden gewogen en werden bemonsterd. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [B.V. 2] op het punt van de van de schipper ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen (ook die waaruit volgt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden) als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de desbetreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden. De navorderingsaanslagen 2.18. Bij brief van 3 november 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat en op welke wijze zij de veronderstelde contante betalingen van [B.V. 2] voor de afgifte van slops heeft verantwoord in de administratie van haar onderneming en in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2011, 2012 en 2013. Bij deze brief is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de desbetreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [B.V. 2] . Tevens zijn de desbetreffende inkoopfacturen van [B.V. 2] in een bijlage bij deze brief gevoegd. De Inspecteur heeft in deze brief aangekondigd dat hij navorderingsaanslagen met vergrijpboetes zal opleggen als blijkt dat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verantwoord. De Inspecteur ging op dat moment ervan uit dat de betalingen inclusief omzetbelasting waren, waardoor hij voor de jaren 2012 en 2013 de bedragen van de contante betalingen heeft verminderd met te berekenen omzetbelasting. De omzetbelasting over het jaar 2011 kon niet meer worden nageheven in verband met de verjaringstermijn. De Inspecteur kwam uit op omzetcorrecties van in totaal respectievelijk € 70.580 (2011), € 56.949 (2012) en € 24.917 (2013). 2.19. Bij brief van 15 n 2] voor 7.851 kilogram een bedrag van € 2.433,81 betaald per bank. Volgens de begeleidingsbrief bedroeg de geschatte afgegeven hoeveelheid 20.000 kilogram. Uit de weegbrugstempel op de begeleidingsbrief volgt dat de door het schip daadwerkelijk afgegeven slop 21.220 kilogram bedraagt. Op de aan het schip gerichte inkoopfactuur 3202 staat dat [B.V. 2] voor 10.600 kilogram een bedrag van € 5.300 contant heeft betaald. Volgens verweerder is het onwaarschijnlijk dat eiseres geen vergoeding heeft ontvangen voor de 10.600 kilogram en is het vocht/vuilpercentage van 63 vermeld op de aan [B.V. 1] gerichte factuur en op een van de twee versies van de begeleidingsbrief onjuist. Uit weegbonnumer 12-9640 die bij deze afgifte hoort staat dat het vocht/vuil percentage 22 bedraagt. Dit staat ook op de berekening van de factuur van [B.V. 2] aan [B.V. 3] [ [B.V. 3] , Hof ]. Verder heeft verweerder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen. 39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd dat eiseres contante betalingen heeft ontvangen die niet in haar aangifte zijn opgenomen. Met name redengevend daarvoor acht de rechtbank de gedetailleerde (bank- en) contant facturen op naam van [B.V. 1] en het schip en de informatie op de spreadsheets, waaruit de door eiseres geleverde slops door middel van het nummer op de begeleidingsbrief te volgen zijn naar [B.V. 3] en uit de meetgegevens van [B.V. 3] volgt dat de samenstelling van de slops bestaat uit een (zeer) laag vocht/vuilgehalte. Uit dit laatste, in samenhang bezien met de afrekening tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] , volgt dat de door eiseres geleverde slops een aanzienlijke positieve waarde hadden. Ook staat een afkorting van de naam van het schip op de weekkalender met een bedrag dat overeenstemt met een contant factuur en duidt de telefoontap op betrokkenheid van [bestuurder 1] [ [bestuurder 1] , Hof ] bij de handel in spijsolie tegen contanten. Dit alles in samenhang bezien acht de rechtbank voldoende voor het aannemen van het hiervoor genoemde bewijsvermoeden. 40. Een belastingplichtige die aan het effectief worden van een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren a) door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd en/of b) door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd. 41. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aangevoerd om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Eiseres heeft in beroep naast formele gronden enkel ontkend contante bedragen te hebben ontvangen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat eiseres niet op de hoogte was en wilde zijn van de waarde van de slops omdat het afgeven van slops niet haar “core business” is. De (periodieke) afgifte van slops is immers een noodzakelijke activiteit voor het kunnen uitoefenen van de onderneming, en daarmee juist onderdeel van de “core business”. Daarmee valt niet te rijmen dat eiseres er niet mee bekend was dat met de afgifte van slops aanzienlijke bedragen gemoeid waren, die ofwel tot de omzet, dan wel tot de kosten van de onderneming gerekend moesten worden en daarmee het bedrijfsresultaat direct raken. Daarbij is niet weersproken dat sinds de aanvang van het onderzoek de samenstelling van de afgegeven slops aanzienlijk is gewijzigd. Het is voorts naar het oordeel van de rechtbank moeilijk voorstelbaar dat [B.V. 2] de door hem gevoerde sluitende en zeer gedetailleerde kasadministratie zou hebben opgesteld enkel voor eigen gewin en eiseres slops aan [B.V. 2] heeft geleverd met een aanzienlijke positieve waarde en daar niet voor betaald zou zijn. Het had op Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 48 dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Immateriële schadevergoeding 50. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres recht op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedure.[5] De stelling van verweerder dat in het geval van stelselmatige, langdurige en omvangrijke fraude moet worden afgeweken van het veronderstellen van spanning en frustratie, vindt, wat daar verder ook van zij, geen steun in het recht. 51. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de drie navorderingsaanslagen sprake is van samenhang. Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank uitgaan van het oudste bezwaarschrift. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 13 december 2017 en deze uitspraak is een periode van afgerond zes jaar en één maand verstreken. 52. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar, waarvan zes maanden voor bezwaar en achttien maanden voor beroep. De rechtbank ziet echter aanleiding om de termijn in dit geval wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. De complexiteit van de zaken en de omvang van het strafrechtelijke dossier zijn voor de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met zes maanden te verlengen. Daarnaast ziet de rechtbank in het onder 22 tot en met 25 beschreven procesverloop, waaruit blijkt dat verweerder de gemachtigde keer op keer tevergeefs in de gelegenheid heeft gesteld om gronden aan te vullen of te reageren om een reactie op de verschillende voorstellen voor een datum voor het hoorgesprek, aanleiding om de redelijke termijn met één jaar te verlengen. Alles bij elkaar genomen is er aanleiding om de redelijke termijn voor de bezwaarfase met één jaar en zes maanden te verlengen, waardoor de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase uitkomt op in totaal drie jaar en zes maanden. 53. Gelet op het voorgaande is de overschrijding van de redelijke termijn afgerond naar boven twee jaar en zeven maanden. Derhalve bestaat er recht op een vergoeding van € 3.000. Van de overschrijding dient achttien maanden te worden toegerekend aan verweerder (€ 1.741,94) en dertien maanden komt voor de rekening van de Staat (€ 1.258,06). (…) [2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. [3] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083. [4] ECLI:NL:HR:2022:526. [5] Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de navorderingsaanslagen 2011, 2012 en 2013 en de heffings- en belastingrentebeschikkingen over die jaren terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, alsmede of de vergrijpboetes over die jaren terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan is toegekend door de Rechtbank. 4.2.1. Meer specifiek spitst het geschil in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/58, BK-24/59 en BK-24/60) zich toe op de volgende vragen: Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgelegd? Is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing wegens het niet doen van de vereiste aangifte? Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, dan wel kan de Inspecteur zich met vrucht beroepen op kwade trouw als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR? Is aan belanghebbende in strijd met artikel 1 Eerste Protocol EVRM en het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel te veel belastingrente in rekening gebracht? Dient een aanvullende vergoeding van immateriële schade te worden toegekend? 4.2.2. Meer specifiek spitst het geschil in het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/85, BK-24/86 en BK-24/87) zich toe op de volgende vragen: Zijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd? Kan belanghebbende in dat kader Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat de Inspecteur ten onrechte een of meer van de bij name opgesomde documenten van de USB-stick heeft achtergehouden, heeft zij verzuimd die documenten te benoemen en te motiveren dat ze van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak. Dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, is derhalve niet aannemelijk geworden. De grief over een daaruit voortvloeiend motiveringsgebrek behoeft mitsdien geen behandeling. Geschilpunt b (vereiste aangifte: omkering en verzwaring van de bewijslast) 5.5. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor een deel van haar slops contante betalingen heeft ontvangen van [B.V. 2] die zij niet heeft verantwoord in haar bedrijfsresultaat en niet heeft opgenomen in haar aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet de vereiste aangiften gedaan. 5.6. Voor omkering van de bewijslast op grond van het niet doen van de vereiste aangifte dient de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat de door belanghebbende ingediende aangiften zowel absoluut als relatief gezien, in aanzienlijke mate bewust te laag zijn gedaan (HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Belanghebbende stelt dat zij de door de Inspecteur gestelde contante betalingen nooit heeft ontvangen. Volgens belanghebbende heeft [B.V. 2] in zijn administratie valse contantfacturen opgemaakt die nooit aan hem zijn verzonden of gegeven. Gelet op het voorgaande rust op de Inspecteur de bewijslast om – in de eerste plaats – aannemelijk te maken dat belanghebbende in de onderhavige jaren méér inkomsten heeft genoten (in de vorm van contante betalingen) dan zij in haar aangiften vennootschapsbelasting voor deze jaren heeft aangegeven. 5.7. De Inspecteur heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt samengevat weergegeven het volgende aangevoerd over de werkwijze (modus operandi) van belanghebbende en [B.V. 2] . 5.7.1. Op het afgesproken tijdstip haalde [B.V. 2] de af te geven slops op bij het schip. Na het lossen werd op de begeleidingsformulieren, in het bijzijn van de schipper, de geschatte hoeveel product, een onjuist (hoog) percentage vocht/vuil en een onjuist (hoog) FFA-gehalte vermeld. [bestuurder 1] tekende in 2011, 2012 en 2013 op elf van de negenentwintig begeleidingsbrieven voor akkoord en kreeg hiervoor een exemplaar voor haar eigen administratie (Begeleidingsbrief B2). Vervolgens betaalde [B.V. 2] het door belanghebbende gewenste contante bedrag. 5.7.2. Na de afgifte vervoerde [B.V. 2] de partij naar [B.V. 3] . [B.V. 3] woog de partij, scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte. Op basis van deze gegevens werd de prijs van de partij bepaald. [B.V. 3] plaatste vervolgens een weegbrugstempel op de begeleidingsbrief. De weegbrugstempel vermeldde onder meer het exacte gewicht van de partij. [B.V. 3] hield één exemplaar zelf (Begeleidingsbrief A1) en gaf twee exemplaren aan [B.V. 2] , één voor de administratie van [B.V. 2] (Begeleidingsbrief C1/A2) en één voor de administratie van belanghebbende (Begeleidingsbrief B1). [B.V. 2] voegde in de meeste gevallen aan de begeleidingsbrief met weegbrugstempel nog het exacte (veel lagere) percentage vocht/vuil en het exacte (veel lagere) FFA-gehalte toe. 5.7.3. Vervolgens maakte [B.V. 2] op naam van het desbetreffende schip en op het adres van de desbetreffende schipper/ontdoener waarvan partijen plantaardige olie werden ingekocht, een contant inkoopfactuur exclusief omzetbelasting op, met de datum van de afgifte. Daarop vermeldde [B.V. 2] het nettogewicht van de afgegeven partij, het (meestal) lagere gewicht waarvoor contant was betaald en de prijs per kilogram. [B.V. 2] maakte ook een bank inkoopfactuur op inclusief omzetbelasting, eveneens met de datum van de afgifte. In de meeste gevallen h 2] aan [B.V. 3] (een maand of maanden later) werd, indien de slops een positieve waarde bleken te hebben, door de schipper – in het onderhavige geval: via de bevrachter [B.V. 1] – een bank inkoopfactuur van [B.V. 2] ontvangen. De gegevens op de ontvangen bank inkoopfacturen hebben bij de schippers nooit de vraag opgeroepen of zij meer betaald hadden moeten krijgen dan wat zij volgens de bank inkoopfacturen betaald hebben gekregen. Zij vergeleken die stukken niet met elkaar. Op latere vermeldingen door [B.V. 2] op begeleidingsbrieven hadden zij geen zicht en evenmin op het bij [B.V. 3] bepaalde gewicht van de inhoud van tankwagen, het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte. 5.9.3. Belanghebbende heeft voorts erop gewezen dat [B.V. 2] als verdachte aangemerkt is (geweest) in het strafrechtelijk onderzoek, alsmede dat hij de mogelijkheid had om de samenstelling van de slops te manipuleren tussen het moment van de afgifte van de slops door de schipper aan [B.V. 2] en de aanbieding van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] , bijvoorbeeld door vocht weg te laten lopen of door verschillende slops bij elkaar te pompen (vermenging), waardoor de meetgegevens van [B.V. 3] in positieve zin zouden kunnen zijn bijgesteld. Voorts heeft de advocaat van belanghebbende erop gewezen dat de Belastingdienst in 2006 toestemming heeft gegeven aan [B.V. 2] om grote contante bedragen op te nemen (zie 2.15). Volgens [B.V. 2] was dat – aldus de advocaat van belanghebbende: beweerdelijk – nodig om schippers contant te kunnen betalen. Hij stelt dat [B.V. 2] door de akkoordverklaring van de Belastingdienst ‘op het spek werd gebonden’ om zich vorenbedoelde bedragen toe te eigenen. [B.V. 2] heeft de gedetailleerde en sluitende (interne) in- en verkoopadministratie aldus opgemaakt voor eigen gewin. Onduidelijk is of [B.V. 2] die bedragen zelf heeft gehouden, dan wel heeft gedeeld met derden. Belanghebbende heeft tot slot erop gewezen dat haar bestuurders in de onderhavige jaren, in tegenstelling tot de gebroeders [B.V. 2] , geen luxe leven hebben geleid. 5.10. De Inspecteur heeft dit een en ander niet, althans niet gemotiveerd weersproken. Hij wijst in het bijzonder erop dat het veelal gaat om blote stellingen van belanghebbende en dat daarmee niet het door hem verdedigde bewijsvermoeden (zie 5.8) kan worden ontzenuwd. 5.11. Alle stukken van het (omvangrijke) procesdossier in ogenschouw nemend en mede gelet op de door belanghebbende ter zitting afgelegde, geloofwaardige verklaringen, is de door de Inspecteur gestelde toedracht, waarin belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant heeft ontvangen, niet aannemelijk geworden. Met name gelet op de rol van [B.V. 2] is waarschijnlijker het door belanghebbende geschetste scenario, waarin de uit de administratie van [B.V. 2] volgende contante opnames, die de Inspecteur in verband brengt met de afgifte van slops door belanghebbende, niet ten goede zijn gekomen aan belanghebbende maar door [B.V. 2] in eigen zak zijn gestoken. 5.12.1. Redengevend hiervoor is in de eerste plaats dat – naar tussen partijen niet in geschil is – [B.V. 2] heeft gesjoemeld met vocht/vuilpercentages en FFA-gehalten op begeleidingsbrieven, alsmede dat hij vocht/vuilpercentages op facturen heeft bijgesteld om het een en ander kloppend te maken. Er bestaan forse verschillen tussen de inschattingen van de vocht/vuilpercentages die door [B.V. 2] zijn vermeld op de begeleidingsbrieven en de daarop gebaseerde bank inkoopfacturen enerzijds en de meetgegevens bij [B.V. 3] anderzijds. In het Basis-PV ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ worden nog diverse andere gevallen beschreven die aanwijzingen opleveren dat controlerende instanties, opdrachtgevers en anderen door [B.V. 2] opzettelijk werden misleid door het opmaken van valse en vervalste documenten en het achterwege laten van documenten. De Inspecteur gaat ervan uit dat belanghebbende contant is uitbetaald voor het meerdere aan kilogram olie dat volgens de meetgegeve De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de boetes terecht zijn opgelegd en dat de overschrijding van de redelijke termijn dus dient te worden gecompenseerd door vermindering van de boetes. Voorts meent de Inspecteur kennelijk dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de redelijke termijn is overschreden, dient te worden bezien in hoeverre de tijd gemoeid met de behandeling van het geschil in eerste aanleg en hoger beroep tezamen een periode van vier jaar heeft overschreden. 5.17.1. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3). In dit geval bestaat, anders dan de Inspecteur kennelijk meent, geen aanleiding de duur van de totale procedure tot nu toe in ogenschouw te nemen, reeds omdat belanghebbende niet voor het eerst in hoger beroep maar al in eerste aanleg heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3). 5.17.2. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 25 januari 2024 en heden wordt uitspraak gedaan op 16 juli 2026, terwijl bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn in hoger beroep zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de termijn van twee jaar is overschreden met niet meer dan zes maanden. Belanghebbende heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien de onderhavige zaken over 2011, 2012 en 2013 als samenhangend worden beschouwd omdat deze dezelfde geschilpunten betreffen en gelijktijdig zijn behandeld, heeft belanghebbende wat betreft de navorderingsaanslagen 2011, 2012 en 2013 en de rentebeschikkingen 2011, 2012 en 2013 in hoger beroep – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding van € 3.000 – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat. 5.18.1. Wat betreft de vergrijpboetebeschikkingen 2011, 2012 en 2013 geldt het volgende. 5.18.2. Nu de Rechtbank de vergrijpboetebeschikkingen heeft vernietigd en die beslissing in hoger beroep in stand blijft, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boetes. De vergoeding van immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn vindt plaats voor elke vernietigde boete afzonderlijk (zie HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279, r.o. 5.2.3). 5.18.3.1. De vergrijpboeten voor de jaren 2011, 2012 en 2013 bedroegen elk meer dan € 1.000 en belanghebbende heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een dergelijk geval kan compensatie voor de vorenbedoelde verdragsschending worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de navorderingsaanslag en de rentebeschikking (vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1, HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, r.o. 6.4, en HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1142, r.o. 2.4.3). 5.18.3.2. Voor de procedure in eerste aanleg geldt dat de in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 3 november 2017, toen de boete is aangekondigd (zie 2.18), en is geëindigd toen de Rechtbank op 19 december 2023 uitspraak deed, zodat de in aanmerking te nemen termijn 6 jaar en afgerond 2 maanden (74 maanden) bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn om de redelijke termijn van twee jaar voor deze fase van de procedure met één jaar en zes maanden te verlengen. In deze fase is de redelijke termijn daarom overschreden met 2 jaar en afgerond 8 maanden (32 maanden) (te weten: 74 maanden minus 42 maanden). In verband met deze overschrijding heeft belanghebbe