Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:2419
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/56, BK-24/57, BK-24/166 en BK-24/167 Uitspraak van 16 juli 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M .J. van Dam) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ). op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2023, nummers SGR 21/4630 en SGR 21/4631. Procesverloop BK-24/56 en BK-24/166 (SGR 21/4630) betreffende het jaar 2012 1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.834 (de navorderingsaanslag 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 228 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking 2012) en een vergrijpboete opgelegd van € 610 (de boetebeschikking 2012). BK-24/57 en BK-24/167 (SGR 21/4631) betreffende het jaar 2013 1.1.2. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 144.658 (de navorderingsaanslag 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 2.859 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking 2013) en een vergrijpboete opgelegd van € 9.184 (de boetebeschikking 2013). Beide jaren 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de boetebeschikkingen betreft; - vernietigt de boetebeschikkingen; - veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.200; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.300; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.955; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van het hoger beroep van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 138. Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft op 20 januari 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 13 maart 2026 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting drie pleitnota’s ingediend. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van: - [A] B.V. met nummers BK-54/58 t/ m BK-54/60 en BK-24/85 t/ m BK-24/87; - [B] met nummers BK-24/109 t/ m BK-24/111; - [C] B.V. met nummer BK-24/119; - [D] met nummer BK-24/120; - [E] met nummers BK-24/121 t/ m BK-24/123; en - [F] met nummers BK-24/157 t/ m BK-24/159. Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd, wordt aangemerkt als te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] (de eenmanszaak). In de onderhavige jaren werd het motortankschip [naam schip] (het schip) geëxploiteerd in de eenmanszaak. Belanghebbende huurde het schip sinds 3 november 2012 van bevrachter [B.V. 1] . Belanghebbende was de schipper van het schip. Met het schi In dat laatste geval krijgt de schipper (doorgaans) betaald voor de ontdoening. Strafrechtelijk onderzoek 2.9. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (onderzoeknummer […] ) gekregen. 2.10. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere als verdachten aangemerkt: [B.V. 2] , de aandeelhouders van [B.V. 2] , [B.V. 3] en de aandeelhouder van [B.V. 3] . Daarnaast werden ook enkele schippers/ontdoeners als verdachten aangemerkt. Het OM heeft ervoor gekozen niet alle schippers/ontdoeners die uit de onderzoeksgegevens naar voren komen als verdachten aan te merken. Belanghebbende is één van de schippers/ontdoeners waarvan het OM over onderzoeksgegevens beschikt, maar die niet als verdachte zijn aangemerkt. 2.11. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn 52 motortankschepen naar voren gekomen. De politie heeft een samenvattende Excel-spreadsheet opgesteld waarin per schip de bevindingen zijn opgenomen van de goederenstromen en geldstromen met betrekking tot de slops/plantaardige olie. In die spreadsheet is op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 2] per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram spijsolie, het door [B.V. 2] op de facturen vermelde contant betaalde bedrag en het nummer van de desbetreffende begeleidingsbrief. Op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 3] zijn daarbij ook het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram spijsolie, het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte, de prijs per kilogram en het door [B.V. 3] aan [B.V. 2] betaalde bedrag voor de slops opgenomen. 2.12. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn ook een maandkalender 2011 en twee weekkalenders 2013 van [B.V. 2] inbeslaggenomen. Op deze kalenders zijn op verschillende data bedragen en namen van schepen genoteerd. Deze gegevens corresponderen met de bedragen die volgens inkoopfacturen op de desbetreffende data in contanten zouden zijn betaald (de contantfacturen) aan de schippers/ontdoeners van de genoemde schepen. Ook zijn op de kalenders bedragen genoteerd die corresponderen met bedragen die volgens de (klad)kasboeken en de bankafschriften door [B.V. 2] zijn opgenomen bij de bank. Onderzoek door de Belastingdienst 2.13. Op enig moment heeft het OM de Belastingdienst ‘getipt’ over een vermoeden dat schippers van motortankschepen contante betalingen van [B.V. 2] hadden ontvangen voor het leveren van slops. De Inspecteur heeft vervolgens een vordering ingesteld op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om (relevante delen van) het strafdossier ter beschikking te krijgen. 2.14. Op 26 mei 2016 heeft de Inspecteur toestemming gekregen van de officier van justitie voor inzage in en het gebruik van relevante gegevens uit het strafdossier ten behoeve van fiscale doeleinden. In dit strafdossier bevond zich onder meer de in 2.11 vermelde Excel-spreadsheet van de politie. In deze Excel-spreadsheet staan de veronderstelde contante betalingen vermeld die belanghebbende zou kunnen hebben ontvangen voor de afgifte van slops. 2.15.1. De Belastingdienst heeft na ontvangst van de gegevens uit het strafdossier op 30 november 2017 een onderzoek bij [B.V. 2] ingesteld. Een verslag van een op 30 november 2017 bij [B.V. 2] gehouden bespreking vermeldt onder meer het volgende: “6. Opeenvolgende factuurnummer op dezelfde datum bij zelfde aanbieder Als voorbeeld zijn de leveringen door [naam 1] genom 2] onder meer aangetroffen: (i) begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1); (ii) genummerde inkoopfacturen op naam van [B.V. 1] ter zake van ingekochte slops, waaruit volgt dat de betaling per bank aan belanghebbende zou plaatsvinden; (iii) genummerde inkoopfacturen op naam van het schip van belanghebbende ter zake van ingekochte slops, waaruit de Belastingdienst opmaakt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden. 2.17. Verder is vastgesteld dat de administratie van [B.V. 2] verkoopfacturen bevatte ter zake van de aflevering van ladingen uit de tankwagens van [B.V. 2] aan [B.V. 3] . Op basis van de administratie van [B.V. 2] (in het bijzonder de begeleidingsbrieven met daarop de afdrukken van het weegbrugstempel van [B.V. 3] ) kon worden bepaald welke omzet [B.V. 2] heeft behaald met de verkoop van de ladingen aan [B.V. 3] en welke ladingen volgens de desbetreffende begeleidingsbrieven afkomstig waren van belanghebbende. Ook kon zodoende worden bepaald wat het vocht/vuilpercentage van de afgeleverde ladingen was, omdat die ladingen bij [B.V. 3] op de weegbrug werden gewogen en werden bemonsterd. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [B.V. 2] op het punt van de van de schipper ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen (ook die waaruit volgt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden) als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de desbetreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden. De navorderingsaanslagen 2.18. Bij brief van 7 november 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat en op welke wijze hij de veronderstelde contante betalingen van [B.V. 2] voor de afgifte van slops heeft verantwoord in de administratie van zijn onderneming en in de aangiften IB/PVV over de jaren 2012 en 2013. Bij deze brief is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de desbetreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [B.V. 2] . Tevens zijn de desbetreffende inkoopfacturen van [B.V. 2] in een bijlage bij deze brief gevoegd. De Inspecteur heeft in deze brief aangekondigd dat hij navorderingsaanslagen met vergrijpboetes zal opleggen als blijkt dat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verantwoord. De Inspecteur ging op dat moment ervan uit dat de betalingen inclusief omzetbelasting waren, waardoor hij de bedragen van de contante betalingen heeft verminderd met te berekenen omzetbelasting. De Inspecteur kwam uit op omzetcorrecties van in totaal respectievelijk € 3.306 (2012) en € 41.074 (2013). 2.19. Bij brief van 15 november 2017 heeft belanghebbende via zijn advocaat gereageerd op de brief van 7 november 2017 en verklaard geen contante betalingen te hebben ontvangen van [B.V. 2] ter zake van de afgifte van slops uit het schip. 2.20. De daarop volgende nadere correspondentie en het e-mailverkeer tussen de advocaat van belanghebbende en de Inspecteur heeft niet geleid tot herziening van het voornemen van de Inspecteur tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes, welke overeenkomstig de aankondiging zijn opgelegd. Het nader vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt berekend: 2012 2013 Contante betalingen € 4.000 € 49.700 Berekende omzet € 3.306 € 41.074 Eerder vastgesteld belastbaar inkomen € 39.925 € 109.334 Bij: meer omzet € 3.306 € 41.074 Af: hogere MKB-winstvrijstelling € 397 € 5.750 Nader vastgesteld belastbaar inkomen € 42.834 € 144.658 2.21. Tijdens de bezwaarfase heeft de advocaat van belanghebbende bij brief van 12 oktober 2018 stukken uit de administratie van belanghebbende zelf overgelegd aan de Inspecteur. Dit betreft: - Facturen 2012 inzak Volgens inkoopfactuur 4001 heeft [B.V. 2] voor 5.156 kilogram een bedrag van € 3.299,84 betaald. Volgens de begeleidingsbrief bedroeg de geschatte afgegeven hoeveelheid 15.000 kilogram. Uit de weegbrugstempel op de begeleidingsbrief leidt verweerder af dat de door het schip daadwerkelijk afgegeven slop 19.280 kilogram bedraagt. Op inkoopfactuur 4000 staat dat [B.V. 2] voor 12.090 kilogram een bedrag van € 6.650 contant heeft betaald. Volgens verweerder is het onwaarschijnlijk dat eiser geen vergoeding heeft ontvangen voor de 12.090 kilogram en is het vocht/vuilpercentage van 65 onjuist. Uit de meetgegevens van [B.V. 3] [ [B.V. 3] , Hof ] en de factuurberekening tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] volgt dat het vocht-vuilpercentage 6 was. Verweerder heeft als voorbeeld ook gewezen op factuurnummers 3476 (contant op naam van het schip) en 3477 (aan [B.V. 1] ) van 22 respectievelijk 23 november 2012 met begeleidingsbrief […] en weegbonnummer 12-15610 Uit de weegbongegevens volgt een vocht/vuilpercentage van 32 in plaats van de op één van de twee tot het dossier behorende begeleidingsbrieven en de op de aan [B.V. 1] gerichte factuur vermelde 80%. Het is volgens verweerder zeer onwaarschijnlijk dat [B.V. 2] slechts voor 4.164 kg van de ingenomen 20.802 kg olie zou hebben betaald. Verweerder heeft verder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen. 37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd dat eiser contante betalingen heeft ontvangen die niet in zijn aangiften zijn opgenomen. Met name redengevend daarvoor acht de rechtbank de gedetailleerde (bank- en) contant facturen op naam van het schip en de informatie op de spreadsheets, waaruit de door eiser geleverde slops door middel van het nummer op de begeleidingsbrief te volgen zijn naar [B.V. 3] en uit de meetgegevens van [B.V. 3] volgt dat de samenstelling van de slops bestaat uit een (zeer) laag vocht/vuilgehalte. Uit dit laatste, in samenhang bezien met de afrekening tussen [B.V. 2] en [B.V. 3] , volgt dat de door eiser geleverde slops een aanzienlijke positieve waarde hadden. Ook zijn contant facturen op naam van het schip te herleiden naar de vermeldingen van contante bedragen op de weekkalender. Dit alles in samenhang bezien acht de rechtbank voldoende voor het aannemen van het hiervoor genoemde bewijsvermoeden. 38. Een belastingplichtige die aan het effectief worden van een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren a) door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd en/of b) door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd. 39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangevoerd om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft in beroep naast formele gronden enkel ontkend contante bedragen te hebben ontvangen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat eiser niet op de hoogte was en wilde zijn van de waarde van de slops omdat het afgeven van slops niet zijn “core business” is. De (periodieke) afgifte van slops is immers een noodzakelijke activiteit voor het kunnen uitoefenen van de onderneming, en daarmee juist onderdeel van de “core business”. Daarmee valt niet te rijmen dat eiser er niet mee bekend was dat met de afgifte van slops aanzienlijke bedragen gemoeid waren, die ofwel tot de omzet, dan wel tot de kosten van de onderneming gerekend moesten worden en daarmee het bedrijfsresultaat direct raken. Daarbij is niet weersproken dat sinds de aanvang van het onderzoek de samenstelling van de afgegeven slops aanzienlijk is gewijzigd. Het is voorts naar het oordeel van de rechtbank moeilijk voorste Dat het aannemelijk is dat eiser de contanten heeft ontvangen, is voor een vergrijpboete niet voldoende. Het voorgaande betekent dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. Belastingrente 47. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend. 48. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 46 dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Immateriële schadevergoeding 49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser recht op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedure.[5] De stelling van verweerder dat in het geval van stelselmatige, langdurige en omvangrijke fraude moet worden afgeweken van het veronderstellen van spanning en frustratie, vindt, wat daar verder ook van zij, geen steun in het recht. 50. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de twee navorderingsaanslagen sprake is van samenhang. Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank uitgaan van het oudste bezwaarschrift. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 28 mei 2018 en deze uitspraak is een periode van vijf jaar en afgerond zeven maanden verstreken. 51. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar, waarvan zes maanden voor bezwaar en achttien maanden voor beroep. De rechtbank ziet echter aanleiding om de termijn in dit geval wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. De complexiteit van de zaken en de omvang van het strafrechtelijke dossier zijn voor de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met zes maanden te verlengen. Daarnaast ziet de rechtbank in het onder 20 tot en met 23 beschreven procesverloop, waaruit blijkt dat verweerder de gemachtigde keer op keer tevergeefs in de gelegenheid heeft gesteld om gronden aan te vullen of te reageren om een reactie op de verschillende voorstellen voor een datum voor het hoorgesprek, aanleiding om de redelijke termijn met één jaar te verlengen. Alles bij elkaar genomen is er aanleiding om de redelijke termijn voor de bezwaarfase met één jaar en zes maanden te verlengen, waardoor de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase uitkomt op in totaal drie jaar en zes maanden. 52. Gelet op het voorgaande is de overschrijding van de redelijke termijn dus twee jaar en één maand. Derhalve bestaat er recht op een vergoeding van € 2.500. Van de overschrijding dient twaalf maanden te worden toegerekend aan verweerder (€ 1.200) en dertien maanden komt voor de rekening van de Staat (€ 1.300). (…) [2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. [3] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083. [4] ECLI:NL:HR:2022:526. [5] Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de rentebeschikkingen 2012 en 2013 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, alsmede of de vergrijpboetes 2012 en 2013 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan is toegekend door de Rechtbank. 4.2.1. Meer specifiek spitst het geschil in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/56 en BK-24/57) zich toe op de volgende vragen: Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgelegd? Is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing wegens het niet doen van de vereiste aangifte? Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, dan wel kan de Inspecteur zich met vrucht beroepen op kwade trouw als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR? Dient een aanvullende vergoeding van immateriële schade te worden toegekend? 4.2.2. Meer specifiek spitst het geschil in het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/166 en BK-24/16 Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat de Inspecteur ten onrechte een of meer van de bij name opgesomde documenten van de USB-stick heeft achtergehouden, heeft hij verzuimd die documenten te benoemen en te motiveren dat ze van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, is derhalve niet aannemelijk geworden. De grief over een daaruit voortvloeiend motiveringsgebrek behoeft mitsdien geen behandeling. Geschilpunt b (vereiste aangifte: omkering en verzwaring van de bewijslast) 5.5. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor een deel van zijn slops contante betalingen heeft ontvangen van [B.V. 2] die hij niet heeft verantwoord in zijn bedrijfsresultaat en niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet de vereiste aangiften gedaan. 5.6. Voor omkering van de bewijslast op grond van het niet doen van de vereiste aangifte dient de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat de door belanghebbende ingediende aangiften zowel absoluut als relatief gezien, in aanzienlijke mate bewust te laag zijn gedaan (HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Belanghebbende stelt dat hij de door de Inspecteur gestelde contante betalingen nooit heeft ontvangen. Volgens belanghebbende heeft [B.V. 2] in zijn administratie valse contantfacturen opgemaakt die nooit aan hem zijn verzonden of gegeven. Gelet op het voorgaande rust op de Inspecteur de bewijslast om – in de eerste plaats – aannemelijk te maken dat belanghebbende in de onderhavige jaren méér inkomsten heeft genoten (in de vorm van contante betalingen) dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor deze jaren heeft aangegeven. 5.7. De Inspecteur heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt samengevat weergegeven het volgende aangevoerd over de werkwijze (modus operandi) van belanghebbende en [B.V. 2] . 5.7.1. Op het afgesproken tijdstip haalde [B.V. 2] de af te geven slops op bij het schip. Na het lossen werd op de begeleidingsformulieren, in het bijzijn van belanghebbende, de geschatte hoeveel product, een onjuist (hoog) percentage vocht/vuil en een onjuist (hoog) FFA-gehalte vermeld. Belanghebbende tekende in 2012 en 2013 op zes van de tien begeleidingsbrieven voor akkoord en kreeg hiervoor een exemplaar voor zijn eigen administratie (Begeleidingsbrief B2). Vervolgens betaalde [B.V. 2] het door belanghebbende gewenste contante bedrag. 5.7.2. Na de afgifte vervoerde [B.V. 2] de partij naar [B.V. 3] . [B.V. 3] woog de partij, scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte. Op basis van deze gegevens werd de prijs van de partij bepaald. [B.V. 3] plaatste vervolgens een weegbrugstempel op de begeleidingsbrief. De weegbrugstempel vermeldde onder meer het exacte gewicht van de partij. [B.V. 3] hield één exemplaar zelf (Begeleidingsbrief A1) en gaf twee exemplaren aan [B.V. 2] , één voor de administratie van [B.V. 2] (Begeleidingsbrief C1/A2) en één voor de administratie van belanghebbende (Begeleidingsbrief B1). [B.V. 2] voegde in de meeste gevallen aan de begeleidingsbrief met weegbrugstempel nog het exacte (veel lagere) percentage vocht/vuil en het exacte (veel lagere) FFA-gehalte toe. 5.7.3. Vervolgens maakte [B.V. 2] op naam van het desbetreffende schip en op het adres van de desbetreffende schipper/ontdoener waarvan partijen plantaardige olie werden ingekocht, een contant inkoopfactuur exclusief omzetbelasting op, met de datum van de afgifte. Daarop vermeldde [B.V. 2] het nettogewicht van de afgegeven partij, het (meestal) lagere gewicht waarvoor contant was betaald en de prijs per kilogram. [B.V. 2] maakte ook een bank inkoopfactuur op inclusief omzetbelasting, eveneens met de datum van de afgifte. In de meeste gevallen had deze factuur een nummer volgend op het nummer va 3] (een maand of maanden later) werd, indien de slops een positieve waarde bleken te hebben, door de schipper – in het onderhavige geval: via de bevrachter [B.V. 1] – een bank inkoopfactuur van [B.V. 2] ontvangen. De gegevens op de ontvangen bank inkoopfacturen hebben bij de schippers nooit de vraag opgeroepen of zij meer betaald hadden moeten krijgen dan wat zij volgens de bank inkoopfacturen betaald hebben gekregen. Zij vergeleken die stukken niet met elkaar. Op latere vermeldingen door [B.V. 2] op begeleidingsbrieven hadden zij geen zicht en evenmin op het bij [B.V. 3] bepaalde gewicht van de inhoud van tankwagen, het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte. 5.9.3. Belanghebbende heeft voorts erop gewezen dat [B.V. 2] als verdachte aangemerkt is (geweest) in het strafrechtelijk onderzoek, alsmede dat hij de mogelijkheid had om de samenstelling van de slops te manipuleren tussen het moment van de afgifte van de slops door de schipper aan [B.V. 2] en de aanbieding van de slops door [B.V. 2] aan [B.V. 3] , bijvoorbeeld door vocht weg te laten lopen of door verschillende slops bij elkaar te pompen (vermenging), waardoor de meetgegevens van [B.V. 3] in positieve zin zouden kunnen zijn bijgesteld. Voorts heeft de advocaat van belanghebbende erop gewezen dat de Belastingdienst in 2006 toestemming heeft gegeven aan [B.V. 2] om grote contante bedragen op te nemen (zie 2.15). Volgens [B.V. 2] was dat – aldus de advocaat van belanghebbende: beweerdelijk – nodig om schippers contant te kunnen betalen. Hij stelt dat [B.V. 2] door de akkoordverklaring van de Belastingdienst ‘op het spek werd gebonden’ om zich vorenbedoelde bedragen toe te eigenen. [B.V. 2] heeft de gedetailleerde en sluitende (interne) in- en verkoopadministratie aldus opgemaakt voor eigen gewin. Onduidelijk is of [B.V. 2] die bedragen zelf heeft gehouden, dan wel heeft gedeeld met derden. Belanghebbende heeft tot slot erop gewezen zelf in de onderhavige jaren, in tegenstelling tot de gebroeders [B.V. 2] , geen luxe leven te hebben geleid. 5.10. De Inspecteur heeft dit een en ander niet, althans niet gemotiveerd weersproken. Hij wijst in het bijzonder erop dat het veelal gaat om blote stellingen van belanghebbende en dat daarmee niet het door hem verdedigde bewijsvermoeden (zie 5.8) kan worden ontzenuwd. 5.11. Alle stukken van het (omvangrijke) procesdossier in ogenschouw nemend en mede gelet op de door belanghebbende ter zitting afgelegde, geloofwaardige verklaringen, is de door de Inspecteur gestelde toedracht, waarin belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant heeft ontvangen, niet aannemelijk geworden. Met name gelet op de rol van [B.V. 2] is waarschijnlijker het door belanghebbende geschetste scenario, waarin de uit de administratie van [B.V. 2] volgende contante opnames, die de Inspecteur in verband brengt met de afgifte van slops door belanghebbende, niet ten goede zijn gekomen aan belanghebbende maar door [B.V. 2] in eigen zak zijn gestoken. 5.12.1. Redengevend hiervoor is in de eerste plaats dat – naar tussen partijen niet in geschil is – [B.V. 2] heeft gesjoemeld met vocht/vuilpercentages en FFA-gehalten op begeleidingsbrieven, alsmede dat hij vocht/vuilpercentages op facturen heeft bijgesteld om het een en ander kloppend te maken. Er bestaan forse verschillen tussen de inschattingen van de vocht/vuilpercentages die door [B.V. 2] zijn vermeld op de begeleidingsbrieven en de daarop gebaseerde bank inkoopfacturen enerzijds en de meetgegevens bij [B.V. 3] anderzijds. In het Basis-PV ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ worden nog diverse andere gevallen beschreven die aanwijzingen opleveren dat controlerende instanties, opdrachtgevers en anderen door [B.V. 2] opzettelijk werden misleid door het opmaken van valse en vervalste documenten en het achterwege laten van documenten. De Inspecteur gaat ervan uit dat belanghebbende contant is uitbetaald voor het meerdere aan kilogram olie dat volgens de meetgegevens van [B.V. 3] in de door Belanghebbende verzoekt om een aanvullende vergoeding van immateriële schade nu de redelijke termijn ook in hoger beroep zal worden overschreden. Belanghebbende meent voorts dat nu de redelijke termijn niet alleen is overschreden bij de behandeling van de procedure tegen de navorderingsaanslagen, maar ook in die tegen de boetes, daarvoor een aanvullende schadevergoeding dient te worden toegekend, aangezien de boetes zijn vernietigd door de Rechtbank, zodat genoegdoening niet kan plaatshebben door vermindering van die boetes. 5.16. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de boetes terecht zijn opgelegd en dat de overschrijding van de redelijke termijn dus dient te worden gecompenseerd door vermindering van de boetes. Voorts meent de Inspecteur kennelijk dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de redelijke termijn is overschreden, dient te worden bezien in hoeverre de tijd gemoeid met de behandeling van het geschil in eerste aanleg en hoger beroep tezamen een periode van vier jaar heeft overschreden. 5.17.1. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3). In dit geval bestaat, anders dan de Inspecteur kennelijk meent, geen aanleiding de duur van de totale procedure tot nu toe in ogenschouw te nemen, reeds omdat belanghebbende niet voor het eerst in hoger beroep maar al in eerste aanleg heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3). 5.17.2. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 25 januari 2024 en heden wordt uitspraak gedaan op 16 juli 2026, terwijl bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn in hoger beroep zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de termijn van twee jaar is overschreden met niet meer dan zes maanden. Belanghebbende heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien de onderhavige zaken over 2012 en 2013 als samenhangend worden beschouwd omdat deze dezelfde geschilpunten betreffen en gelijktijdig zijn behandeld, heeft belanghebbende wat betreft de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de rentebeschikkingen 2012 en 2013 in hoger beroep – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding van € 2.500 – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat. 5.18.1. Wat betreft de boetebeschikkingen 2012 en 2013 geldt het volgende. 5.18.2. Nu de Rechtbank de boetebeschikkingen heeft vernietigd en die beslissing in hoger beroep in stand blijft, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boetes. De vergoeding van immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn vindt plaats voor elke vernietigde boete afzonderlijk (zie HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279, r.o. 5.2.3). 5.18.3. De vergrijpboete voor het jaar 2012 bedroeg minder dan € 1.000, zodat aan belanghebbende wat betreft die boetebeschikking geen vergoeding wordt toegekend en wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 5.18.4.1. De vergrijpboete voor het jaar 2013 bedroeg meer dan € 1.000 en belanghebbende heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een dergelijk geval kan compensatie voor de vorenbedoelde verdragsschending worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de navorderingsaanslag en de rentebeschikking (vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1, HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, r.o. 6.4, en HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1142, r.o. 2.4.3). 5.18.4.2. Voor de proced