Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:GHDHA:2026:2401
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/763 Uitspraak van 8 juli 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 augustus 2025, nummer SGR 24/9263. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0 (de navorderingsaanslag). Als gevolg hiervan dient belanghebbende een bedrag van € 944 aan heffingskortingen terug te betalen. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 100 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 17 juni 2026. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 31 maart 2026, aan de belanghebbende op het adres [postadres] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op zitting te verschijnen. Blijkens op de website van PostNL ingewonnen informatie is de vorenbedoelde brief op 2 april 2026 bezorgd, waarbij voor ontvangst is getekend. Omdat belanghebbende tijdig en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd, heeft het Hof de zaak op de zitting behandeld en nadien het onderzoek ter zitting gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. De fiscaal partner van belanghebbende is [naam] (de partner). 2.2. Belanghebbende doet op 28 augustus 2020 aangifte IB/PVV 2019. Op 29 oktober 2021 wordt de aanslag IB/PVV 2019 vastgesteld conform de aangifte. Belanghebbende heeft recht op een heffingskorting van € 1.185. 2.3. Belanghebbende ontvangt een verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 met dagtekening 29 december 2022 in verband met de verrekening van een verlies dat voortvloeit uit de op 20 december 2022 vastgestelde definitieve aanslag IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft recht op € 90 extra heffingskorting, zodat belanghebbende in totaal recht heeft op € 1.275 heffingskorting. 2.4. De partner ontvangt een definitieve aanslag IB/PVV 2022 met dagtekening 1 december 2023. De partner ontvangt in verband met in 2022 geleden verliezen een verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 met dagtekening 6 december 2023. De partner heeft recht op een teruggave van € 944. 2.5. Belanghebbende ontvangt een aankondiging van de navorderingsaanslag met dagtekening 21 december 2023. Vervolgens ontvangt belanghebbende de navorderingsaanslag met dagtekening 20 februari 2024. Belanghebbende heeft volgens de navorderingsaanslag geen recht meer op € 944 van de eerder vastgestelde heffingskorting. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een verleende heffingskorting navorderen, als uit een feit blijkt dat de korting ten onrechte is verleend en dat feit de inspecteur ten tijde van het verlenen van de korting niet bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn (het zogenaamde nieuw-feitvereiste). De strekking van de bepaling is da De Inspecteur heeft de verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 van 6 december 2023 van de partner en het daaraan ten grondslag liggende document (de aanslag IB/PVV 2022 van 1 december 2023 van de partner) overgelegd. De datum waarop de uit de aanslag IB/PVV 2022 volgende vermindering is vastgesteld en geadministreerd in de systemen van de Belastingdienst is niet relevant voor de beslechting van het geschil. Nieuw feit 5.3. Op grond van artikel 16, lid 1, AWR, kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Bij de beoordeling van de vraag of de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er in een geval als het onderhavige op aan of de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, r.o. 3.3.2). De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur. 5.4. De Inspecteur stelt dat sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, AWR, omdat hij pas op 1 december 2023, bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2022 van de partner, op de hoogte is geraakt van het in 2022 geleden achterwaarts verrekenbare verlies van de partner. Belanghebbende betwist dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. 5.5. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de vraag of sprake is van een nieuw feit beoordeeld ten opzichte van het moment van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende en het geven van de verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 voor een bedrag van € 90 aan belanghebbende, en niet naar het moment van het opleggen van de navorderingsaanslag. De Inspecteur kon noch ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende noch bij het geven van de verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 voor een bedrag van € 90 aan belanghebbende op de hoogte zijn van het (op die momenten) toekomstige verrekenbare verlies van de partner over het jaar 2022. Volgens het Hof is gelet op het voorgaande sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, AWR. 5.6. De navorderingsaanslag is naar het oordeel van het Hof terecht aan belanghebbende opgelegd. Belastingrente 5.7 Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven tegen de beschikking belastingrente aangevoerd en ook anderszins is het Hof niet gebleken dat de belastingrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur. Slotsom 5.8. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten en griffierecht Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, R.A. Bosman en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes. De griffier, de voorzitter, D.W. Renes M.J.M. van der Weijden De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn