Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-25
ECLI:NL:GHDHA:2026:240
Rolnummer: 22-003427-22 Parketnummers: 09-842153-21, 09-253309-20 Datum uitspraak: 25 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 november 2022, met inbegrip van het herstelvonnis van 6 december 2022, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair (impliciet primair) tenlastegelegde (medeplegen moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en het herstelvonnis waarvan beroep. Tot slot is er een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in Den Haag van 8 december 2020 (onder parketnummer 09-253309-20) opgelegde taakstraf. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 9 december 2022 heeft de officier van justitie het hoger beroep ingetrokken. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Hij op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/ hebben verdachte en/of zijn mededader(s) -Een of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen en/of het lichaam gestoken van die [het slachtoffer] en/of -geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag), tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: één of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die onbekend gebleven perso(o)n(en) -een of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen en/of het lichaam gestoken van die [het slachtoffer] en/of - geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag) tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 mei 2021, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk inlichtingen/middelen en/of gelegenheid heeft verschaft, door - met de auto naar die [het slachtoffer] te zoeken en/of zich naar de plek te begeven waar die [het slachtoffer] zich toen (in de buurt) bevond en/of - door te geven waar die [het slachtoffer] zich bevond en/of - die [het slachtoffer] te traceren en/of op te wachten en/of te achtervolgen en/of op te jagen en/of in te sluiten en/of aan te wijzen en/of - die [het slachtoffer] te duwen en/of trekken en/of naar de grond werken en/of - die [het slachtoffer] te slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of - die [het slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of tegen te Eenmaal aangekomen bij de [locatie steekincident] in Den Haag hebben ze eerst samen met wat vrienden van [neefje verdachte] in de wijk rondgelopen en aan mensen in de wijk gevraagd naar “[bijnaam 1]” en “[bijnaam 2]”, bijnamen van de jongens die bij het steekincident van [neefje verdachte] betrokken zouden zijn geweest. Toen ze die jongens niet konden vinden, zijn de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] weer in de Seat gaan zitten en bleef de broer van de verdachte bij de Seat staan. De vrienden van [neefje verdachte], waaronder [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], zijn even verderop in de Opel van een van hen, [medeverdachte 6] , gaan zitten. Op enig moment stapte [het slachtoffer] uit de tram en liep langs de Opel. Daarop stapte [medeverdachte 4] uit de Opel en wees al schreeuwend naar [het slachtoffer], die begon te rennen in de richting van de Seat, waar de broer van de verdachte nog steeds naast stond. De broer van de verdachte hield [het slachtoffer] tegen en duwde hem richting een gevel, waarna [het slachtoffer] op de grond terecht kwam. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en de verdachte renden ook richting [het slachtoffer] en [het slachtoffer] werd geslagen en geschopt tegen zijn hoofd en de rest van zijn lichaam. De verdachte heeft [het slachtoffer] geschopt en geslagen, onder andere tegen zijn hoofd. Hij deed dit (o.a.) met het vuurwapen dat hij bij zich had, waarbij de kogels op de grond vielen. Medeplegen Het staat vast dat het de broer van de verdachte is geweest die [het slachtoffer] heeft gestoken met een mes waardoor [het slachtoffer] van het leven werd beroofd. De vraag die het hof nu moet beantwoorden, is of de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, als medepleger bij dit feit betrokken is geweest. De betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard, wanneer vast komt te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen personen, in dit geval tussen verdachte’s broer, de verdachte zelf en (een aantal van) de andere verdachten. Daarbij is niet vereist dat de verdachte de fatale steekwond heeft toegebracht. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een vooropgezet plan hoeft aan het medeplegen niet ten grondslag te liggen; medeplegen kan ook als een opwelling uit de situatie voortkomen en zelfs stilzwijgend plaatsvinden. Ook hoeft niet iedere medepleger exact op de hoogte te zijn van de bijdrage(n) van de andere medepleger(s) aan het strafbare feit. Wel dient bij de medepleger sprake te zijn van een zogenoemd ‘dubbel’ globaal (voorwaardelijk) opzet dat bestaat in een wil die zowel op het tot stand brengen van het feit gericht is als op de samenwerking met de andere dader of daders. Bij medeplegen gaat het om een samendoen, waarbij de samenwerking de kenmerken heeft van een geleverde rechtstreekse en substantiële bijdrage aan het vervullen van de centrale delictsbestanddelen. Bij de beoordeling van de feitelijke gedragingen kunnen als elementen voor het bewijs van de nauwe samenwerking worden aangemerkt: de intensiteit van de samenwerking; eventuele taakverdeling; de rol in voorbereiding, gezamenlijke uitvoering en afhandeling, en het belang van die rol; het zich niet terugtrekken op daarvoor geëigende tijdstippen en aanwezigheid op de beslissende momenten. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [het slachtoffer]. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de verdachte en zijn broer samen met (in elk geval) hun neef [medeverdachte 1] verhaal wilden gaan halen, omdat hun neefje [neefje verdachte] ruzie had met een groep jongens en later ook door hen is gestoken. Zij hebben naar aanleiding van die ruzi Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat noch op basis van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is geweest van een voornemen om [het slachtoffer] van het leven te beroven en dat daartoe sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Daartoe is in elk geval redengevend dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de Snapchatberichten waarin – naar het hof begrijpt – het plan is ontstaan om de confrontatie met één of meer leden van het [buurt 1] aan te gaan. Vaststaat dat de verdachte geen deel uitmaakte van de betreffende Snapchatgroep. Evenmin kan op grond van het dossier anderszins worden vastgesteld dat de verdachte met zijn mededaders voorafgaand aan de confrontatie met [het slachtoffer] heeft besloten dat [het slachtoffer] dood gemaakt moest worden, dat hij zich op dat besluit heeft kunnen beraden en dat hij zodoende de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van het voornemen om [het slachtoffer] te doden en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Dat de verdachte een vuurwapen en een dolk heeft meegenomen naar de confrontatie, maakt dit niet anders, reeds omdat uit dat enkele feit niet zonder meer volgt dat er sprake was van een vooropgezet plan om [het slachtoffer] bewust van het leven te beroven. Dit geldt te meer omdat de verdachte zelf niet heeft gestoken en het vuurwapen enkel heeft gebruikt om [het slachtoffer] (hard) te slaan, maar daarmee niet heeft geschoten. Voorts is niet komen vast te staan met welk mes [het slachtoffer] is gestoken. Het mes is nooit gevonden. Niet is komen vast te staan, dat de broer van de verdachte [het slachtoffer] heeft gestoken met de dolk, die de verdachte en zijn broer tevoren in de woning hebben opgehaald. Het hof is alles overwegende van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte voorafgaand aan de confrontatie het plan had - of wist van een plan - om [het slachtoffer] te doden en dat hij na een moment van kalm beraad en rustig overleg tot dat besluit is gekomen. Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte zal dan ook van het primair, impliciet primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Conclusie Het hof acht het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde medeplegen van doodslag op [het slachtoffer], wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Hij op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/ hebben verdachte en/of zijn mededader(s) - eenmaal ( met kracht ) met een mes , althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen en/of het lichaam gestoken van die [het slachtoffer] en/of -geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer](terwijl deze op de grond lag), ten gevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Be 20 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Voorts zijn omtrent de persoon van de verdachte een aantal reclasseringsadviezen en een Pro Justitiarapportage opgemaakt. Het hof heeft allereerst kennisgenomen van de Pro Justitiarapportage van 30 december 2021, opgesteld door W.A. van Eeden, GZ-psycholoog. Geconcludeerd wordt dat er bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking. Deze beperking was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit. Het is aannemelijk dat deze stoornis de verdachte kan hebben beperkt in zijn vermogen tot het inschatten van de consequenties van zijn acties. Echter, het onderzoek is ernstig beperkt door de procesopstelling van de verdachte, zodat de vraag of de licht verstandelijke beperking van invloed is geweest op het tenlastegelegde onbeantwoord is gebleven. De verdachte wilde immers geen inzicht geven in het ten laste gelegde feit en de aanloop hiervan. Gezien de beperkingen in het onderzoek kon een verband tussen de diagnose en het delict niet worden aangetoond en heeft de rapporteur hierover, net als over de mate van toerekening, geen uitspraken gedaan. Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsadviezen, waaronder het meest recente reclasseringsadvies van 21 juli 2021. Het hof weegt de conclusies van de deskundigen mee bij het bepalen van de op te leggen straf. Schending redelijke termijn Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een voor de in voorarrest verblijvende verdachte geldende termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 24 november 2022 en het eindarrest op 25 februari 2026 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 23 maanden overschreden. Gelet hierop zal het hof de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren zou hebben opgelegd, wordt nu, vanwege de schending van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen De vorderingen [vader slachtoffer], [moeder slachtoffer], [zusje slachtoffer] en [broertje slachtoffer] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij [vader slachtoffer] (de vader van [het slachtoffer]) vordert een bedrag van € 4.901,84 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade en schade wegens de aantasting in persoon, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [moeder slachtoffer] (de moeder van [het slachtoffer]) vordert een bedrag van € 5.982,23 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade en schade wegens de aantasting in persoon, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [zusje slachtoffer] (het zusje van [het slachtoffer] vordert een bedrag van € 17.500,- aan immat Affectieschade ouders Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om op grond van artikel 6:108 lid 3 juncto lid 4 BW vergoeding van affectieschade te vorderen. Voor de hoogte van de vergoeding zijn in het Besluit vergoeding affectieschade forfaitaire bedragen vastgesteld. Het hof stelt vast dat het overlijden van [het slachtoffer] het gevolg is van het handelen van de verdachte en zijn mededaders. Hiermee is de grond voor vergoeding van affectieschade gegeven. De door de ouders ter zake gevorderde bedragen zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zijn overigens ook niet betwist. Het hof zal de gevorderde bedragen aan affectieschade dan ook geheel toewijzen, te weten € 20.000,- voor zowel [het slachtoffer]’s vader [vader slachtoffer], als voor [het slachtoffer]s moeder, [moeder slachtoffer] Affectieschade broer en zus In artikel 6:108 lid 4 BW is gespecificeerd wie voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Broers en zussen vallen niet onder (een van de) genoemde categorieën uit die wet. Het uitgangspunt in die wet is namelijk dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. In artikel 6:108 lid 4 onder g BW is wel een zogenoemde ‘hardheidsclausule’ opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden ook een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. In de Memorie van Toelichting worden broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen als voorbeeld van zulke personen genoemd. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling uitgesloten, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven. De vorderingen die door [zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer]zijn ingediend als zusje en broertje van [het slachtoffer], vallen niet onder (een van) de genoemde categorieën uit de wet. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden er geen termen aanwezig zijn voor toewijzing van de verzoeken tot vergoeding van affectieschade voor [het slachtoffer]’s zusje en broertje. Dit – voornamelijk juridische – oordeel neemt, vanzelfsprekend, niet weg dat het hof ten volle ervan overtuigd is dat er tussen [het slachtoffer] en zijn zusje en broertje een liefdevolle band heeft bestaan, en dat hun gemis en verdriet groot is, omdat hun broer is overleden. Op geen enkele wijze houdt het oordeel dan ook een geringschatting in van hun band met [het slachtoffer], noch van het leed dat bij hen is veroorzaakt doordat deze band is doorgesneden ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Zonder af te doen aan deze waardevolle band die het zusje en het broertje met hun grote broer hadden en hoe invoelbaar hun leed ook is, is het hof van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet een beroep op de wettelijke hardheidsclausule rechtvaardigen, aangezien niet voldoende is onderbouwd dat de verhouding tussen het zusje en het broertje met hun overleden broer [het slachtoffer] sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen broers en zussen binnen een gezin. Anders dan de raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft betoogd, ziet het hof ook geen ruimte om vooruit te lopen op toekomstige wetgeving. Het bovenstaande betekent dat [zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer]niet ontvankelijk zijn. Zij kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Schade voor aantasting in persoon voor de ouders De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft zich op het standpunt gesteld dat naast een vergoeding voor `affectieschade' op grond van artikel 6:107 lid 1 onder b BW, een schadevergoeding voor `aantasting in de persoon op andere wijze' op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW voor de ouders van [het slachtoffer] passend en redelijk is. De raadsvrouw van de verdachte heeft dit betwist. Het hof overweegt hierover als volgt. De Wet vergoeding affectieschade strekt ertoe een beperkte, forf Materiële schade [moeder slachtoffer] Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 5.982,23 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Het hof is van oordeel dat de raadsvrouw van de benadeelde partij voldoende onderbouwd heeft dat voor zowel de moeder als de vader van [het slachtoffer] kosten voor het opvragen van medische gegevens in rekening zijn gebracht. Die gegevens waren nodig voor de onderbouwing van de vordering en komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. De overige materiële kosten zijn door de verdediging niet betwist. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen. Wettelijke rente Voor zover de vorderingen tot schadevergoeding door het hof zullen worden toegewezen, zullen deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, waarbij het hof de volgende aanvangsdata hanteert. [moeder slachtoffer]: Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op: 6 mei 2021, over een bedrag van € 20.000, ter zake de affectieschade; 19 mei 2021 over een bedrag van € 59,00 ter zake van reparatie bril [het slachtoffer]; 8 juni 2021 over een bedrag van € 3.113,65 ter zake van gedenkteken; 15 juni 2021 over een bedrag van € 2.759,00 ter zake van uitvaartkosten; 30 september 2022 over een bedrag van € 50,58 ter zake van factuur huisarts opvragen medisch dossier; [vader slachtoffer]: Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op: 6 mei 2021, over een bedrag van € 20.000, ter zake de affectieschade; 20 mei 2021 over een bedrag van € 260,00 ter zake van rouwstuk; 30 september 2022 over een bedrag van € 50,58 ter zake van factuur huisarts opvragen medisch dossier. Resumerend Het hof beslist ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoedingen als volgt: - [ [vader slachtoffer]: hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en € 310,58 aan materiële schade. Het hof verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht; - [ [moeder slachtoffer]: hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en € 5.982,23 aan materiële schade. Het hof verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht; - [ [zusje slachtoffer]: het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. - [ [broertje slachtoffer]: het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht; Proceskosten Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer]tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. [zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer]dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel [vader slachtoffer] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.310,58 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofd Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.982,23 (vijfentwintigduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.982,23 (vijfduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.982,23 (vijfentwintigduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.982,23 (vijfduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 144 (honderdvierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op: - 19 mei 2021 over een bedrag van € 59,00 ter zake van reparatie bril [het slachtoffer];- 8 juni 2021 over een bedrag van € 3.113,65 ter zake van gedenkteken;- 15 juni 2021 over een bedrag van € 2.759,00 ter zake van uitvaartkosten; - 30 september 2022 over een bedrag van € 50,58 ter zake van factuur huisarts opvragen medisch dossier. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade, ter hoogte van € 20.000, op 6 mei 2021. Vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.310,58 (twintigduizend driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 310,58 (driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [vader slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.310,58 (twintigduizend driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 310,58 (driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de