Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:GHDHA:2026:2398
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/647 Tussenuitspraak van 8 juli 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A. Oosters) en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 juli 2025, nummer SGR 24/4763. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als de [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 224.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting van de gemeente Den Haag (de aanslag). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de waarde van de woning nader vastgesteld op € 152.000 en de aanslag dienen overeenkomstig verminderd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld: “De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 103.000; bepaalt dat de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verminderd; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 686,25; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.” 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 8 april 2026. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2. Het in hoger beroep ingediende nader stuk van belanghebbende omvat een uitgebreide onderbouwing met diverse bijlagen ter ondersteuning van het standpunt van belanghebbende dat in zijn geval sprake is van een “bijzonder geval” zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. De bijlagen bestaan onder meer uit de overeenkomst zoals die door de gemachtigde van belanghebbende wordt gebruikt sinds oktober 2024, een aantal overeenkomsten en facturen uit 2024, overeenkomsten uit 2026, een Excel-overzicht met winstcijfers en de winst- en verliesrekeningen van de onderneming van de gemachtigde over de jaren 2012 tot en met 2023. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld: “4. Eiser bepleit wat betreft de proceskostenvergoeding dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij een bijzonder geval is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.[1] 5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een Op grond van artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ dient de proceskostenvergoeding uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiser. (…) [1] ECLI:NL:HR:2025:46. [2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507. [3] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 5.3.5.2. [4] GHARL:2016:696. [5] Vgl. Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.5.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of in het geval van belanghebbende sprake is van een “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vaststelling van de proceskostenvergoeding zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ en terugbetaling van het betaalde griffierecht. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het geschil Beroepsfase 5.1.1. Op het beroep, dat is ingesteld tegen de in 2024 gedane uitspraak op bezwaar is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ van toepassing. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn bedrijfsmodel meebrengt dat sprake is van een “bijzonder geval" als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ (r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46) en heeft daartoe in hoger beroep financiële en andere informatie over zijn bedrijf in het geding gebracht. 5.1.2. Uit die informatie blijkt volgens de gemachtigde van belanghebbende dat in de onderhavige zaak werkzaamheden zijn verricht op basis van afspraken die zijn gemaakt ruim vóór de inwerkingtreding van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) op 1 januari 2024, op basis van no cure no pay. 5.2.1. Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde van belanghebbende in nieuw op te starten procedures niet langer op basis van no cure no pay, zo heeft hij verklaard. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van opdracht van oktober 2024 waarin onder andere het volgende is bepaald: “Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase De kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per gemotiveerd aanslagbiljet. Staan er meer dan 3 objecten op een aanslagbiljet moeten er aanvullende maatwerkafspraken gemaakt worden. Als het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan [naam kantoor] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever. [naam kantoor] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [naam kantoor] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank beroep in te stellen. In dat geval ontvangt u geen extra factuur van [naam kantoor] . Artikel 3.2: Kosten controle voor beroep, hoger beroep- of cassatiefase De kosten voor het beoordelen van een uitspraak bedragen € 99,- inclusief BTW per uitspraak. Het beroepschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 395,- inclusief BTW per procedure. Indien we voor u de bezwaarprocedure gevoerd hebben, dan bedragen de kosten voor beroep alleen € 395,- want de beoordelingskosten van € 99,- worden dan niet in rekening gebracht. Als het (hoger)beroep gegrond wordt verklaard kent de rechtbank/gerechtshof, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de (hoger)beroepsfase zal voor 75% aan [naam kantoo 2.4.2 Over het eerste kenmerk stelt belanghebbende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde in het algemeen nooit gebaseerd is geweest op het principe van no cure no pay en dit in elk geval niet meer zo is met ingang van 20 september 2023. Volgens belanghebbende brengt de gemachtigde sindsdien haar klanten voor iedere procedure, dat wil zeggen voor elk bezwaar tegen een betaling op aangifte of elk bezwaar tegen een naheffingsaanslag, inclusief eventuele opvolgende procedures, een instapvergoeding per betrokken auto in rekening. Die instapvergoeding blijft de klant verschuldigd aan de gemachtigde, ook als de procedure wordt verloren.Tussen 1 januari 2020 en 20 september 2023 bedroeg de instapvergoeding tussen de € 125 en € 265, exclusief omzetbelasting. Vanaf 20 september 2023, het moment waarop de gemachtigde kennisnam van het wetsvoorstel van de WHpkv, rekent de gemachtigde een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting, behoudens in een verwaarloosbaar aantal uitzonderingsgevallen. Volgens belanghebbende kan van zo’n hoog bedrag niet worden gezegd dat de klant géén risico loopt bij het geven van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand. (…) Beoordeling optreden op basis van no cure no pay 2.6.1 Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure.Voor de verder strekkende opvatting van de Staatssecretaris (neergelegd in de hiervoor in 2.2 bedoelde reactie) dat wanneer het bedrijfsmodel van de gemachtigde zo is vormgegeven dat de winstgevendheid of het voortbestaan van het bedrijf volledig afhankelijk is van bedragen aan proceskostenvergoedingen en vergoedingen van immateriële schade, dat bedrijfsmodel op één lijn moet worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay, valt geen steun te ontlenen aan de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv. 2.6.2 De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd. 2.7.1 Met de overlegging van de hiervoor in 2.4.3 en 2.5 bedoelde gegevens heeft belanghebbende naar het oordeel van de Hoge Raad buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft. Met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde vanaf 20 september 2023 voor elke op te starten procedure een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto in rekening brengt, ongeacht de uitkomst van die procedure.Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag di