Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-02-19
ECLI:NL:GHDHA:2026:237
Strafrecht
Hoger beroep
12,239 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:237 text/xml public 2026-04-16T10:03:57 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-19 22-003888-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl NJFS 2026/92 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:237 text/html public 2026-02-26T12:29:22 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:237 Gerechtshof Den Haag , 19-02-2026 / 22-003888-24 Art. 6 WVW 1994. De verdachte parkeert zijn bestelbus in een parkeervak naast de rijbaan. Bij het uitstappen opent hij zijn portier. Een dertienjarige jongen, bestuurder van een fatbike, botst tegen het portier aan en komt ten val, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Het hof overweegt dat het uitstappen uit een geparkeerd voertuig behoort tot de bijzondere manoeuvres zoals bedoeld in art. 54 RVV 1990 en het beschouwt de verdachte als ‘bestuurder’ in de zin van die bepaling én in de zin van art. 179 lid 1 WVW 1994, zulks onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2023:AL3411. Het hof geeft toepassing aan ECLI:NL:HR:2024:1398 en acht bewezen dat het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Rolnummer: 22-003888-24 Parketnummer: 09-306956-23 Datum uitspraak: 19 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1977, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 20 juni 2023 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte, heeft aldaar, - als bestuurder van een op/naast/aan de Terletstraat geparkeerde bestelauto voorafgaand aan en/of ten tijde van het uitstappen onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of andere verkeersdeelnemers ter plaatse, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of - ( vervolgens) het portier van die bestelauto (deels) geopend, waardoor een aldaar links naast hem, althans links dicht achter hem rijdende fietser (te weten [slachtoffer] ) de vrije doorgang werd belemmerd - tengevolge waarvan die [slachtoffer] tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in de schedel en/of neurologisch letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juni 2023 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (een bestelauto), daarmee rijdende op de weg, de Terletstraat, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte, heeft aldaar, - als bestuurder van een op/naast/aan de Terletstraat geparkeerde bestelauto voorafgaand aan en/of ten tijde van het uitstappen onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of andere verkeersdeelnemers ter plaatse, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of - ( vervolgens) het portier van die bestelauto (deels) geopend, waardoor een aldaar links naast hem, althans links dicht achter hem rijdende fietser (te weten [slachtoffer] ) de vrije doorgang werd belemmerd - tengevolge waarvan die [slachtoffer] tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Overweging met betrekking tot ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Inleiding In deze zaak gaat het om het volgende. De verdachte is in de ochtend van 20 juni 2023 als bestuurder van een bestelbus bezig met zijn werk: het bezorgen van broden bij diverse zakelijke klanten van zijn werkgever, een bakkerij. Voor een van deze leveranties parkeert de verdachte de bestelbus in een parkeervak naast de rijbaan van de Terletstraat in Den Haag. De verdachte komt uit de (richting van de) Schaarsbergenstraat en parkeert de bus niet ver van de kruising met de Hulshorststraat. De overgang van de Schaarsbergenstraat naar de Terletstraat verloopt via een flauwe bocht. Na het parkeren doet de verdachte, omdat hij wil uitstappen, op enig moment het bestuurdersportier van de bestelbus open. Tijdens het opengaan van het portier rijdt het slachtoffer, als bestuurder van een fatbike, tegen het portier aan. Door deze botsing met het portier komt het slachtoffer, een dertienjarige jongen, ten val, met ernstig hoofdletsel als gevolg. Aan de verdachte wordt primair verweten dat hij aan het zojuist beschreven verkeersongeval schuld heeft zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW 1994). In eerste aanleg is dit ook bewezen verklaard. Met zijn appel bestrijdt de verdachte dit oordeel. Het beoordelingskader Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt: “Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.” Degene tot wie artikel 6 zich richt – de zogenoemde normadressaat – is ‘een ieder die aan het verkeer deelneemt’. In de tenlastelegging wordt dit aldus tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de aan hem verweten handelingen zou hebben verricht ‘als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig’. De uit deze bewoordingen voortvloeiende vraag of de verdachte, toen hij de bestelbus al had geparkeerd, (nog steeds) gold als bestuurder ervan beantwoordt het hof bevestigend. Het hof komt tot deze beantwoording op basis van HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3411. Daarin overwoog de Hoge Raad: “Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de in de bewezenverklaring omschreven gedraging (het openen van het autoportier) door de verdachte is begaan bij het verlaten van de auto nadat deze door hem in een naast een fietspad gelegen parkeerhaven was geparkeerd. Gelet daarop getuigt ’s Hofs oordeel dat de verdachte te dezen kan worden aangemerkt als bestuurder in de zin van art. 179 WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting.” Het hof voegt hieraan toe dat het, op dezelfde grond, de verdachte eveneens beschouwt als ‘bestuurder’ in de zin van – het hierna nog te noemen – artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Een en ander betekent dat de verdachte, toen de hierboven weergegeven gebeurtenissen zich afspeelden, naar het oordeel van het hof inderdaad ‘deelnam aan het verkeer’ zoals bedoeld in artikel 6 WVW 1994, en wel als ‘bestuurder’.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:237 text/xml public 2026-04-16T10:03:57 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-19 22-003888-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl NJFS 2026/92 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:237 text/html public 2026-02-26T12:29:22 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:237 Gerechtshof Den Haag , 19-02-2026 / 22-003888-24 Art. 6 WVW 1994. De verdachte parkeert zijn bestelbus in een parkeervak naast de rijbaan. Bij het uitstappen opent hij zijn portier. Een dertienjarige jongen, bestuurder van een fatbike, botst tegen het portier aan en komt ten val, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Het hof overweegt dat het uitstappen uit een geparkeerd voertuig behoort tot de bijzondere manoeuvres zoals bedoeld in art. 54 RVV 1990 en het beschouwt de verdachte als ‘bestuurder’ in de zin van die bepaling én in de zin van art. 179 lid 1 WVW 1994, zulks onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2023:AL3411. Het hof geeft toepassing aan ECLI:NL:HR:2024:1398 en acht bewezen dat het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Rolnummer: 22-003888-24 Parketnummer: 09-306956-23 Datum uitspraak: 19 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1977, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 20 juni 2023 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte, heeft aldaar, - als bestuurder van een op/naast/aan de Terletstraat geparkeerde bestelauto voorafgaand aan en/of ten tijde van het uitstappen onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of andere verkeersdeelnemers ter plaatse, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of - ( vervolgens) het portier van die bestelauto (deels) geopend, waardoor een aldaar links naast hem, althans links dicht achter hem rijdende fietser (te weten [slachtoffer] ) de vrije doorgang werd belemmerd - tengevolge waarvan die [slachtoffer] tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in de schedel en/of neurologisch letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juni 2023 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (een bestelauto), daarmee rijdende op de weg, de Terletstraat, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte, heeft aldaar, - als bestuurder van een op/naast/aan de Terletstraat geparkeerde bestelauto voorafgaand aan en/of ten tijde van het uitstappen onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of andere verkeersdeelnemers ter plaatse, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of - ( vervolgens) het portier van die bestelauto (deels) geopend, waardoor een aldaar links naast hem, althans links dicht achter hem rijdende fietser (te weten [slachtoffer] ) de vrije doorgang werd belemmerd - tengevolge waarvan die [slachtoffer] tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Overweging met betrekking tot ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Inleiding In deze zaak gaat het om het volgende. De verdachte is in de ochtend van 20 juni 2023 als bestuurder van een bestelbus bezig met zijn werk: het bezorgen van broden bij diverse zakelijke klanten van zijn werkgever, een bakkerij. Voor een van deze leveranties parkeert de verdachte de bestelbus in een parkeervak naast de rijbaan van de Terletstraat in Den Haag. De verdachte komt uit de (richting van de) Schaarsbergenstraat en parkeert de bus niet ver van de kruising met de Hulshorststraat. De overgang van de Schaarsbergenstraat naar de Terletstraat verloopt via een flauwe bocht. Na het parkeren doet de verdachte, omdat hij wil uitstappen, op enig moment het bestuurdersportier van de bestelbus open. Tijdens het opengaan van het portier rijdt het slachtoffer, als bestuurder van een fatbike, tegen het portier aan. Door deze botsing met het portier komt het slachtoffer, een dertienjarige jongen, ten val, met ernstig hoofdletsel als gevolg. Aan de verdachte wordt primair verweten dat hij aan het zojuist beschreven verkeersongeval schuld heeft zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW 1994). In eerste aanleg is dit ook bewezen verklaard. Met zijn appel bestrijdt de verdachte dit oordeel. Het beoordelingskader Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt: “Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.” Degene tot wie artikel 6 zich richt – de zogenoemde normadressaat – is ‘een ieder die aan het verkeer deelneemt’. In de tenlastelegging wordt dit aldus tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de aan hem verweten handelingen zou hebben verricht ‘als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig’. De uit deze bewoordingen voortvloeiende vraag of de verdachte, toen hij de bestelbus al had geparkeerd, (nog steeds) gold als bestuurder ervan beantwoordt het hof bevestigend. Het hof komt tot deze beantwoording op basis van HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3411. Daarin overwoog de Hoge Raad: “Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de in de bewezenverklaring omschreven gedraging (het openen van het autoportier) door de verdachte is begaan bij het verlaten van de auto nadat deze door hem in een naast een fietspad gelegen parkeerhaven was geparkeerd. Gelet daarop getuigt ’s Hofs oordeel dat de verdachte te dezen kan worden aangemerkt als bestuurder in de zin van art. 179 WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting.” Het hof voegt hieraan toe dat het, op dezelfde grond, de verdachte eveneens beschouwt als ‘bestuurder’ in de zin van – het hierna nog te noemen – artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Een en ander betekent dat de verdachte, toen de hierboven weergegeven gebeurtenissen zich afspeelden, naar het oordeel van het hof inderdaad ‘deelnam aan het verkeer’ zoals bedoeld in artikel 6 WVW 1994, en wel als ‘bestuurder’.
Volledig
In artikel 6 WVW 1994 is, in op het oog neutrale bewoordingen, sprake van ‘zich zodanig (…) gedragen’. De eis dat dit gedrag, elders dan binnen het kader van artikel 6 zelf, neerkomt op de verrichting van een of meer op zichzelf strafbare gedragingen wordt niet gesteld. Desalniettemin bestaat het in artikel 6 WVW 1994 bedoelde gedrag in de praktijk zeer dikwijls juist wel uit een of meer gedragingen die op zichzelf al de schending van een afzonderlijke verkeersnorm opleveren, zoals het rijden met een snelheid boven de toegestane maximumsnelheid of het rijden onder invloed van alcohol en/of drugs. In dit verband heeft het hof zich de vraag gesteld welke ‘afzonderlijke verkeersnorm’, zoals hierboven bedoeld, het meest van toepassing is op de toedracht van het ongeval. Daarbij heeft het hof in het bijzonder aandacht geschonken aan artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel luidt: “Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.” Deze bepaling geeft geen limitatieve opsomming van bijzondere manoeuvres. Wat het hof betreft dient het uitstappen uit een auto of bestelbus ook te worden gerekend tot de in deze bepaling bedoelde bijzondere manoeuvres. Dit betekent dat in artikel 54 RVV 1990 mede de norm besloten ligt dat de bestuurder die uit een tot stilstand gebracht motorvoertuig wil uitstappen dit alleen maar mag doen als hij het overige verkeer laat voorgaan (en dus niet hindert). Situaties waarop artikel 54 RVV 1990 van toepassing is, zijn dus steeds voorrangssituaties. Het hof besteedt hier aandacht aan – niet om per se een strafbare gedraging vast te stellen, maar – omdat de rechtspraak van de Hoge Raad inzake artikel 6 WVW 1994 zich ten dele toespitst op voorrangssituaties. De zojuist bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad die het hof op het oog heeft, betreft in het bijzonder HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024, NJ 2025/72, m.nt. Van Kempen. Rechtsoverweging 2.6.1 van dit arrest luidt onder meer als volgt: “In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (…). Of daarvan sprake is, (…) is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (…) In het licht van (…) bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan (…) of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.” In navolging van de rechtsliteratuur zal het hof hierna deze ‘gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’ aanduiden als ‘(de) criteriumfiguur’. In rechtsoverweging 2.6.3 van hetzelfde arrest overweegt de Hoge Raad het volgende. De cursivering is door het hof aangebracht. “In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen (vgl. onder meer HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat hij daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.” In de door het hof gecursiveerde passage is sprake van ‘een voorrangssituatie’. Zoals hierboven uiteengezet beschouwt het hof de situatie waarin het ongeval is ontstaan als een voorrangssituatie. Voor de toepassing van het door de Hoge Raad gegeven kader betekent dit in de eerste plaats dat het hof de vraag dient te beantwoorden of aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk heeft gekeken of er sprake was van een andere verkeersdeelnemer. Heeft de verdachte daadwerkelijk gekeken of er een andere verkeersdeelnemer was? Ter beantwoording van deze vraag overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen afgelegd. Verdachtes verklaring bij de politie luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Toen ik in het parkeervak stilstond keek ik in mijn spiegel aan de bestuurderskant. Ik zag op dat moment geen ander verkeer en zodoende had ik het idee dat ik veilig uit kon stappen. Ik pakte mijn tas die naast mij stond en deed het portier aan de bestuurderskant open. Vrijwel direct hoorde en voelde ik een harde klap. Ik zag dat een fietser op de grond viel naast mijn bus.” Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte onder meer verklaard: “Ik herinner mij dat ik, nadat ik mijn witte bus had geparkeerd, in mijn zijspiegel keek en geen verkeer zag aankomen (althans, geen fietser of scooter). Ik herinner mij dat ik vervolgens mijn tasje pakte dat aan mijn rechterzijde in de buurt van de versnellingspook lag. Vervolgens keek ik nog eens in mijn linkerspiegel terwijl ik het linkerportier opende. Ik zag de fietser pas toen deze tegen het portier aan reed direct toen ik het portier had geopend.” Ter terechtzitting in hoger beroep, net als in eerste aanleg, heeft de verdachte verklaard dat hij twee keer in zijn spiegel heeft gekeken. Hij heeft daar bovendien aan toegevoegd dat hij zich meende te herinneren dat hij ook nog, zonder spiegel, zelf naar buiten heeft gekeken en daarbij zijn lichaam naar opzij heeft gedraaid. Ook heeft de verdachte – toen de beelden nog niet waren vertoond – verklaard dat hij zijn portier niet in één keer heeft geopend maar dit eerst een klein beetje open heeft gehad. (De verdachte heeft er toen niet bij gezegd dat hij door die kier naar achteren heeft gekeken.) De opeenvolging van verdachtes verklaringen vertoont in zoverre een patroon dat er, na de verklaring bij de politie, telkens iets bij is gekomen. In eerste aanleg is er niet langer sprake van één keer kijken in de spiegel, maar van twee keer. In hoger beroep wordt dit aantal (twee keer) gehandhaafd en vult de verdachte zijn verklaring aan met het, buiten de spiegel om, naar opzij kijken. Aldus heeft de verdachte bij het hof de indruk gewekt dat hij het hof wil doen geloven dat hij datgene wat van hem in de bewuste situatie werd verlangd in werkelijkheid zeer dicht heeft benaderd. Daar staat echter tegenover dat het op die manier ook steeds onwaarschijnlijker wordt dat de verdachte, ondanks deze handelingen, het slachtoffer niet heeft gezien. Dit geeft het hof aanleiding om het ervoor te houden dat het is gegaan zoals de verdachte bij de politie heeft verklaard.
Volledig
In artikel 6 WVW 1994 is, in op het oog neutrale bewoordingen, sprake van ‘zich zodanig (…) gedragen’. De eis dat dit gedrag, elders dan binnen het kader van artikel 6 zelf, neerkomt op de verrichting van een of meer op zichzelf strafbare gedragingen wordt niet gesteld. Desalniettemin bestaat het in artikel 6 WVW 1994 bedoelde gedrag in de praktijk zeer dikwijls juist wel uit een of meer gedragingen die op zichzelf al de schending van een afzonderlijke verkeersnorm opleveren, zoals het rijden met een snelheid boven de toegestane maximumsnelheid of het rijden onder invloed van alcohol en/of drugs. In dit verband heeft het hof zich de vraag gesteld welke ‘afzonderlijke verkeersnorm’, zoals hierboven bedoeld, het meest van toepassing is op de toedracht van het ongeval. Daarbij heeft het hof in het bijzonder aandacht geschonken aan artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel luidt: “Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.” Deze bepaling geeft geen limitatieve opsomming van bijzondere manoeuvres. Wat het hof betreft dient het uitstappen uit een auto of bestelbus ook te worden gerekend tot de in deze bepaling bedoelde bijzondere manoeuvres. Dit betekent dat in artikel 54 RVV 1990 mede de norm besloten ligt dat de bestuurder die uit een tot stilstand gebracht motorvoertuig wil uitstappen dit alleen maar mag doen als hij het overige verkeer laat voorgaan (en dus niet hindert). Situaties waarop artikel 54 RVV 1990 van toepassing is, zijn dus steeds voorrangssituaties. Het hof besteedt hier aandacht aan – niet om per se een strafbare gedraging vast te stellen, maar – omdat de rechtspraak van de Hoge Raad inzake artikel 6 WVW 1994 zich ten dele toespitst op voorrangssituaties. De zojuist bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad die het hof op het oog heeft, betreft in het bijzonder HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024, NJ 2025/72, m.nt. Van Kempen. Rechtsoverweging 2.6.1 van dit arrest luidt onder meer als volgt: “In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (…). Of daarvan sprake is, (…) is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (…) In het licht van (…) bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan (…) of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.” In navolging van de rechtsliteratuur zal het hof hierna deze ‘gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’ aanduiden als ‘(de) criteriumfiguur’. In rechtsoverweging 2.6.3 van hetzelfde arrest overweegt de Hoge Raad het volgende. De cursivering is door het hof aangebracht. “In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen (vgl. onder meer HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat hij daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.” In de door het hof gecursiveerde passage is sprake van ‘een voorrangssituatie’. Zoals hierboven uiteengezet beschouwt het hof de situatie waarin het ongeval is ontstaan als een voorrangssituatie. Voor de toepassing van het door de Hoge Raad gegeven kader betekent dit in de eerste plaats dat het hof de vraag dient te beantwoorden of aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk heeft gekeken of er sprake was van een andere verkeersdeelnemer. Heeft de verdachte daadwerkelijk gekeken of er een andere verkeersdeelnemer was? Ter beantwoording van deze vraag overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen afgelegd. Verdachtes verklaring bij de politie luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Toen ik in het parkeervak stilstond keek ik in mijn spiegel aan de bestuurderskant. Ik zag op dat moment geen ander verkeer en zodoende had ik het idee dat ik veilig uit kon stappen. Ik pakte mijn tas die naast mij stond en deed het portier aan de bestuurderskant open. Vrijwel direct hoorde en voelde ik een harde klap. Ik zag dat een fietser op de grond viel naast mijn bus.” Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte onder meer verklaard: “Ik herinner mij dat ik, nadat ik mijn witte bus had geparkeerd, in mijn zijspiegel keek en geen verkeer zag aankomen (althans, geen fietser of scooter). Ik herinner mij dat ik vervolgens mijn tasje pakte dat aan mijn rechterzijde in de buurt van de versnellingspook lag. Vervolgens keek ik nog eens in mijn linkerspiegel terwijl ik het linkerportier opende. Ik zag de fietser pas toen deze tegen het portier aan reed direct toen ik het portier had geopend.” Ter terechtzitting in hoger beroep, net als in eerste aanleg, heeft de verdachte verklaard dat hij twee keer in zijn spiegel heeft gekeken. Hij heeft daar bovendien aan toegevoegd dat hij zich meende te herinneren dat hij ook nog, zonder spiegel, zelf naar buiten heeft gekeken en daarbij zijn lichaam naar opzij heeft gedraaid. Ook heeft de verdachte – toen de beelden nog niet waren vertoond – verklaard dat hij zijn portier niet in één keer heeft geopend maar dit eerst een klein beetje open heeft gehad. (De verdachte heeft er toen niet bij gezegd dat hij door die kier naar achteren heeft gekeken.) De opeenvolging van verdachtes verklaringen vertoont in zoverre een patroon dat er, na de verklaring bij de politie, telkens iets bij is gekomen. In eerste aanleg is er niet langer sprake van één keer kijken in de spiegel, maar van twee keer. In hoger beroep wordt dit aantal (twee keer) gehandhaafd en vult de verdachte zijn verklaring aan met het, buiten de spiegel om, naar opzij kijken. Aldus heeft de verdachte bij het hof de indruk gewekt dat hij het hof wil doen geloven dat hij datgene wat van hem in de bewuste situatie werd verlangd in werkelijkheid zeer dicht heeft benaderd. Daar staat echter tegenover dat het op die manier ook steeds onwaarschijnlijker wordt dat de verdachte, ondanks deze handelingen, het slachtoffer niet heeft gezien. Dit geeft het hof aanleiding om het ervoor te houden dat het is gegaan zoals de verdachte bij de politie heeft verklaard.
Volledig
Daar heeft hij, samengevat, gezegd dat hij in de spiegel heeft gekeken, zijn tas heeft gepakt en daarna is gaan uitstappen zonder nogmaals in de spiegel te kijken. Dit betekent dat de verdachte weliswaar in de spiegel heeft gekeken, maar dat hij op het moment van uitstappen niet meer mocht vertrouwen op die ene waarneming. Van belang is hierbij dat, zoals uit het dossier en de ter zitting afgespeelde beelden blijkt, de afstand tussen het einde van de flauwe bocht en de plaats waar de verdachte geparkeerd stond relatief kort is. Met bijvoorbeeld een fatbike kan die afstand in enkele seconden worden overbrugd. De verdachte is na zijn eerste blik in de spiegel niet aanstonds uitgestapt, maar heeft eerst nog zijn tas gepakt. Het daarmee gemoeide tijdsverloop betekende dat daarna (ten minste) een hernieuwde blik in de spiegel vereist was, namelijk om te checken of de eerste situatie (geen achteropkomende fietsers of scooters) niet gewijzigd was door de aanwezigheid van nieuw, zojuist uit de bocht gekomen verkeer. De verdachte heeft, naar het oordeel van het hof, deze tweede waarneming achterwege gelaten, ofschoon hij ter plaatse – en dus ook met de flauwe bocht – zeer goed bekend was. De slotsom van deze beschouwingen is dat het hof van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk – namelijk op het moment dat het ertoe deed, te weten vlak voor het uitstappen, na het pakken van de tas – (opnieuw) heeft gekeken of hij kon uitstappen zonder een andere verkeersdeelnemer te hinderen. Is het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend? Voortbouwend op hetgeen zojuist en verder hierboven reeds werd overwogen, komt het hof dan nu toe aan de (finale) beantwoording van de vraag of de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag heeft vertoond. Het hof stelt daarbij voorop dat het uitstappen (uit een auto of bestelbus) een verkeershandeling op zichzelf is. Dat er voor het uitstappen goed gekeken wordt of dit veilig kan, is een vanzelfsprekendheid. Niet alleen voor andere verkeersdeelnemers, maar ook voor degene die uitstapt zélf kan het uitstappen immers een riskante gedraging zijn. Dit betekent dat direct voorafgaand aan het uitstappen waarnemen, via een of meer spiegels en/of door met gedraaid hoofd of gedraaid bovenlichaam naar opzij en naar achteren te kijken, een elementair onderdeel van de verkeershandeling ‘uitstappen’ uitmaakt. Daarbij geldt in de regel dat de betrokkene, zeker als hij zojuist het voertuig feitelijk bestuurde, voor deze waarneming alle benodigde tijd kan nemen: hij hoeft zich immers niet ook nog bezig te houden met alles wat behoort bij het besturen ervan. Hij kan zich, met andere woorden, volledig concentreren op de voorafgaande waarneming en, daarna, op het openen van het portier en het feitelijke uitstappen. Voor de verdachte geldt dat hij, volgens zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, niet gehaast of gestrest was. De verdachte stond geparkeerd op een veilige plek (niet op, maar naast de rijbaan in een parkeervak) en voor een adequate en goed getimede waarneming waren er geen van buiten komende hinderfactoren: verdachtes linkerbuitenspiegel, opgedeeld in een normaal en een dodehoekgedeelte, was in orde en het weer en het zicht waren uitstekend. Hier komt bij dat de verkeerssituatie zodanig was dat deze om bijzondere aandacht van de verdachte vroeg. De verdachte had zijn bestelbus immers geparkeerd in een parkeervak dat direct naast de rijbaan van de Terletstraat is gelegen, van welke rijbaan ook fietsers gebruik moeten maken. Het was een dinsdagochtend rond 09.57 uur, een dag en een tijdstip waarop op een weg door de stad zoals de Terletstraat veel fietsers, al dan niet op e-bikes, zijn te verwachten. Het voorgaande had voor de verdachte des te meer aanleiding moeten zijn om zich er direct voor het openen van zijn portier van te vergewissen dat er geen passerende fietsers waren. Dat de verdachte, desondanks, kort voor het uitstappen niet zodanige waarnemingen heeft gedaan dat hij het slachtoffer op diens fiets heeft zien aankomen komt hierop neer dat de verdachte is tekortgeschoten ten opzichte van de criteriumfiguur. Gelet op het voorgaande beschouwt het hof daarom verdachtes verkeersgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 20 juni 2023 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk , onvoorzichtig en /of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte, heeft aldaar, - als bestuurder van een op/naast/ aan de Terletstraat geparkeerde bestelauto voorafgaand aan en /of ten tijde van het uitstappen onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of andere verkeersdeelnemers ter plaatse, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en /of - ( vervolgens) het portier van die bestelauto (deels) geopend, waardoor een aldaar links naast hem, althans links dicht achter hem rijdende fietser (te weten [slachtoffer] ) de vrije doorgang werd belemmerd - ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in de schedel en /of neurologisch letsel , of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht , dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan . Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich, door de deur van zijn bestelbus te openen, zonder voorafgaand daaraan goed (in zijn spiegel) te kijken, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Als gevolg daarvan is een dertienjarige jongen op een fatbike tegen de openstaande deur aangereden en ten val gekomen. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk schedelbreuken met hersenletsel, waarbij sprake is van restschade. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zijn handelen de veiligheid van andere verkeersdeelnemers en meer in het bijzonder die van het slachtoffer in gevaar heeft gebracht. Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft getoond zich bewust te zijn van de gevolgen van zijn handelen en dat hij na het ongeval contact heeft gehad en onderhouden met de moeder van het slachtoffer.
Volledig
Daar heeft hij, samengevat, gezegd dat hij in de spiegel heeft gekeken, zijn tas heeft gepakt en daarna is gaan uitstappen zonder nogmaals in de spiegel te kijken. Dit betekent dat de verdachte weliswaar in de spiegel heeft gekeken, maar dat hij op het moment van uitstappen niet meer mocht vertrouwen op die ene waarneming. Van belang is hierbij dat, zoals uit het dossier en de ter zitting afgespeelde beelden blijkt, de afstand tussen het einde van de flauwe bocht en de plaats waar de verdachte geparkeerd stond relatief kort is. Met bijvoorbeeld een fatbike kan die afstand in enkele seconden worden overbrugd. De verdachte is na zijn eerste blik in de spiegel niet aanstonds uitgestapt, maar heeft eerst nog zijn tas gepakt. Het daarmee gemoeide tijdsverloop betekende dat daarna (ten minste) een hernieuwde blik in de spiegel vereist was, namelijk om te checken of de eerste situatie (geen achteropkomende fietsers of scooters) niet gewijzigd was door de aanwezigheid van nieuw, zojuist uit de bocht gekomen verkeer. De verdachte heeft, naar het oordeel van het hof, deze tweede waarneming achterwege gelaten, ofschoon hij ter plaatse – en dus ook met de flauwe bocht – zeer goed bekend was. De slotsom van deze beschouwingen is dat het hof van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk – namelijk op het moment dat het ertoe deed, te weten vlak voor het uitstappen, na het pakken van de tas – (opnieuw) heeft gekeken of hij kon uitstappen zonder een andere verkeersdeelnemer te hinderen. Is het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend? Voortbouwend op hetgeen zojuist en verder hierboven reeds werd overwogen, komt het hof dan nu toe aan de (finale) beantwoording van de vraag of de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag heeft vertoond. Het hof stelt daarbij voorop dat het uitstappen (uit een auto of bestelbus) een verkeershandeling op zichzelf is. Dat er voor het uitstappen goed gekeken wordt of dit veilig kan, is een vanzelfsprekendheid. Niet alleen voor andere verkeersdeelnemers, maar ook voor degene die uitstapt zélf kan het uitstappen immers een riskante gedraging zijn. Dit betekent dat direct voorafgaand aan het uitstappen waarnemen, via een of meer spiegels en/of door met gedraaid hoofd of gedraaid bovenlichaam naar opzij en naar achteren te kijken, een elementair onderdeel van de verkeershandeling ‘uitstappen’ uitmaakt. Daarbij geldt in de regel dat de betrokkene, zeker als hij zojuist het voertuig feitelijk bestuurde, voor deze waarneming alle benodigde tijd kan nemen: hij hoeft zich immers niet ook nog bezig te houden met alles wat behoort bij het besturen ervan. Hij kan zich, met andere woorden, volledig concentreren op de voorafgaande waarneming en, daarna, op het openen van het portier en het feitelijke uitstappen. Voor de verdachte geldt dat hij, volgens zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, niet gehaast of gestrest was. De verdachte stond geparkeerd op een veilige plek (niet op, maar naast de rijbaan in een parkeervak) en voor een adequate en goed getimede waarneming waren er geen van buiten komende hinderfactoren: verdachtes linkerbuitenspiegel, opgedeeld in een normaal en een dodehoekgedeelte, was in orde en het weer en het zicht waren uitstekend. Hier komt bij dat de verkeerssituatie zodanig was dat deze om bijzondere aandacht van de verdachte vroeg. De verdachte had zijn bestelbus immers geparkeerd in een parkeervak dat direct naast de rijbaan van de Terletstraat is gelegen, van welke rijbaan ook fietsers gebruik moeten maken. Het was een dinsdagochtend rond 09.57 uur, een dag en een tijdstip waarop op een weg door de stad zoals de Terletstraat veel fietsers, al dan niet op e-bikes, zijn te verwachten. Het voorgaande had voor de verdachte des te meer aanleiding moeten zijn om zich er direct voor het openen van zijn portier van te vergewissen dat er geen passerende fietsers waren. Dat de verdachte, desondanks, kort voor het uitstappen niet zodanige waarnemingen heeft gedaan dat hij het slachtoffer op diens fiets heeft zien aankomen komt hierop neer dat de verdachte is tekortgeschoten ten opzichte van de criteriumfiguur. Gelet op het voorgaande beschouwt het hof daarom verdachtes verkeersgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 20 juni 2023 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk , onvoorzichtig en /of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte, heeft aldaar, - als bestuurder van een op/naast/ aan de Terletstraat geparkeerde bestelauto voorafgaand aan en /of ten tijde van het uitstappen onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of andere verkeersdeelnemers ter plaatse, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en /of - ( vervolgens) het portier van die bestelauto (deels) geopend, waardoor een aldaar links naast hem, althans links dicht achter hem rijdende fietser (te weten [slachtoffer] ) de vrije doorgang werd belemmerd - ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in de schedel en /of neurologisch letsel , of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht , dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan . Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich, door de deur van zijn bestelbus te openen, zonder voorafgaand daaraan goed (in zijn spiegel) te kijken, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Als gevolg daarvan is een dertienjarige jongen op een fatbike tegen de openstaande deur aangereden en ten val gekomen. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk schedelbreuken met hersenletsel, waarbij sprake is van restschade. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zijn handelen de veiligheid van andere verkeersdeelnemers en meer in het bijzonder die van het slachtoffer in gevaar heeft gebracht. Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft getoond zich bewust te zijn van de gevolgen van zijn handelen en dat hij na het ongeval contact heeft gehad en onderhouden met de moeder van het slachtoffer.