Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-18
ECLI:NL:GHDHA:2026:2349
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/795 Uitspraak van 18 juni 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2025 (de Rechtbank), nummer SGR 24/9399. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.271 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 735 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente). 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 2 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een nader stuk overgelegd. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in Nederland en gehuwd met [A] . Hij was blijkens een uittreksel uit de Kamer van Koophandel (KvK) met ingang van [datum] 2018 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam Collectief] (het Collectief), welk collectief staat ingeschreven op het woonadres van belanghebbende. 2.2. Uit een uittreksel uit de KvK van 13 maart 2023 blijkt dat op 9 september 2022 met terugwerkende kracht tot [datum] 2018 [B] en [C] als bestuurders van het Collectief in de KvK zijn ingeschreven. 2.3. De ANBI-status van het Collectief is op 24 oktober 2022 met terugwerkende kracht tot 23 maart 2018 door de Inspecteur ingetrokken. Het beroep hiertegen is bij onherroepelijke uitspraak van 22 december 2023 van rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2023:21971) ongegrond verklaard. 2.4. Belanghebbende heeft per 1 januari 2016 een overeenkomst inzake periodieke giftenaftrek gesloten met het Collectief om voor onbepaalde tijd, echter voor ten minste 5 jaren, jaarlijks € 6.000 aan het Collectief te doneren. 2.5. Belanghebbende is met ingangsdatum [datum] 2020 bestuurder van [naam Stichting] (de Stichting), waarvan de ANBI-status door de Inspecteur op 31 december 2022 met terugwerkende kracht tot 2 juli 2020 is ingetrokken. Het beroep hiertegen is bij onherroepelijke uitspraak van 22 december 2023 van rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2023:22037) ongegrond verklaard. 2.6. Belanghebbende heeft op 6 april 2022 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 (de aangifte) ingediend naar een verzamelinkomen van € 7.015, bestaande uit: Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking in box 1 € 4.780 Inkomen uit vroegere dienstbetrekking in box 1 € 20.510 Aftrek specifieke zorgkosten € 1.596 -/- Aftrek scholingsuitgaven € 19 -/- Giftenaftrek € 17.600 -/- Verzamelinkomen € 7.015 Bij de giftenaftrek heeft belanghebbende vermeld dat het om periodieke giften gaat, te weten een bedrag van € 4.800 en van € 5.000 aan de Stichting en een bedrag van € 7.800 aan het Collectief. 2.7. Met dagtekening 22 juli 2022 is een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd conform de ingediende aangifte, resulterend in een te ontvangen bedrag van € 4.794. 2.8. De Inspecteur heeft bij brief van 3 april 2024 vragen gesteld over de in de aangifte opgenomen aftrek specifieke zorgkosten en gesteld dat volgens hem geen recht bestaat op giftenaftrek. 2.9. Nadat de Inspecteur geen reactie had ontvangen op deze brief, heeft hij bij brief van 13 mei 2024 aangekondigd van plan te zi In artikel 6.35 van de Wet IB 2001 is bepaald dat onder ‘andere giften’ wordt verstaan giften aan instellingen of steunstichtingen SBBI. Onder instellingen wordt ingevolge artikel 6.33, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 verstaan algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s). De voorwaarden voor het in aanmerking nemen van periodieke giften en andere giften staan in respectievelijk artikel 6.38 en artikel 6.39 van de Wet IB 2001. 24. In artikel 1a van de UR AWR staat dat een instelling door de inspecteur aangemerkt wordt als een ANBI indien en zolang: “a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft; b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient; c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen (..).” Op grond van artikel 5b, zevende lid, van de AWR heeft de inspecteur de mogelijkheid om de ANBI-status van een instelling met terugwerkende kracht in te trekken. 25. In het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014, nr. BLK-B2014/1415M, Stcrt. 2014, 36877 waarin het beleid over de giftenregeling en het aanmerken als ANBI staat, is het volgende opgenomen: “Een belastingplichtige mag ervan uitgaan dat een in het ANBI-register vermelde instelling ook daadwerkelijk als ANBI kwalificeert. Daarom zijn betalingen die worden gedaan na het verlies van de ANBI-status aftrekbaar zolang de ANBI-status in het ANBI-register van de Belastingdienst wordt vermeld. Dit geldt niet als sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige.” 26. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangegeven giften aftrekbaar zijn. Allereerst is geen sprake geweest van giften aan ANBI’s, nu de ANBI-status van het Collectief en van de Stichting in 2021 reeds was ingetrokken. Voorts kan eiser geen beroep doen op het hiervoor genoemde besluit van 19 december 2014, omdat eiser als (enig) bestuurder van het Collectief en de stichting moet hebben geweten dat niet was voldaan aan de voorwaarden om te kwalificeren als ANBI. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aangegeven giften op hem hebben gedrukt, of dat anderszins aan de voorwaarden gesteld in artikel 6.37 en artikel 6.38 van de Wet IB 2001 is voldaan. Zodat ook reeds daarom de giftenaftrek terecht is geweigerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond. 27. Het hoorrecht is niet geschonden, gelet op de brieven van verweerder van 29 oktober 2024 en 4 november 2024 en nu eiser op zijn verzoek op 5 november 2025 telefonisch is gehoord. Daarnaast heeft verweerder eiser in voormelde brieven gewezen op zijn inzagerecht. Eiser heeft niet om inzage verzocht. Het inzagerecht is daarom ook niet geschonden. De stelling van eiser dat hij in zijn belangen is geschaad door het niet ontvangen van de brieven voorafgaand aan het hoorgesprek, wat daar verder van zij, slaagt niet. Dat eiser ervoor heeft gekozen om geen bewijsstukken te overleggen, dient voor zijn rekening en risico te komen. Tot slot verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het feit dat eiser het verweerschrift een dag voor de zitting per e-mail heeft ontvangen. Mede gelet op zijn uitvoerige pleitnota is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn procesbelangen is geschaad. De rechtbank ziet, gelet op al het voorgaande, ook geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar verweerder. 28. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze te hoog is. 29. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. 30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is primair of Artikel 6.1, lid 2, aanhef en letters d en h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bepaalt dat uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften slechts in aftrek kunnen komen als zij op belanghebbende hebben gedrukt. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 omschrijft welke kosten als specifieke zorgkosten zijn aan te merken en artikel 6.32 van de wet IB 2001 omschrijft wat aftrekbare giften zijn. Aftrek specifieke zorgkosten 5.8. Met betrekking tot de kosten voor medicijnen van € 1.863, de uitgaven voor hulpmiddelen van € 312, de reiskosten in verband met ziekte van € 150, de genees- en heelkundige hulp van € 1.412 en reiskosten ziekenbezoek van € 755 die belanghebbende in de aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar in aanmerking heeft genomen, heeft hij pas in hoger beroep diverse facturen overgelegd. Met betrekking tot de kosten die voor fysiotherapie zijn gemaakt, is niet aannemelijk geworden dat deze kosten niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed en dus op belanghebbende hebben gedrukt. Indien overigens zou worden aangenomen dat deze kosten wel op belanghebbende hebben gedrukt, staat vast dat het totaalbedrag van € 205 onder de aftrekdrempel blijft. Voor de overige door belanghebbende gestelde uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het specifieke zorgkosten betreft als bedoeld in artikel 6.17, lid 1 van de Wet IB 2001 en dat deze niet uitgaven betreffen die niet aftrekbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 6.18, Wet IB 2001 dan wel dat deze op hem hebben gedrukt. 5.9. De Rechtbank is bovendien terecht niet ingegaan op belanghebbendes stelling dat hij de genoemde brieven, waaronder de brief met de voorgenomen beslissing op bezwaar van 29 oktober 2024, niet heeft ontvangen en dat de Inspecteur zijn verzendadministratie had moeten overleggen. Een oordeel over het al dan niet ontvangen van de gestelde brieven doet niet af aan de omstandigheid dat belanghebbende de in de aangifte in aanmerking genomen uitgaven voor specifieke zorgkosten niet aannemelijk heeft gemaakt en het oordeel dat deze om die reden niet voor aftrek in aanmerking komen. Deze stelling behoeft derhalve geen behandeling voor het antwoord op de vraag of weigering van de aftrek van specifieke zorgkosten terecht is. Hetzelfde heeft te gelden voor het hierna onder 5.11 tot en met 5.19 overwogene. 5.10. De Inspecteur heeft de aftrek voor specifieke zorgkosten terecht geweigerd. Giftenaftrek 5.11. Op grond van artikel 6.32 Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Op grond van artikel 6.33, lid 1, letter a, Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, lid 1, letter b, in verbinding met artikel 6:35 Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI. 5.12. Artikel 6.38 Wet IB 2001 bepaalt dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren en dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld waaraan de onderhandse akte van schenking moet voldoen. 5.13. Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 Wet IB 2001). 5.14. In artikel 1a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 staat dat een instelling door de inspecteur aangemerkt wordt als een ANBI indien en zolang: “a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft; b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen b