Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-02
ECLI:NL:GHDHA:2026:2346
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummers BK-25/638 tot en met BK-25/643 Uitspraak van 2 juni 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 juli 2025, nummers SGR 25/1717, SGR 25/1718, SGR 25/1719, SGR 25/1720, SGR 25/1721 en SGR 25/1723. Procesverloop 1.1. De Inspecteur heeft op grond van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en ambtshalve opgelegde aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de belastingjaren 2013, 2014 en 2016 (de aanslagen) afgewezen (beschikkingen). 1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is eenmaal griffierecht van € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 4 mei 2026 een nader stuk ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft voor de belastingjaren 2013, 2014 en 2016, na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen aangiften IB/PVV ingediend. 2.2. Met dagtekening 11 november 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd voor het belastingjaar 2013. De aanslagen zijn berekend naar een geschat resultaat uit overige werkzaamheden van € 26.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende € 824 belastingrente in rekening gebracht en is aan hem een verzuimboete opgelegd van € 226. Bij het opleggen van de aanslag Zvw is € 86 belastingrente in rekening gebracht. 2.3. Met dagtekening 26 oktober 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2014 opgelegd. De aanslagen zijn berekend naar een geschat resultaat uit overige werkzaamheden van € 15.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende € 116 belastingrente in rekening gebracht en is aan hem een verzuimboete opgelegd van € 369. Bij het opleggen van de aanslag Zvw is € 46 belastingrente in rekening gebracht. 2.4. Met dagtekening 21 februari 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 opgelegd. De aanslagen zijn berekend naar een geschat resultaat uit overige werkzaamheden van € 44.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende € 402 belastingrente in rekening gebracht en is aan hem een verzuimboete opgelegd van € 369. Bij het opleggen van de aanslag Zvw is € 73 belastingrente in rekening gebracht. 2.5. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 8 augustus 2023. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 januari 2024 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen. Bij de beschikkingen van dezelfde datum heeft de Inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, aanhef en onder a, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (Uitvoeringsregeling IB 2001). 2.6. De Rechtbank heeft De geschetste persoonlijke omstandigheden zijn niet van dien aard dat in redelijkheid van belanghebbende, of een door hem ingeschakelde hulp, geen actie richting de Belastingdienst kon worden verwacht. De verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslagen zijn dus terecht afgewezen. 5.3. Op grond van artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001, aanhef en onderdeel a, geldt dat de inspecteur ambtshalve een belastingaanslag vermindert die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. 5.4. Aangezien de aanslagen de jaren 2013, 2014 en 2016 betreffen, is voornoemde vijfjaarstermijn verlopen op respectievelijk 31 december 2018, 31 december 2019 en 31 december 2021. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen, dat tevens is opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering, is door de Inspecteur ontvangen op 8 augustus 2023. Tussen partijen is daarom niet in geschil dat het verzoek van belanghebbende na afloop van voornoemde vijfjaartermijn door de Inspecteur is ontvangen. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of de overschrijding van de vijfjaarstermijn verschoonbaar is. 5.5. Het Hof stelt voorop dat een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is (HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871). Dit artikel bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift, artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoek om ambtshalve vermindering, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding). 5.6. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake indien: (i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een verzoek heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het verzoek heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd (Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515). 5.7. In voornoemd arrest van de Hoge Raad van 5 april 2024 is, voor zover van belang, als volgt geoordeeld met betrekking tot de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding: “4.2.4 Voor zover het omstandigheden betreft die de belanghebbende persoonlijk betreffen, is er geen reden artikel 6:11 Awb te beperken tot de gevallen waarin de betrokkene feitelijk niet in staat is geweest het rechtsmiddel tijdig aan te wenden. Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, zal per geval moeten worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. Aan de belanghebbende van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd om dit zelf te doen, kan niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij iemand anders had kunnen verzoeken hem hierin bij te staan of te vertegenwoordigen, of dat hij binnen de termijn had kunnen volstaan met het indienen van een beroepschrift waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen (een zogenoemd pro-formaberoepschrift). Ook met betrekking tot zulke maatregelen komt het erop aan of zij van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid konden worden gevergd.[2] 4.2.5 Verder moet ook de vraag of het beroepschrift na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarvoor een termijn van ten minste veertien dagen moet worden gegund.[3] De ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak geven de Hoge Raad aanleidin In oktober 2015 overleed de vader van A, waardoor de mantelzorg voor haar stiefmoeder intensiveerde. Door aanhoudende mantelzorg voor zijn eigen moeder en de stiefmoeder van A en zijn oplopende schulden raakte belanghebbende in 2016 in een depressie. Vanaf 1 januari 2016 tot en met maart 2020 woonde belanghebbende bij zijn vader. Hij durfde zijn post niet meer open te maken. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij op een gegeven moment een bijstandsuitkering ontving. In juni 2017 probeerde belanghebbende een schuldhulpverleningstraject te starten, maar dit mislukte. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij termijnen had laten verstrijken. De procedures om dit recht te zetten, verloor belanghebbende. In oktober 2017 kreeg zijn vader een herseninfarct waardoor hij tussen ziekenhuis en zorginstelling bewoog. Begin 2018 overleed de moeder van belanghebbende, later dat jaar de stiefmoeder van A en eind 2018 overleed ook zijn vader na een euthanasietraject. Belanghebbende, zijnde executeur testamentair, werd gedagvaard door zijn zus in het kader van de afhandeling van het testament. Aangezien de gerechtelijke procedure aan het vrijkomen van de erfenis in de weg stond, bleven de schulden van belanghebbende oplopen. Vanaf 31 maart 2020 huurde belanghebbende een kamer en later dat jaar kon hij zijn schulden afbetalen met de vrijgekomen erfenis van zijn vader. In oktober 2020 startte belanghebbende een hersteltraject, kwam hij toe aan rouwverwerking, en zocht hij veelvuldig hulp bij zijn huisarts. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij van zijn huisarts medicatie kreeg om zijn zenuwen te bedwingen. In februari 2022 startte belanghebbende met een nieuwe baan in de IT-branche. Na zes maanden stapte hij over naar een andere werkgever in dezelfde branche. Per brief met dagtekening 19 april 2023 werd loonbeslag aangekondigd in verband met openstaande belastingschulden van belanghebbende, welke voor het grootste deel betrekking hadden op de aanslagen. 5.12. In eerste aanleg is voornoemde tabel, opgesteld door A, overgelegd waarin de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende gedetailleerd en op chronologische wijze zijn opgenomen. In zijn bezwaarschrift had belanghebbende reeds opgemerkt dat hij een aantal jaar “meer dan fulltime mantelzorg” had verleend. Ook had belanghebbende opgenomen dat “de jaren die deze aanslagen betreffen voor mij moeilijke, zware en intensieve jaren zijn geweest”. Uit het hoorverslag blijkt voorts dat belanghebbende tijdens het hoorgesprek zijn schuldsaneringstraject had benoemd. Belanghebbende, A en een tweede vriendin van belanghebbende (B) hebben de persoonlijke omstandigheden ter zitting desgevraagd nader toegelicht. De omstandigheden zoals deze uit de tabel blijken, en de toelichting ter zitting, zijn niet door de Inspecteur betwist. Daar komt bij dat uit de Basisregistratie Personen blijkt dat belanghebbende inderdaad is verhuisd op de momenten die in de tabel staan vermeld. Het Hof heeft, mede gelet op de consistente, gedetailleerde en geloofwaardige verklaringen van zowel belanghebbende als zijn vriendinnen A en B, geen reden om aan de juistheid van de tabel te twijfelen. 5.13. Zoals volgt uit 5.11 heeft belanghebbende vanaf eind 2011 langdurig psychische klachten gehad in de vorm van een burn-out en depressie. Belanghebbende heeft te maken gehad met opvolgende zware omstandigheden waaronder een relatiebreuk, nare werkomstandigheden, werkeloosheid, een lange periode van intensieve mantelzorg voor zijn ouders en naasten, het ontbreken van een eigen woning, oplopende schulden, het overlijden van zijn ouders en naasten en een gerechtelijke procedure aangespannen door zijn zus. Hij heeft in deze periode hulp gehad van een psycholoog en huisarts. Als gevolg van deze problemen heeft belanghebbende, zo heeft hij verklaard, zijn administratie niet bijgehouden. Hoewel hij de ontvangst van de aanslagen niet betwist, heeft belanghebbende ter zitting verklaard zich de a Nu het Hof heeft geconcludeerd dat van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kon worden gevergd tijdig om ambtshalve vermindering van de aanslagen te verzoeken, resteert de vraag of belanghebbende het verzoek na de termijn heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Zoals blijkt uit voornoemde uitspraak onder 5.7, moet deze vraag worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Deze termijn verstrijkt in beginsel zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet. 5.17. Naar het oordeel van het Hof is het, zoals ook volgt uit 5.15, aannemelijk dat belanghebbende tot de ontvangst van de brief met aankondiging van het loonbeslag van 19 april 2023, niet op de hoogte was van een actiepunt ter zake van de aanslagen. Het Hof is daarom van oordeel dat de termijn van (in beginsel) zes weken begon te lopen na ontvangst van deze brief. Belanghebbende had op dat moment zijn eigen woning, was begonnen met een nieuwe baan, had zijn schulden afbetaald, geen psychische problemen meer en was dus in staat actie te ondernemen. In de brief stond dat als belanghebbende het niet eens was met het loonbeslag, hij in verzet diende te komen bij de burgerlijk rechter en hij daarvoor contact moest opnemen met een advocaat. Belanghebbende, die niet beroepsmatig bekend is met het belastingrecht, heeft vergeefs gratis rechtsbijstand proberen te organiseren en vervolgens vóór het daadwerkelijke loonbeslag in mei 2023 telefonisch advies ingewonnen via de Belastingtelefoon. Conform het telefonisch ontvangen advies heeft hij op 6 juli 2023 een bezwaarschrift aangetekend verstuurd. Toen uit de track en trace-gegevens van PostNL bleek dat zijn bezwaarschrift niet was bezorgd, heeft hij het bezwaarschrift opnieuw, tweemaal aangetekend en eenmaal als postpakket, verzonden, waarna de Inspecteur het bezwaarschrift op 8 augustus 2023 ontving. Dat het bezwaarschrift van 6 juli 2023 door een aan de postbezorging te wijten oorzaak de Inspecteur niet heeft bereikt, kan aan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Daarom moet van 6 juli 2023 worden uitgegaan als datum van indiening van het bezwaarschrift. Hoewel voornoemde termijn van zes weken is overschreden als wordt gerekend vanaf ontvangst van de brief van 19 april 2023 tot aan het bezwaarschrift van 6 juli 2023, betekent dit niet per definitie dat belanghebbende niet snel genoeg heeft gehandeld. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad (zie 5.7) dienen de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Gelet op de acties die belanghebbende heeft ondernomen na ontvangst van de brief van 19 april 2023 is het Hof van oordeel dat hij, beoordeeld naar de omstandigheden van dit geval, heeft gehandeld zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Daarmee is ook aan de tweede voorwaarde voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voldaan. Slotsom 5.18. Gelet op het voorgaande, is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen ten onrechte afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn. Het hoger beroep is gegrond. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de Inspecteur met de opdracht om het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen alsnog inhoudelijk te behandelen. 5.19. Omdat het Hof de zaak terugwijst naar de Inspecteur voor inhoudelijke behandeling, komt het Hof niet toe aan een beoordeling van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de inhoudelijke juistheid van de aanslagen. Proceskosten en griffierecht 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierechten van respectievelijk € 53 en € 143 te worden vergoed. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitsp