Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:2333
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-25/600 en BK-25/601 Uitspraak van 16 juli 2026 in het geding tussen: [X] h.o.d.n. [X-1] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 juli 2025, nummers SGR 23/8172 en SGR 23/8173. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is voor twee voertuigen een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van in totaal € 20.338. Het betreft een Land Rover Discovery (auto 1) en een Volkswagen Sharan (auto 2). Tegelijkertijd met de naheffingsaanslag is bij beschikking € 60 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is in de zaak BK-23/8172 voor beide zaken gezamenlijk een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart het beroep inzake auto 2 (SGR 23/8172) ongegrond; verklaart het beroep inzake auto 1 (SGR 23/8173) gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op auto 1; vermindert de naheffingsaanslag tot € 19.929 (€ 11.702 voor auto 1 + € 8.227 voor auto 2) en draagt verweerder op de belastingrente dienovereenkomstig te verminderen; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250 veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is in de zaak BK-25/600 voor beide zaken gezamenlijk een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 19 mei 2026 verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 31 mei 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 8 juni 2026 een nader stuk ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten Auto 1 (Land Rover Discovery) 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.699 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van auto 1, de Land Rover Discovery. De datum van keuring van de auto door de RDW is 2 april 2021. De aangifte is gedaan op 7 april 2021. Voor het bepalen van de afschrijving heeft belanghebbende gebruik gemaakt van een taxatierapport van [naam 1] . De taxateur heeft de auto opgenomen op 29 maart 2021. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 126.044, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 46.458 en, nadat rekening is gehouden met een schade tot een bedrag van (per saldo) € 29.474,40, is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 17.250. Verder is bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat rekening gehouden met een correctie van 20% vanwege het schadeverleden van de auto. Bij het taxatierapport is in het kader hiervan een afschrift overgelegd van [naam 2] ten aanzien van een op 22 december 2020 geleden schade aan de auto met daarbij fotomateriaal. Het taxatierapport is gedateerd op 6 april 2021. 2.2. Belanghebbende heeft de auto op 19 februari 2021 aangekocht voor een bedrag van € 25.889 exclusief btw. 2.3. Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 1 De aftrek wegens schade is door DRZ vastgesteld op € 6.532 (72% van de schadecalculatie op € 7.822), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 30.667 bedraagt. 2.8. Naar aanleiding van het rapport van DRZ heeft de Inspecteur de verschuldigde bpm voor auto 2 berekend op € 10.463. De nageheven belasting ter zake van auto 2 bedraagt € 8.227 (€ 10.463 minus € 2.236 reeds voldaan op aangifte). Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “ Auto 1 Kan het taxatierapport van eiser dienen? 7. Verweerder stelt dat het taxatierapport van eiser niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde aannemelijk te maken. Hij voert daartoe aan dat uit de foto’s in het taxatierapport blijkt dat de auto essentiële gebreken had. Volgens verweerder kan het niet zo zijn dat de auto in die toestand door de RDW is gekeurd, omdat de auto anders niet zou zijn goedgekeurd. Verder wijst verweerder erop dat de aankoopprijs van de auto hoger is dan de door de taxateur vastgestelde handelsinkoopwaarde. Ook wijst verweerder op de zeer korte opnameduur door de taxateur (15 minuten). 8. Op de foto’s in het taxatierapport is te zien dat de auto zodanige schade had dat daarmee niet mocht worden deelgenomen aan het verkeer. In zijn arrest van 26 maart 2021 [4] heeft de Hoge Raad, kort samengevat, geoordeeld dat artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling bpm bewerkstelligt dat voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig met essentiële gebreken de volgens artikel 9 van de Wet bpm verschuldigde bpm wordt voldaan zonder toepassing van de in artikel 10 van de Wet bpm bedoelde vermindering. 9. Naar aanleiding van voormeld arrest heeft de Staatssecretaris van Financiën bij besluit van 27 september 2021 goedgekeurd dat indien een belanghebbende voor een motorrijtuig met een essentieel gebrek de aangifte bpm indient met een taxatierapport, de inspecteur kan naheffen op basis van de wettelijke tabel. Hierbij wordt belanghebbende de mogelijkheid geboden om binnen een door de inspecteur gestelde termijn zelf een koerslijst te overleggen. 10. In voormeld besluit heeft de Staatssecretaris voorts bepaald dat voor aangiften met taxatierapport voor motorrijtuigen met essentiële gebreken die zijn ingediend tussen de datum van het arrest (26 maart 2021) en de dag voorafgaand aan de plaatsing van het besluit in de Staatscourant, de inspecteur ter zake van de gehanteerde afschrijvingsmethodiek niet zal terugkomen op de door belastingplichtige gemaakte keuze hierin. Het besluit van 27 september 2021 is op 15 oktober 2021 gepubliceerd in de Staatscourant. 11. Eiser heeft op 7 april 2021 aangifte bpm gedaan. Het bepaalde in voormeld besluit brengt mee dat verweerder niet mag terugkomen op de door eiser gehanteerde afschrijvingsmethodiek. Dat laat evenwel onverlet dat het taxatierapport buiten beschouwing kan worden gelaten als deze vanwege formele en/of materiële gebreken niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde aannemelijk te maken. 12. De rechtbank acht aannemelijk dat reeds vóór de keuring door de RDW deelherstel heeft plaatsgevonden. Zou dat niet het geval zijn, dan zou de auto een WOK-status hebben gekregen. Gesteld noch gebleken is dat de auto deze status heeft gekregen. Daaruit volgt dat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Reeds daarom kan het taxatierapport niet dienen om de handelsinkoopwaarde van de auto aannemelijk te maken. Daar komt nog bij dat, naar verweerder terecht stelt, de door de taxateur vastgestelde waarde van € 17.250 niet valt te rijmen met wat eiser ten minste voor de auto moet hebben betaald, te weten € 31.488 (aankoopprijs € 25.889 + bpm € 5.599). Schade 13. Nu het taxatierapport van eiser niet kan dienen, zal de rechtbank aansluiten bij de handelsinkoopwaarde zoals vastgesteld door DRZ. DRZ heeft geen schade aan de auto kunnen vaststellen, Eiser heeft enkel verwezen naar het taxatierapport, maar zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is niet aannemelijk dat dat taxatierapport een getrouw beeld geeft van de staat van de auto. Dat, zoals eiser stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Historische nieuwprijs 10. Verweerder heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat de referentieauto op de koerslijst van eiser onvoldoende vergelijkbaar is met de auto. Een Seat Alhambra is niet vergelijkbaar met een Volkswagen Sharan. Eiser kan derhalve geen beroep doen op die koerslijst. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de auto nooit op de Nederlandse markt is gebracht en ook niet een soortgelijke auto. Daarom kan voor de auto geen handelsinkoopwaarde en cataloguswaarde worden vastgesteld. DRZ heeft weliswaar de waarde van een referentieauto gebruikt, maar daarbij is uitdrukkelijk opgemerkt dat dit niet de handelsinkoopwaarde van de auto betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in dit licht terecht uitgegaan van de CO2-uitstoot van de referentieauto voor het vaststellen van de historische nieuwprijs. De klacht dat verweerder de historische nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld, faalt derhalve. (…) Slotsom 14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep inzake auto 1 gegrond verklaard en is het beroep inzake auto 2 ongegrond verklaard. ISV (…) Proceskostenvergoeding 18. Nu het beroep inzake auto 1 gegrond is verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die eiser in verband met het bezwaar- en beroep redelijkerwijs heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, I punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). [4] ECL1:NL:HR:2O21:415. [5] ECLl:NL:HR:2020:63 en ECLl:NL:HR:2020:318.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. 4.2. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht heeft gelast, nu de Rechtbank het beroep ten aanzien van auto 1 gegrond heeft verklaard. 4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade en proceskosten, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag ten aanzien van auto 2 tot € 6.690. Belanghebbende verzoekt voorts om een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep. 4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Auto 1 (Land Rover Discovery) 5.1. Belanghebbende stelt zich ten aanzien van auto 1 op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het taxatierapport dat belanghebbende heeft gebruikt bij het opstellen van de aangifte bpm niet kan dienen. Voorts heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat al vóór de keuring door de RDW herstel van schade heeft plaatsgevonden, aldus belanghebbende, en heeft daaraan ten onrechte de conclusie verbonden dat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van h Tijdens de schouw door DRZ zijn niet alle schadeposten genoemd door de taxateur van belanghebbende aangetroffen of zijn deze aangemerkt als normale gebruikersschade. De door de taxateur gestelde schade blijkt ook niet uit de overgelegde foto’s. Voorts doet belanghebbende een beroep op het schadeverleden van de auto en wenst in verband daarmee een bedrag op de handelsinkoopwaarde van de auto in mindering te brengen. De Inspecteur betwist deze correctie wegens het schadeverleden. De bewijslast inzake de invloed van het schadeverleden berust op belanghebbende. Belanghebbende heeft met de door hem overgelegde foto’s niet aannemelijk gemaakt dat en in welke mate het schadeverleden invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van de auto. 5.7. Belanghebbende doet voorts een beroep op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat uit de koerslijst van DRZ en stelt naar het Hof begrijpt, dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de auto niet vergelijkbaar is met de door DRZ aangedragen referentieauto, een Volkswagen Sharan (koerslijst AutoTelex Pro (ATP)), en verder dat ten onrechte is geoordeeld dat de Inspecteur bij het berekenen van de historische nieuwprijs mocht uitgaan van de CO2-uitstoot van de referentieauto. Belanghebbende voert aan dat de auto op een koerslijst voorkomt en dat – indien de auto niet op een koerslijst voorkomt – de referentieauto het meest vergelijkbare voertuig is. DRZ heeft geen correcties op de koerslijstwaarde toegepast in verband met verschillen tussen de auto en de referentieauto. De Inspecteur stelt dat de koerslijst niet bruikbaar is omdat de auto en de referentieauto uit die koerslijst niet vergelijkbaar zijn. Hij stelt dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. 5.8. Naar het oordeel van het Hof is de koerslijst ATP van DRZ niet zonder meer bruikbaar voor de waardebepaling, nu de auto van belanghebbende en de gebruikte referentieauto teveel wezenlijke verschillen hebben ten opzichte van elkaar. Zo is er een aanzienlijk verschil in gewicht (172 kilo) en verschilt ook de transmissie van de auto’s van elkaar (automaat versus handgeschakeld). Tenslotte zijn er verschillen in uitvoering, belanghebbende’s auto betreft een Highline BMT uitvoering terwijl de referentieauto een TSI Exclusive uitvoering heeft. De auto van belanghebbende komt dus niet overeen met de referentieauto in de koerslijst. Belanghebbende, op wie de bewijslast ter zake van de vermindering berust, heeft verder geen gegevens verstrekt die het mogelijk maken om de verschillen tussen zijn auto en de referentieauto uit de koerslijst te kwantificeren om zo de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van zijn auto realistisch te benaderen. Gelet hierop en op het feit dat belanghebbende aanzienlijk meer heeft betaald voor de auto (zie 2.6) dan de door hem aangegeven handelsinkoopwaarde, acht het Hof aannemelijk dat het afschrijvingspercentage eerder te hoog dan te laag is vastgesteld en ziet het Hof (ook) geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast te stellen. 5.9. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur terecht stelt dat de naheffingsaanslag voor auto 2 eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, zodat er geen aanleiding is deze naheffingsaanslag verder te verminderen. Belanghebbende beroept zich in dit kader nog op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de Inspecteur zich niet kan beroepen op interne compensatie door in hoger beroep de koerslijst ATP gegenereerd door DRZ alsnog te verwerpen, terwijl deze eerder is gevolgd bij het vaststellen van de naheffingsaanslag voor auto 2. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase geen enkel standpunt ingenomen als gevolg waarvan hij zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Het staat de Inspecteur vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten