Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:2328
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/596 Uitspraak van 16 juli 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 juli 2025, nummer SGR 24/77. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 11.509 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 126 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk (met bijlagen) van 20 mei 2026 verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 28 mei 2026 nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 4.213 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een BMW 2-serie Coupé M235i High Executive (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2016. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 286 gram/km. 2.1.2. Belanghebbende heeft volgens een tot het dossier behorende “Invoice” op een veiling van [naam 1] te [buitenlandse plaats] , Amerika, op 9 maart 2021 $ 12.335 voor de auto betaald. De kosten voor het vervoer van de auto van [buitenlandse plaats 2] (Amerika) naar [plaats] (Nederland) bedragen, volgens een eveneens tot het dossier behorende “Invoice” van 9 maart 2021, $ 2.345. 2.2. De RDW heeft de auto op 14 januari 2022 gekeurd. De RDW heeft de auto de zogenoemde WOK-status (wachten op keuring) gegeven. De RDW heeft de WOK-status op 11 februari 2022 opgeheven. 2.3. Belanghebbende heeft op 20 januari 2022 aangifte gedaan op basis van een expertiseverslag van [naam 2] (de taxateur). De expertise van de auto heeft volgens het expertiseverslag op 17 augustus 2021 plaatsgevonden. De historische consumentenprijs inclusief fabrieksopties is vastgesteld op € 71.154. De taxateur heeft € 17.026,77 aan schade gecalculeerd, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van de koerslijst XRAY vastgesteld op € 17.948 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 4.500. Onderdeel van de schadecalculatie is een waardevermindering van € 7.416,53 wegens het schadeverleden (ex-WOK) van de auto. Bij het rapport zijn onder meer verkoopadvertenties van vier referentievoertuigen gevoegd en informatie van het internet ( [naam 3] ). 2.4.1. De Inspecteur heeft op 11 januari 2023 per e-mail een verzoek om informatie gericht aan de RDW. Het verzoek luidt als volgt: “Ik heb een vraag over de volgende personenauto: VIN […] DET 01-07-2016 Mijn vragen aan de RDW zijn: 1. Wat was de staat van de auto op het moment van keuring op 14 januari 2022? Op basis waarvan hebben jullie een WOK-status afgegeven? En wanneer is de WOK weer opgeheven? 2. Kunt u een kopie van de foto's, die tijdens de keuring zijn gemaakt, naar mij opsturen alsjeblieft?” 2.4.2. De RDW heeft bij e-mailbericht van 12 januari 2023 als volgt gereageerd: “Wok is destijds toegekend vanwege ernstige schade aan frame en vervorming langsbalken van chassis. Op 11 februari 2022 alsnog goedgekeurd en Wok beëindigd (gekeurd RDW). Bijgevoegd de door de aanvrager ingeleverde foto’s.” Bij het antwoord zijn twee foto’s van de auto gevoegd (foto voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde eisen waardoor met dat motorrijtuig mag worden gereden op de weg." 10. Nu de auto ten tijde van de aangifte op 20 januari 2022 een WOK-status had, voldeed de auto niet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde eisen waardoor met dat motorrijtuig mocht worden gereden op de weg. Eiseres mocht dan ook geen gebruik maken van de taxatiemethode. Kan eiseres een beroep doen op de koerslijst? 11. Eiseres stelt dat zij gebruik moet kunnen maken van de koerslijst die wordt vermeld in het taxatierapport. De daarin genoemde referentieauto is volgens eiseres voldoende vergelijkbaar met de auto. 12. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld en de rechtbank acht aannemelijk dat de referentieauto in die koerslijst onvoldoende vergelijkbaar is met de auto. Eiseres kan om die reden geen beroep doen op die koerslijst. De stelling van eiseres dat verweerder in dat geval maar met een betere koerslijst had moeten komen, is onjuist. Het is aan eiseres om de door haar gestelde afschrijving aannemelijk te maken. Nu eiseres geen koerslijst heeft overgelegd van een goed vergelijkbare auto, heeft verweerder de verschuldigde bpm terecht berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Historische nieuwprijs 12. Eiseres stelt dat de historische nieuwprijs onjuist is vastgesteld. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Verweerder heeft de verschuldigde bpm immers berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Ex-schade correctie 13. Eiseres stelt dat een ex-schade correctie moet worden toegepast op de koerslijstwaarde. Nu eiseres geen beroep toekomt op de koerslijst, is reeds daarom een correctie op de koerslijstwaarde niet aan de orde. Slotsom 14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. (…)” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt: tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank; tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar; primair de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast te stellen op € 25.442 (verbeterde XRAY), de waardevermindering wegens schade op € 13.448, de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 11.974, de nieuwprijs op € 133.684, de bpm op € 5.971 en de naheffingsaanslag op € 1.758; subsidiair de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast te stellen en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig te verminderen, en meer subsidiair de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast te stellen op € 25.442 (verbeterde XRAY), de nieuwprijs op € 133.684, de bpm op € 12.677 en de naheffingsaanslag op € 8.464. Belanghebbende verzoekt voorts om een proceskostenvergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Belanghebbende doet met toepassing van artikel 10b Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet Bpm) en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit BPM 2021, Staatscourant 2021, nummer 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van de Inspecteur (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)). Uit de stukken volgt dat het beroep van belanghebbende op artikel 10b Wet Bpm ziet op toepassing van de historische wetgeving, de historische bruto bpm en de historische heffingsmaatstaf en dat daar volgens belanghebbende ook het beleid onder valt. 5.2. Artikel 10b, lid 1, Wet Bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9 Belanghebbende heeft in het nadere stuk aangevoerd dat het model hetzelfde is en dat het verschil in uitstoot komt door de methode waarmee de CO2-uitstoot is vastgesteld (de Scandinavische rekenmethode in plaats van de NEDC-methode). Het hogere gewicht en het verschil in transmissie zijn objectieve verschillen die (een deel van) het verschil in CO2-uitstoot verklaren. In dit verband is het altijd lastig om een voor de Amerikaanse markt gebouwd voertuig te vergelijken met voertuigen die voor de Europese markt zijn gebouwd, omdat een Amerikaans voertuig moet voldoen aan heel andere regelgeving en gebruikerswensen. Er moet immers een reden zijn waarom belanghebbende de voorkeur heeft gegeven aan de auto boven een Europees voertuig van hetzelfde merk, model en type. Tot slot heeft de Inspecteur twijfel gezaaid over de bruikbaarheid van de koerslijst door erop te wijzen dat na het scannen van de QR-code op de koerslijst in het programma een koerslijst verschijnt waarop de CO2-uitstoot van het referentievoertuig niet is vermeld, maar wel de aandrijving. Dit is ook opmerkelijk. Het is dan ook niet aannemelijk dat de verbeterde koerslijst is gebaseerd op reële transacties in dit type voertuig. 5.9. De koerslijst zou onder de taxatiemethode kunnen worden gebruikt als uitgangspunt voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto. Aangezien belanghebbende, op wie de bewijslast rust, geen enkel nuttig argument heeft aangevoerd om vanuit de koerslijst te komen tot een realistische handelsinkoopwaarde van de auto, ziet het Hof geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde (in goede justitie) lager vast te stellen. 5.10. Aangezien belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast dat de handelsinkoopwaarde van de auto dusdanig moet worden verlaagd dat de verschuldigde bpm minder is dan de Inspecteur heeft berekend aan de hand van de tabel, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Belastingrente 5.11. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Slotsom 5.12. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.M.D.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De griffier, de voorzitter, E.J. Nederveen A. van Dongen De beslissing is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. -