Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-09
ECLI:NL:GHDHA:2026:2304
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.336.873/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/621726 / HA ZA 21-1065 Arrest van 9 juni 2026 in de zaak van [appellante] , wonend in [plaats] , appellante, advocaat: voorheen mr. S.S. van Gijn, kantoorhoudend in Amsterdam (onttrokken), tegen De Staat der Nederlanden , gevestigd in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. G.J. Harryvan, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 [appellante] is in 1984 samen met haar achternichtje [achternicht] vanuit Haïti in Nederland aangekomen. Zij is gaan wonen bij een Nederlands echtpaar en is in 1986 door hen geadopteerd. In de Haïtiaanse stukken stond dat [appellante] 6 jaar was toen zij in Nederland aankwam en dat [achternicht] haar zusje was. Vaststaat dat dit niet klopt: zij was toen al 9 jaar en [achternicht] was haar achternichtje. Volgens [appellante] ontbrak bovendien de instemming van haar biologische moeder. [appellante] stelt dat de Staat dit alles wist, althans dat de Staat dit had moeten weten, en dat haar adoptie daarom nooit had mogen plaatsvinden. Ook verwijt zij de Staat dat hij het adoptiegezin onvoldoende heeft gescreend en dat hij haar niet heeft geholpen toen zij in dat gezin en tijdens haar latere verblijf in een instituut werd mishandeld en misbruikt. Zij stelt hierdoor schade te hebben geleden en wil dat de Staat die schade vergoedt. 1.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof is het met die beslissing eens. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 15 december 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van 12 april 2023 en 20 september 2023 van de rechtbank Den Haag; de memorie van grieven van [appellante] , met bijlage; de memorie van antwoord van de Staat; het stuk dat [appellante] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd, te weten de “memorie van grieven en mensenrechtelijke onderbouwing” van 22 december 2025, met bijlagen, waaronder een “juridisch memorandum over de schendingen van het familierecht in de zaak [appellante] ”. 2.2 Aanvankelijk stond de mondelinge behandeling in deze zaak gepland op 7 oktober 2025. De toenmalige advocaat van [appellante] heeft zich vóór die datum onttrokken. [appellante] heeft destijds het hof per mail laten weten graag te willen dat de zitting zou doorgaan, desnoods zonder advocaat. Het hof heeft ervoor gekozen om de behandeling aan te houden om af te wachten of de door [appellante] ingezette rechtsgang bij de Deken van Advocaten en het Hof van Discipline tot resultaat zou leiden en [appellante] de kans te geven om (langs die weg of op een andere manier) een nieuwe advocaat te vinden. Dat is [appellante] helaas niet gelukt. Omdat zij had laten weten wel prijs te stellen op voortzetting van de zaak en er ook geen concreet vooruitzicht bestond dat [appellante] er binnen afzienbare termijn wel in zou slagen een advocaat te vinden, heeft het hof de mondelinge behandeling vervolgens bepaald op 30 maart 2026. Op die dag heeft [appellante] haar standpunt mondeling bepleit, mede aan de hand van het op voorhand toegestuurde, hiervoor vermelde stuk van december 2025. De advocaten van de Staat hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond De adoptie van [appellante] 3.1 is op [geboortedatum] 1975 geboren te [geboorteplaats] op Haïti. In november 1984 kwam [appellante] samen met haar achternichtje [achternicht] aan op Brussel International Airport. Zij zijn daar opgehaald door hun (toekomstige) Nederlandse adoptieouders, de heer en mevrouw [pleegouders] (hierna: het echtpaar [pleegouders] ). De adoptie van [appellante] en [achternicht] door het echtpaar [pleegouders] is op 29 oktober 1986 uitgesproken door de arrondissementsrechtbank te Zutphen. 3.2 Het echtpaar [pleegouders] ha Uit de aantekeningen blijkt dat de beide kinderen zich volgens het echtpaar [pleegouders] goed ontwikkelden. 3.7 Op 24 maart 1986 heeft het echtpaar [pleegouders] bij de arrondissementsrechtbank te Zutphen een verzoek ingediend tot (samengevat) de adoptie van [appellante] en [achternicht] (hierna: het adoptieverzoek). Bij het verzoekschrift zijn onder meer de volgende bijlagen gevoegd: a. gelegaliseerde geboorteakten van [appellante] (“le 15 novembre 1978”) en [achternicht] , waarop in beide gevallen [naam 2] als moeder wordt aangeduid; b. kopieën van de Haïtiaanse paspoorten van [appellante] en [achternicht] ; c. in tweevoud een proces-verbaal van een op 9 augustus 1984 gehouden zitting van de Juge de Paix van Cap-Haitien, Section Sud, waarin onder meer is opgenomen: “La dame [naam 2] , mère de la mineure [achternicht] présente en notre Tribunal, déclare consentir sans réserve à ce que sa fille soit adoptee par les époux [pleegvader] , Madame née [pleegmoeder] , de nationalité hollandaise et accepte en outre qu'elle soit légitimée par les sus dits époux.” d. Haïtiaanse adoptie-beschikkingen van het Tribunal Civil du Ressort du Cap-Haïtien van 11 augustus 1984, waarin de adoptie van [appellante] en [achternicht] door het echtpaar [pleegouders] is uitgesproken. 3.8 De arrondissementsrechtbank Zutphen heeft het adoptieverzoek met bijlagen gestuurd aan de Raad met het verzoek advies uit te brengen. De Raad heeft op 10 september 1986 geadviseerd het verzoek van het echtpaar [pleegouders] tot adoptie van [appellante] en [achternicht] in te willigen. Aan dit advies lag een rapport van augustus 1986 van de Raad ten grondslag waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen: "D.d. 26 april 1974 bracht de Raad een gezinsrapport uit in verband met het verzoek tot opname van een buitenlands adoptief-kind. Het gezin werd goedgekeurd. Nadien werden in 1975, 1977, 1980 en 1986 rapporten door de raad Zutphen uitgebracht voor adoptie en opname van totaal 5 buitenlandse adoptief-kinderen. Uit de rapporten en kontakten komen de pleegouders naar voren als bewust levende, integere en plezierige mensen. Vanaf het begin waren de pleegouders gericht op het verzorgen van kinderen uit de derde wereld. In de leefwijze en leefhouding van de pleegouders neemt de derde wereldproblematiek een duidelijke plaats in. De pleegouders zijn aktief in sponsorprojekten e.d.. De pleegouders gaan hier op een reële wijze mee om. Zij kunnen afstand nemen. Uit de opvang van de verschillende bij hen geplaatste kinderen blijkt dat de pleegouders in staat zijn tot opvang van diverse problemen. Pleegvader neemt hierin een rustige plaats in, pleegmoeder reageert wat emotioneler en direkter. Pleegouders laten aan elkaar ruimte en hun verhouding blijkt stabiel te zijn. (…) De pleegouders bewonen een verbouwde boerderij en in en om de woning is veel ruimte. De ontwikkeling en persoonlijke vorming van de aanwezige kinderen verlopen goed. Opmerkelijk is dat de oudere kinderen meer hun eigen gangetje gaan, er is sprake van onderlinge betrokkenheid op elkaar. De verhouding naar de ouders toe krijgt meer de inhoud van een vriendschapsrelatie. (…) De pleegouders zijn hierdoor niet meer overwegend bezig met de ge- en verboden in het gezin. Voor de pleegouders is er zodoende meer sprake van een harmonieus gezinsleven waarin ieder zijn eigen ruimte en weg duidelijk vindt. Vanuit een bewogenheid hebben de pleegouders een vijfde buitenlands adoptiefkind (…) opgenomen, dat gehandicapt is (…). De ontwikkeling van [appellante] en [achternicht] is goed verlopen. Zowel [appellante] als [achternicht] heeft zich op school goed kunnen aanpassen (…) Het ingroeien en het hechten in het gezin is voor ieder kind verschillend verlopen (...) Bij [appellante] is nu merkbaar dat ze zich hecht in het gezin, [appellante] heeft op school blijvende kontakten met leeftijdsgenootjes (…) Statusvoorlichting is in dit gezin zeer vanzelfsprekend, er is ruimte voor ieders eigen achtergrond. [appellante] en Ze zegt dat er echter niet naar haar geluisterd werd, voelde zich niet serieus genomen en dat terwijl ze ook nog problemen had met leren en met haar achtergrond in Haïti. (…) Zij heeft afstand genomen en wenst deze te houden. Ze wil absoluut geen kontakt meer op dit ogenblik, er zou teveel gebeurd zijn. [appellante] wenst daarover niet te veel te spreken, ze noemt dat ze later een boek wil schrijven over haar verleden en dan misschien nog eens kontakt zal zoeken. In dat kader noemt [appellante] ook haar grote wens om haar naam te veranderen. Ze aksepteert echter meteen dat dat dit momenteel niet mogelijk is en dat nu eerst de voogdij geregeld moet worden. Ook heeft ze teveel problemen met haar leeftijd (zie verslag J.P. Heye-Stichting). Gesproken is over haar toekomst (...) Naast de grote zorgen die [appellante] kent, noemt ze ook dat zij het op de J.P. Heye-Stichting goed naar haar zin heeft. Ze heeft diverse hobby’s: zingen, dansen, schilderen. [appellante] bezit een gezellige ruime kamer, waar ze veel vertoeft. Van de toekomstige voogdes heeft ze positieve verwachtingen. Ze hoopt te zijner tijd haar naam te kunnen veranderen en haar leeftijd formeel te kunnen wijzigen. Visie ouders ten aanzien van de problematiek: [appellante] kwam op ± 6-jarige leeftijd met haar zusje [achternicht] uit Haïti bij de familie [pleegouders] . Bij medisch onderzoek bleek zij enkele jaren ouder te zijn (...). Konklusie (…) Een ontheffing van de ouderlijke macht is de aangewezen maatregel, zodat het gezag door een 'neutrale persoon’ kan worden uitgeoefend. Zowel de ouders als [appellante] staan achter de ontheffing. Een voogdijvereniging zal belast moeten worden met de voogdij.” 3.13 Het rapport van de Raad van december 1993 was, naast gesprekken met alle betrokkenen, gebaseerd op een overzichtsrapport van het RIAGG van 27 juli 1993 betreffende de mogelijke overdracht van de ouderlijke macht over [appellante] en het behandelingsplan van de J.P. Heije Stichting van 1 november 1993. 3.14 In dat overzichtsrapport van het RIAGG van 27 juli 1993 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: "Kerstmis 1990 is [appellante] thuis weggelopen na een aanvaring met vader (...). [appellante] , officieel 14 jaar, is duidelijk veel ouder. Tijdens haar verblijf in Jonkerbosch is ze medisch en psychologisch onderzocht, waarbij bleek, dat haar echte leeftijd ongeveer drie jaar hoger is (...). In het tehuis wordt ze behandeld als een bijna 18 jarige qua voorrechten en zakgeld (…). In het Crisis Centrum in Zwolle heeft ze een heel moeilijke tijd gehad. Ze was erg claimend, ook daar heel nadrukkelijk aanwezig, egocentrisch ingesteld, prikkelbaar en ze had angstaanvallen. Dit alles heeft bij de toch al wat onrustige bevolking van een crisiscentrum tot heftige incidenten geleid. (...) Ontheffing. Het initiatief is genomen door Jonkerbosch, waarde staf van mening was, dat er iemand moest komen, die ook juridisch gezag had over [appellante] . Misschien kon toch een procedure worden gestart om haar geboortedatum te wijzigen; er moet ook e.e.a. worden geregeld rond uitkeringen, verdere opvang. Verstandelijk zagen ouders meteen in, dat dit wenselijk was (...) Ze schreven dan ook hun verzoek tot ontheffing aan de Raad. Gevoelsmatig bleef het moeilijk liggen. [appellante] vond het een prima voorstel. Ofschoon ze waardering heeft voor de zorg van ouders voor hun adoptiefkinderen, wil ze zelf geen " [pleegouders] " meer zijn en door de ontheffing voelt ze zich meer los van ouders. (...) Conclusie. [appellante] . bijna vijftien jaar, maar in feite waarschijnlijk bijna 18 jaar is als adoptiefkind vermoedelijk te laat naar Nederland gekomen om zich nog echt te hechten in het adoptief gezin." 3.15 Het hierboven genoemde behandelingsplan van de J.P. Heije Stichting van 1 november 1993 verwijst naar een eerder behandelplan van 21 juni 1993 waarin onder meer staat dat [appellante] heeft aangegeven geen contact meer te willen met het adoptiegezin door de dingen die gebeurd zijn en [appellante] is in het adoptiegezin psychisch en fysiek mishandeld en seksueel misbruikt. De Staat had dit gezin beter moeten screenen en de Raad heeft het adoptiegezin ook niet of onvoldoende begeleid toen [appellante] daar verbleef. Ook heeft de Raad niets gedaan om het misbruik te laten stoppen; zelfs niet nadat [appellante] zelf het initiatief had genomen om de adoptie te laten vernietigen. Ook tijdens haar verblijf in het internaat van de J.P. Heije Stichting heeft [appellante] verbaal en fysiek geweld ondervonden. [appellante] heeft door dit onrechtmatig handelen materiële en immateriële schade geleden. Zij heeft zich vanwege de trauma’s die zij door haar adoptie en de gebeurtenissen daarna heeft opgelopen niet ten volle kunnen ontplooien en geen normaal leven kunnen opbouwen. 4.3 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. 5 Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante] vordert hetzelfde als bij de rechtbank. 5.2 De bezwaren (grieven) van [appellante] tegen de vonnissen houden het volgende in. Grief 1 is gericht tegen “het afwijzen van de vordering in het geheel, en afgezien van de onrechtmatige rechtspraak” . De Staat heeft in diverse hoedanigheden en instanties onrechtmatig gehandeld, waarbij het zwaartepunt ligt bij de Raad. [appellante] heeft verschillende keren aangegeven dat zij in het adoptiegezin werd mishandeld en zelfs verkracht. De Raad heeft niets gedaan om haar te helpen, en heeft haar zelfs tegengewerkt. Met grieven 2 tot en met 6 (in samenhang met de inleiding op haar grieven) voert [appellante] samengevat aan dat de Staat (de Raad en de adoptierechter) wel concrete aanwijzingen had dat de gegevens in de Haïtiaanse geboorteakte niet klopten. Volgens [appellante] was bekend of had bekend moeten zijn dat zij niet de dochter was van [naam 2] , dat de in de geboorteakte vermelde leeftijd niet klopte en dat zij en [achternicht] geen zusjes waren. Zij heeft ook tegen de adoptierechter gezegd dat zij ouder was en dat zij geen zusje was van [achternicht] , en zij heeft daarbij aangegeven dat zij niet geadopteerd wilde worden. De adoptierechter heeft daarop geantwoord dat hij geen keuze had omdat zij al niet langer de Haïtiaanse nationaliteit had. Van [appellante] kan niet worden verwacht dat zij stukken overlegt met betrekking tot de adoptiezaak. Daardoor kan zij niet het bestaan en de inhoud van het gesprek bewijzen. De kantonrechter had ook op basis van haar uiterlijk en intellectuele ontwikkeling moeten zien dat zij ouder was. Omdat de leeftijdsgrens 6 jaar was, was er bovendien al reden voor nader onderzoek als er maar enige aanwijzing was dat zij ouder was dan dat. Uit het proces-verbaal van de zitting in Haïti blijkt alleen dat [naam 2] aanwezig was en zich niet verzette, maar niet blijkt van haar instemming. Daarbij komt dat bij het proces-verbaal geen stukken zitten waaruit blijkt dat de aanwezige vrouw inderdaad [naam 2] was én de moeder van [appellante] . Uit DNA-bewijs is inmiddels gebleken dat [appellante] familie is van de familie [naam 3] (van [Amerikaanse popster 1] ) en de familie [naam 4] (van [Amerikaanse popster 2] ). Dat de adoptieouders en de Raad wisten dat [naam 2] niet haar moeder was en waarschijnlijk niet eens bestaat blijkt ook uit een brief van het instituut Jonkerbosch uit januari 1992 waarin staat: “De ouders [pleegouders] denken dat dit [de op de geboorteakte vermelde [naam 2] ] niet de natuurlijke moeder is, maar een mevrouw die zich daarvoor uitgaf. Een ander adoptiefkind blijkt dezelfde naam op de geboorte-akte te hebben staan en het is onwaarschijnlijk dat beide meisjes dezelfde moeder hebben.” Ook van belang is een specifieke passage uit het adviesrapport van de Raad Zutphen van augustus 1986 (zie hierboven onder 3.8.), die luidt: "Bij ziekenhuisopname van pleegmoeder raakte vooral [appellante] erg nerveus omdat [appellante] wist dat haar natuurlijke moeder in een ziekenhuis was overleden. Na de terugkeer van pleegmoeder was alles 6.5 Ook was in de Vreemdelingencirculaire bepaald dat de overkomst van het kind op verantwoorde wijze moest zijn geregeld. Voor zover vereist moest een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) worden afgegeven door de Nederlandse vertegenwoordiging in het desbetreffende land. De aspirant-pleegouders moesten met het oog op de toelating van het kind in Nederland door middel van stukken aantonen (onder meer) dat: a. a) de ouder(s) en/of wettelijk vertegenwoordiger van het kind afstand had(den) gedaan op ter plaatse geldige en naar Nederlandse normen acceptabele wijze; b) de autoriteiten in het land van herkomst instemden met adoptie door de pleegouders. 6.6 In de Vreemdelingencirculaire was ook vermeld dat het Ministerie van Justitie niet bemiddelde bij het zoeken en plaatsen van pleegkinderen. Dit was al een particulier initiatief, ook bij binnenlandse adoptie, en dat bleef het dus. Pas in 1989, enkele jaren ná de adoptie van [appellante] , werd door de inwerkingtreding van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen in 1989 (Wobp) een vergunningstelsel ingevoerd, met het oog op regulering van de particuliere bemiddeling en toezicht en controle door de overheid. 6.7 De rol van de Staat voorafgaand aan de adoptie was in de voor deze zaak relevante periode dus nog beperkt tot twee aspecten namelijk: (i) het beoordelen van de geschiktheid van aspirant adoptieouders door de Raad en het afgeven van een beginseltoestemming door de Minister van Justitie; (ii) de toelating en de regeling van het verblijf van buitenlandse (adoptie)pleegkinderen (afgifte mvv door de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland). Daarnaast had de Staat een rol bij de totstandkoming van de Nederlandse adoptie: (iii) de rechter moest uitspraak doen op een verzoek tot adoptie van de adoptieouders en (iv) de Raad moest de rechter hierover adviseren (artikel 971 Rv (oud)). 6.8 Toen [appellante] werd opgenomen in het gezin van haar adoptieouders en door hen werd geadopteerd, was er nog geen verdrag dat die opneming en adoptie regelde. Aangenomen werd dat het Nederlandse commune ongeschreven internationaal privaatrecht inhield dat een adoptie alleen door de Nederlandse rechter kon worden uitgesproken als die zowel naar het nationale recht van de aspirant-adoptieouders, als naar het nationale recht van het te adopteren kind mogelijk was. Daarbij was gangbaar uitgangspunt dat het nationale recht van de aspirant-adoptieouders (in dit geval dus het Nederlandse recht) de voor hen geldende voorwaarden voor adoptie bepaalde, en dat het nationale recht van het te adopteren kind (in dit geval dus het Haïtiaanse recht) de voor het kind geldende voorwaarden bepaalde. De vraag of de adoptie in het belang was van het kind en of de (biologische) ouders op de vereiste wijze afstand hadden gedaan en zich niet tegen de adoptie verzetten, moest dus worden beoordeeld naar het nationale recht van en door de bevoegde instanties van het land van herkomst van het te adopteren kind. Uit het in het geding gebrachte Nederlandse adoptievonnis ten aanzien van [appellante] blijkt dat de adoptierechter in haar geval hiervan ook is uitgegaan; dat vonnis verwijst immers naar het Haïtiaanse adoptievonnis uit 1984. 6.9 Tot slot zijn de criteria voor onrechtmatige rechtspraak van belang. In beginsel staat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg dat een partij de gelegenheid zou hebben om langs de weg van een vordering tegen de Staat op grond van onrechtmatig handelen de juistheid van een onherroepelijke rechterlijke beslissing nogmaals tot onderwerp van een procedure te maken. Alleen als bij de voorbereiding van die rechterlijke beslissing zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken én tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan kan een vordering worden ingesteld op grond van onrechtmatige rechtspraak. In beginsel kunnen klachten inhoudende dat de rechter o Ook blijkt uit de van deze procedure overgelegde stukken afdoende dat de Haïtiaanse rechter de identiteit van [naam 2] en haar wens om [appellante] voor adoptie af te staan heeft geverifieerd, alvorens uitspraak te doen. Zoals hierboven overwogen mocht de Staat in beginsel op de juistheid van de Haïtiaanse adoptiepapieren (waaronder de geboorteakte en het Haïtiaanse vonnis) vertrouwen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat sprake was van zodanige duidelijke en concrete aanwijzingen dat dit vertrouwen niet op zijn plaats was en dat de Staat nader onderzoek had moeten doen. Het hof overweegt in dit verband als volgt. [appellante] heeft verwezen naar het rapport van de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie (COIA). Deze commissie heeft op verzoek van de toenmalige minister voor Rechtsbescherming onderzoek gedaan naar mogelijke misstanden die in het verleden bij interlandelijke adopties hebben plaatsgevonden. De COIA heeft zich daarbij geconcentreerd op adopties vanuit Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka in de periode 1967-1998. In haar rapport van 8 februari 2021 heeft de COIA (samengevat) geconcludeerd dat in deze landen en in deze jaren sprake was van ernstige misstanden rondom interlandelijke adoptie, zoals het vervalsen van documenten en dat de Staat daarvan vanaf het eind van de jaren zestig op de hoogte was. Op zich is juist dat het feit dat Haïti niet was betrokken bij het onderzoek onverlet laat dat de Staat wel in algemene zin op de hoogte was van ernstige misstanden bij interlandelijke adopties, ook in andere landen. Dat is echter onvoldoende basis om aan te nemen dat de Staat in het specifieke geval van [appellante] niet op de juistheid van de papieren mocht vertrouwen. [appellante] heeft niet onderbouwd dat de Staat in 1984-1986 wist of had moeten weten dat het bij haar adoptie betrokken adoptiebureau dermate “louche” was, dat daarom niet kon worden uitgegaan van de juistheid van de in de papieren vermelde gegevens. Wat betreft de passage uit het Raadsrapport van augustus 1986 (zie citaat hierboven onder 5.2.) is het allereerst de vraag of de daarin vervatte informatie (biologische moeder is overleden in het ziekenhuis terwijl [appellante] nog in Haïti was) inhoudelijk wel juist is; volgens de eigen verklaring van [appellante] klopt het in elk geval niet. Voor zover het al wel juist zou zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het niet uitgesloten is dat [naam 2] is overleden nadat zij op de adoptiezitting was verschenen. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat het mogelijk is dat de adoptierechter op dit punt vragen heeft gesteld en dat deze naar tevredenheid zijn beantwoord. In elk geval is deze enkele zinsnede naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om aan te nemen dat de adoptierechter niet mocht afgaan op de juistheid van de Haïtiaanse papieren, waaronder dus het proces-verbaal van de Haïtiaanse rechter waarin is vermeld dat deze heeft vastgesteld dat de biologische moeder van [appellante] aanwezig was en instemde met de adoptie. De brief van het instituut Jonkerbosch uit januari 1992 waarin staat dat de adoptieouders dachten dat [naam 2] niet de natuurlijke moeder was en dat deze naam ook op andere geboorteakten staat (zie 5.2. hierboven) is niet relevant. Wat daar immers ook van zij, deze brief was in de periode 1984-1986 niet bekend. Het hof volgt [appellante] ook niet in haar stelling dat het de adoptierechter op basis van haar uiterlijk, presentatie en geestelijke ontwikkeling al zodanig duidelijk moet zijn geweest dat zij ouder was dan 6 jaar, dat dit voldoende reden was om niet langer uit te gaan van de juistheid van de Haïtiaanse papieren. De stellingen van [appellante] over haar gesprek met de adoptierechter (zie wederom 5.2. hierboven) vinden geen nadere steun in de stukken. Als dat gesprek bovendien al zo heeft plaatsgevonden, betekent dat ook nog niet dat de adoptierechter op grond van wat [appellante] tegen hem had g