Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:GHDHA:2026:2294
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/841 Uitspraak van 8 juli 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 oktober 2025, nr. SGR 23/8049. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 35.746 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 48 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 19 maart 2026 verweer gevoerd. 1.5. Het hof heeft partijen bij bericht van 26 februari 2026 aangekondigd dat het voornemens is uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling. Partijen hebben binnen de aangegeven termijn niet gereageerd. 1.6. Het Hof heeft partijen bij bericht van 15 mei 2026 meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en dat het Hof uiterlijk 1 augustus 2026 uitspraak zal doen. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.798 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Lincoln Navigator (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 12 juni 2020. 2.2. De RDW heeft de auto op 27 december 2021 gekeurd. Het betreft een administratieve keuring. 2.3. Belanghebbende heeft op 27 december 2021 aangifte gedaan op basis van een expertiseverslag van [naam] . De historische consumentenprijs inclusief fabrieksopties is vastgesteld op € 186.020. De taxateur heeft € 106.643,91 (inclusief btw) aan schade gecalculeerd en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 10.000. Bij het rapport zijn ook verkoopadvertenties van vier buitenlandse referentievoertuigen gevoegd en informatie van het internet (Carfax), waaruit blijkt dat de auto waterschade heeft opgelopen. 2.4. Belanghebbende heeft de auto desgevraagd niet aan DRZ getoond. In het rapport van 10 januari 2022 is de historische nieuwprijs bepaald op € 186.020 en de handelsinkoopwaarde op € 104.139 aan de hand van de koerslijst AutotelexPro voor een Cadillac Escalade. DRZ heeft geen schade in aanmerking genomen. In het rapport staat hierover het volgende vermeld: “Een Lincoln Navigator is niet leverbaar geweest in Nederland. De aangever maakt gebruik van een Cadillac Escalade voor zijn type selectie, DRZ vind dit een goed vergelijkbaar voertuig en neemt dit over. Aangezien er in Nederland geen vergelijkbaar voertuig te koop staat heeft DRZ de koerslijst ATP gebruikt o.b.v. een Cadillac Escalade. In de schadecalculatie van de aangever worden verschillende onderdelen opgevoerd wat valt onder een ‘essentieel gebrek’.” 2.5. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd aan de hand van het rapport van DRZ. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “ Is sprake van essentiële gebreken en kan het taxatierapport dienen? 7. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiseres de afschrijving niet aan de hand van de taxatiemethode mag bepalen, omdat de auto ten tijde van de aangifte essentiële gebreken had. Eiseres betwist dit en heeft aangevoerd dat de schade reeds aanwezig was ten tijde van de goedkeuring door RDW en dat geen sprake was van essentiële gebreken. Als sprake was van essentiële gebreken dan zou de auto niet zijn goedgekeurd doo Ook het in dat verband gedane beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot voormeld besluit en het standpunt van de kennisgroep Auto van 9 maart 2022,[3] slaagt niet, nu daarin ten onrechte van de bruikbaarheid van het taxatierapport wordt uitgegaan. Schade 15. Nu het taxatierapport van eiseres niet kan dienen, sluit de rechtbank aan bij het rapport van DRZ. DRZ heeft geen schade aan de auto kunnen vaststellen, omdat de auto niet is getoond. Het is dan aan eiseres, die stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met schade aan de auto, om dat aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Het taxatierapport is daartoe onvoldoende, nu deze niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Nu eiseres geen ander bewijs heeft overgelegd, acht de rechtbank de door eiseres gestelde schade niet aannemelijk gemaakt. Waardevermindering wegens het schadeverleden 16. Een voertuig met een schadeverleden kan, ook na herstel, minder waard zijn dan een voertuig zonder schadeverleden. De bewijslast dat het schadeverleden een waardevermindering van de auto rechtvaardigt, rust op eiseres. Hoewel uit de foto’s bij het taxatierapport schade aan de auto zichtbaar is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat die voormalige schade van dien aard is dat hieraan - ook na herstel daarvan - een blijvende waardevermindering moet worden verbonden, laat staan dat dit een bedrag van € 10.000 zou belopen. Historische nieuwprijs 17. Eiseres stelt dat in dit geval van de door DRZ gebruikte koerslijst van AutotelexPro dient te worden uitgegaan en dat daarbij de historische nieuwprijs van de auto dient te worden bepaald op € 186.841 (in plaats van € 186.020). 18. In het arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, heeft de Hoge Raad met betrekking tot de historische nieuwprijs het volgende overwogen: “ 4.4.2 Bij de behandeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld. Daar waar de klachten spreken van “de historische nieuwprijs” van de te registreren personenauto wordt – naar de Hoge Raad begrijpt – bedoeld de in artikel 10, lid 2, van de Wet vermelde “som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de bpm op het tijdstip waarop de personenauto’s voor het eerst in gebruik zijn genomen”. De klachten nemen terecht tot uitgangspunt dat met het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde motorrijtuig wordt gedoeld op het te registreren motorrijtuig.8 De vaststelling van de in artikel 10, lid 2, van de Wet vermelde “catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet” waarop voor een gebruikte personenauto een afschrijving mag plaatsvinden, wordt onderscheiden van de wijze waarop de belastingplichtige het afschrijvingspercentage voor het te registreren motorrijtuig berekent. De catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet van de te registreren personenauto moet in het aangiftebiljet worden vermeld en moet zijn vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, lid 9, van de Wet. Pas nadat die catalogusprijs aldus is vastgesteld, wordt toegekomen aan de berekening van het afschrijvingspercentage. Die berekening vindt plaats volgens een van de drie methoden die in de Wet zijn voorzien. 4.4.3 Onder catalogusprijs wordt volgens artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de bpm niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald. Wanneer een personenauto een bijzondere uitvoering heeft of is voorzien van extra toebehoren, wordt volgens artikel 9, lid 9, van de Wet de waarde daarvan in de catalogusprijs begrepen, uitgezonderd de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of de importeur. Op de belastingplichtige die bij het op aangifte voldoen van bpm de vermindering (afschrijving) aan bpm heeft berekend, is overwogen, duidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat (de gemachtigde van) eiseres haar standpunten tegen beter weten heeft ingenomen. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiseres een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.[4] Proceskosten 24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [1] Beleid tijdelijke importprocedure, Stcrt, 2020, nr. 65815. [2] Kaderbesluit BPM, Stcrt. 2021, nr. 43482. [3] KG:013:2022:5. [4] Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil: - of sprake is van essentiële gebreken; - of het taxatierapport terecht van bewijs is uitgesloten; - of de schade tot het juiste bedrag is vastgesteld; - of rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens ex-schade; - of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld; - of belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag; en subsidiair tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 104.139 (DRZ), de nieuwprijs op € 186.841, de verschuldigde bpm op € 39.386 en de naheffingsaanslag op € 35.588. Belanghebbende verzoekt voorts om een vergoeding van immateriële schade en een proceskostenvergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Belanghebbende doet met toepassing van artikel 10b Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet Bpm) en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit BPM 2021, Staatscourant 2021, nummer 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van de Inspecteur (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)). Belanghebbende beroept zich op artikel 10b Wet Bpm en concludeert tot toepassing van de historische wetgeving, de historische bruto bpm, de historische heffingsmaatstaf en het eerder gevoerde beleid. 5.2. Artikel 10b, lid 1, Wet Bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast. 5.3. Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet Bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet Bpm alsnog een beroep op dit beleid doen. 5.4. Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu hij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat soortgelijke voertuigen bestaan. Het Hof voegt hieraan toe dat het ambtshalve bekend is met de vele procedures waarin de Inspecteur zich met succes heeft verzet tegen het in aanmerking nemen van schade door essentiële gebreken. Belanghebbende hoeft niet beter te worden behandeld dan de belastingplichtige in deze procedures. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. Ten overv