Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:2292
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/1106 Uitspraak van 30 juni 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: T. Ramdajal) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 november 2025, nummers SGR 24/8844 en SGR 24/8845. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) over het jaar 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.695. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen zijn een vergrijpboete van € 9.971 opgelegd en € 3.924 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Aan belanghebbende is ook een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2016 opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.648. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen zijn een vergrijpboete van € 9.474 opgelegd en € 2.998 belastingrente in rekening gebracht. 1.3. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2015 en 2016 (tezamen de navorderingsaanslagen) en onderhavige beschikkingen gemaakte bezwaren gedeeltelijk toegewezen en de vergrijpboeten voor beide jaren laten vervallen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep in de zaak 22/8845 [ Hof : inzake navorderingsaanslag IB/PVV 2016] ongegrond; - verklaart het beroep in de zaak 22/8844 [ Hof : inzake navorderingsaanslag IB/PVV 2015] gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar gericht tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.358, vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.” 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is gehuwd met [naam] (echtgenote). 2.2. De echtgenote van belanghebbende was van 16 januari 2014 tot en met 26 juni 2015 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is op 26 juni 2015 opgehouden te bestaan. Belanghebbende en zijn echtgenote waren van 25 februari 2015 tot en met 1 maart 2015 ieder voor de helft aandeelhouder van de Belgische vennootschap [bedrijf 2] . Op 1 maart 2015 droegen zij hun aandelen in [bedrijf 2] over aan een derde (B). Op 19 juni 2015 is [bedrijf 3] opgericht met de echtgenote van belanghebbende als enig aandeelhouder en bestuurder. [bedrijf 3] is in 2021 ontbonden. 2.3. De werkzaamheden van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] betroffen de handel in dranken en levensmiddelen. 2.4. Naar aanleiding van onderzoek door belastingambtenaren van de Belgische Federale Overheidsdienst, heeft de Inspecteur boekenonderzoeken uitgevoerd bij [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en belanghebbende. In verband met het onderzoek bij [bedrijf 3] en [bedrijf 1] heeft op 11 juli 2016 een bespreking plaatsgevonden tussen de Inspecteur enerzijds en belanghebbende, zijn echtgenote en adviseurs anderzijds. Er zijn twee rapporten opgesteld naar aanleiding van de boekenonderzoeken, een met betrekking tot [bedrij (…) Op grond van de elementen van het strafdossier waaronder voornamelijk het onderzoek van de B.B.I. en analyse van de facturen, is bewezen dat [belanghebbende] zich schuldig maakte aan het onregelmatig binnenbrengen van accijnsgoederen op het Belgisch grondgebied, en dit (zie Bijlage 4 bij P.V. n.r. 16/D/001375 van 24.1.2018).” 2.7. In het controlerapport van 5 februari 2021 naar aanleiding van het boekenonderzoek met betrekking tot [bedrijf 3] is het volgende opgenomen: “Op vrijdag 14 oktober 2016 werd ons [ Hof : de Inspecteur] door de heer [PL] medegedeeld dat de heer [ZP] met onmiddellijke ingang stopt met zijn activiteiten als adviseur voor [bedrijf 3] . In een schriftelijke verklaring van [ZP] gaf deze aan waarom hij was gestopt. De reden was, volgens de brief van [ZP]: "De reden is gelegen in het feit dat uit de stukken die ik tot heden van de organisatie heb mogen inzien ik de administratie van de organisatie van [bedrijf 3] , het ontbreken van een deugdelijke verband tussen geld-goederen beweging en de opstelling van de bewindvoerder [belanghebbende] niet meer kan verenigen met mijn beroepsintegriteit." 2.8. In het controlerapport van 5 februari 2021 naar aanleiding van het boekenonderzoek met betrekking tot belanghebbende is het volgende opgenomen: “Naar aanleiding van de ingesteld boekenonderzoeken bij [bedrijf 1] en [bedrijf 3] is tevens gebleken dat u namens beide ondernemingen diverse werkzaamheden verricht. Er is vastgesteld dat de verkopen, inkopen, transport, email verkeer alsmede de afhandeling van de financiële transacties over de gecontroleerde periode door u werden verricht. Volgens het handelsregister bij de Kamer van Koophandel is uw partner, [echtgenote], is 100% aandeelhouder van deze B.V.'s. Er is tijdens de controle vastgesteld dat er hier sprake is van gebruikelijk loon zoals gesteld in artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964. Als gevolg hiervan wordt uw inkomen over de jaren 2015 en 2016 gecorrigeerd met onderstaande bedragen. De inspecteur heeft de vrijheid de correcties ten aanzien van het gebruikelijk loon dan wel via de loonheffingen te verwerken dan wel via de inkomstenbelasting. Er wordt dan ook gekozen voor het laatste. Deze berekeningen zijn gemaakt op basis van tijdevenredigheid. [bedrijf 1] 2015: (€ 44.000 x 177/365) = € 21.337 [bedrijf 3] 2015: (€ 44.000 x 197/365) = € 23.683 2016: (C 44.000 x 366/366) = € 44.000” 2.9. Op basis van zijn bevindingen naar aanleiding van de boekenonderzoeken heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd. Daarbij heeft hij de navolgende bedragen op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting (Wet LB) als gebruikelijk loon bij belanghebbende in aanmerking genomen: 2015: € 21.337 2015: € 21.337 ter zake van werkzaamheden bij [bedrijf 1] en € 23.683 ter zake van werkzaamheden bij [bedrijf 3] (samen € 44.000); en 2015: € 21.337 2016: € 44.000 ter zake van werkzaamheden bij [bedrijf 3] . 2.10. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende zodanige werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 3] dat artikel 12a Wet LB toepassing vindt, maar dat hij daarin niet is geslaagd voor wat betreft [bedrijf 1] . De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 daarom verminderd met het door de Inspecteur ter zake van werkzaamheden voor [bedrijf 1] in aanmerking genomen loon van € 21.337 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “8. Op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt ten aanzien van iemand die in betekende mate arbeid verricht voor een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, dat het belastbare loon niet lager wordt gesteld dan op het uit dat wetsartikel voortvloeiende bedrag. Dit geldt ongeacht of daadwerkelijk Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen; c. € 44.000. 2. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, met dien verstande dat het loon ten minste wordt gesteld op het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, of, indien het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan dat bedrag, op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.” 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 een aanmerkelijk belang hield in [bedrijf 3] , en belanghebbende op basis van de meetrekregeling van artikel 4.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 daardoor ook. Wat partijen primair verdeeld houdt, is de vraag of belanghebbende in die jaren arbeid verrichte ten behoeve van [bedrijf 3] , en of daarmee is voldaan aan alle voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een gebruikelijk loon op grond van artikel 12a Wet LB. 5.3. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende substantiële arbeid ten behoeve van [bedrijf 3] verricht. Hierbij verwijst hij allereerst naar het gespreksverslag van de bespreking van 11 juli 2016 (zie 2.5). Hieruit blijkt dat met de onderneming van [bedrijf 3] verschillende werkzaamheden gemoeid waren. Bestellingen werden telefonisch geplaatst, aan de hand van de bestelling werd de prijs bepaald, klanten betaalden voor grote bestellingen contant op het bedrijfsadres, inkopen werden gedaan, en vervolgens werden de goederen bij de klanten afgeleverd. Uit hetzelfde verslag blijkt dat [bedrijf 3] geen personeel in dienst had. De echtgenote van belanghebbende werkte op oproepbasis voor een ziekenhuis en belanghebbende genoot verschillende uitkeringen. Alle vragen over de wijze waarop de onderneming van [bedrijf 3] werd gevoerd, werden tijdens het gesprek beantwoord door belanghebbende. Zijn echtgenote heeft, ook toen de Inspecteur zich uitdrukkelijk tot haar richtte, geen enkele toelichting over de bedrijfsvoering gegeven. Uit het vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, strafzaken, van 28 juni 2019 (zie 2.6) blijkt volgens de Inspecteur dat belanghebbende, hoewel hij een WIA-uitkering ontving, wel degelijk arbeid kon verrichten in de jaren 2015 en 2016. De verklaring van de adviseur van [bedrijf 3] (zie 2.7) bewijst voorts dat belanghebbende zich presenteerde als feitelijk bestuurder van de vennootschap. Tot slot volgt uit de controlerapporten met betrekking tot [bedrijf 3] dat de omzet van [bedrijf 3] in de tweede helft 2015 € 128.708 en in 2016 € 835.979 bedroeg, wat substantiële omzetten zijn, aldus nog steeds de Inspecteur. 5.4. Belanghebbende betwist dat hij substantiële werkzaamheden ter zake van [bedrijf 3] heeft verricht. Hij verklaart slechts hand- en spandiensten te hebben verricht. Zijn echtgenote verrichtte volgens hem verder alle werkzaamheden. Ter zitting heeft belanghebbende naar voren gebracht dat hij vanaf 2012 volledig is afgekeurd en een WIA-uitkering ontvangt, waardoor hij onmogelijk meer dan hand- en spandiensten heeft kunnen verrichten. Met betrekking tot zijn aanhouding in België heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij op die momenten in 2016 en 2017 geen transport uitvoerde voor [bedrijf 3] , maar uit verveling was meegereden met B, aandeelhouder van [bedrijf 2] . Belanghebbende betoogt voorts dat het feit dat een onderneming arbeid vergt, niet zond