Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-10
ECLI:NL:GHDHA:2026:2291
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/283 Uitspraak van 10 juni 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A. Bakker) en de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Delfland, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 februari 2025, nummer SGR 24/3473. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 487.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Midden-Delfland (de aanslag). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verminderd tot € 475.000. Daarbij is een kostenvergoeding van € 592 toegekend. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 19 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een rijwoning en heeft als bouwjaar 2009. De woning heeft een woonoppervlakte van 124 m2 (inclusief aanbouw) en is gelegen op een perceel van 135 m2. 2.2. De Heffingsambtenaar heeft in beroep een waarderapport met een matrix (de beroepmatrix) overgelegd. De waarde op de waardepeildatum is in het waarderapport en de matrix vastgesteld op € 475.000. In het waarderapport en de matrix zijn de gegevens opgenomen van de woning en van een drietal naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen, te weten de onroerende zaken: [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten). 2.3. In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar twee nieuwe matrices overgelegd, een zonder en een met toepassing van de zogenoemde wortelformule (de hogerberoepmatrices). De waarde op de waardepeildatum is in het waarderapport en de matrix vastgesteld op € 479.000 respectievelijk € 478.000. In de matrices staan naast de eerder genoemde vergelijkingsobjecten ook de onroerende zaken [adres 5] en [adres 6] vermeld, beide te [woonplaats] . Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de Heffingsambtenaar is aangeduid als verweerder: “2 Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat zo is. 4. Uit het door verweerder overgelegde taxatieverslag, alsmede de door hem in beroep overgelegde matrix, volgt dat de waarde van de woning is bepaald door een systematische vergelijking met woningen waarvan verkoopcijfers rond de waardepeildatum beschikbaar zijn. In de matrix worden de volgende vergelijkingsobjecten genoemd: - [adres 4] te De zogenaamde KOUDV-factoren zijn zowel voor de woning als de vergelijkingsobjecten op een 3 (gemiddeld) gesteld. Naar het oordeel van het Hof staat het de Heffingsambtenaar vrij om de waarde van de woning te onderbouwen aan de hand van de vergelijkingsobjecten. Uit de hogerberoepmatrices volgt dat [adres 5] , evenals de woning, een rijwoning is en dat [adres 6] in tegenstelling tot de woning een hoekwoning is, waaraan een factor ‘4’ voor doelmatigheid is toegekend, waarvoor de Heffingsambtenaar een correctie heeft toegepast. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen daarom als richtsnoer dienen bij het bepalen van de waarde van de woning. Met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten heeft de Heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden, zodat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 5.1.3. Wat belanghebbende ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft eerst in hoger beroep aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met het afnemend grensnut van de grotere gebruiksoppervlakte van de woning ten opzichte van de gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten. Hij stelt in dat verband dat de prijs per m² van de woning na toepassing van de zogenoemde wortelformule lager moet zijn dan de gemiddelde prijs per m² van de vergelijkingsobjecten, hetgeen resulteert in de door belanghebbende bepleite waarde van de woning van € 430.000. 5.1.4. Uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde berekening in de hogerberoepmatrix en ter zitting gegeven toelichting volgt dat rekening is gehouden met afnemend grensnut door uit te gaan van een lagere m²-prijs voor de extra m² gebruiksoppervlakte die de woning heeft ten opzichte van het gemiddelde aantal m² gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten (€ 2.463,18 per m² in plaats van € 2.573,46). Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met wat hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat hij in voldoende mate rekening heeft gehouden met het verschil in gebruiksoppervlakte tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 5.1.5. Belanghebbendes stelling dat de Heffingsambtenaar de wortelformule onjuist heeft toegepast, leidt niet tot een ander oordeel. Het gebruik van die formule of de wijze van toepassing daarvan is geen wettelijke verplichting of anderszins voorgeschreven regel. Het gaat erom dat de waarde van de woning in een redelijke verhouding staat tot de vergelijkingsobjecten. Dit is, onder meer door de wortelformule uitsluitend toe te passen op de - ten opzichte van het gemiddelde aantal vierkante meters woonoppervlak van de vergelijkingsobjecten - extra aantal vierkante meters woonoppervlak van de woning, naar het oordeel van het Hof het geval. Slotsom 5.2. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten en griffierecht 6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon Chr.Th.P.M. Zandhuis De beslissing is op 10 juni 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie