Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:2289
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-25/476 t/m BK-25/481 Uitspraak van 30 juni 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 mei 2025, nummers SGR 23/7925 t/m SGR 23/7930. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn ten aanzien van een zestal voertuigen vier naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar een van de bezwaren gegrond verklaard en de desbetreffende naheffingsaanslag verminderd en de overige bezwaren ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft een proceskostenvergoeding van € 592 toegekend. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van eenmaal € 365 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank (…): - verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op auto 3 en 5; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op auto 3 en 5; - vermindert de naheffingsaanslag van auto 3 tot een bedrag van € 2.988; - vermindert de naheffingsaanslag van auto 5 tot een bedrag van € 3.404; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 4.662; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 579 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 30 oktober 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft ter zake van de inschrijving in het kentekenregister voor de volgende auto’s op aangifte bpm voldaan: Auto Type Datum eerste toelating Op aangifte voldaan 1 Audi A6 Avant RS6 TFSI quattro 10 december 2020 € 25.014 2 BMW X5 XDrive40i High Executive 29 januari 2019 € 7.273 3 BMW X5 M50d High Executive 7 februari 2019 € 6.148 4 Audi Q3 Sportback TFSI RS 12 december 2019 € 6.444 5 Mercedes-Benz GLE Coupé 63S AMG 4Matic+ 4 januari 2021 € 22.647 6 Audi Q8 4.0 TFSI RS Q8 quattro 9 maart 2020 € 22.538 Auto 1 2.2.1. Ter zake van auto 1 is in de aangifte de historische (bruto) bpm vastgesteld op € 55.786 (CO2-uitstoot van 289 g/km). In de aangifte is een afschrijvingspercentage op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel vermeld van 41%. De te betalen bpm is berekend op € 25.014. Tot de gedingstukken behoort een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 1 vastgesteld op € 224.209 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 122.710. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 22.170 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 1 is bepaald op € 100.540. 2.2.2. De Inspecteur heeft ter zake van auto 1 een bedrag van € 7.901 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel (41%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 55.786 (CO2-uitstoot van 289 g/km). 2.2.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspect De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 52.522 (CO2-uitstoot van 281 g/km). 2.6.2. De Inspecteur heeft ter zake van auto 5 en auto 6 één naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 8.537. Ter zake van auto 5 bedraagt de nageheven bpm € 4.202. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van DRZ van 8 juni 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 220.355 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 112.667 (Xray). De Inspecteur heeft geen schade aannemelijk geacht en geen waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 112.667 (afschrijving van 48,88%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 52.522 (CO2-uitstoot van 281 g/km). Auto 6 2.7.1. Ter zake van auto 6 is in de aangifte de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 2] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van auto 6 vastgesteld op € 223.902 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 96.224. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 17.744 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 6 is bepaald op € 78.480. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 64.305 (CO2-uitstoot van 276 g/km). 2.7.2. Ter zake van auto 6 bedraagt de nageheven bpm € 4.335. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van DRZ van 3 februari 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 258.763 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 108.139 (Xray). De Inspecteur heeft geen schade aannemelijk geacht en geen waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 108.139 (afschrijving van 58,21%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 64.305 (CO2-uitstoot van 276 g/km). Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “ 7. Tussen partijen is het gebruik van de koerslijst ten aanzien van auto 5 niet meer in geschil. Partijen zijn ter zitting de volgende cijfers overeengekomen: Inkoopwaarde € 109.711 Nieuwprijs € 224.772 Bruto Bpm € 52.522 Verschuldigde bpm € 25.635 Bedrag van de naheffing € 2.988 Vermindering van de naheffing € 1.213 (…) Toepassing artikel 16a van de Wet Bpm ten aanzien van auto 3 9.1. Eiseres doet een beroep op toepassing van het voordeligere tarief uit 2018, omdat de datum eerste toelating van de auto 7 februari 2019 is. Met toepassing van het voordeligere tarief zou de bruto BPM € 30.515 bedragen in plaats van € 31.622. 9.2. Verweerder stelt dat nergens uit afgeleid kan worden dat de auto, voorafgaand aan de tariefswijziging, stond ingeschreven in Duitsland. Tevens verwijst verweerder naar de arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023[4] waaruit volgt dat niet onverkort aan de letterlijke toepassing van artikel 16a Wet Bpm kan worden vastgehouden. 9.3. De rechtbank stelt vast dat uit artikel 16a, eerste lid, van de Wet Bpm volgt dat indien de tenaamstelling plaatsvindt binnen twee maanden na het begin van het kalenderjaar (de tariefswijziging is ingegaan op 1 januari 2019), voor de berekening van de verschuldigde bpm wordt uitgegaan van het lagere tarief, oftewel het tarief dat gold voordat de verhoging op de voet van artikel 9 van de Wet Bpm in werking is getreden. De beroepsgrond van eiseres slaagt. Met toepassing van het tarief uit 2018 bedraagt de bruto BPM € 30.515 in plaats van € 31.622. Met inachtneming van een bruto BPM van € 30.515 bedraagt de verschuldigde BPM € 9.552. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot een bedrag van € 3.404. Anders dan de casus, door de Hoge Raad beoordeeld in het arrest van 17 november 2023, gaat het in dit geval niet om de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe auto, maar om de inschrijving van een gebruikte auto, eerder toegelaten op de weg in Duitsland op 7 februari 2019. T Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat sprake is van gebruiksschade. In het beroepschrift heeft eiseres foto’s bijgevoegd van krassen op de portier met een totale schade van € 491 (inclusief BTW). Uitgaande van een aftrekpercentage van 72% dient de waardevermindering € 353 te bedragen, resulterend in een handelsinkoopwaarde van € 107.786. 11.5. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres de door haar voorgestane waardeverminderingen niet aannemelijk gemaakt. 11.6. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto’s rust op eiseres. Eiseres heeft daartoe verwezen naar de taxatierapporten en de bijgevoegde foto’s die ten grondslag liggen aan de aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s ten tijde van het doen van aangifte meer schade hadden dan door DRZ is onderkend (voor zover schade is onderkend door DRZ). Met de taxatierapporten en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over de aard en omvang van de gestelde schade. 11.7. Eiseres heeft gesteld dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan (eventueel) beleid dat de autobranche voert en hetzelfde geldt voor verweerder Historische nieuwprijs auto 2 12.1. Eiseres bepleit een historische nieuwprijs van € 114.176, uitgaande van de door de inspecteur vastgestelde inkoopwaarde van € 47.397 volgens de koerslijst van Xray. 12.2. Verweerder stelt dat de juiste historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag omdat voor het berekenen van de afschrijving zowel de handelsinkoopwaarde als de historische nieuwprijs uit dezelfde koerslijst moeten volgen. 12.3. De rechtbank stelt vast dat het door eiseres overgelegde taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de gestelde schade, omdat in het taxatierapport schade is opgevoerd die door DRZ niet is aangetroffen. De verwerping van het taxatierapport en het feit dat DRZ geen schade heeft vastgesteld leidt tot uitsluiting van de taxatiemethode. Dit betekent dat de vermindering moet worden bepaald aan de hand van een andere methode, namelijk de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingsmethode. In dit geval stelt de rechtbank vast dat de koerslijstmethode de meest gunstige methode is voor de waardebepaling van de auto van eiseres. Verweerder is bij de vaststelling van de naheffingsaanslag uitgegaan van de waardebepaling door DRZ. DRZ heeft geconstateerd dat geen sprake is van schade en dat de koerslijst methode de meest gunstige uitkomst biedt voor eiseres. DRZ heeft daarom de afschrijving bepaald aan de hand van de gegevens van de meest geschikte referentieauto in de X-ray koerslijst, die het meest gunstig voor eiseres. Bij de (zuivere) koerslijst methode dient voor het afschrijvingspercentage de prijs van de referentieauto te worden afgezet tegen de historische nieuwprijs van de referentieauto. Voor een correctie van de historische nieuwprijs op basis van de CO2-uitstoot van de auto is dan geen aanleiding. Slotsom 13. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de naheffingsaanslagen van auto 3 en auto 5 en dient het beroep voor het overige ongegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslagen van auto 3 en auto 5 dienen te worden verminderd Immateriële schadevergoeding 14.1. Eiseres heeft verzocht om vergoedi Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en: primair tot vernietiging van de naheffingsaanslagen; subsidiair voor auto 1: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 224.209, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 100.540, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 25.015 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op nihil; subsidiair voor auto 2: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 114.175, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 47.397, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 11.915 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 4.643; subsidiair voor auto 3: tot vaststelling van de (historische) bruto bpm € 30.515, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 48.195, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 9.145 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.997; subsidiair voor auto 4: tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 53.135, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 13.869 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 7.425; subsidiair voor auto 5: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 224.772, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 108.202, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 25.283 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.636; meer subsidiair voor auto 5: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 224.772, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 109.711, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 25.635 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.988; subsidiair voor auto 6: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 258.763, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 107.786, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 26.785 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 4.247. Voorts concludeert belanghebbende tot een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Tardiefverklaring (auto 2) 5.1.1. De Inspecteur heeft op 7 april 2026 een nader stuk ingediend. Volgens de Inspecteur volgt uit dit stuk dat de reële handelsinkoopwaarde van auto 2 € 60.000 bedraagt. Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof verzocht om het nadere stuk wegens de late indiening buiten beschouwing te laten. 5.1.2. Dienaangaande geldt dat gelet op artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze stukken worden, bijzondere omstandigheden daargelaten, tot de gedingstukken gerekend. Partijen zijn conform artikel 8:58, lid 2, Awb in de uitnodiging voor de zitting van het Hof met dagtekening 26 januari 2026 erop gewezen dat nadere stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden ingediend. 5.1.3 Het nadere stuk van de Inspecteur is buiten deze termijn ingediend. Het nadere stuk is een dag voor de zitting door de administratie van het Hof ontvangen en met belanghebbende gedeeld. De inhoud van het nadere stuk betreft e-mailcorrespondentie die dateert van 29 oktober 2025. Mede gelet op de inhoud van het geschil lag het op de weg van de Inspecteur om het nadere stuk met daarin de e-mailcorrespondentie in een eerder stadium over te leggen. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur niet voldoende gelegenheid heeft gehad om het nadere stuk eerder over te leggen. 5.1.4. Desgevraagd heeft de Inspecteur ter zitting toegelicht dat het stuk buiten de termijn is ingediend, omdat soms iets mis kan gaan in het administratieve proces van de Belastingdienst en hij niet altijd kan zien welke bijlagen bij het verweerschrift worden ingediend. Het Hof acht dit in dit geval een omstandigheid die voor rekening en risico van de Inspecteur komt. Belanghebbende is door de te late indiening niet in staat ge De Inspecteur stelt dat de handelsinkoopwaarde van auto 2 op minimaal € 59.740 dient te worden vastgesteld en baseert zich daarbij op een koerslijst van AutotelexPro waarin een handelsinkoopwaarde van € 59.740 is vermeld. De naheffingsaanslag is daardoor eerder te laag dan te hoog opgelegd. 5.5.2. Het Hof zal de handelsinkoopwaarde vaststellen op € 47.397. De waarde is vastgesteld door DRZ, de deskundige van de Inspecteur, op basis van de bij het rapport van DRZ gevoegde koerslijst Xray. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Inspecteur ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat dit de koerslijst van het meest geschikte referentievoertuig is. De Inspecteur heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de bruikbaarheid van deze koerslijst in twijfel te trekken. Hoewel de bewijslast op belanghebbende rust, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat belanghebbende zich beroept op bewijs van de wederpartij. Tussenconclusie (auto 2) 5.5.3. Uitgaande van een (historische) bruto bpm van € 28.623, een historische nieuwprijs van € 113.738 en een handelsinkoopwaarde van € 47.397, stelt het Hof de naheffingsaanslag ter zake van auto 2 vast op € 4.643 (€ 47.397/€ 113.848 x € 28.623 -/- € 7.273 (op aangifte voldaan) = € 4.643). Naheffingsaanslag auto 5 5.6. Het Hof heeft bevonden dat de uitspraak van de Rechtbank een misslag bevat. In de beslissing van de Rechtbank staat abusievelijk vermeld dat de naheffingsaanslag van auto 5 tot € 3.404 wordt verminderd, terwijl uit overweging 7 van de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat de naheffingsaanslag van auto 5 tot € 2.988 wordt verminderd. Het Hof zal de naheffingsaanslag van auto 5 overeenkomstig het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende derhalve verder verminderen tot € 2.988. Aan wijziging van de naheffingsaanslag ter zake van auto 3 (met daarin een misslag in het voordeel van belanghebbende) komt het Hof niet toe, omdat de Inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en zich op het standpunt heeft gesteld dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd (vgl. Hoge Raad 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8547). Proceskostenvergoeding bezwaarfase (auto 1) 5.7. Belanghebbende stelt dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende voert daarbij aan dat sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbendes stelling miskent dat de Rechtbank de vergoeding van kosten in de bezwaarfase reeds heeft vastgesteld op twee punten tegen het ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank geldende tarief van € 647 en wegingsfactor 1,5. Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding. Slotsom 5.8. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten 6.1. Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.998 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1,5 (gewicht van de zaak)), € 2.802 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1,5 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 6.668. 6.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 365, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 579 te worden vergoed (totaal € 944). Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover het de beslissingen omtrent de naheffingsaanslagen ter zake van auto 2 en auto 5, de proceskostenvergoeding en het griffierecht betreft; vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op auto 2, auto 5 en de proceskostenvergoeding; vermindert de naheffingsaansl