Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:2288
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/490 Uitspraak van 30 juni 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 mei 2025, nummer SGR 23/7432. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.555 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 24 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 26 maart 2026 een nader stuk ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.477 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Opel Insignia Sports Tourer 2.0 Turbo 4x4 GSI (de auto). De datum van eerste toelating is 21 april 2021. 2.2. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] van 16 december 2022. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 71.393 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 35.245. De taxateur heeft € 19.231,24 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 17.308 (afgerond 90%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 17.937. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 21.806 (CO2-uitstoot van 196 g/km). 2.3. De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.555 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 6 januari 2023. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 70.494 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 34.080 (XRAY). DRZ heeft een bedrag van € 2.284,81 aan schade aannemelijk geacht, waarvan afgerond € 1.645 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 32.435 (afschrijving van 53,99%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 21.806 (CO2-uitstoot van 196 g/km). Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “(…) Waardevermindering wegens schade 11. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseresses taxatierapport reeds te worden verworpen vanwege het feit dat de staat van de auto tijdens de opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duid Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde. 16. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 12.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Volgens het hiervoor onder 15. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Volgens het wettelijk systeem moet de afschrijving worden bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel van artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling Bpm. Verweerder heeft een praktijk ontwikkeld waarbij in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan met een taxatierapport en de reële waardedaling niet op basis van dit rapport kan worden vastgesteld, voor de naheffing bezien wordt of de vermindering gebaseerd op de door DRZ vastgestelde waardevermindering groter is dan de vermindering volgens de afschrijvingstabel. Indien dat het geval is, wordt de naheffing opgelegd met inachtneming van de grootste vermindering. In dit geval is verweerder voor de naheffing uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 53,99 en niet van het afschrijvingspercentage van 42,834 dat volgens de afschrijvingstabel van toepassing zou zijn. 17. Eiseres heeft met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR: 2023:1703, gesteld dat het afschrijvingspercentage moet worden vastgesteld door de historische nieuwprijs van de auto, zijnde € 41.309 (de catalogusprijs van de referentieauto) vermeerderd met 21% (Btw) en met € 21.806 (de Bpm verschuldigd voor een auto met een CO2 uitstoot van 196 gr/km WLTP), af te zetten tegen de handelsinkoopwaarde van de referentieauto. Eiseres bepleit aldus een aanpassing van de historische nieuwprijs. 18. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat eiseres ten onrechte stelt dat verweerder ter onderbouwing van de (hoogte van de) naheffingsaanslag tegenbewijs moet leveren. Op verweerder rust met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiseres. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiseres lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen. Het wettelijk systeem brengt mee dat verweerder in een geval als het onderhavige de naheffingsaanslag vaststelt met inachtneming van het afschrijvingspercentage van de afschrijvingstabel. Verweerder heeft in plaats daarvan een hoger afschrijvingspercentage in acht genomen. De rechtbank is van oordeel dat het door eiser ingeroepen arrest verweerder niet noopt tot een andere wijze van berekening van het afschrijvingspercentage. 19. Het bewuste arrest van de Hoge Raad gaat over de situatie dat aangifte gedaan is en ook kan worden gedaan met een taxatierapport én waarin tussen partijen niet in geschil is dat de in dat rapport genoem De uitspraak van de rechtbank is op 20 mei 2025 gedaan. De redelijke termijn van twee jaar is dus nog niet verstreken, zodat ook geen recht bestaat op een isv. Proceskosten 27. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. (…)” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.1. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. 4.1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte belastingrente is berekend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en: - primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag; - subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 71.789, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 32.024 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.250; en - meer subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 71.789, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 32.435 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.375. Voorts concludeert belanghebbende tot vernietiging van de beschikking belastingrente, tot vergoeding van immateriële schade en tot een veroordeling in de (proces)kosten in alle fasen van het geding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de beslissingen van de Rechtbank over de naheffingsaanslag en de vergoeding van immateriële schade en tot vernietiging van de beschikking belastingrente. Beoordeling van het hoger beroep Geldigheid taxatierapport en waardevermindering wegens schade 5.1. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde en ter onderbouwing van de door belanghebbende in aanmerking genomen waardevermindering van € 17.308 wegens schade. 5.2. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op dit punt een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof maakt de overwegingen 11 en 12 van de Rechtbank tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat de taxateur van belanghebbende de algemene indruk van de auto, de technische staat, het onderstel, de carrosserie, het interieur en de banden als redelijk heeft gekenmerkt in het taxatierapport. Deze beoordeling is moeilijk te rijmen met de omvang van de gestelde schade. Belanghebbende kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel bpm is nageheven en kan dit taxatierapport niet gebruiken om de door haar opgevoerde waardevermindering wegens schade aannemelijk te maken. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Nu het taxatierapport niet kan dienen en belanghebbende ook anderszins onvoldoende bewijs daarvan heeft bijgebracht, kan de daarin opgevoerde waardevermindering wegens schade niet worden gevolgd. Percentage schadeaftrek 5.3. Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat niet 72% maar van 90% van de door DRZ vastgestelde schade van € 2.284 in aanmerking moet worden genomen. Daartoe voert zij aan dat geen sprake is van een verlengde economische levensduur en dat geen sprake is van normale gebruiksschades die door de reparaties verdwijnen. Verder stelt zij dat het percentage van 72 dat standaard in aftrek komt, niet in overeenstemming is met het Unierecht. 5.4. Ook hier geldt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belastin Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn standpunt dat de koerslijst XRAY niet en de koerslijst AutotelexPro wel als uitgangspunt kan worden gebruikt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Merk, model, type, uitvoering en leeftijd van de auto komen overeen met die van het referentievoertuig op de koerslijsten XRAY en AutotelexPro (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). De Inspecteur heeft gelet op het verschil in handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat weliswaar interne e-mailcorrespondentie over het opvragen van een onderbouwing van de koerslijstproviders overgelegd, maar het antwoord van de koerslijstproviders is niet overgelegd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur voor het overige onvoldoende ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat de koerslijst XRAY niet en de koerslijst AutotelexPro wel als uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Het Hof wijst het beroep op interne compensatie af. Conclusie naheffingsaanslag 5.10. Gelet op het voorgaande dient de naheffingsaanslag te worden verminderd en te worden vastgesteld op € 4.375 (conform het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende). Beschikking belastingrente 5.11. Partijen zijn het erover eens dat ten onrechte belastingrente is berekend en dat de beschikking belastingrente moet worden vernietigd. Het Hof volgt partijen hierin. Vergoeding van immateriële schade 5.12. Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. Het bezwaarschrift is ontvangen op 22 mei 2023. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 mei 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 23 mei 2025. Daarom bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade, aldus belanghebbende. 5.13. In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriële schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen. 5.14. De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 29 april 2025 gesloten en meegedeeld dat op 20 mei 2025 uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 20 mei 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen. Slotsom 5.15. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht