Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-01-29
ECLI:NL:GHDHA:2026:224
Strafrecht
Hoger beroep
16,057 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:224 text/xml public 2026-04-30T10:39:15 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-01-29 22-004171-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:224 text/html public 2026-04-30T10:38:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:224 Gerechtshof Den Haag , 29-01-2026 / 22-004171-24 Minderjarige verdachte, onder meer veroordeeld voor toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Geen sprake van een noodweersituatie, omdat naar de uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien, de gedraging van de verdachte als aanvallend moet worden aangemerkt. Beroep op putatief noodweer ook verworpen. Omstandigheid dat de verdachte, mogelijk als gevolg van zijn persoonlijke problematiek (trauma gerelateerde stoornis en zwakbegaafdheid), heeft ingeschat dat er sprake was van een situatie waarin hij zich mocht verdedigen, is ontoereikend voor een geslaagd beroep op putatief noodweer. De subjectieve beleving is niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie van het handelen van de verdachte, maar wordt wel meegenomen bij de bepaling van de op te leggen straf. Afdeling strafrecht Rolnummer: 22-004171-24 Parketnummers: 09-124238-24 (DV I), 09-088782-24 (DV II), 09-321420-22 (TUL) Datum uitspraak: 29 januari 2026 TEGENSPRAAK arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 09-124238-24) primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I subsidiair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II (met parketnummer: 09-088782-24) tenlastegelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de in het vonnis van de kinderrechter in Den Haag van 20 februari 2023 opgelegde voorwaardelijke werkstraf, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Dagvaarding I: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte meermalen met een mes althans een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 1] ingestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden zenuw en/of een immobilisatie van een hand, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 1] in te steken; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte met een mes althans een scherp/puntig voorwerp meermalen op die [slachtoffer 1] ingestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Dagvaarding II (gevoegd): hij op of omstreeks 17 mei 2023 te Gouda [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I subsidiair tenlastegelegde en het bij dagvaarding II tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een bijzondere voorwaarde, inhoudende - kort gezegd - een contactverbod met de slachtoffers. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak van het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-088782-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Dagvaarding I: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden zenuw en /of een immobilisatie van een hand, heeft toegebracht door met een mes , althans een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 1] in te steken. Dagvaarding II (gevoegd): hij op of omstreeks 17 mei 2023 te Gouda [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in/op/ tegen het gezicht , althans het hoofd, te slaan en/of te stompen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair bewezenverklaarde levert op: zware mishandeling. Het in de zaak met parketnummer 09-088782-24 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat aan de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte door een groep (deels) onbekende jongens woordelijk zou zijn bedreigd en dat hij bij de aangever een mes en bij een van de andere jongens, [de jongen] , een vuurwapen zou hebben waargenomen. Deze omstandigheden zouden bij de verdachte redelijkerwijs de veronderstelling hebben gewekt dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:224 text/xml public 2026-04-30T10:39:15 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-01-29 22-004171-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:224 text/html public 2026-04-30T10:38:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:224 Gerechtshof Den Haag , 29-01-2026 / 22-004171-24 Minderjarige verdachte, onder meer veroordeeld voor toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Geen sprake van een noodweersituatie, omdat naar de uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien, de gedraging van de verdachte als aanvallend moet worden aangemerkt. Beroep op putatief noodweer ook verworpen. Omstandigheid dat de verdachte, mogelijk als gevolg van zijn persoonlijke problematiek (trauma gerelateerde stoornis en zwakbegaafdheid), heeft ingeschat dat er sprake was van een situatie waarin hij zich mocht verdedigen, is ontoereikend voor een geslaagd beroep op putatief noodweer. De subjectieve beleving is niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie van het handelen van de verdachte, maar wordt wel meegenomen bij de bepaling van de op te leggen straf. Afdeling strafrecht Rolnummer: 22-004171-24 Parketnummers: 09-124238-24 (DV I), 09-088782-24 (DV II), 09-321420-22 (TUL) Datum uitspraak: 29 januari 2026 TEGENSPRAAK arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 09-124238-24) primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I subsidiair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II (met parketnummer: 09-088782-24) tenlastegelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de in het vonnis van de kinderrechter in Den Haag van 20 februari 2023 opgelegde voorwaardelijke werkstraf, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Dagvaarding I: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte meermalen met een mes althans een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 1] ingestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden zenuw en/of een immobilisatie van een hand, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 1] in te steken; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte met een mes althans een scherp/puntig voorwerp meermalen op die [slachtoffer 1] ingestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Dagvaarding II (gevoegd): hij op of omstreeks 17 mei 2023 te Gouda [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I subsidiair tenlastegelegde en het bij dagvaarding II tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een bijzondere voorwaarde, inhoudende - kort gezegd - een contactverbod met de slachtoffers. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak van het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-088782-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Dagvaarding I: hij op of omstreeks 1 april 2024 te Gouda aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden zenuw en /of een immobilisatie van een hand, heeft toegebracht door met een mes , althans een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 1] in te steken. Dagvaarding II (gevoegd): hij op of omstreeks 17 mei 2023 te Gouda [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in/op/ tegen het gezicht , althans het hoofd, te slaan en/of te stompen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair bewezenverklaarde levert op: zware mishandeling. Het in de zaak met parketnummer 09-088782-24 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat aan de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte door een groep (deels) onbekende jongens woordelijk zou zijn bedreigd en dat hij bij de aangever een mes en bij een van de andere jongens, [de jongen] , een vuurwapen zou hebben waargenomen. Deze omstandigheden zouden bij de verdachte redelijkerwijs de veronderstelling hebben gewekt dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen.
Volledig
Bij de beoordeling van een beroep op putatief noodweer dient te worden onderzocht of bij de verdachte sprake was van een verontschuldigbare dwaling omtrent het bestaan van een noodweersituatie, in die zin dat hij niet alleen daadwerkelijk heeft gemeend, maar ook redelijkerwijs heeft mogen menen dat verdediging noodzakelijk was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Blijkens de wettelijke omschrijving is voor een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond noodweer vereist dat de gedraging van de verdachte kan worden aangemerkt als een verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat een beroep op noodweer, en daarmee ook op putatief noodweer, niet kan slagen indien de gedraging van degene die zich daarop beroept, naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien, niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden aangemerkt, bijvoorbeeld wanneer deze gedraging is gericht op het zoeken of aangaan van een confrontatie. In een dergelijk geval ontbreekt reeds de grondslag voor de strafuitsluitingsgrond. Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden en overweegt als volgt. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, en in het bijzonder gelet op de zich in het dossier bevindende en ter terechtzitting getoonde camerabeelden, stelt het hof vast dat een groep jongeren, waaronder de verdachte en aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), zich te voet heeft verplaatst van het winkelcentrum Goverwelle naar de Zaagmolenkade in Gouda. Op de Zaagmolenkade loopt de verdachte op enig moment schuin achter [slachtoffer 1] en kijkt hij achterom naar de jongens die daar lopen, waaronder [de jongen] (hierna: [de jongen] ). Daarna kijkt hij weer voor zich uit en loopt nog een paar stappen door, terwijl op dat moment [slachtoffer 1] als enige een stukje (schuin) voor de verdachte uitloopt en voor zich uit kijkt. Vervolgens haalt de verdachte een mes uit zijn zak en rent plotseling achter [slachtoffer 1] aan. [slachtoffer 1] komt ten val, waarna de verdachte een aantal steekbewegingen maakt in de richting van [slachtoffer 1] . De verdachte loopt nog een paar passen achteruit verder, terwijl hij in de richting van [slachtoffer 1] kijkt en rent dan weg over de brug. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer 1] een steekwond in zijn arm opgelopen. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die, door plotseling met een mes op [slachtoffer 1] af te rennen en steekbewegingen te maken, het initiatief tot het geweld heeft genomen. Deze gedraging moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien als aanvallend worden aangemerkt. Van een noodweersituatie is alleen al om die reden derhalve geen sprake geweest. Het hof is voorts van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte kort voorafgaand aan het bewezenverklaarde verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij zich diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging hiermee. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken om het zo mogelijk te maken om weg te komen uit/bij de groep die hem had ingesloten en hem een mes en een vuurwapen had getoond. Dit sluit echter niet aan bij wat er op de beelden te zien is. Uit de beelden blijkt immers dat kort voor en op het moment van het steken alleen [slachtoffer 1] nog (schuin) voor de verdachte loopt. [slachtoffer 1] kijkt op dat moment voor zich uit en dus niet naar de verdachte, en hij dreigt (in elk geval op dat moment) ook niet met een mes in de richting van de verdachte. Evenmin is te zien dat [de jongen] op dat moment een vuurwapen op de verdachte richt. Sterker nog, tot kort voor het moment waarop de verdachte richting [slachtoffer 1] gaat rennen, kijkt [de jongen] achterom naar de andere personen van de groep en niet naar de verdachte. De verdachte had daardoor voldoende de mogelijkheid om voorbij [slachtoffer 1] , weg van de groep te rennen zonder hem te steken. Dat werd bovendien nog makkelijker, omdat [slachtoffer 1] al vrij snel struikelde. Desondanks maakte de verdachte meerdere keren steekbewegingen richting [slachtoffer 1] , ook nadat [slachtoffer 1] was gevallen en weerloos op de grond lag. Verder is op de beelden te zien dat de verdachte na het steken niet direct wegrent, de brug over, maar nog een paar passen vrij rustig achteruit loopt en naar [slachtoffer 1] kijkt, en dan pas wegrent over de brug. Dit alles past naar de uiterlijke verschijningsvorm niet bij iemand die zo snel mogelijk wil weg komen uit/bij een groep mensen en die steekt met een mes om dat mogelijk te maken, voor zover dat onder deze omstandigheden al gerechtvaardigd zou zijn geweest. Het hof merkt hierbij nog op dat de verdachte in verband met zijn problematiek, zoals de verdediging heeft aangevoerd, wellicht een andere inschatting van de bestaande situatie heeft gemaakt en oprecht (maar ten onrechte) heeft gemeend dat hij zich moest verdedigen en dat hij door [slachtoffer 1] aan te vallen aan een – in zijn ogen – door [de jongen] veroorzaakte dreigende situatie kon ontkomen. Deze subjectieve beleving is echter niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie van zijn handelen en is daarmee op zichzelf onvoldoende voor de aanvaarding van een beroep op putatief noodweer. Die beleving moet immers steun vinden in objectieve feiten en omstandigheden die, bezien vanuit het perspectief van een redelijk handelend persoon in de positie van de verdachte, de conclusie moet kunnen rechtvaardigen dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Nu het hof heeft vastgesteld dat dergelijke objectieve aanknopingspunten ontbreken en het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien als aanvallend moet worden aangemerkt, kan aan de subjectieve beleving van de verdachte geen betekenis toekomen bij de beoordeling van het beroep op een strafuitsluitingsgrond. Deze beleving kan – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – wel worden meegewogen bij de beoordeling van de mate van toerekenbaarheid, zoals hierna zal blijken. Het beroep op putatief noodweer faalt. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in het openbaar schuldig gemaakt aan mishandeling en zware mishandeling, ten gevolge waarvan de slachtoffers pijn en letsel hebben opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dergelijke feiten psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien kunnen daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid worden aangewakkerd. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Voorts heeft het hof acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages en adviezen. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan, in het bijzonder van: een rapportage pro Justitia van 2 augustus 2024 en het advies van de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 31 oktober 2024, die voor deze zaak over de verdachte zijn opgemaakt.
Volledig
Bij de beoordeling van een beroep op putatief noodweer dient te worden onderzocht of bij de verdachte sprake was van een verontschuldigbare dwaling omtrent het bestaan van een noodweersituatie, in die zin dat hij niet alleen daadwerkelijk heeft gemeend, maar ook redelijkerwijs heeft mogen menen dat verdediging noodzakelijk was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Blijkens de wettelijke omschrijving is voor een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond noodweer vereist dat de gedraging van de verdachte kan worden aangemerkt als een verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat een beroep op noodweer, en daarmee ook op putatief noodweer, niet kan slagen indien de gedraging van degene die zich daarop beroept, naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien, niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden aangemerkt, bijvoorbeeld wanneer deze gedraging is gericht op het zoeken of aangaan van een confrontatie. In een dergelijk geval ontbreekt reeds de grondslag voor de strafuitsluitingsgrond. Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden en overweegt als volgt. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, en in het bijzonder gelet op de zich in het dossier bevindende en ter terechtzitting getoonde camerabeelden, stelt het hof vast dat een groep jongeren, waaronder de verdachte en aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), zich te voet heeft verplaatst van het winkelcentrum Goverwelle naar de Zaagmolenkade in Gouda. Op de Zaagmolenkade loopt de verdachte op enig moment schuin achter [slachtoffer 1] en kijkt hij achterom naar de jongens die daar lopen, waaronder [de jongen] (hierna: [de jongen] ). Daarna kijkt hij weer voor zich uit en loopt nog een paar stappen door, terwijl op dat moment [slachtoffer 1] als enige een stukje (schuin) voor de verdachte uitloopt en voor zich uit kijkt. Vervolgens haalt de verdachte een mes uit zijn zak en rent plotseling achter [slachtoffer 1] aan. [slachtoffer 1] komt ten val, waarna de verdachte een aantal steekbewegingen maakt in de richting van [slachtoffer 1] . De verdachte loopt nog een paar passen achteruit verder, terwijl hij in de richting van [slachtoffer 1] kijkt en rent dan weg over de brug. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer 1] een steekwond in zijn arm opgelopen. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die, door plotseling met een mes op [slachtoffer 1] af te rennen en steekbewegingen te maken, het initiatief tot het geweld heeft genomen. Deze gedraging moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien als aanvallend worden aangemerkt. Van een noodweersituatie is alleen al om die reden derhalve geen sprake geweest. Het hof is voorts van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte kort voorafgaand aan het bewezenverklaarde verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij zich diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging hiermee. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken om het zo mogelijk te maken om weg te komen uit/bij de groep die hem had ingesloten en hem een mes en een vuurwapen had getoond. Dit sluit echter niet aan bij wat er op de beelden te zien is. Uit de beelden blijkt immers dat kort voor en op het moment van het steken alleen [slachtoffer 1] nog (schuin) voor de verdachte loopt. [slachtoffer 1] kijkt op dat moment voor zich uit en dus niet naar de verdachte, en hij dreigt (in elk geval op dat moment) ook niet met een mes in de richting van de verdachte. Evenmin is te zien dat [de jongen] op dat moment een vuurwapen op de verdachte richt. Sterker nog, tot kort voor het moment waarop de verdachte richting [slachtoffer 1] gaat rennen, kijkt [de jongen] achterom naar de andere personen van de groep en niet naar de verdachte. De verdachte had daardoor voldoende de mogelijkheid om voorbij [slachtoffer 1] , weg van de groep te rennen zonder hem te steken. Dat werd bovendien nog makkelijker, omdat [slachtoffer 1] al vrij snel struikelde. Desondanks maakte de verdachte meerdere keren steekbewegingen richting [slachtoffer 1] , ook nadat [slachtoffer 1] was gevallen en weerloos op de grond lag. Verder is op de beelden te zien dat de verdachte na het steken niet direct wegrent, de brug over, maar nog een paar passen vrij rustig achteruit loopt en naar [slachtoffer 1] kijkt, en dan pas wegrent over de brug. Dit alles past naar de uiterlijke verschijningsvorm niet bij iemand die zo snel mogelijk wil weg komen uit/bij een groep mensen en die steekt met een mes om dat mogelijk te maken, voor zover dat onder deze omstandigheden al gerechtvaardigd zou zijn geweest. Het hof merkt hierbij nog op dat de verdachte in verband met zijn problematiek, zoals de verdediging heeft aangevoerd, wellicht een andere inschatting van de bestaande situatie heeft gemaakt en oprecht (maar ten onrechte) heeft gemeend dat hij zich moest verdedigen en dat hij door [slachtoffer 1] aan te vallen aan een – in zijn ogen – door [de jongen] veroorzaakte dreigende situatie kon ontkomen. Deze subjectieve beleving is echter niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie van zijn handelen en is daarmee op zichzelf onvoldoende voor de aanvaarding van een beroep op putatief noodweer. Die beleving moet immers steun vinden in objectieve feiten en omstandigheden die, bezien vanuit het perspectief van een redelijk handelend persoon in de positie van de verdachte, de conclusie moet kunnen rechtvaardigen dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Nu het hof heeft vastgesteld dat dergelijke objectieve aanknopingspunten ontbreken en het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm en naar de kern bezien als aanvallend moet worden aangemerkt, kan aan de subjectieve beleving van de verdachte geen betekenis toekomen bij de beoordeling van het beroep op een strafuitsluitingsgrond. Deze beleving kan – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – wel worden meegewogen bij de beoordeling van de mate van toerekenbaarheid, zoals hierna zal blijken. Het beroep op putatief noodweer faalt. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in het openbaar schuldig gemaakt aan mishandeling en zware mishandeling, ten gevolge waarvan de slachtoffers pijn en letsel hebben opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dergelijke feiten psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien kunnen daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid worden aangewakkerd. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Voorts heeft het hof acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages en adviezen. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan, in het bijzonder van: een rapportage pro Justitia van 2 augustus 2024 en het advies van de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 31 oktober 2024, die voor deze zaak over de verdachte zijn opgemaakt.
Volledig
Uit de psychologische pro Justitia rapportage van 2 augustus 2024 volgt – kort samengevat – dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van een andere gespecifieerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Tevens is bij de verdachte sprake van zwakbegaafdheid. Hiermee samenhangend blijft de verdachte vooralsnog achter in zijn sociaal-emotionele, morele en cognitieve ontwikkeling ten opzichte van de meeste leeftijdsgenoten. Dit vormt een belemmering en potentiële bedreiging voor zijn verdere persoonlijkheidsontwikkeling en hindert hem in zijn gedragskeuzemogelijkheden wat betreft zijn dagelijks functioneren. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten en het heeft zijn gedragskeuzes en gedragingen minstens gedeeltelijk beïnvloed. Uit het rapport komt voorts naar voren dat de verdachte geen zinvolle dagbesteding heeft en omgaat met crimineel georiënteerde leeftijdsgenoten. Tevens heeft verdachte vooral door zijn lager ontwikkelde verstandelijke vermogens moeite om zich voldoende weerbaar op te stellen tegen negatieve invloeden van crimineel georiënteerde vrienden. Geadviseerd wordt om het bewezenverklaarde in (enigszins) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Door de psycholoog wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag van de verdachte bij gelijkblijvende omstandigheden op middelmatig ingeschat. Er is een intensief begeleidings- en behandeltraject nodig. Om de inzet van dit intensieve begeleidings- en behandeltraject te borgen, is volgens de psycholoog een strak juridisch kader nodig. Derhalve wordt geadviseerd om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Het hof neemt bovenstaande conclusies over en zal de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. Uit het advies van de Raad van 31 oktober 2024 volgt – kort samengevat – dat de verdachte kwetsbaar en beïnvloedbaar is. De Raad onderschrijft het advies voortvloeiend uit de pro Justitia-rapportage en acht een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte in het kader van een andere strafzaak een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen en dat aan die maatregel voorwaarden zijn verbonden. Het vonnis van 17 november 2025 waarbij deze maatregel is opgelegd is inmiddels onherroepelijk. Het hof acht het om die reden niet opportuun om nogmaals aan de verdachte bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door (onder meer) de Raad, op te leggen in onderhavige zaak. Het hof zal enkel als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de slachtoffers opleggen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie overeenkomt met de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft vastgezeten. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding I tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.107,00, te vermeerderen met de wettelijke schade over dit bedrag. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 10.107,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.107,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden. Hiertoe stelt de advocaat-generaal dat er sprake is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend in de zin van ‘eigen schuld’ ex artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Materiële schade Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Immateriële schade Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen, te weten zenuwschade in zijn arm, en daar tot op heden beperkingen van ondervindt. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengelden-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het letsel van de benadeelde partij valt naar het oordeel van het hof in de categorie ‘minder ernstig armletsel’, waarvoor als richtbedrag een vergoeding van € 10.000 tot € 26.000 is gegeven. In dit geval acht het hof een schadevergoeding van de gevorderde € 10.000 billijk, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij aan zijn dominante arm beperkingen heeft ondervonden. De benadeelde partij heeft een zogenoemde “dropping hand” opgelopen. Hij is geopereerd, maar ervaart nog altijd schade aan zijn hand en arm. Hiervoor is hij doorverwezen voor een revalidatietraject, welke tot op heden nog niet is opgestart. Eigen schuld Ingevolge artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek kan een schadevergoedingsplicht worden verminderd wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof is van zodanige omstandigheid geen sprake. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen onder ‘strafbaarheid van de verdachte’ is overwogen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zelf de aanval opgezocht door een mes te trekken en daarmee uit te halen, waarbij het slachtoffer door de steekbewegingen letsel heeft opgelopen. Van een aanval door het slachtoffer of een dreiging met een aanval van de zijde van het slachtoffer was op dat moment geen sprake. De ernst van dit handelen door de verdachte en het steken met het mes door de verdachte en de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad, brengen naar het oordeel van het hof mee dat met eventuele eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer geen rekening dient te worden gehouden. Naar het oordeel van het hof eist de billijkheid in dit geval dat het percentage eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer wordt vastgesteld op nihil. Het beroep van de verdediging op vermindering van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld van het slachtoffer wordt dan ook verworpen. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.107,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het hof zal de gijzeling bepalen op 0 dagen. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
Volledig
Uit de psychologische pro Justitia rapportage van 2 augustus 2024 volgt – kort samengevat – dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van een andere gespecifieerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Tevens is bij de verdachte sprake van zwakbegaafdheid. Hiermee samenhangend blijft de verdachte vooralsnog achter in zijn sociaal-emotionele, morele en cognitieve ontwikkeling ten opzichte van de meeste leeftijdsgenoten. Dit vormt een belemmering en potentiële bedreiging voor zijn verdere persoonlijkheidsontwikkeling en hindert hem in zijn gedragskeuzemogelijkheden wat betreft zijn dagelijks functioneren. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten en het heeft zijn gedragskeuzes en gedragingen minstens gedeeltelijk beïnvloed. Uit het rapport komt voorts naar voren dat de verdachte geen zinvolle dagbesteding heeft en omgaat met crimineel georiënteerde leeftijdsgenoten. Tevens heeft verdachte vooral door zijn lager ontwikkelde verstandelijke vermogens moeite om zich voldoende weerbaar op te stellen tegen negatieve invloeden van crimineel georiënteerde vrienden. Geadviseerd wordt om het bewezenverklaarde in (enigszins) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Door de psycholoog wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag van de verdachte bij gelijkblijvende omstandigheden op middelmatig ingeschat. Er is een intensief begeleidings- en behandeltraject nodig. Om de inzet van dit intensieve begeleidings- en behandeltraject te borgen, is volgens de psycholoog een strak juridisch kader nodig. Derhalve wordt geadviseerd om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Het hof neemt bovenstaande conclusies over en zal de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. Uit het advies van de Raad van 31 oktober 2024 volgt – kort samengevat – dat de verdachte kwetsbaar en beïnvloedbaar is. De Raad onderschrijft het advies voortvloeiend uit de pro Justitia-rapportage en acht een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte in het kader van een andere strafzaak een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen en dat aan die maatregel voorwaarden zijn verbonden. Het vonnis van 17 november 2025 waarbij deze maatregel is opgelegd is inmiddels onherroepelijk. Het hof acht het om die reden niet opportuun om nogmaals aan de verdachte bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door (onder meer) de Raad, op te leggen in onderhavige zaak. Het hof zal enkel als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de slachtoffers opleggen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie overeenkomt met de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft vastgezeten. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding I tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.107,00, te vermeerderen met de wettelijke schade over dit bedrag. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 10.107,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.107,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden. Hiertoe stelt de advocaat-generaal dat er sprake is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend in de zin van ‘eigen schuld’ ex artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Materiële schade Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Immateriële schade Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen, te weten zenuwschade in zijn arm, en daar tot op heden beperkingen van ondervindt. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengelden-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het letsel van de benadeelde partij valt naar het oordeel van het hof in de categorie ‘minder ernstig armletsel’, waarvoor als richtbedrag een vergoeding van € 10.000 tot € 26.000 is gegeven. In dit geval acht het hof een schadevergoeding van de gevorderde € 10.000 billijk, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij aan zijn dominante arm beperkingen heeft ondervonden. De benadeelde partij heeft een zogenoemde “dropping hand” opgelopen. Hij is geopereerd, maar ervaart nog altijd schade aan zijn hand en arm. Hiervoor is hij doorverwezen voor een revalidatietraject, welke tot op heden nog niet is opgestart. Eigen schuld Ingevolge artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek kan een schadevergoedingsplicht worden verminderd wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof is van zodanige omstandigheid geen sprake. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen onder ‘strafbaarheid van de verdachte’ is overwogen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zelf de aanval opgezocht door een mes te trekken en daarmee uit te halen, waarbij het slachtoffer door de steekbewegingen letsel heeft opgelopen. Van een aanval door het slachtoffer of een dreiging met een aanval van de zijde van het slachtoffer was op dat moment geen sprake. De ernst van dit handelen door de verdachte en het steken met het mes door de verdachte en de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad, brengen naar het oordeel van het hof mee dat met eventuele eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer geen rekening dient te worden gehouden. Naar het oordeel van het hof eist de billijkheid in dit geval dat het percentage eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer wordt vastgesteld op nihil. Het beroep van de verdediging op vermindering van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld van het slachtoffer wordt dan ook verworpen. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.107,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het hof zal de gijzeling bepalen op 0 dagen. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
Volledig
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 17.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist. Materiële schade Met betrekking tot het materiële deel van de vordering zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gevorderde schade – als al kan worden vastgesteld dat deze schade is geleden, want hij is verder niet onderbouwd – niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Immateriële schade Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen aan mond en kaak. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schade vast naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De schade is bovendien niet betwist. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 500, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] . Het hof zal de gijzeling bepalen op 0 dagen. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken. Vordering tenuitvoerlegging Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 20 februari 2023 onder parketnummer 09-321420-22 is de verdachte (onder meer) veroordeeld tot 30 uren werkstraf subsidiair 15 dagen jeugddetentie, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat die vordering wordt afgewezen. In dit verband heeft de advocaat-generaal overwogen dat het ten uitvoer leggen van de vordering niet opportuun (meer) is, gelet op de in de andere strafzaak van de verdachte opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Niettemin zal het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, de vordering afwijzen. Gezien de opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel acht het hof tenuitvoerlegging thans niet opportuun. De vordering zal dan ook worden afgewezen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-088782-24 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-088782-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 20 (twintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op 5 mei 2005, en met [slachtoffer 2] , geboren op 5 september 2006. Het toezicht op voormelde bijzondere voorwaarde zal uitgeoefend worden door de politie. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.107,00 (tienduizend honderdzeven euro) bestaande uit € 107,00 (honderdzeven euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.107,00 (tienduizend honderdzeven euro) bestaande uit € 107,00 (honderdzeven euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 april 2024.
Volledig
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 17.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist. Materiële schade Met betrekking tot het materiële deel van de vordering zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gevorderde schade – als al kan worden vastgesteld dat deze schade is geleden, want hij is verder niet onderbouwd – niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Immateriële schade Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen aan mond en kaak. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schade vast naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De schade is bovendien niet betwist. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 500, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] . Het hof zal de gijzeling bepalen op 0 dagen. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken. Vordering tenuitvoerlegging Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 20 februari 2023 onder parketnummer 09-321420-22 is de verdachte (onder meer) veroordeeld tot 30 uren werkstraf subsidiair 15 dagen jeugddetentie, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat die vordering wordt afgewezen. In dit verband heeft de advocaat-generaal overwogen dat het ten uitvoer leggen van de vordering niet opportuun (meer) is, gelet op de in de andere strafzaak van de verdachte opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Niettemin zal het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, de vordering afwijzen. Gezien de opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel acht het hof tenuitvoerlegging thans niet opportuun. De vordering zal dan ook worden afgewezen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-088782-24 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-088782-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 20 (twintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op 5 mei 2005, en met [slachtoffer 2] , geboren op 5 september 2006. Het toezicht op voormelde bijzondere voorwaarde zal uitgeoefend worden door de politie. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.107,00 (tienduizend honderdzeven euro) bestaande uit € 107,00 (honderdzeven euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-124238-24 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.107,00 (tienduizend honderdzeven euro) bestaande uit € 107,00 (honderdzeven euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 april 2024.