Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-10
ECLI:NL:GHDHA:2026:2237
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/114 Uitspraak van 10 juni 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: J.J. Warnawa) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 januari 2025, nummer SGR 22/6905. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 96.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 4.629 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslag; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nader stuk als verweerschrift ingediend. Bij berichten van 3 maart 2026 en 8 maart 2026 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 19 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Bij akte van levering van 3 april 2017 heeft het kerkgenootschap [naam 1] (de Parochie) een perceel grond aan belanghebbende geleverd, plaatselijk bekend als [adres] in [woonplaats] (het perceel). De koopsom bedroeg € 1.600.000, vermeerderd met € 336.000 aan omzetbelasting. De omzetbelasting is door belanghebbende aan de Parochie voldaan door storting op een bankrekening van de notaris. De Parochie heeft koper hiervoor kwijting verleend. De Inspecteur heeft ter zake van de verkrijging van het perceel de onderhavige naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd. 2.2. De Parochie is ontstaan door een fusie op 1 april 2016. Zij is de rechtsopvolger van onder meer [naam 2] . Waar hierna van ‘de Parochie’ wordt gesproken, wordt daaronder ook deze rechtsvoorganger verstaan. 2.3. De titel van de hiervoor genoemde levering is de overeenkomst van 28 december 2007 tussen belanghebbende en de Parochie tot koop en verkoop van het perceel. Die overeenkomst was gesloten in het kader van het plan om op een andere plaats binnen de gemeente een nieuwe kerk te bouwen. Om dat te financieren werd een deel van het desbetreffende terrein bestemd voor de realisering van appartementen. Een ander deel werd met de [gemeente] geruild voor de locatie van de nieuw te bouwen kerk. 2.4. Met een beroep op onder meer de slechte economische omstandigheden is de levering van het perceel aan belanghebbende uitgesteld. De ruil met de gemeente en de bouw van de nieuwe kerk vonden wel doorgang. De nieuwe kerk is opgeleverd in 2009. 2.5. In oktober 2011 is de oude kerk volledig afgebrand. De na de brand resterende opstallen zijn verwijderd. 2.6. Bij brief van eveneens 3 april 2017 heeft de Parochie de voormelde levering onder de aandacht van de Inspecteur gebracht. Zij heeft daarbij de Inspecteur verzocht om een naheffingsaanslag omzetbelasting aan haar op te leggen ten bedrage van € 336.000. In de correspondentie die daarop volgde, heeft de Parochie zich op het standpunt gesteld dat zij met de verkoop van het perceel als ondernemer heeft gehandeld, waarop de Inspecteur heeft laten weten dat volgens hem van ondernemerschap voor de omzetbelasting geen sprake was. 2.7. Bij brief van 13 februari 2018 liet de Inspecteur aan belanghebbende weten voornemens te zijn haar een naheffingsaanslag in de over In artikel 12, eerste lid, van de btw-richtlijn wordt de lidstaten de mogelijkheid geboden om ook degene die incidenteel een economische activiteit verricht als belastingplichtige aan te merken. Daarbij is met name gedacht aan de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein vóór de eerste ingebruikneming en de levering van bouwterreinen. Nederland maakt van deze mogelijkheid thans geen gebruik. 18. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 15 september 2011, nrs. C-180/10 enC-181/10, ECLI:EU:C:2011:589 (Słaby en Kuć) overwogen: “De levering van een bouwterrein moet worden beschouwd als krachtens de nationale wettelijke regeling van een lidstaat onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze staat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006, ongeacht of de handeling duurzaam is en of de persoon die de levering heeft uitgevoerd, een activiteit als fabrikant, handelaar of dienstverrichter uitoefent, voor zover deze handeling niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht vormt. Een natuurlijke persoon die een landbouwbedrijf heeft uitgeoefend op een terrein dat na een wijziging in de bestemmingsplannen buiten zijn wil om als nieuwe bestemming bouwgrond krijgt, moet niet worden beschouwd als een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in de zin van de artikelen 9, lid 1, en 12, lid 1, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, wanneer hij dit terrein wenst te verkopen, op voorwaarde dat deze verkopen deel uitmaken van het beheer van zijn privévermogen. Wanneer deze persoon met het oog op het sluiten van deze verkopen daarentegen voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke worden aangewend door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, moet hij worden beschouwd als een persoon die een „economische activiteit” in de zin van dit artikel uitoefent, en bijgevolg als een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde.” 19. Eiseres heeft, door verwijzing naar de in r.o. 8 hiervoor vermelde brief van 7 september 2017 van de Parochie aan verweerder, een opsomming gegeven van de handelingen die de Parochie heeft verricht voorafgaand aan de levering van het perceel. Verweerder heeft niet weersproken dat een en ander is verlopen zoals in die brief is weergegeven. Gelet hierop is het navolgende komen vast te staan. - In 1999 is binnen de Parochie het idee ontstaan om een nieuw kerkgebouw op te richten en de bouw te financieren door het gelijktijdig (laten) bouwen van een appartementencomplex. In dat kader heeft de Parochie een architect benaderd om plannen te maken voor zowel de nieuwe kerk als het appartementencomplex. - In 2000 heeft de Parochie de plannen met de gemeente besproken en in samenspraak met haar een eerste concept opgesteld van de ‘Overeenkomst inzake realisering ontwikkeling locatie […] kerk’. - In 2001 heeft de Parochie een bouwcommissie ingesteld. In 2001 en in 2002 waren er contacten met diverse bouwbedrijven over de mogelijkheden om het project te realiseren. - In 2002 heeft het [bouwbedrijf] namens de Parochie bouwvergunningen aangevraagd voor de kerk en het appartementencomplex. - De Parochie is in 2003 gestart met de voorverkoop van de geplande appartementen. De verkoop bleek niet te lopen, waarna de samenwerking met [bouwbedrijf] is beëindigd. De Parochie is vervolgens op zoek gegaan naar andere mogelijkheden om het project te realiseren. - In 2004 trad de Parochie op als belanghebbende partij in de beroepsprocedure die door omwo Omdat onherroepelijk vast is komen te staan dat de Parochie niet heeft gehandeld als ondernemer ter zake van de levering van het perceel aan belanghebbende is daarover geen omzetbelasting verschuldigd. Dit betekent dat de samenloopvrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op Belastingen van rechtsverkeer (WBR) niet van toepassing is. 5.2.1. Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, WBR stelt vrij van overdrachtsbelasting de verkrijging van een onroerende zaak krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1º, Wet OB ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger die omzetbelasting op grond van artikel 15 Wet OB geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen (de samenloopvrijstelling). 5.2.2. Blijkens de parlementaire geschiedenis is deze regeling bedoeld voor twee situaties. In de eerste plaats is de regeling bedoeld om cumulatie van de omzetbelasting en overdrachtsbelasting te voorkomen in geval het gaat om de verkrijgingen van onroerende zaken die als bedrijfsmiddel zijn gebruikt waarbij de verkrijger de omzetbelasting niet geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen. In de tweede plaats is bedoeld om van overdrachtsbelasting vrij te stellen verkrijgingen van 'nieuwbouw', dat wil zeggen nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase en waarvan de levering belast is met omzetbelasting (Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, blz. 23 en 33, Kamerstukken II 1969/1970, 10 560, nr. 3, blz. 27, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, blz. 19, en nr. 5, blz. 18, 25-26). Voor deze situatie is niet van belang of de verkrijger de ter zake van de levering geheven omzetbelasting in aftrek kan brengen (vgl. HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580, r.o. 3.4.1). 5.3.1. Omdat belanghebbende zich op de samenloopvrijstelling beroept, is het aan haar om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de samenloopvrijstelling. 5.3.2. In dit verband geldt dat van een levering als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1º, Wet OB ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd alleen sprake is indien de vervreemder, zijnde de Parochie, de hoedanigheid heeft van ondernemer voor de omzetbelasting. 5.4. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende in de onderhavige procedure die handelt over de overdrachtsbelasting de vraag of een derde (de Parochie) is aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting, niet aan de orde stellen. In de bezwaarprocedure heeft de inspecteur voor de omzetbelasting geoordeeld dat de Parochie geen ondernemer is voor de omzetbelasting en dat zij daarom geen omzetbelasting is verschuldigd over de levering van het perceel. Deze beslissing is onherroepelijk geworden omdat de Parochie geen beroep heeft ingesteld tegen die beslissing. Ook heeft de Parochie het ondernemerschap, om haar moverende redenen, niet op een andere wijze aan de orde gesteld, bijvoorbeeld door omzetbelasting over de met de levering verband houdende kosten in aftrek te brengen en tegen een weigering van die aftrek een bezwaar- en beroepsprocedure te starten. Aangezien onherroepelijk vaststaat dat de Parochie ten tijde van de levering geen ondernemer was voor de omzetbelasting en de levering van het perceel dus niet belast is met omzetbelasting, is niet voldaan aan de voorwaarden om de samenloopvrijstelling toe te passen. 5.5. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat zij, gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, belang had bij de uitkomst van de (bezwaar)procedure van de Parochie over de vraag of laatstgenoemde voor de levering van het perceel aangemerkt kon worden als ondernemer voor de omzetbelasting. Dit blijkt ook uit het feit dat belanghebbende betrokken is geweest bij de bezwaarprocedure van de Parochie. Dit brengt echter nog niet mee dat zij in deze procedure de vraag of de Parochie voor de omzetbelasting als ondernemer kwalificeert aan de orde kan