Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-18
ECLI:NL:GHDHA:2026:2231
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/270 Uitspraak van 18 juni 2026 in het geding tussen: [X] B.V., gevestigd te [Z] belanghebbende, (gemachtigde: J.L. Vissers) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 maart 2025, nummer SGR 23/6456. Procesverloop 1.1.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van kansspelbelasting (KSB) over de tijdvakken juli 2008 tot en met december 2016. 1.1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over tijdvakken in de periode juli 2008 tot en met maart 2013 naheffingsaanslagen KSB opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslagen. 1.1.3. De bij de naheffingsaanslagen KSB opgelegde verzuimboetes zijn alle conform een vaststellingsovereenkomst van 28 augustus 2013 ambtshalve verminderd tot nihil. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 29 januari 2026 nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Beide partijen hebben pleitnota’s overgelegd. Ter zitting zijn de zaken BK-25/271, BK-25/281 en BK-25/282 gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende verhuurt kansspelautomaten aan gelieerde vennootschappen die op hun beurt speelautomatenhallen exploiteren. Zij beschikt onder meer over een vergunning tot het exploiteren van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30h van de Wet op de kansspelen (WOK). Op grond van deze vergunning is belanghebbende sinds 1 juli 2008 belastingplichtig voor de kansspelbelasting. 2.2. Belanghebbende heeft voor tijdvakken in de periode van juli 2008 tot en met december 2016 aangiften kansspelbelasting gedaan. Wegens het niet dan wel niet tijdig voldoen op aangifte van de verschuldigde kansspelbelasting zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen opgelegd. Hierbij zijn betaalverzuimboetes aan haar opgelegd. 2.3. Op 28 augustus 2013 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Voor zover hier van belang zijn de betaalverzuimboetes overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst ambtshalve verminderd tot nihil. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “Is de kansspelbelasting een verboden heffing als bedoeld in artikel 401 Btw-richtlijn? 5. Eiseres stelt dat de kansspelbelasting een verboden heffing is als bedoeld in artikel 401 van de Btw-richtlijn. 6. Artikel 401 Btw-richtlijn luidt: “Onverminderd andere communautaire bepalingen vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een lidstaat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen, alsmede van accijnzen, registratierechten en, meer in het algemeen, van alle belastingen, rechten en heffingen die niet het karakter van een omzetbelasting bezitten, mits de heffing van deze belastingen, rechten en heffingen in het verkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geeft tot formaliteiten in verband met grensoverschrijding.” 7. Lidstaten mogen op grond van artikel 401 Btw-richtlijn dus geen belastingen invoeren die het karakter van een omzetbelasting bezitten. 8. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld[1] dat de omzetbelasting vier essentiële kenmerken bezit, te weten: De btw is algem Ten tweede mag de speelautomaat niet zodanig zijn ingericht dat het bespelen ervan kan leiden tot de onmiddellijke uitkering van prijzen die een waarde vertegenwoordigen van meer dan veertigmaal de inzet per spel. Bij regeling van de Minister van Economische Zaken worden de typen van speelautomaten aangewezen die zijn uitgezonderd van de werkingssfeer van Titel Va, uiteraard op voorwaarde dat ze voldoen aan de twee genoemde criteria. Een speelautomaat zonder kermiskarakter, mag enkel op een kermis worden opgesteld indien het een behendigheidsautomaat is. Voor het opstellen van behendigheidsautomaten op kermissen, ongeacht of het speelautomaten met of zonder kermiskarakter betreft, is geen aanwezigheidsvergunning vereist. Het verbod tot het zonder vergunning aanwezig hebben van speelautomaten is hier dus niet van toepassing (zie onderdeel C). Kansspelautomaten zonder kermiskarakter mogen daarentegen in het geheel niet op kermissen worden opgesteld, maar enkel in bepaalde horeca-inrichtingen of in speelautomatenhallen (zie onderdeel D). Thans is het ter beoordeling van de plaatselijke overheid om te bepalen wanneer er sprake is van een kermis. Dat wil zeggen dat de gemeente bepaalt in hoeverre de duur en de aard van een bepaalde activiteit van belang zijn om die activiteit als kermis te kwalificeren. Onder het begrip kermis kunnen derhalve zowel een tijdelijke gelegenheid van openbaar vermaak als ook een toeristisch vermaak- of amusementscentrum met een meer permanent karakter vallen. Tijdens het debat in de Tweede Kamer op 20 juni 1996 naar aanleiding van een algemeen overleg inzake het kansspelbeleid gaf de Staatssecretaris van Justitie aan positief tegenover een verbod op het opstellen van kermisautomaten op «permanente kermissen» te staan. Het achterliggende idee was dat verslavingsoproepende automaten zoveel mogelijk geweerd moeten worden. Naar aanleiding hiervan is nagegaan welke omvang het verschijnsel heeft en welke effecten het met zich meebrengt. Volgens de speelautomaten branche-organisatie VAN zijn er ongeveer tien amusementscentra met kermisautomaten in toeristenplaatsen en pretparken. Het verschijnsel is derhalve van zeer beperkte omvang. Wat betreft de effecten van het opstellen van kermisautomaten op permanente kermissen wijzen wij op een tweetal aspecten. Ten eerste kunnen met het spelen op deze automaten geen geldprijzen gewonnen worden. Bovendien is de waarde van andere te winnen prijzen gemaximeerd (zie het nieuwe artikel 30a, tweede lid). Het gevaar voor gokverslaving is derhalve niet aanwezig bij het spelen op kermisautomaten. Ten tweede zijn de effecten voor de traditionele kermissen van beperkte omvang. Er is immers slechts een beperkt aantal permanente kermissen in bedrijf in Nederland. Bovendien zijn deze permanente kermissen vaak gevestigd op een zodanige locatie dat de traditionele kermissen er geen nadeel van ondervinden. Er is derhalve op dit moment geen aanleiding om een wettelijk verbod te creëren voor het opstellen van kermisautomaten op permanente kermissen. Uiteraard zal in de toekomst, mochten zich hier vanuit het oogpunt van het kansspelbeleid problemen blijken voor te doen, besloten worden om het opstellen van kermisautomaten te beperken tot bepaalde locaties.” 14. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar stelling dat de wetgever bij het maken van de voormelde keuzes de financiële belangen van exploitanten van speelautomatenhallen nooit of beperkt heeft meegewogen. De Staatsecretaris van Financiën heeft voorafgaand aan de wijziging van de Wet KSB per 1 juli 2008 gevolg gegeven aan de motie Biermans c.s.[6] om inzicht te geven in de aannemelijke effecten van de wetswijziging op de bedrijfsvoering van exploitanten van speelautomaten. In een brief van 6 juni 2008 van de Staatssecretaris aan de Eerste Kamer[7] is vermeld dat de heffing van 29% kansspelbelasting op het bruto spelresultaat van speelautomaten een forse lastenverzwaring voor de sector inhoudt. De lastenverzwaring bestaat er vo Behendigheidsautomaten en kermisautomaten enerzijds en kansspelautomaten anderzijds hebben eigen, specifieke kenmerken en voor de exploitatie van kansspelautomaten geldt een afzonderlijke vergunningsplicht. Daardoor verkeren exploitanten van deze automaten feitelijk en rechtens gezien in een andere positie. De wetgever heeft ervoor gekozen om kansspelen op fysieke automaten hetzelfde te behandelen als kansspelen in een casino teneinde een consistenter en neutraler regime voor alle kansspelen in te voeren. Exploitanten van behendigheidsautomaten en kermisautomaten (speelgelegenheden) zijn niet belastingplichtig voor de kansspelbelasting. De bepalingen in de WOK (titel VA van de WOK) die gelden voor kansspelautomaten zijn op grond van artikel 30a van de WOK niet van toepassing op kermis- en behendigheidsautomaten. Uit de hiervoor onder 13 aangehaalde passage uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever dit onderscheid tussen kansspelautomaten enerzijds en behendigheids- en kermisautomaten anderzijds welbewust heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met deze keuze zijn ruime beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden en dat het oordeel van de nationale wetgever dient te worden geëerbiedigd. Exploitanten van speelautomatenhallen en exploitanten van speelgelegenheden zijn dus geen gelijke gevallen. Daaraan doet niet af dat op kermisautomaten ook kansspelen worden gespeeld en dat gemeenten, naar eiseres stelt, bij het toepassen van verordeningen geen (goed) onderscheid maken tussen de exploitatie van een speelautomatenhal en de exploitatie van een speelgelegenheid. 21. Eiseres heeft verder gesteld dat sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van enerzijds de exploitatie van kansspelautomaten in de horeca en anderzijds de exploitatie van kansspelautomaten in een speelautomatenhal. Daartoe voert eiseres aan dat bij de exploitatie van kansspelautomaten in de horeca de vergunninghouder de kansspelbelasting mag afwentelen op de horeca-exploitant door het sluiten van een partageovereenkomst. Een exploitant van een speelautomatenhal kan de kansspelbelasting echter niet afwentelen op een ander. 22. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Bij de exploitant van een speelautomatenhal is er geen mede-exploitant en komt de hele inzet dus toe aan de exploitant van de speelautomatenhal. Bij een exploitant van speelautomaten die deze verhuurt aan een horecaondernemer is dat anders. Er is dus ook hier geen sprake van gelijke gevallen. Reeds daarom is geen sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling. De stelling van eiseres dat de wetgever had kunnen kiezen voor een andere wijze van heffing - wat daar ook van zij - leidt niet tot een ander oordeel. 23. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat de heffing van kansspelbelasting van exploitanten van speelautomatenhallen in strijd komt met het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. Met de heffing van kansspelbelasting van exploitanten van speelautomatenhallen via de Wet KSB is geen Unierechtelijke verplichting ten uitvoer gebracht. De regeling valt daarom niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht. De tot het Unierecht behorende algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel, zijn daarom in dit geval niet van toepassing.[10] Is sprake van verboden staatssteun? 24. Eiseres stelt dat sprake is van een vorm van verboden staatssteun omdat exploitanten van speelgelegenheden geen kansspelbelasting zijn verschuldigd. Door exploitanten van speelautomatenhallen wel als belastingplichtigen aan te merken, worden exploitanten van speelgelegenheden bevoordeeld, aldus eiseres. 25. Nog daargelaten of de uitzondering voor kermisautomaten verboden staatssteun oplevert, kan dit eiseres niet baten. Ook als dat zo zou zijn, brengt dat niet mee dat geen kansspelbelasting meer kan worden geheven van exploitanten van speelautomatenhallen. Een onderneming die belasting is verschuldigd, kan zich niet aan de betaling daarvan o Onder exploitant als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan degene die een kansspelautomaat exploiteert in de zin van artikel 30h, tweede lid, van de Wet op de kansspelen.” 5.1.2. Vanaf 1 januari 2015 bepaalde artikel 1 van de wet KSB (voor zover van belang): “1. Onder de naam ‘kansspelbelasting’ wordt een directe belasting geheven van: a. degene die gelegenheid geeft tot deelname aan binnenlandse casinospelen, de houder van een vergunning voor de exploitatie van speelautomaten als bedoeld in artikel 30h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen, ten aanzien van de onder diens vergunning in Nederland geplaatste fysieke speelautomaten waarop een kansspelautomatenspel wordt gespeeld en degene die opbrengst geniet van zonder een vergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen in Nederland geplaatste fysieke speelautomaten waarop een kansspelautomatenspel wordt gespeeld; (…) c. de gerechtigden tot de prijzen van binnenlandse kansspelen, niet zijnde casinospelen, kansspelautomatenspelen of kansspelen welke via het internet worden gespeeld; (…) 2. Onder kansspelautomatenspel wordt verstaan een kansspel dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot rechtstreekse of niet-rechtstreekse uitkering van prijzen, met inbegrip van extra speelduur.” 5.1.3. Artikel 3 van de Wet KSB bepaalde voor de periode 3 oktober 2008 tot en met december 2016 (voor zover van belang): “De belasting wordt geheven: a. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen, dan wel, zo een ander dan de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt, naar hetgeen in een tijdvak ontvangen wordt voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan casinospelen (…); b. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c (Hof: tot 3 oktober 2008: onderdeel b, van toepassing is, naar de prijzen;” 5.1.4. Artikel 4 van de Wet KSB bepaalde voor de periode 3 oktober 2008 tot en met december 2016 (voor zover van belang): “Indien artikel 1, eerste lid, onderdeel c of d, van toepassing is, is van de belasting vrijgesteld [Hof: tot 3 oktober 2008: Van de belasting is vrijgesteld]: a. de prijs die niet meer bedraagt dan € 454 (Hof: vanaf 1 januari 2015: € 449); (…)” 5.2.1. Titel Va van de Wet op de kansspelen (WoK) betreft speelautomaten. Artikel 30a, lid 2, van de WoK bepaalt: “Deze Titel is niet van toepassing op bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen typen van speelautomaten die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt ter gelegenheid van kermissen, en die zodanig zijn ingericht, dat het bespelen ervan niet kan leiden tot de uitkering van geldprijzen, of tot de onmiddellijke uitkering van premies, waardebonnen of penningen, die een waarde vertegenwoordigen van meer dan het veertigvoud van de inzet per spel.” 5.2.2. Artikel 30h van de WoK bepaalt: “1. Het is verboden zonder vergunning van de raad van bestuur, bedoeld in artikel 33a, een of meer speelautomaten te exploiteren [Hof: tot 1 april 2012: Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken een of meer speelautomaten te exploiteren]. 2. Onder exploiteren wordt verstaan het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten.” 5.3.1. Het Speelautomatenbesluit 2000 bevat nadere regels ter uitwerking van titel VA (Speelautomaten) van de WoK over onder meer de aanwezigheidsvergunning, de exploitatievergunning en de toelating van speelautomaten. Artikel 13 van het Speelautomatenbesluit 2000 bepaalt (voor zover hier van belang): “1. Het model van een kansspelautomaat bestemd voor opstelling in een speelautomatenhal, is zodanig geconstrueerd dat: a. het toevalskarakter van het spel dat de automaat aanbiedt voortdurend gewaarborgd is; b. De exploitant verstrekt het entreebewijs, bedoeld in het eerste lid, slechts aan de personen waarvan hij op deugdelijke wijze heeft vastgesteld dat zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. (…)” 5.4.1. Artikel 2 van de Speelautomatenregeling 2000 bepaalt: ”Als typen van speelautomaten als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de wet worden aangewezen de automaten omschreven in bijlage I bij deze regeling.” 5.4.2. Bijlage I bij de Speelautomatenregeling 2000 is getiteld ‘Typen speelautomaten, bestemd om op kermissen te worden gebruikt, als bedoeld in artikel 30a, lid 2, van de Wet op de kansspelen.’ In de onderdelen e en h van de bijlage staat: “e. Naam: apollo, jackpot, dominospel, fruitautomaat, star-steps, big wheel Omschrijving: In een kast bevinden zich drie of vier roterende rollen met daarop (fruit)symbolen. Na inworp worden via een hendel aan de zijkant van de kast de rollen in beweging gezet. Na een aantal omwentelingen worden de rollen (automatisch) één voor één tot stilstand gebracht. Op de ruit waarachter zich de rollen bevinden is een winlijn aangegeven. De symboolcombinatie op de winlijn geeft volgens een eveneens op de winlijn aangebracht winplan recht op uitkering van waardepenningen, die door de machine worden uitbetaald. Op sommige automaten bestaat de mogelijkheid bij een volgend spel door middel van druktoetsen rollen vast te zetten om de kans op een winnende combinatie te vergroten. (…) h. Naam: rotalet, roebelroulette, lucky colors, roulette, vensterspel, cijferspel, colorama Omschrijving: In het midden van een ronde speeltafel bevindt zich een roulettecilinder met vakjes waarin de afbeeldingen staan. Elke positie aan de speeltafel representeert een van de afbeeldingen. Door middel van inworp kiest de speler voor een bepaald beeld en zet daar in feite op in. Na inworp wordt het roulettespel in werking gezet. De speler op wiens beeld de bal valt is winnaar.” a. Is de kansspelbelasting een verboden heffing als bedoeld in artikel 401 van de Btw-richtlijn? 5.5. Belanghebbende stelt dat een belasting ook het karakter van een omzetbelasting kan hebben als deze niet alle kenmerken bezit die worden genoemd in het door de Rechtbank aangehaalde arrest (overweging 8 in de uitspraak van de Rechtbank). Een belasting hoeft niet identiek te zijn aan de omzetbelasting. Indien goederen en diensten worden belast op een vergelijkbare wijze als de omzetbelasting is sprake van een verboden heffing zoals bedoeld in artikel 401 van de Btw-richtlijn. 5.6. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank en de daarbij gegeven motivering dat de kansspelbelasting geen verboden heffing is zoals bedoeld in artikel 401 van de Btw-richtlijn. Het Hof vult dit als volgt aan. 5.7. Om uit te maken of een belasting, een recht of een heffing het karakter van een omzetbelasting in de zin van artikel 401 van de btw-richtlijn heeft, moet met name worden nagegaan of die belasting, dat recht of die heffing de werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar brengt door het goederen- en dienstenverkeer te belasten en door op de handelstransacties te drukken op vergelijkbare wijze als de btw. In dit verband heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt dat in ieder geval belastingen, rechten en heffingen die de wezenlijke kenmerken van de btw bezitten moeten worden geacht het goederen- en dienstenverkeer te belasten op vergelijkbare wijze als de btw, ook al zijn zij niet in alle onderdelen daaraan identiek. Daarentegen verzet artikel 401 van de btw-richtlijn zich niet tegen de handhaving of de invoering van een belasting die een van de wezenlijke kenmerken van de btw niet bezit (HvJ 25 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:137, (Novo Banco), r.o. 46 en 47). 5.8. De btw is een belasting die algemeen van toepassing is op transacties betreffende goederen of diensten. De kansspelbelasting is een belasting specifiek gericht op het belasten van het voordeel dat behaald wordt door degene die gelegenheid geeft deel te nemen aan ee Voor een geslaagd beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM moet sprake zijn van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De wetgever heeft in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en als dit zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (vgl. o.a. HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3022). 5.12. In speelautomatenhallen en speelgelegenheden zijn speelautomaten (fruitautomaten, roulette en schuivers) opgesteld die er vrijwel identiek uitzien. Een verschil is dat de speelautomaat in speelgelegenheden uitkeert met muntjes of tokens, die kunnen worden omgewisseld in een prijs en de speelautomaat in speelautomatenhallen uitkeert in geld. 5.13. Bij de beoordeling of belanghebbende en van kansspelbelasting vrijgestelde exploitanten van speelgelegenheden voor wat betreft de exploitatie van speelautomaten gelijke gevallen zijn, dient in aanmerking te worden genomen dat de wetgever voor de vrijstelling van speelautomaten op kermissen (waaronder speelgelegenheden) voorwaarden heeft gesteld die afwijken van de voorwaarden waaronder belanghebbende speelautomaten exploiteert. Voor toepassing van de vrijstelling geldt immers als voorwaarde dat de automaten zodanig zijn ingericht dat het bespelen ervan niet kan leiden tot de uitkering van geldprijzen of tot de onmiddellijke uitkering van premies, waardebonnen of penningen, die een waarde vertegenwoordigen van meer dan het veertigvoud van de inzet (zie 5.2.1). Voor belanghebbende gelden andere voorwaarden: zij mag uitkeren in geld en er zijn grenzen gesteld aan onder meer de maximale inzet, het minimumbedrag dat moet worden uitgekeerd en het maximaal per spel te lijden verlies (zie 5.1.1, 5.1.2, 5.2.2 en 5.3.1). Verder geldt dat belanghebbende, anders dan de exploitant van een speelgelegenheid, alleen toegang mag verlenen aan bezoekers die 18 jaar of ouder zijn (zie 5.3.2). 5.14. In de parlementaire behandeling van de WoK is over de vrijstelling voor automaten op kermissen onder meer het volgende opgemerkt: “Thans is het ter beoordeling van de plaatselijke overheid om te bepalen wanneer er sprake is van een kermis. Dat wil zeggen dat de gemeente bepaalt in hoeverre de duur en de aard van een bepaalde activiteit van belang zijn om die activiteit als kermis te kwalificeren. Onder het begrip kermis kunnen derhalve zowel een tijdelijke gelegenheid van openbaar vermaak als ook een toeristisch vermaak- of amusementscentrum met een meer permanent karakter vallen. Tijdens het debat in de Tweede Kamer op 20 juni 1996 naar aanleiding van een algemeen overleg inzake het kansspelbeleid gaf de Staatssecretaris van Justitie aan positief tegenover een verbod op het opstellen van kermisautomaten op «permanente kermissen» te staan. Het achterliggende idee was dat verslavingsoproepende automaten zoveel mogelijk geweerd moeten worden. Naar aanleiding hiervan is nagegaan welke omvang het verschijnsel heeft en welke effecten het met zich meebrengt. Volgens de speelautomaten brancheorganisatie VAN zijn er ongeveer tien amusementscentra met kermisautomaten in toeristenplaatsen en pretparken. Het verschijnsel is derhalve van zeer beperkte omvang. Wat betreft de effecten van het opstellen van kermisautomaten op permanente kermissen wijzen wij op een tweetal aspecten. Ten eerste kunnen met het spelen op deze automaten geen geldprijzen gewonnen worden. Bovendien is de waarde van andere te Enerzijds hebben exploitanten van traditionele kermissen er belang bij dat uitsluitend aldaar kermisautomaten mogen worden geplaatst. Anderzijds hebben exploitanten van amusementscentra er belang bij dat kermisautomaten ook in amusementscentra mogen worden geplaatst. In dit verband wordt in de nota «kansspelen herijkt» (kamerstukken II 1995/96, 24 557, nr. 2) reeds opgemerkt dat er geen sprake is van concurrentievervalsing of oneerlijke concurrentie. Er is hier sprake van normale concurrentie tussen verschillende marktdeelnemers. Zolang daarvoor geen rechtvaardiging van algemeen belang bestaat, zoals bijvoorbeeld het voorkomen van gokverslaving, is het niet aan de wetgever om in te grijpen in de concurrentieverhoudingen tussen marktdeelnemers’.” ( Kamerstukken II 1997/98, 25 727, nr. 6, pag. 17 en 18) 5.15. Uit deze parlementaire stukken blijkt dat de wetgever met de in artikel 30c van de WoK opgenomen voorwaarde dat geen uitkeringen in geld mogen worden gedaan, een wezenlijk verschil heeft willen creëren tussen voor de vrijstelling in aanmerking komende speelautomaten en speelautomaten waarvoor de vrijstelling niet geldt. De wetgever is er kennelijk vanuit gegaan dat door die voorwaarde een kermisautomaat niet gelijk is aan een ‘gewone’ speelautomaat waarvoor die voorwaarde niet geldt, en heeft er daarmee ook voor gekozen de exploitant van een kermisautomaat voor de kansspelbelasting niet hetzelfde te behandelen als de exploitant van ‘gewone’ speelautomaten. Ten aanzien van dit onderscheid kan, gelet op de toelichting van de fiscale wetgever, niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft daarmee zijn ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of de exploitant van een kermisautomaat en de exploitant van ‘gewone’ speelautomaten als (on)gelijk moeten worden beschouwd niet overschreden. 5.16.1. De stelling van belanghebbende dat het beginsel van fiscale neutraliteit meebrengt dat het verschil tussen speelautomatenhallen en speelgelegenheden moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de speler, kan niet worden gevolgd. Belanghebbende wijst op het begrip fiscale neutraliteit dat is ontwikkeld in de btw-jurisprudentie. Aangezien deze procedure geen btw-procedure maar een kansspelbelastingprocedure betreft, is toetsing aan het fiscale (Unierechtelijke) neutraliteitsbeginsel niet mogelijk. 5.16.2. Ten overvloede merkt het Hof in dit verband op dat verschillen op het gebied van minima en maxima van de inzet en de prijzen en wat betreft de kansen om te winnen, vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument/speler kunnen leiden tot een onderscheid tussen verschillende (kans)spellen (vgl. HvJ 12 september 2024, ECLI:EU:C:2024:732, Casino de Spa e.a. r.o. 37). 5.17. Ten aanzien van belanghebbendes beroep op artikel 17 van het Handvest geldt het volgende. De bepalingen van het Handvest zijn volgens artikel 51, lid 1, van het Handvest gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Europese Unie ten uitvoer brengen. Aangezien de Wet KSB op de voor dit geschil relevante punten geen Unierecht ten uitvoer brengt, is het Handvest in de onderhavige zaak niet van toepassing. c. Leidt de heffing van kansspelbelasting tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (1 EP EVRM) op regelniveau? 5.18. Belanghebbende stelt dat de wetgever met de heffing van kansspelbelasting voor kansspelautomaten op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM omdat het vereiste van een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) heeft geschonden. Belanghebbende is van mening dat de arresten van 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523 en ECLI:NL:HR:2014:1524, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de heffing van kansspelbelasting voor kansspelautomaten op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM niet meer opgaan. Dit omdat meer dan tien jaar na de arre