Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:2196
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/488 Uitspraak van 30 juni 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: F.M.A.M. van Merrienboer) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 mei 2025, nummer SGR 24/1670. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.657 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 55.238 (de navorderingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 2.532 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de rentebeschikking afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend, bij het Hof ingekomen op 2 juni 2026. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 juni 2026. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft ter zitting twee pleitnota’s overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1970. Hij was het gehele jaar 2016 gehuwd met [A] (de echtgenote) en hij had in dat jaar twee minderjarige kinderen, [B] en [C] (de dochters). 2.2. Op 14 december 2008 hebben belanghebbende, de ouders van belanghebbende [D] sr. (de vader) en [E] (de moeder; gezamenlijk: de ouders) en de vennootschap [B.V. 1] een overeenkomst gesloten met het opschrift “Lijfrente-overeenkomst” (de overeenkomst). In de overeenkomst is belanghebbende aangemerkt als verzekerde en [B.V. 1] als verzekeraar. De overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt: “A. [Belanghebbende] (…) hierna te noemen de “Verzekerde”. B. [De vader] (…) en [de moeder] (…), hierna (tezamen) te noemen de “Ouders”. C. [B.V. 1] , te dezen vertegenwoordigd door haar directrice [B.V. 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , welke vertegenwoordigd wordt door haar directeur [de vader] (…). Ondergetekenden A, B en C tezamen ook wel aangeduid als ‘de Partijen’. In aanmerking nemende: dat de ondergetekende verzekerde per 13 november 2008 bij ondergetekende verzekeraar een koopsom stort ter grootte van € 5.000.000 (vijf miljoen euro) ten einde van ondergetekende verzekeraar een recht op een uitgestelde lijfrente te verkrijgen ingaande bij overlijden van de langstlevende Ouder. dat partijen de ter zake gemaakte afspraken op schrift willen vastleggen. Verklaren het volgende te zijn overeengekomen: 1. De ondergetekende verzekeraar verbindt zich aan de ondergetekende verzekerde met ingang van de datum waarop beide ondergetekende Ouders niet meer in leven zijn, uit te keren een op die datum dadelijk ingaande levenslange lijfrente ter grootte van € 681.171 (zeshonderdéénentachtigduizend éénhonderdéénenzeventig euro). 2. Ondergetekende verzekerde is voor verwerving van het in artikel 1 genoemde recht aan [B.V. 1] een koopsom van € 5.000.000 (vijf miljoen euro) verschuldigd. De koopsom wordt rentedragend schuldig gebleven ten titel van geldlening. De voorwaarden voor deze geldlening zijn vastgelegd in een separate akte van geldlening welke akte aan onderhavige akte wordt gehecht en daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt. 3. Bij overlijden van de Verzekerde vóór de in artikel 1 bedoelde ingangsdatum, wordt Nadere regels voor de waardering van periodieke uitkeringen, waaronder lijfrenteaanspraken, staan in artikel 19 UBIB. Artikel 19, derde en elfde lid, UBIB luiden: “Lid 3. De waarde van een levenslange periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.” “Lid 11. De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.” 12. Artikel 19, derde lid, UBIB is ingevoerd in 2006. In de toelichting bij de Wijziging uitvoeringsbesluit per 2006[1] is in dat kader opgenomen: “ Vanuit de praktijk is aan de Belastingdienst met enige regelmaat de vraag gesteld op welke wijze een recht op een nog niet ingegane (levenslange of tijdelijke) periodieke uitkering dient te worden gewaardeerd. Dergelijke periodieke uitkeringen zouden gewaardeerd moeten worden op grond van de bepaling uit artikel 19, negende lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001: de aankoopwaarde van een soortgelijk recht. Het derde en vierde lid zijn ingevoegd om te komen tot een praktische waardering van uitgestelde periodieke uitkeringen. In het ingevoegde derde lid is geregeld op welke wijze een recht op een levenslange periodieke uitkering dient te worden gewaardeerd indien deze uitkering nog niet is ingegaan. Voor de periode dat de uitkering nog niet is ingegaan, wordt het bedrag van de jaarlijkse uitkering gesteld op nihil. Voor de waardering wordt aangesloten bij de tabel in het tweede lid. Aangezien het gaat om een levenslange uitkering, moet voor de berekening de gehele kolom behorende bij een bepaalde leeftijdsklasse worden ‘doorlopen’. Indien een 25-jarige belastingplichtige recht heeft op een levenslange periodieke uitkering van € 1.000 per jaar die ingaat op de dag dat hij 35 jaar wordt, dient de waardering als volgt plaats te vinden: – voor het eerste vijftal jaren: 0 (bedrag van de uitkering) × 5 (aantal jaar) × 0,91 (factor) = 0 – voor het tweede vijftal jaren: 0×5×0,74 = 0 – voor het derde vijftal jaren: € 1.000 (de uitkering zal dan ingaan)×5× 0,61 = € 3.050 – voor het vierde vijftal jaren: € 1.000×5×0,49 = € 2.450 – voor het vijfde vijftal jaren: € 1.000×5×0,40 = € 2.000 Enzovoort tot en met het twaalfde vijftal jaren. De som van de aldus berekende waarden per vijftal jaren vormt de waardering van de periodieke uitkering. Deze som kan niet hoger zijn dan de waarde van de periodieke uitkering indien deze reeds zou zijn ingegaan, en derhalve zou zijn gewaardeerd overeenkomstig het eerste lid”. 13. De rechtbank zal hierna de vraag beantwoorden of de lijfrenteaanspraak van eiser valt onder de reikwijdte van artikel 19, derde lid, UBIB. Vooropgesteld wordt dat de datum waarop de onderhavige periodieke lijfrente-uitkering ingaat niet op voorhand vaststaat, nu deze ingangsdatum afhankelijk is van het overlijden van beide ouders. In het derde lid van genoemd artikel 19 staat: “waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld” . In het voorbeeld dat is gegeven in de toelichting bij de invoering van artikel 19, derde lid, UBIB ligt het moment waarop de uitkering ingaat vast. Daarom is het in dat geval praktisch gezien mogelijk om tot dat moment het jaarlijkse bedrag op nihil te stellen. De onderhavige situatie wijkt van die situatie af, vanwege de onzekere ingangsdatum van de lijfrente-uitkering. Eiser heeft dit opgelost door gebruik te maken van sterftetabellen van CBS Statline om een gezamenlijke levensverwachting te bep Belanghebbende heeft voor het bepalen van het tijdstip van ingang van de uitkeringen gebruikgemaakt van sterftetabellen van CBS Statline om een gezamenlijke levensverwachting van de ouders te bepalen en heeft vervolgens aansluiting gezocht bij de tabel van artikel 19, lid 2, UBIB. 5.2.2. Belanghebbende betoogt in hoger beroep onder meer het volgende, toegespitst op zijn lijfrenteaanspraak. De gebruikte sterftetabellen bevatten de objectief vastgestelde levensverwachtingen van de inwoners van Nederland. De parameters op grond waarvan en de wijze waarop belanghebbende de ingangsdatum heeft vastgesteld, liggen dus bij voorbaat vast. In zoverre is wel degelijk sprake van een bepaalde ingangsdatum in die zin dat deze op grond van objectieve, niet door belanghebbende te beïnvloeden, grondslagen is bepaald. De ingangsdatum van de lijfrente is weliswaar afhankelijk van de levens van de ouders en is daarmee van belang voor de waardering van de lijfrenteverplichting van [B.V. 1] , maar niet voor de waardering en de hoogte van het recht op de periodieke uitkering van belanghebbende. De omvang van de termijnen is vastgesteld bij de totstandkoming van de aanspraak en is derhalve niet afhankelijk van de ingangsdatum van de periodieke uitkering (het overlijden van de langstlevende ouder). De daadwerkelijke ingangsdatum is derhalve niet van invloed op de hoogte van de periodieke uitkering. In zoverre is er vanuit de positie van belanghebbende bezien sprake van een periodieke uitkering die uitsluitend afhankelijk is van zijn leven, zo betoogt hij. 5.3. De Inspecteur is van opvatting dat de onderhavige periodieke uitkeringen onder geen van de bepalingen van artikel 19, leden 1 tot en met 10, UBIB kunnen worden geschaard, zodat de regel voor “overige periodieke uitkeringen” van artikel 19, lid 11, UBIB resteert. Op grond hiervan is voorgeschreven een waardering op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht (de waarde in het economische verkeer, zie 2.6). 5.4. Bij de beoordeling van het geschil zal het Hof eerst nagaan of sprake is van een periodieke uitkering die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, zoals artikel 19, lid 3, UBIB vereist en waaraan volgens belanghebbende is voldaan. 5.5. Het Hof is van oordeel dat de uitdrukking “afhankelijk van het leven” zoals die wordt gebezigd in de diverse leden van artikel 19 UBIB, zo moet worden opgevat dat de periodieke uitkering doorloopt zolang de begunstigde hiervan in leven is. Of hieraan is voldaan, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden op het moment van ingaan van de periodieke uitkering. Steun hiervoor is te ontlenen aan artikel 1.7, lid 1, letter a, Wet IB 2001, waarin – voor zover van belang – onder lijfrente wordt verstaan “een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden (…)”. Volgens oudere jurisprudentie moet de vraag of een lijfrente van het leven van één of meerdere personen afhankelijk is, worden bezien vanuit het standpunt van de genieter van de uitkering en niet de toezeggende maatschappij, met andere woorden de verzekeraar (HR 8 december 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2703, en HR 25 mei 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2503). In laatstgenoemd arrest wordt tevens overwogen dat van een lijfrente sprake is, indien het einde van een periodieke uitkering afhankelijk is van iemands leven, hetgeen in wezen overeenstemt met de door artikel 1.7, lid 1, letter a, Wet IB 2001 gestelde voorwaarde dat de periodieke uitkeringen uiterlijk bij het overlijden eindigen. Ook de formulering van artikel 19, lid 8, UBIB, dat ziet op periodieke uitkeringen die afhankelijk zijn van twee of meer levens, biedt steun voor het hiervoor gegeven oordeel. Hierin wordt namelijk gesproken van een periodieke uitkering die vervalt bij het overlijden van de langstlevende dan wel de eerststervende van twee of meer personen. 5.6. Op grond van de overeenkomst heeft belanghebbende recht o