Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:2168
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/579 Uitspraak van 24 juni 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 juni 2025, nummer SGR 23/7170. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.687 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is een vergrijpboete opgelegd van € 2.421 en is € 889 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete- en rentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar is de Inspecteur deels aan belanghebbendes bezwaren tegemoetgekomen. De naheffingsaanslag is verminderd tot een bedrag van € 8.012, de boetebeschikking is vernietigd en de rentebeschikking is verminderd tot een bedrag van € 735. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid (het Hof heeft de voetnoot achterwege gelaten): “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; - veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.960; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden. - draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2026. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota met bijlagen toegestuurd. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft gedurende 2017 verzoeken ingediend om teruggaaf van bpm wegens export van (onder meer) de volgende in Nederland geregistreerde motorrijtuigen: kenteken merk teruggaaf Auto 1 [kenteken 1] Skoda € 379 Auto 2 [kenteken 2] Audi € 1.134 Auto 3 [kenteken 3] BMW € 2.009 Auto 4 [kenteken 4] BMW € 1.675 Auto 5 [kenteken 5] Mercedes-Benz € 2.353 Auto 6 [kenteken 6] Mercedes-Benz € 2.137 Totaal € 9.687 Op de verzoeken is ten aanzien van bovengenoemde auto’s teruggaaf van bpm verleend tot een bedrag van € 9.687. 2.2. Alle bovengenoemde auto’s zijn uitgeschreven uit het Nederlandse kentekenregister en in Duitsland voor onbepaalde tijd op kenteken gezet. De auto’s 1, 2, 3, 5 en 6 zijn voorafgaande daaraan uitgevoerd naar landen buiten de Europese Unie (EU) of de Europese Economische Ruimte (EER). 2.3. Bij brief van 10 november 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd van zijn voornemen tot naheffing van de teruggegeven bpm. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Onlangs is gebleken dat u in 2017 een of meer motorrijtuigen (aantal: 6) waarvoor u teruggaaf van bpm heeft ontvangen, tevens bij de Douane ten uitvoer heeft aangegeven vanwege export buiten de EU/EER. Met andere woorden deze motorrijtuigen zijn vanwege export buiten de EU/EER gebracht. Dat is duidelijk in strijd met doel en strekking van artikel 14a Wet bp De zaken van eiseres en de andere cliënten zijn door verweerder in de bezwaarfase gelijktijdig behandeld, in deze zaken door dezelfde persoon rechtsbijstand is verleend en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn geweest. Dat de werkzaamheden ten behoeve van verschillende belanghebbenden zijn verricht doet aan de samenhang niet af. 13. Bij het toekennen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is verweerder uitgegaan van € 296 per punt. De rechtbank sluit zich aan bij het eensluidende standpunt van partijen dat dit bedrag te laag is en gaat, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), uit van een tarief van € 647 per punt. De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand derhalve op € 1.941 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor deelname aan een hoorgesprek met een waarde per punt van € 647 en factor 1,5 wegens samenhang). Nu in de bezwaarfase reeds € 888 is toegekend dient verweerder voor de bezwaarfase nog € 1.053 aan eiseres te betalen, doch een en ander slechts voor zover deze aanvulling op de proceskostenvergoeding niet reeds aan één van de andere in de beschikking van 9 oktober 2023 opgenomen cliënten van de gemachtigde van eiseres is uitgekeerd. 14. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. 15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard. 16. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 2 januari 2023 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 9 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 26 juni 2025 gedaan. Dat is afgerond 2 jaar en ruim 5 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 5 maanden is overschreden. Eiseres heeft dan ook recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. De overschrijding dient voor de helft te worden toegerekend aan de bezwaarfase en voor de ander helft aan de beroepsfase. 17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit en hetgeen hierboven over de bezwaarfase is overwogen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.053 voor de bezwaarfase en € 907 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,5), dus in totaal € 1.960. De rechtbank hanteert factor 0,5 omdat het beroep enkel gegrond gaat op de voor de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding. (…) [2] ECLI:NL:RBGEL:2023:2227.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of: a. a) de Rechtbank het recht heeft geschonden omdat zij niet de juiste wettekst heeft toegepast bij haar beoordeling; b) de naheffingsaanslag terecht en, na vermindering daarvan in bezwaar, tot het juiste bedrag is opgelegd; c) de inspecteur in strijd handelt met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 1, twaalfde protocol EVRM vanwege een ongerechtvaardigd onderscheid tussen export naar EU-lidstaten dan wel EER-staten en derde landen. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin is beslist dat de naheffingsaanslag gehandhaafd wordt, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover daarin is beslist dat de naheffingsaanslag gehandhaafd wordt, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep zonder toepassing van de vermindering Artikel 14a, lid 1, Wet BPM (tekst in 2017) luidt: “Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.” 5.4.2. Artikel 4a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit luidt (in 2017) – voor zover van belang – als volgt: “De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien: a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht (…) (…) d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 5.5.1. De toelichting bij de invoering van artikel 14a Wet BPM vermeldt onder meer (NvW, Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 9, p. 17): “In het eerste lid van artikel 14a van de Wet BPM wordt de teruggaaf geregeld voor voertuigen met een Nederlands kenteken waarvan de tenaamstelling in het register van de Dienst Wegverkeer (RDW) wordt beëindigd in verband met overbrenging naar een andere EU-lidstaat of EER-staat. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken tot dan toe stond. (…) Ten algemene geldt dat teruggaaf wordt verleend onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. Zo dient de overbrenging van het voertuig naar het buitenland een permanent karakter te hebben. Daarnaast zal het voertuig in een andere EU-lidstaat of EER-staat geregistreerd moeten zijn of worden. (…) 5.5.2. De Nota van toelichting bij het besluit van 19 december 2006 tot wijziging van enige fiscale Uitvoeringsbesluiten (Stb. 2006, 684, p. 36) vermeldt onder meer: “De artikelen 4a en 4b van het Uitvoeringsbesluit geven uitvoering aan de in het Belastingplan 2007 opgenomen teruggaaf van BPM bij export. De teruggaaf van BPM bij export wordt slechts verleend voor voertuigen die worden uitgevoerd naar een EU-lidstaat of andere EER-staat.” 5.5.3. Per 1 januari 2016 is artikel 14a, lid 1, Wet BPM aangepast zodat geen teruggaaf wordt verleend voor een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig in een andere EU-lidstaat dan wel EER-staat. Deze wijziging is als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2014-2015, 34 220, nr. 3, p. 5 en 18): “(...) De teruggaafregeling bij export van motorrijtuigen van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) wordt zodanig aangepast dat de BPM-teruggaaf alleen wordt verleend indien het geëxporteerde motorrijtuig, overeenkomstig de Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (Richtlijn 1999/37/EG) duurzaam is ingeschreven in een andere EU-lidstaat of in een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte (EER). Dit werpt een drempel op tegen het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf bij export naar een land buiten de EU/EER via een bijvoorbeeld tijdelijke registratie in een land binnen de EU/EER. 5.5.4. In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is het volgende opgemerkt (Kam Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan, verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Het invoeren van een minimumperiode zou betekenen dat de Belastingdienst deze motorrijtuigen in het buitenland gedurende een bepaalde periode zou moeten blijven volgen. Dit is voor de Belastingdienst praktisch ondoenlijk. Het is bovendien de vraag of een minimumperiode Europeesrechtelijk houdbaar is. (…)” 5.5.6. Uit de toelichtingen van de wetgever bij artikel 14a Wet BPM en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit volgt dat de inschrijving van een auto overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) in andere EU-lidstaat of EER-staat samenhangt met de uitvoer van die auto naar diezelfde EU-lidstaat of EER-staat. Dit blijkt ook uit de verduidelijking die, weliswaar na het onderhavige tijdvak, is aangebracht in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. De toelichting vermeldt onder meer (Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten, Stb. 2020, 551, p. 23): “De voorwaarden voor de teruggaafregeling op grond van de artikelen 14a en 14b Wet BPM 1992 worden verduidelijkt. Het is de bedoeling van deze bepalingen dat voor toepassing van de teruggaafregeling in elk geval is vereist dat het motorrijtuig daadwerkelijk is overgebracht naar dezelfde lidstaat van de Europese Unie of de staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte als waar het motorrijtuig is ingeschreven. Deze voorwaarde blijkt ook uit de jurisprudentie op dit punt.[voetnoot ECLI:NL:GHDHA:2018:4032] Aan de inspecteur moeten, indien hij daarom verzoekt, bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig daadwerkelijk daarnaartoe is gebracht. Gedacht kan worden aan bescheiden die rechtstreeks betrekking hebben op de verzending of het vervoer van het motorrijtuig (de CMR-vrachtbrief en de nota van de vervoerder) of een door de koper ondertekend bewijs van aflevering (ontvangstbevestiging).” 5.6.1. Artikel 14a Wet BPM regelt, gelet op hetgeen staat vermeld in de overwegingen onder 5.5, de teruggaaf voor voertuigen met een Nederlands kenteken waarvan de tenaamstelling in het register van de Dienst Wegverkeer (RDW) wordt beëindigd in verband met overbrenging naar een andere EU-lidstaat of EER-staat (zie 5.5.1). Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit geeft uitvoering aan de in artikel 14a Wet BPM neergelegde teruggaaf van bpm bij export. Deze teruggaaf van bpm bij export wordt slechts verleend voor voertuigen die worden uitgevoerd naar een EU-lidstaat of andere EER-staat (zie 5.5.2). Ook uit de overige aangehaalde toelichtingen (zie 5.5.3 tot en met 5.5.6) volgt dat de teruggaafregeling van artikel 14a is bedoeld voor auto’s die duurzaam in een andere EU-lidstaat of EER-staat zullen worden gebruikt. 5.6.2. Op het moment dat belanghebbende de teruggaafverzoeken deed conform artikel 14a wet bpm stond voor alle auto’s in de onderhavige zaak al vast dat deze waren uitgevoerd naar een land buiten de EU/EER. Belanghebbende heeft ter zitting ook erkend dat de uitvoeraangiftes voor de auto’s al waren ingediend en dat de auto’s de EU al hadden verlaten voordat de Duitse kentekens en de teruggaven van bpm voor de auto’s waren aangevraagd. Hiervan uitgaande is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat aan belanghebbende geen teruggaaf kan worden verleend. 5.7. Ten overvloede merkt het Hof op dat belanghebbende geen andere reden had voor de registratie in Duitsland anders dan het verkrijgen van de teruggaaf. Ter zitting heeft belanghebbende - desgevraagd - toegelicht dat de inschrijving in Duitsland ook een commerciële reden had. In dat verband heeft zij toegelicht dat een Duits kentekenbewijs de voorkeur geniet omdat hierop meer informatie over de auto staat dan op een Nederlands kentekenbewijs en een auto dus aantrekkelijker maakt voor een koper.