Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-13
ECLI:NL:GHDHA:2026:2047
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/674 Uitspraak van 13 mei 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 mei 2024, nummer SGR 23/1034. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 865.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag onroerendezaak-belastingen gebruiker van de gemeente Zoetermeer (de OZB-aanslag), alsmede een aanslag rioolheffing gebruiker (gezamenlijk: de aanslagen). 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaren tegen de beschikking en de aanslagen afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar over de beschikking en de OZB-aanslag beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 559. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Bij bericht van 24 september 2025 aan belanghebbende en aan de Heffingsambtenaar heeft het Hof laten weten dat het de zaak af wilde doen zonder mondelinge behandeling en dat een partij die toch gebruik wilde maken van het recht ter zitting te worden gehoord dat uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van voormeld bericht moest laten weten. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Feiten 2.1. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een winkel met een showroom op de begane grond van ongeveer 382 m² en op de eerste etage van ongeveer 469 m2. De onroerende zaak beschikt verder over een opslagruimte van ongeveer 34 m2. 2.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslagen. In het bezwaarschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “(…) Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken via [e-mailadres] het taxatieverslag of een taxatiekaart/matrix met daarop een uitgebreide onderbouwing van de waarde toe te sturen. Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen. Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:1051, ECLI:NL:RBAMS:2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246 (…)” 2.3. In de uitspraak op bezwaar zijn de volgende gegevens vermeld: “Het onderhavige object [adres 1] betreft een winkel/verkoopruimte van 885 m2. Op 0 Eiseres heeft in bezwaar verweerder verzocht conform artikel 40 Wet WOZ alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Eiseres heeft hierbij gewezen op onder meer de huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, de onderbouwing van de kapitalisatiefactor en de correctie in verband met Covid-19. In beroep heeft eiseres gesteld dat verweerder geen inzicht heeft gegeven in de gegevens op basis waarvan de kapitalisatiefactor is vastgesteld. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak op bezwaar waarin volgens hem onderdelen zijn opgenomen die bij de bepaling van de kapitalisatiefactor een rol spelen en de transactiecijfers die vermeld zijn ter onderbouwing van de kapitalisatiefactor. 13. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder een kapitalisatiefactor van 10,7 opgenomen voor de onroerende zaak en een overzicht van gebruikte referentiehuren. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt een volledige onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van de onderbouwing van de kapitalisatiefactor. Nu de onderbouwing van de kapitalisatiefactor niet uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan eiseres is verstrekt, is artikel 40 van de Wet WOZ geschonden[2]. Eiseres heeft in beroep alsnog kennis kunnen nemen van alle onder 12 genoemde gegevens, waaronder dus de onderbouwing van de kapitalisatiefactor en heeft deze kunnen betwisten. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. 14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard. Immateriële schadevergoeding 15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 13 april 2022, zodat er sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn van 1 maand en 15 dagen ten tijde van het doen van deze uitspraak. Eiseres heeft in beginsel recht op een vergoeding ter compensatie voor de spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. Uit de door eiseres overgelegde machtiging volgt dat de vergoeding toekomt aan de gemachtigde en niet aan eiseres. Nu niet gebleken is dat is afgeweken van de machtiging, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiseres niet persoonlijk gecompenseerd behoeft te worden voor spanning en frustratie[3]. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen. 16. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. (…) [2] Hoge Raad, 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052 [3] Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1918, r.o. 5.8” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of: de Rechtbank belanghebbendes verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ten onrechte heeft afgewezen; Belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding wegens schending artikel 40, lid 2, Wet WOZ door de Heffingsambtenaar omdat hij niet de volledige onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor heeft verstrekt; en de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Voorts verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep en vraagt hij het Hof te bepalen dat de betaling rechtstreeks aan gemachtigde dient plaats te vinden. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het geschil Uitstelverzoek mondelinge behandeling Rechtbank 5.1. De R Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt ook overigens niet van zwaarwegende belangen die het verlenen van uitstel in de weg hebben gestaan. Gelet op het voorgaande berust de beslissing van de Rechtbank op het verzoek om uitstel niet op toereikende gronden en is het hoger beroep van belanghebbende wat betreft het weigeren van uitstel van de mondelinge behandeling door de Rechtbank gegrond. Toezendverplichting (art. 40, lid 2, Wet WOZ) 5.5. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). De gegevens dienen uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar te worden verstrekt (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.3.1). 5.6. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding wegens schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ omdat de Heffingsambtenaar niet de volledige onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor heeft verstrekt. De verzochte gegevens, namelijk de (gehele) onderbouwing kapitalisatiefactor, zijn volgens belanghebbende te laat door de Heffingsambtenaar verstrekt. 5.7. De Heffingsambtenaar stelt dat de toezendplicht niet is geschonden en voert daartoe het aan dat de door belanghebbende verzochte kapitalisatiefactor en een overzicht van de gebruikte referentiehuren bij uitspraak op bezwaar zijn verstrekt. 5.8. Gelet op de inhoud van belanghebbendes verzoek (zie 2.2) was deze voldoende specifiek. 5.9. Aan de in 5.5 bedoelde eis dat de gegevens voor de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak zijn gebruikt, is slechts voldaan indien die gegevens door de heffingsambtenaar daarvoor rechtstreeks zijn gebruikt. Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ verplicht de heffingsambtenaar daarom niet tot het verstrekken van afschriften van bronnen waaraan hij die gegevens heeft ontleend (en dus ook niet van de bronnen van die bronnen, enzovoorts) (HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297). De door de Heffingsambtenaar bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak gebruikte kapitalisatiefactor is een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt. De voor de waardering van de onroerende zaak gehanteerde kapitalisatiefactor is vermeld in het taxatieverslag en in de uitspraak op bezwaar. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ echter niet van toepassing op de gegevens waarop de kapitalisatiefactor is gebaseerd. Het Hof is daarom van oordeel dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet is geschonden door de gang van zaken rondom de onderbouwing van de kapitalisatiefactor, zodat de Rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Vergoeding van immateriële schade 5.10. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij geen spanning en frustratie heeft ondervonden omdat hij de vordering wegens immateriële schade in de machtiging bij voorbaat heeft overgedragen aan de gemachtigde. 5.11. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan het toekennen van een vergoeding wegens immateriële schade niet in de weg staat dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een zodanige vergoeding aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3.). Dat de belanghebbende bij voorbaat een beslissing heeft genomen over de besteding van de vergoeding die hij eventueel zal krijgen voor spanning en frustratie vanwege de lange duur van een pro Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep stelt het Hof de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage vast op € 46,70: 1 punt (hogerberoepschrift) à € 934 x 0,5 (gewicht van de zaak) x 0,1 (vermenigvuldigingsfactor Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, WHpkv). Bij de vaststelling van de wegingsfactor heeft het Hof mede acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep uitsluitend grieven van formeelrechtelijke aard zijn aangevoerd. Ten aanzien van de vermenigvuldigingsfactor merkt het Hof op dat de gemachtigde zich niet erop heeft beroepen een bijzonder geval te zijn in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. 6.4. Nu de uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt na 1 januari 2024 en het bestreden besluit, de WOZ-beschikking niet wordt gewijzigd, heeft het Hof factor 0,1 toegepast voor de proceskosten in hoger beroep. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. Griffierechten 6.5. Verder dient de Heffingsambtenaar de voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van tezamen € 924 (€ 365 + € 559) aan belanghebbende te vergoeden (ECLI:NL:HR:2024:567). Uitbetaling van proceskostenvergoeding en griffierecht 6.6. Belanghebbende heeft klachten gericht tegen het cessieverbod van artikel 30a, lid 4 en 5, Wet WOZ en het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. 6.7. De belastingrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil daarover te wenden tot de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4). Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade en het niet verlenen van uitstel voor de mondelinge behandeling; veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500; veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 280,20; draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924 te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, M.J.M. van der Weijden en C. Maas in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout. De griffier, de voorzitter, T. van Hout H.A.J. Kroon De beslissing is op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet onde