Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:1936
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/458 Uitspraak van 17 februari 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: H.A. Elbert) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 april 2025, nummer SGR 23/6593. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 38.659 (de naheffingsaanslag). Bij separate beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag, de belastingrente en de verzuimboete bij uitspraak op bezwaar verminderd en een proceskostenvergoeding toegekend. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen de boetebeschikking gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking; - vernietigt de boetebeschikking; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond; - wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.836,14; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 9 en 12 januari 2026 nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft een Toyota Land Cruiser gekocht (het voertuig). De datum eerste toelating van het voertuig is 26 juli 2018. Voor het voertuig is het Nederlandse kenteken [kenteken] afgegeven. De RDW heeft het voertuig gekeurd, de (fiscale) categorie bestelauto toegekend en een zogenaamd ‘grijs kenteken’ afgegeven. 2.2. Op 4 januari 2019 omstreeks 12:36 uur is het voertuig aan de [adres] te [woonplaats] fysiek gecontroleerd (de controle). Bij de controle is geconstateerd dat de (oorspronkelijke) laadruimte is teruggeplaatst en deze is voorzien van een overkapping. Voor het behouden van de fiscale categorie bestelauto, dient het voertuig in dat geval te voldoen aan de inrichtingseisen van een bestelauto met dubbele cabine als bedoeld in artikel 3, lid 3, sub d, Wet BPM (versie 2019). Tijdens de controle is geconstateerd dat het voertuig daaraan niet voldoet. Van het onderzoek is een rapportage gemaakt waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort. Bij deze controle zijn foto’s gemaakt waarop is te zien dat op het chassis van het voertuig een laadbak met bovenbouw zit die aan de linkerzijde is voorzien van een raam en dat er rails in de laadvloer zitten. 2.3. Met dagtekening 28 oktober 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een “Kennisgeving naheffingsaanslag BPM en verzuimboete” toegestuurd waarin - onder meer -aan belanghebbende is meegedeeld: "Bij een controle op 4 januari 2019 is door de Belastingdienst vastgesteld dat van de openbare weg in Nederland gebruik werd gemaakt met een motorrijtuig van het merk Toyota, type Land Cruiser, met chassisnummer [xxx| en voorzien van het kenteken [xxx]. Bovengenoemd motorrijtuig is voorzien van een zgn. grijs kenteken dat alleen kan worden toegekend aan een bestelauto die voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de zin van artikel 3. lid 3 van de Wet op de bela Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, naar volgt uit de (onweersproken) constateringen tijdens de controle op 25 mei 2018, het voertuig tijdens de controle niet voldeed aan de inrichtingseisen zoals opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet BPM en daarmee dus ook niet aan de voorwaarden voor de fiscale kwalificatie van bestelauto.[1] Derhalve is ten onrechte op aangifte BPM voldaan alsof daarvan wel sprake was. Verweerder heeft daarom terecht de te weinig op aangifte voldane BPM nageheven, waarbij het voertuig, nu niet wordt voldaan aan de eisen voor een bestelauto, terecht is aangemerkt als personenauto. Dat het bedrag van de nageheven BPM zoals dat is vastgesteld (verminderd) in de bezwaarfase onjuist (te hoog) is, is verder niet gesteld en is de rechtbank ook niet gebleken. 8. Eiser stelt dat het voertuig niet is aangepast en dus (nog steeds) aan de voorwaarden voor een bestelauto voldoet en dat reeds daarom niet kan worden nageheven. De rechtbank volgt eiser hierin niet, reeds omdat uit de feitelijke vaststellingen bij de controle volgt dat niet aan de voorwaarden voor een bestelauto is voldaan. Immers, naar duidelijk blijkt uit het controlerapport en de bijbehorende foto's, voldeed het voertuig tijdens de controle niet meer aan de voorwaarden voor deze kwalificatie; de afmetingen voldoen niet (meer) aan de minimale inrichtingseisen, terwijl de linkerzijde van de laadruimte beschikt over een raam en in de vloer van de laadruimte ook een rail is aangebracht. 9. Nu vaststaat dat het voertuig met de laadbak en bovenbouw niet voldoet aan de wettelijke inrichtingseisen van artikel 3, derde lid, Wet BPM, dient het voertuig in beginsel als personenauto te worden aangemerkt. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat het voertuig op basis van het Kaderbesluit bpm en mrb kwalificeert als bestelauto. 10. In het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb[2]. welk besluit in werking is getreden op 1 januari 2022 en het Kaderbesluit mrb[3] heeft vervangen, is voor zover hier van belang het volgende vermeld: “2.1.6.2 Bestelauto met vermelding ’opleggertrekker’ of ’afneembare bovenbouw’ De motorrijtuigen die als vermelding 'opleggertrekker (voor l januari 2013: ‘trekker’) of ’afneembare bovenbouw’ (voor 1 januari 2013: ‘voor verwisselbare opbouw', hierna ook inbegrepen als wordt gesproken over ‘afneembare bovenbouw’) in het kentekenregister krijgen, wijken af van de bestelauto’s met een bijzondere opbouw. Deze motorrijtuigen kunnen namelijk ook worden gebruikt zonder dat de oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van lading. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd; deze onderscheidt zich echter qua uiterlijk sterk van andere auto’s. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht met het oog op het vervoeren van een last. Goedkeuring Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd wordt aangemerkt als een bestelauto. Dit geldt ook voor een motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw (en met de bovenbouw voldoet aan alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto) op het moment dat de bovenbouw / container tijdelijk niet aanwezig is. Wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast c.q. omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, of wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met een containerframe wordt voorzien van een container, kan een motorrijtuig ontstaan dat zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van last/lading niet langer onderscheidt van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig dan voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bes Opzet of schuld is geen vereiste en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat eiser te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). In dat geval wordt eiser geacht niet in verzuim te zijn geweest. Van avas is sprake als eiser alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan BPM te voldoen.4 De bewijslast ter zake rust op eiser. 19. Eiser heeft ter zitting uitgebreid en nadrukkelijk toegelicht dat de auto is gekocht van de autodealer zoals deze ten tijde van de controle was ingericht, dus inclusief laadbak. Hij wist niet beter dan dat de auto was gekeurd als bestelauto en als zodanig kwalificeerde. 20. De rechtbank vindt de verklaring van eiser ter zitting geloofwaardig en vindt geen reden daaraan te twijfelen. De enkele, niet nader onderbouwde aanname van verweerder dat de auto pas na de keuring en derhalve met medeweten van eiser zal zijn aangepast, acht de rechtbank, juist ook gegeven de oprechtheid van eiser bij zijn verklaringen ter zitting, welke ook in lijn is met alles wat eerder in de procedure is aangevoerd, onvoldoende om toch aan de verklaring van eiser te twijfelen. De rechtbank ziet daarom in dit geval aanleiding om de verzuimboete te vernietigen. Immers, eiser verkeerde ten tijde van de aankoop van de auto in de veronderstelling dat de auto voldeed aan de vereisten voor een bestelauto. Eiser mocht in dat kader afgaan op de kennis van de autodealer die de auto met grijs kenteken heeft verkocht, mede gelet op de keuring door de RDW van de auto als oplegtrekker. Dat betekent dat eiser alles heeft gedaan wat in dit verband redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht. 21. Het beroep inzake de boete is dus gegrond. De rechtbank heeft daarom de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boete vernietigd, evenals de boete. Het beroep inzake de naheffingsaanslag is ongegrond. Dit betekent dat deze in stand blijft. Immateriële schadevergoeding 22. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 11 februari 2020 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 29 augustus 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 9 april 2025 gedaan. Dat is dus ruim 62 maanden (5 jaar en bijna 2 maanden) na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn bedraagt normaliter 2 jaar. Echter, in dit geval dient de redelijke termijn naar het oordeel van de rechtbank met 3 jaar en 2 maanden te worden verlengd, namelijk met de termijn die is gemoeid met het op verzoek- dan wel met instemming van eiser aanhouden van het op 11 februari 2020 door verweerder ontvangen bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boete tot de Hoge Raad op 14 april 2023 arrest heeft gewezen in een vergelijkbare zaak. De redelijke termijn bedraagt daarmee in dit geval 62 maanden, zodat deze niet is overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op isv. Proceskosten 23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Eveneens met toepassing van dat besluit veroordeelt de rechtbank verweerder de door eiser genoemde reiskosten te vergoeden tot een bedrag van € 22,14. Voor de bezwaarfase is bij de uitspraak op bezwaar door verweerder reeds een -in beroep niet aangevochten- kostenvergoeding toegekend. [1] Vgl. ECLI:NL:HR:2023:582 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1723. [2] Besluit van 16 december 2021, nr. 2021-213898. [3] BLKB/2015/1381M. [4] Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA71 84.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is, net