Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:1919
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/43 Uitspraak van 16 april 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: H.J. Garnaat) en de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het beroep van belanghebbende tegen de hierna te noemen uitspraak op bezwaar. Procesverloop 1.1. Bij Beschikking Loonheffingen Sectoraansluiting van 19 mei 2023 (de beschikking) heeft de Inspecteur belanghebbende met terugwerkende kracht met ingang van 10 oktober 2022 ingedeeld bij sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 385. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 maart 2026, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Bij Beschikking Loonheffingen Sectoraansluiting van 4 juli 2016 is belanghebbende met ingang van 1 juli 2016 ingedeeld in (de vak)sector 53 (Bewakingsondernemingen). 2.2. In het kader van per 1 januari 2020 gewijzigde regelgeving is de sectorindeling van belanghebbende ambtshalve herzien en is zij bij beschikking van 8 oktober 2019 met ingang van 1 januari 2020 is ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven). Tegen deze beslissing heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. 2.3. Bij brief van 3 oktober 2022 is namens belanghebbende verzocht de sectorindeling opnieuw te beoordelen, omdat haar activiteiten inmiddels zijn gewijzigd. 2.4. Uit het naar aanleiding van dit verzoek ingestelde onderzoek is gebleken dat de activiteiten van belanghebbende per 6 januari 2022 zijn gewijzigd. Belanghebbende houdt zich vanaf die datum bezig met het aan derden ter beschikking stellen van verkeersregelaars ten behoeve van het in goede banen leiden van verkeerssituaties. Hierbij oefent belanghebbende leiding en toezicht uit op deze werknemers. Daarnaast stelt belanghebbende ook tijdens evenementen, op bouwplaatsen en dergelijke, verkeersregelaars ter beschikking waarbij te allen tijde de leiding en het toezicht bij belanghebbende ligt. De werknemers zijn in vaste dienst gekomen bij belanghebbende. Per 6 januari 2022 is de naam van belanghebbende statutair gewijzigd in de huidige naam. 2.5. Op grond van de verkregen informatie over de werkzaamheden van belanghebbende is de sectorindeling van belanghebbende bij de beschikking herzien naar sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III), met als maatschappelijke functie 'Het regelen van het verkeer (bij wegomleggingen e.d.)'. Met toepassing van artikel 97, lid 2, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is de ingangsdatum van de herziening vastgesteld op 10 oktober 2022, zijnde per het eerstvolgende aangiftetijdvak na het verzoek om de sectorindeling te beoordelen. De uitzonderingsbepaling van artikel 97, lid 4, Wfsv is niet toegepast, omdat belanghebbende van de onjuiste indeling geen premievoordeel heeft genoten. De herziening is aan belanghebbende toegelicht in het Rapport Indelingsonderzoek en de brief 'Toelichting op beslissing herziening sectoraansluiting', beide van 5 mei 2023. 2.6. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt en heeft verzocht om indeling in sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III) met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022. Dit verzoek is bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 afgewezen. Geschil in beroep en conclusies van partijen 3.1. In geschil is de ingangsdatum van de sectorwijziging. Belanghebbende stelt dat de wijziging naar sector 45 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 moet plaatsvinden. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschi Voor belanghebbende was vóór 1 januari 2022 voorzienbaar dat de toepassing van de in de loop van 2019 bekendgemaakte wijzigingen in die regeling tot gevolg had dat zij niet bij een verzoek in oktober 2022 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 in de verzochte sector zou worden ingedeeld. Aan de vereisten van ‘lawfulness’ is dan ook voldaan. Dat belanghebbende begin 2022 druk was met andere zaken, dient in zoverre voor haar rekening en risico te blijven. 4.6. In de tweede alinea van artikel 1 EP ligt besloten dat het heffen van premies in het algemeen belang ter dekking van lasten van ziekte en arbeidsongeschiktheid in beginsel voldoet aan het vereiste van een legitiem doel (‘legitimate aim’). Er is geen grond om daarover in dit geval anders te oordelen, zodat ook aan het vereiste van ‘legitimate aim’ is voldaan. 4.7. Artikel 1 EP brengt voorts mee dat een inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom slechts is toegestaan als er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Bij de beoordeling of bij artikel 97 Wfsv sprake is van een ‘fair balance’, gaat het in dit geval erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de maatregel beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. 4.8. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever artikel 97 Wfsv heeft gewijzigd om onevenredige uitvoeringslasten te beperken en een toename van de uitvoeringslasten en sectorshopping te voorkomen. Dat zijn honorabele doelen en de wijze waarop die doelen in de wetgeving zijn vormgegeven zijn redelijk en proportioneel. Met de door de wetgever gemaakte keuzes heeft hij de grenzen van zijn ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de geschiktheid van het gehanteerde middel voor het beoogde doel niet overschreden. 4.9. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van een individuele en buitensporige last, zodat het Hof tot de slotsom komt dat artikel 1 EP niet is geschonden. Gelijkheidsbeginsel 4.10. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel gewezen op de sectorindeling van drie andere bedrijven, namelijk [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] . Belanghebbende heeft met betrekking tot [B.V. 1] en [B.V. 2] niet aangegeven per welke datum zij zijn ingedeeld in sector 45. Belanghebbende heeft ook niet aangegeven laat staan onderbouwd dat bij de drie genoemde bedrijven sprake was van een herziening van de sectorindeling met terugwerkende kracht. Zij heeft ter zitting verklaard niet te beschikken over deze gegevens. 4.11. Reeds omdat niet vaststaat dat sprake was van een herziening van de sectorindeling bij de door belanghebbende genoemde bedrijven en evenmin dat, zo al sprake was van een herziening, de Inspecteur de sectorindeling met terugwerkende kracht heeft herzien, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende en de genoemde bedrijven feitelijk en rechtens in dezelfde situatie verkeerden. Slotsom 4.13. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende voor de toepassing van de Wfsv terecht per 10 oktober 2022 heeft ingedeeld in sector 45. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 5. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De griffier, de voorzitter, L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspra