Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-20
ECLI:NL:GHDHA:2026:19
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer gerechtshof Den Haag : 200.343.519/01 Zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch: 200.341.843/01 Zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 22/00225 Zaaknummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: 200.298.215/01 Zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Nederland: 8502867 CV EXPL 20-3156 Arrest na verwijzing van 20 januari 2026 in de zaak van InBev Nederland N.V ., gevestigd te Breda, appellante, advocaat: mr. E.P.W. Korevaar, kantoorhoudend in Eindhoven, tegen Beleggingsmaatschappij Reimborg B.V. , gevestigd te Groningen, geïntimeerde, advocaat: mr. W.J. Leerink, kantoorhoudend in Groningen. Het hof noemt partijen hierna InBev en Reimborg. 1 De zaak in het kort 1.1 InBev huurt een bedrijfspand van Reimborg. Partijen hebben een geschil over de huurprijs. De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 vastgesteld op € 185.264,42 per jaar. InBev heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Aan InBev is uitstel verleend tot 19 oktober 2021 voor memorie van grieven (ambtshalve peremptoir). Op die roldatum heeft InBev niet tijdig een processtuk ingediend. Daarop heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden InBev niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de zaak naar dit hof verwezen omdat een raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof ’s- Hertogenbosch in de procedure in cassatie is opgetreden als advocaat voor Reimborg. 1.2 Het hof is van oordeel dat de advocaat van InBev onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest vaneen internetstoring waardoor hij het processtuk niet tijdig heeft kunnen indienen. Daarom is InBev niet ontvankelijk in haar hoger beroep. 2 Procesverloop in hoger beroep na verwijzing 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep na verwijzing blijkt uit de volgende stukken: de oproeping van 2 juli 2024, waarmee InBev Reimborg heeft opgeroepen te verschijnen voor dit hof; het arrest van dit hof van 30 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2024; de akte uitlating van Reimborg, met bijlagen; de antwoordakte van InBev; de antwoordakte van Reimborg; 3 Uitgangspunten en feiten 3.1 InBev huurt voor onbepaalde tijd een bedrijfspand van Reimborg. In deze procedure vordert Reimborg nadere vaststelling van de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 op een bedrag van € 209.660,53 per jaar. In reconventie vordert InBev nadere vaststelling van de huurprijs op een bedrag van € 113.325,50 met ingang van 1 mei 2020. De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft in conventie de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 vastgesteld op € 185.264,42 per jaar en heeft in reconventie de vorderingen van InBev afgewezen. 3.2 InBev heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de zaak aangebracht tegen de roldatum 10 augustus 2021. In de appeldagvaarding heeft InBev onder meer gevorderd dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 nader vaststelt en dat het met ingang van 15 maart 2020 de huurprijs verlaagt vanwege gebreken, althans de huurovereenkomst wijzigt wegens onvoorziene omstandigheden, tot het moment dat geen coronagerelateerde vrijheidsbeperkende maatregelen meer door de overheid worden opgelegd. 3.3 Aan InBev is uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven tot de roldatum 21 september 2021 en is vervolgens een nader uitstel verleend tot de roldatum 19 oktober 2021. Daarbij is in het roljournaal vermeld dat dit een ambtshalve peremptoir uitstel was. 3.4 Op de roldatum 19 oktober 2021 heeft InBev geen memorie van grieven genomen. Evenmin heeft zij voor het roltijdstip van 10.00 uur een uitstelverzoek gedaan. Wel heeft InBev op 19 oktober 2021 om 12.10 uur per e-mail een “incidentel 2.3 Het hof handhaaft de onder 1.1 genoemde beslissing van de rolraadsheer. [De advocaat van InBev] stelt weliswaar dat hij door een internetstoring niet in staat was het uitstelverzoek tijdig - dat wil zeggen: voor het roltijdstip van 10:00 uur - in te dienen, maar hij heeft dit op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft [de advocaat van InBev] op andere wijze (telefonisch) contact opgenomen met de griffie om aan te kondigen dat hij nog met een uitstelverzoek zou komen, maar dat dit door technische problemen niet tijdig gedaan kon worden. 2.4 Daarmee staat vast dat het recht van InBev is vervallen om de memorie van grieven te nemen. Het hof zal InBev daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. (...) ” 3.9 InBev heeft beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 mei 2023 de rolbeslissing van 26 oktober 2021 en het arrest van 30 november 2021 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling. Aan deze beslissing lagen onder meer de volgende overwegingen ten grondslag: “ 3.1.2. In art. 2.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Lpr), zoals deze bepaling luidde ten tijde van de indiening van de incidentele memorie door InBev, is bepaald dat processtukken kunnen worden ingediend door toezending per post, afgifte aan de Centrale Balie, indiening ter zitting of toezending per fax. In art. 1.3.1 van de Tijdelijke algemene regeling zaaksbehandeling rechtspraak is bepaald dat (proces)stukken en berichten die op basis van de procesreglementen via de fysieke post kunnen worden verzonden, ook uitgewisseld kunnen worden via de ‘veilig mailen voorziening van de Rechtspraak’ (hierna: Veilig mailen). Voor het geval waarin een processtuk of bericht via Veilig mailen wordt ingediend en deze indiening als gevolg van een verstoring te laat plaatsvindt, leent art. 8 van het Besluit elektronisch procederen (hierna: Bep) zich voor overeenkomstige toepassing. 3.1.3 Art. 8 Bep bepaalt dat als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking, een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar is als het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen. Uit de Nota van toelichting bij het Bep blijkt dat ook verstoringen aan de zijde van de partij die langs elektronische weg een stuk of bericht wil indienen (zoals een stroomstoring of storing bij de provider van een partij) een niet aan die partij toe te rekenen (en dus verschoonbare) termijnoverschrijding als bedoeld in art. 8 Bep kunnen opleveren. De partij die zich hierop beroept, zal aannemelijk moeten maken dat zich op de laatste dag van de indieningstermijn (en, in voorkomend geval, voor het roltijdstip) een dergelijke, niet aan haar toerekenbare, verstoring heeft voorgedaan. Welke onderbouwing in dit verband kan worden verlangd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat het in de praktijk niet steeds mogelijk zal zijn om direct bij de indiening van het stuk of het bericht nadat de verstoring is verholpen, de oorzaak en de niet-toerekenbaarheid van de verstoring te onderbouwen. 3.1.4 In dit geval heeft de advocaat van InBev op 19 oktober 2021 om 12.10 uur de incidentele memorie tot aanhouding via Veilig mailen ingediend en daarbij aangevoerd dat hij door een internetstoring op zijn huisadres de memorie niet voor het roltijdstip van 10.00 uur kon mailen. Niet uitgesloten is dat het op dat moment voor hem nog niet mogelijk was om de oorzaak en de niet-toerekenbaarheid van de verstoring te onderbouwen. In de rolbeslissing van 26 oktober 2021 heeft het hof niet geoordeeld dat de gestelde internetstoring onvoldoende aannemelijk was gemaakt, maar Die adviseerde de memorie zo spoedig mogelijk alsnog in te dienen, wat de advocaat van InBev om 12.10 uur heeft gedaan. Na het arrest van de Hoge Raad heeft de advocaat van InBev getracht om bewijs te verkrijgen van de storing. De internetprovider heeft medegedeeld dat alleen logs van individuele storingen worden gemaakt als een klant belt over een storing. Verder worden dagelijks storingen op postcode- of stadsniveau geplaatst op de website. De logs van individuele storingen worden maximaal twee jaar bewaard. De meldingen van de storingen op postcode- of stadsniveau worden korter of niet bewaard. Bij e-mail van 5 maart 2024 heeft de internetprovider aan de advocaat van InBev bericht dat geen logs van een storing achterhaald kunnen worden. Na de storing zijn nieuwe storingen bij de advocaat van InBev opgetreden. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat de router enkele maanden na 19 oktober 2021 is vervangen. 4.3 Reimborg heeft er in reactie op deze onderbouwing onder meer op gewezen dat de stelling van InBev dat de advocaat eerst met de griffie van het hof heeft gebeld en daarna de incidentele memorie alsnog heeft ingediend, niet strookt met de mededeling van de advocaat van InBev in zijn e-mail van 12.16 uur aan het hof: “ Ik bel hierover zo met uw griffie ”, en met overweging 2.3 in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de advocaat van InBev niet telefonisch contact met de griffie heeft opgenomen om aan te kondigen dat hij de incidentele memorie nog zou indienen. InBev is hier in haar antwoordakte niet meer op teruggekomen. Het hof gaat er daarom vanuit dat de eerdere stelling van InBev dat vóór de indiening van de incidentele memorie telefonisch contact met de griffie is gezocht en de griffie heeft geadviseerd de incidentele memorie alsnog in te dienen, niet juist is. 4.4 Afgezien van deze onjuistheid heeft InBev ook overigens onvoldoende gesteld ter onderbouwing van de internetstoring. InBev stelt slechts dat haar advocaat de memorie ten gevolge van een internetstoring niet tijdig heeft kunnen indienen, maar draagt verder niets aan waaruit blijkt dat die internetstoring zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Dat had wel op haar weg gelegen. Als een advocaat ten gevolge van een internetstoring een processtuk niet op tijd kan indienen, met mogelijke niet-ontvankelijkheid van zijn cliënt in haar vordering tot gevolg, dan mag worden verwacht dat die advocaat direct, of in ieder geval kort na de internetstoring, bewijs van die storing probeert te verzamelen. In dit geval heeft (de advocaat van) InBev informatie opgevraagd bij de provider, maar daarmee is gewacht tot (ruim) na het arrest van de Hoge Raad. Het eerste document dat InBev aandraagt ter onderbouwing van de internetstoring is het bericht van de internetprovider van 5 maart 2024, waarin de internetprovider meedeelt dat gegevens van storingen maar twee jaar worden bewaard. (De advocaat van) InBev legt niet uit waarom zo lang is gewacht met het verzamelen van informatie. Zelfs als (de advocaat van) InBev kort na het arrest van de Hoge Raad - dat op 26 mei 2023 is gewezen - navraag had gedaan bij de internetprovider, had mogelijk nog bewijs van de internetstoring kunnen worden verkregen. 4.5 Als de storing zich niet heeft voorgedaan in het netwerk maar in de aansluiting van de woning van de advocaat van InBev op het netwerk (de router), is het de vraag of deze storing niet toerekenbaar is aan InBev. Maar ook een dergelijke storing maakt InBev onvoldoende aannemelijk. Zij stelt slechts dat er meerdere storingen zijn geweest en de router uiteindelijk enkele maanden na het incident is vervangen. Zij legt daar echter geen bewijsstuk van over, en ook geen enkel stuk waaruit kan blijken dat zich vóór de vervanging van de router storingen hebben voorgedaan, zoals (bewijs van) meldingen van zulke storingen bij de monteur, of verklaringen van de monteur over eerdere gebreken in de router. 4.6 Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat InBev de gestelde inter