Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-28
ECLI:NL:GHDHA:2026:1895
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-25/321 tot en met BK-25/330 Uitspraak van 28 mei 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 maart 2025, nummers SGR 24/2497, SGR 24/2500, SGR 24/2501, SGR 24/2502, SGR 24/2503, SGR 24/2504, SGR 24/2505, SGR 24/2506, SGR 24/2508 en SGR 24/4290. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2007 tot en met 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning en sparen en beleggen (de aanslagen). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen). Jaar Dagtekening Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Rente (h=heffingsrente) 2007 6 februari 2010 0* € 100.774 n.v.t. 2008 2 juli 2010 € 72.668* € 34.900 0 (h) 2009 13 juni 2012 € 105.788 € 23.591 € 2.798 (h) 2010 5 september 2013 € 107.760 € 13.471 € 541 (h) 2011 24 april 2015 € 101.945 € 14.778 € 611 (h) 2012 30 oktober 2015 € 112.102 € 12.097 € 2.265 2013 29 december 2016 € 121.642 € 32.816 € 3.356 2014 27 juli 2017 € 120.886 € 48.580 € 2.784 2015 29 maart 2019 € 118.943 € 45.132 € 3.607 2016 6 december 2019 € 128.532 € 47.203 € 3.571 * na verliesverrekening 1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij de hierna genoemde uitspraken op bezwaar de bezwaren gedeeltelijk toegewezen, de aanslagen als volgt verminderd en de heffings- respectievelijk belastingrente als volgt herrekend: Jaar Dagtekening Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Rente (h=heffingsrente) 2007 1 maart 2024 0* € 100.774 n.v.t. 2008 25 januari 2024 € 30.428* € 50.157 + € 8.371 (h)** 2009 28 december 2023 € 76.688 € 39.305 € 1.998 (h) 2010 28 december 2023 € 78.078 € 28.906 € 279 (h) 2011 28 december 2023 € 72.322 € 30.182 € 365 (h) 2012 28 december 2023 € 81.768 € 27.870 € 1.267 2013 28 december 2023 € 90.843 € 46.846 € 2.124 2014 28 december 2023 € 90.103 € 63.356 € 1.772 2015 19 januari 2024 € 87.513 € 58.961 € 2.211 2016 13 januari 2024 € 96.568 € 61.268 € 2.307 * na verliesverrekening ** vergoeding van heffingsrente 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van eenmaal € 51 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 13.500 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, bij het Hof ingekomen op 20 augustus 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, bij het Hof ingekomen op 23 oktober 2025. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, bij het Hof ingekomen op 3 april 2026. 1.5. Bij bericht van 13 april 2026 heeft het Hof partijen verzocht stukken die mogelijk van belang zijn voor de beoordeling van het geschil, en die vooralsnog niet tot de gedingstukken behoren, voorafgaand aan de zitting te overleggen. Belanghebbende heeft hierop nadere stukken ingediend, bij het Hof ingekomen op 13 april 2026. Ook de Inspecteur heeft hierop een nader stuk ingediend, bij het Hof ingekomen op 14 april 2026. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1947 en is woonachtig in Ned (…) 6. The expression “dependent children” shall mean children who were effectively dependent on the staff member or former staff member at the time of his death or were born not more than 300 days after his death. The expression “other dependants” shall mean persons who, exceptionally, had been granted similar rights to dependent children under rules applying in the Co-ordinated Organisations before the death of the staff member or former staff member. (…) Article 26 – Cessation of entitlement Entitlement to one of the pensions under Article 25 shall cease at the end of the month in which the child or other dependant ceases to satisfy the conditions for entitlement to the allowance for a dependent child or dependent person under the Staff Rules and Regulations of the Organisation. (…) CHAPTER VI FAMILY ALLOWANCES Article 28 – Conditions 1. The family allowances comprising household allowance (…) granted under the Organisation’s Staff Regulations and Rules shall be paid: (i) to the recipient of a retirement pension, at the age of entitlement, or later; (…) The household allowance shall be calculated by reference to the pension of the recipient. (…) CHAPTER IX FINANCING THE PENSION SCHEME (…) Article 41 – Staff members’ contribution – Costing the Scheme 1. The staff members’ contribution to this Pension Scheme shall be 7 per cent of their salary and shall be deducted monthly. (…) 3. Should the Councils of the Co-ordinated Organisations listed in article 1.1 deem it necessary to have an evaluation of the cost of the Pension Scheme made by one or more actuaries and should this show the staff members’ contributions to be insufficient to cover one third of the financing of the benefits payable under these Rules, the said Councils shall decide what changes, if any, are to be made in the rates of contribution. CHAPTER X Provisions relating to adjustment of pensions Article 42 – Pensions which are subject to national tax legislation 1. The recipient of a pension under these Rules shall be entitled to the adjustment applying to the Member Country of the Organisation in which the pension and adjustment relating thereto are chargeable to income tax under the tax legislation in force in that country. 2. The adjustment shall equal 50 per cent of the amount by which the recipient’s pension would theoretically need to be increased, were the balance remaining after deduction of the amount of national income tax or taxes on the total to correspond to the amount of the pension calculated in accordance with these Rules. For such purpose, there shall be drawn up, for each Member country, in accordance with the implementing instructions referred to in paragraph 6, tables of equivalence specifying, for each amount of pension, the amount of the adjustment to be added thereto. The said tables shall determine the rights of the recipients. 3. In calculating the theoretical amount of income tax or taxes referred to in paragraph 2 of this Article, account shall be taken only of the provisions of tax legislation and regulations affecting the basis of liability and the amount of income tax or taxes for all pensioner-taxpayers in the country concerned. (…) 4. The Organisation shall supply the Member Countries concerned with the names, forenames and full address of pensioners and the total amount of the pension and adjustment. 5. The recipient of an adjustment as specified in this Article shall be required to inform the Organisation of his full address and of any subsequent change therein. Such recipient shall produce evidence of his pension and the relative adjustment having been declared or taxed; should he fail to comply with this obligation, he shall be deprived of the right to this adjustment and shall refund any amounts unduly received in this respect. 6. The other procedures for calculating the adjustment and, in particular, those necessitated by the special features of certain national tax laws, and the procedure for payment of the adjustment s (ii) A parent or parent-in-law who resides in one of the member countries of the Agency may be considered to be dependent on the staff member if: (a) the staff member is under a legal obligation to support the dependant and this support is more than the level defined in para. (vi); or (b) - the dependant has a total level of resources of less than 50% of C1/1, increment 1. In the case of a dependant living with his/her spouse, the total level of resources of the dependant will be considered as being 50% of the total level of resources of the household, which must be less than 85% of C1/1, increment 1; and - the support cost taken into consideration is equal to at least the level defined in para. (vi); or (c) the staff member provides full board and lodging to the dependant in the staff member's household and the dependant has a total level of resources of less than 50% of C1/1, increment 1. (iii) In the case of a staff member asking for a parent or parent-in-law to be considered dependent on the staff member without the criteria given in paragraph (ii) being met, such a request will be considered only if the staff member presents exceptional circumstances justifying the social character of the request. In such cases, it may be decided to grant the benefit of the ESA social security coverage only. (iv) A request for an allowance which is not fully substantiated in accordance with paragraphs (ix) and (xi), will be considered on written justification by the staff member. (v) In order to establish the resources of a dependant or his/her household, the following shall be taken into account: (a) direct resources: - salaries; - other income such as pensions, alimony other than from the staff member, allowances, support from other relatives and investment income; (b) indirect resources: - if the dependant or the spouse is the owner-occupier of his/her dwelling, the latter shall be reckoned as a resource at the flat rate of 10% of C1/1, increment 1; - if the dependant or the spouse is the owner of real estate, the Joint Committee shall assess this; - if accommodation is provided for a dependant, this shall be reckoned as a resource at the flat rate of 10% of C1/1, increment 1. This will not apply in the case of the staff member providing full board and lodging. (vi) In order to establish the support provided by a staff member, the following shall be taken into account: (a) direct support: - the regular and continuing financial support given by the staff member to the dependant; - if the staff member provides full board and lodging in his household, paragraph (ii) (c) shall apply; (b) indirect support: - the regular and continuing payment for the benefit of the dependant such as direct payment to an old people's home; - - if the staff member provides accommodation to the dependant other than in his household, this shall be reckoned as a support at the flat rate of 10% of C1/1, increment 1. The support cost stated by the staff member shall be taken into consideration only up to a maximum of the difference between 85% of C1/1, increment 1 and the resources of the dependant. The support cost thus taken into consideration must be equal to at least 10% of the basic salary (BMP) of the staff member, in force at the time of the annual examination. This minimum shall be reduced to 9% if he/she already has a dependent child or other dependant within the meaning of the Rule. (…) (viii) Any allowances granted by the Agency for dependants (family allowances, expatriation allowance) shall be limited to the amount of support taken into consideration, subject to provisions on non-cumulation (Rules 21/1 (ii) and 22.1/7 (iii)). (ix) Each year, all applications for an allowance shall be subject to an examination, irrespective of whether they are first-time applications - which may have a maximum retroactive effect of 12 months - or applications to extend allowances granted previously. All applications must be duly substantiated. (…) (xi) Applications for De Staatssecretaris constateert dat uit de aangeleverde informatie is gebleken dat bij de Gecoördineerde Pensioenregeling (…) in de opbouwfase, de door de werkgever toegekende pensioenrechten (de werkgeverspremies) niet in een interne heffing worden betrokken. Het aan de werkgeversbijdrage gerelateerde deel van de pensioenuitkering valt daarom onder de omkeerregel. Daarnaast is gebleken dat de werknemerspremies niet aftrekbaar zijn voor de interne heffing, deze worden dus uit het netto- inkomen betaald. Het aan de werknemersbijdrage relaterend deel van de pensioenuitkering valt daarom niet onder de omkeerregel. Het werkgevers- en het werknemersdeel van de pensioenpremies wordt bij de Gecoördineerde Pensioenregeling (…) zodanig vastgesteld dat in beginsel twee derde (2/3) van de totale pensioenkosten wordt voldaan uit werkgeverspremies en een derde (1/3) uit de werknemerspremies. Voor de bepaling welk deel van het inkomen in box 1, onderscheidenlijk box 3, valt, mag van deze verdeling worden uitgegaan. Gepensioneerden met een uitkering uit de Gecoördineerde Pensioenregeling (…) ontvangen doorgaans ook zogenoemde ‘allowances’ en een ‘tax adjustment’. Omdat bij deze ‘allowances’ en het ‘tax adjustment’ niet of veel minder sprake is van een direct verband met de ingelegde premies, dienen deze, als onderdeel van het totaal aan gehanteerde uitgangspunten, volledig in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning (box 1). De allowances en het tax adjustment zijn geen onderdeel van de pensioenaanspraak als zodanig. Aldus de Staatssecretaris. De uitgangspunten komen als volgt tot uitdrukking in de vaststelling van het inkomen. - Ten minste twee derde (2/3) deel van de jaarlijkse pensioenuitkering (exclusief allowances en tax adjustment) wordt belast als inkomen uit werk en woning (box 1). - Een ontvangen allowance of tax adjustment uitkering wordt geheel belast als inkomen uit werk en woning (box 1). - De waarde van het resterende een derde (1/3) deel van het pensioen wordt als bezitting in box 3 verwerkt. De jaarlijks in aanmerking te nemen waarde in box 3 wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 19 UBIB 2001 bepaald, uitgaande van een jaaruitkering van een derde (1/3) van het in dat jaar ontvangen pensioen. Deze waardering is afhankelijk van de leeftijd van pensioengerechtigde en van de aanwezigheid van een partner met recht op nabestaandenpensioen. - Bij een pensioengerechtigde met een partner, is in beginsel sprake van een uitkering afhankelijk van – de langstlevende van – twee levens, maar is het nabestaandenpensioen – na overlijden van de pensioengerechtigde – lager dan het oudedagspensioen. Bij overlijden van de partner blijft het oudedagspensioen in stand. Artikel 19 UBIB 2001 bevat geen waarderingsvoorschrift dat precies op deze situatie is toegeschreven. Dit betekent dat strikt genomen zou moeten worden teruggevallen op het lid 11 (bedrag waarvoor een dergelijke uitkering – bij een verzekeraar – zou kunnen worden gekocht). Het waarderen van de uitkering op basis van de waarde in het economische verkeer is echter een complexe berekeningsmethode, waarbij de bewijslast bij belastingplichtigen ligt. Om praktische redenen en als onderdeel van het totaal aan gehanteerde uitgangspunten, heeft de Staatssecretaris in deze specifieke situatie goedgekeurd, dat voor 50% kan worden aangesloten bij de waarderingsmaatstaf voor een periodieke uitkering afhankelijk van het leven van een persoon (artikel 19, lid 1 of lid 7, UBIB 2001) en voor 50% bij de waarderingsmaatstaf voor een uitkering afhankelijk van de langstlevende van twee levens (artikel 19, lid 8, onderdeel a, UBIB 2001). (…) Door toepassing van het Besluit in het jaar 2007 zou uw te betalen box 3 belasting dus in beginsel toenemen ten opzichte van het te betalen bedrag aan box 3 van de definitieve aanslag 2007. Echter, het toepassen van het Besluit heeft door het nog openstaande te verrekenen verlies in box 1 geen effect op uw te betalen b Eiser heeft daarbij voor zowel de household allowance als de tax adjustment nog gewezen op een brief van de heer [naam] , hoofd van de International Service for Remunerations and Pensions van 29 april 2024 (de brief). Uit de brief blijkt volgens hem dat alle onderdelen van het pensioen, waaronder dus ook de household allowance en de tax adjustment, een integraal onderdeel van het pensioen zijn en dat daar geen aparte premies voor werden betaald. 13. De rechtbank is van oordeel dat de household allowance en tax-adjustment geen onderdeel vormen van het pensioen. Het feit dat de household allowance en tax-adjustment, evenals het ouderdomspensioen, in het reglement zijn geregeld, maakt nog niet dat sprake is van een pensioen in de zin van artikel 11 van de Wet LB 1964. De aanspraak op family allowances, waar de household allowance onder valt, is neergelegd in artikel 28 van het reglement. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de household allowance een arbeidsvoorwaarde is die gedurende de actieve periode wordt verstrekt, afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, maar ook na pensionering kan doorlopen. De (voorwaarde voor) aanspraak op de tax-adjustment volgt uit artikel 42 van het reglement. Ter zitting heeft eiser verder verklaard dat de tax adjustment wordt betaald door Economische Zaken. Er is, gelet op al het voorgaande, geen sprake van opgebouwde (pensioen)aanspraken.[5] De brief waar eiser naar heeft verwezen, maakt het voorgaande niet anders. In tegenstelling tot wat eiser in de brief wenst te lezen, zijn in de brief geen inlichtingen gegeven over de aard van de household allowance en de tax adjument en hoe deze geduid moeten worden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de household allowance en tax adjustment geen integraal onderdeel van het (ouderdoms)pensioen zijn. (On)zuiverheid pensioenregeling ESA voor 1 januari 1995 14. Eiser stelt zich op het standpunt dat de pensioenregeling van ESA al vóór 1 januari 1995 niet voldeed aan de voorwaarden die aan een pensioenregeling werden gesteld in (artikel 11, derde lid, van) de Wet LB 1964. Als de pensioenregeling van ESA niet aan deze voorwaarden voldeed, en daarom voor 1 januari 1995 ‘onzuiver’ was, hebben de destijds aan eiser toegekende aanspraken tot het loon in de zin van artikel 10 van de Wet LB 1964 behoord. Dit is van belang, omdat door de werking van overgangsrecht uitkeringen die voortvloeien uit op 31 december 1994 bestaande pensioenaanspraken die voor 1 januari 1995 tot het loon hebben behoord, ook in de jaren 2007 tot en met 2016 nog zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting op grond van het op 1 januari 1995 vervallen artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB 1964.[6] Hiervoor bedoeld overgangsrecht gaat naar zijn strekking voor op het bepaalde in artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001.[7] 15. Eiser stelt dat de pensioenregeling van ESA als onzuiver moet worden gekwalificeerd en dat één element hiertoe al voldoende is. Primair is de pensioenregeling van ESA onzuiver, omdat de pensioenverplichting door de werkgever in eigen beheer is gehouden en niet bij een derde is ondergebracht (formeel gebrek) en subsidiair vanwege een aantal materiële gebreken. Deze materiële gebreken zijn, summier weergegeven: de mogelijkheid tot vervroeging van de pensioeningangsdatum van 60 naar 50 jaar; het gegeven dat in het reglement geen rekening is gehouden met een AOW-inbouw; de zogenoemde leaving allowance; het wezenpensioen wordt tot 26 jaar uitbetaald, terwijl het slechts ten doel mag hebben de verzorging van kinderen tot 21 jaar, en ook anderen dan echtgenoot/echtgenote en/of kind(eren) hebben recht op het nabestaandenpensioen. Eigen beheer 16. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de pensioenregeling onzuiver is omdat ESA het pensioen in eigen beheer heeft gehouden. Het vereiste dat het pensioen moet zijn ondergebracht bij een toegelaten verzekeraar geldt pas met ingang van 1 januari 1995. Dat ESA de pensioenregeling destijds i De percentages in het reglement die worden gehanteerd zijn weliswaar hoger dan de percentages die in Nederlandse pensioenregelingen worden gehanteerd, maar bij ESA is het pensioen gebaseerd op het nettoloon, waardoor dit niet bovenmatig is in vergelijking tot de Nederlandse pensioenregelingen die zijn gebaseerd op het brutoloon. Kring van pensioengerechtigden 21. Eiser stelt dat in het reglement de kring van pensioengerechtigden veel ruimer is dan destijds in Nederland gebruikelijk was. De rechtbank is van oordeel dat artikel 25 van het reglement in samenhang met artikel 26 van het reglement moet worden gezien. Artikel 26 bepaalt dat het wezenpensioen eindigt aan het eind van de maand waarin niet langer aanspraak bestaat op de “allowance for a dependent child or dependent person”. De aanspraak op die allowance is geregeld in de Staff Rules and Regulations. Zij bestaat voor kinderen en “other dependants” tot zij de leeftijd van 18 bereiken, dan wel 26 zolang zij een studie of beroepsopleiding volgen dan wel militaire dienstplicht vervullen. De kring van nagelaten betrekkingen zoals volgt uit het reglement, is daarmee niet groter dan destijds in Nederland gebruikelijk was. Ook in zoverre is geen sprake van een onzuivere pensioenregeling. Tussenconclusie 22. Voor zover door eiser verder nog (andere) elementen naar voren zijn gebracht, al dan niet via de opinies van Van Ballegooijen bij de uitspraken van de Hoge Raad[12] en Rechtbank Den Haag[13], zijn deze naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, maar ook in samenhang beschouwd, van zodanig ondergeschikte betekenis dat zij de pensioenregeling niet onzuiver doen zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de pensioenregeling van ESA voor 1 januari 1995 niet onzuiver is. Gelet hierop zijn de pensioenuitkeringen, gelijkluidend het standpunt van partijen, in dat geval in beginsel belast op grond van artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001. Vaststelling belastingheffing 23. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de uitkeringen in beginsel volledig belast zijn in box 1 op grond van artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001. Deze bepaling kent een tegenbewijsregeling, maar daaraan kon in de praktijk kennelijk lastig worden voldaan door belastingplichtigen in gevallen als de onderhavige. Ook in de onderhavige situatie heeft eiser met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt aan deze tegenbewijsregeling te voldoen met betrekking tot de uitkeringen (alsook de household allowance en tax adjustment, zie hierna onder 24). Het Besluit is (mede) in verband met deze tegenbewijsregeling tot stand gekomen. In het Besluit is bepaald dat - voor zover van belang en summier weergegeven – 1/3e deel van de uitkeringen (de household allowance en tax adjustment uitgezonderd) mag worden belast in box 3 in plaats van in box 1. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat dit 1/3e deel van de uitkeringen volgens hem echter niet belast kan worden in box 3 vanwege de rangorderegeling van artikel 2.14 van de Wet IB 2001. De rechtbank verwerpt dit standpunt op grond van de navolgende overwegingen. De rangorderegeling bepaalt, kort gezegd, dat een voordeel uitsluitend in aanmerking wordt genomen op grond van de regeling die in de Wet IB 2001 als eerste komt. De woorden “behoudens voorzover aannemelijk is dat” in artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 houden blijkens de bewoording van die bepaling niet een vrijstelling in, maar beperken slechts de belastbaarheid van de desbetreffende uitkeringen in box 1 tot dat gedeelte waarvan aannemelijk is dat zij zijn terug te voeren op aanspraken die zijn belast (niet-aftrekbare werknemerspremies daaronder begrepen). Het deel van het pensioen dat niet onder het bereik van artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 valt, is daarmee naar de systematiek van artikel 2.14, eerste lid, van de Wet IB 2001 belastbaar in box 3. Gelet op het voorgaande is terecht 2/3e deel van de uitkeringen uit he rechtbank Zeeland-West Brabant van 4 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2211, r.o 4.10. [6] Artikel 38 van de Wet LB 1964 luidt (tekst 1 januari 1995): “Op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een op 31 december 1994 bestaande aanspraak die voor 1 januari 1995 tot het loon heeft behoord, blijft artikel 11, eerste lid , onderdeel g, zoals dat luidde op 31 december 1994, van kracht.” [7] zie HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264 en Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1596, onder verwijzing naar hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, aanhef en letter b, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. [8] Hoge Raad 2 december 1992, nr. 27 565, LJN: ZC5184. [9] Zie in vergelijkbare zin Gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, r.o 4.4.6. Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is afgedaan met artikel 81 RO, Hoge Raad 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:272. [10] Gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, r.o 4.4.5. [11] vgl. Kamerstukken II 1994/95, 23 046 nr. 3, blz. 18-25. [12] Hoge Raad van 19 september 1981, BNB 1981/308. [13] Rechtbank Den Haag 18 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV1667 [14] Zie o.a. HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812 en HR10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:177; zie voorts HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, r.o. 3.4, waarin de Hoge Raad tot uitdrukking bracht die rechtspraak voor de jaren tot 2017 te handhaven.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is het antwoord op de volgende vragen in geschil: a) Is de pensioenregeling van ESA tot 1 januari 1995 aan te merken als een ‘onzuivere’ pensioenregeling, zodat het gedeelte van het ouderdomspensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 1995 ten onrechte in de onderhavige jaren in de heffing is betrokken? b) Zijn de household allowance en de tax adjustment aan te merken als een integraal onderdeel van het pensioen, zodat zij ten onrechte volledig zijn belast als onderdeel van het inkomen uit werk en woning (box 1) in plaats van voor 2/3e deel? c) Is de waarde van de pensioenrechten, voor zover zij zijn opgebouwd via de werknemersbijdrage, terecht gerekend tot de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3)? d) Bij bevestigende beantwoording van de laatste vraag: is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist vastgesteld, waarbij in het bijzonder de vraag is of de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM? e) Is de in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente, gelet op de duur van de bezwaarprocedure, juist berekend? f) Heeft belanghebbende voor alle zaken afzonderlijk recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn? 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen tot nader gespecificeerde bedragen en dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikkingen, en tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 104.500. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Wettelijk kader 5.1.1. Artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) luidde, voor zover van belang, tot 1 januari 1995 als volgt: “1. Tot het loon behoren niet: a. aanspraken, die berusten op een pensioenregeling; (…) g. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak die tot het loon behoort; (…) 3. Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend: a. ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt Bedoeld overgangsrecht gaat naar zijn strekking voor op het bepaalde in artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 (uitbreiding van het loonbegrip in de inkomstenbelasting voor uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie). 5.3. Belanghebbende stelt primair dat de pensioenregeling formeel gezien niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat ESA, die de pensioenregeling in eigen beheer heeft gehouden, geen toegelaten verzekeraar is. Subsidiair stelt belanghebbende dat de pensioenregeling een aantal materiële gebreken vertoont. Belanghebbende voert – kort samengevat – de volgende omstandigheden aan die, op zichzelf en in samenhang bezien, volgens hem tot de conclusie leiden dat het pensioen onzuiver is: de pensioeningangsdatum kan worden vervroegd naar de leeftijd van 50 jaar; er is geen rekening gehouden met een AOW-inbouw; de pensioenpremie wordt terugbetaald als de dienstbetrekking binnen 10 jaar wordt beëindigd (leaving allowance); het recht op een nabestaandenpensioen bestaat voor kinderen tot de leeftijd van 26 jaar en tot een bedrag dat uitgaat boven hetgeen gebruikelijk is; het recht op een nabestaandenpensioen bestaat ook voor andere afhankelijke personen dan de (ex-)echtgenoot en kinderen, zoals ouders en schoonouders. Het Hof zal de door belanghebbende aangevoerde stellingen hierna achtereenvolgens beoordelen. Geen toegelaten verzekeraar 5.4. Het Hof verwerpt, evenals de Rechtbank, belanghebbendes stelling dat de pensioenregeling onzuiver is omdat ESA het pensioen in eigen beheer heeft gehouden. Per 1 januari 1995 is aan artikel 11, lid 3, letter b, Wet LB 1964 de voorwaarde toegevoegd dat het pensioen moet zijn ondergebracht bij een toegelaten verzekeraar (dat wil zeggen een natuurlijk persoon of lichaam als omschreven in artikel 11b, lid 1, Wet LB 1964; tekst vanaf 1 januari 1995). Deze voorwaarde was voorafgaand aan de genoemde datum niet opgenomen in artikel 11, lid 3, Wet LB 1964 dan wel in enige andere bepaling van de Wet LB 1964. Het feit dat ESA de pensioenregeling niet heeft ondergebracht bij een dergelijke verzekeraar, brengt derhalve niet mee dat de pensioenregeling reeds vóór 1 januari 1995 onzuiver was. Vervroeging pensioeningangsdatum 5.5. In het arrest van 2 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5184, BNB 1993/53, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag bij welke leeftijd van de werknemer uitkeringen na beëindiging van de dienstbetrekking kunnen ingaan wil sprake zijn van verzorging bij ouderdom, moet worden beantwoord aan de hand van de maatschappelijke opvattingen daaromtrent. Gelet daarop moet worden aangenomen dat regelingen die voorzien in uitkeringen na beëindiging van de dienstbetrekking, en die ingingen bij of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, destijds steeds konden worden aangemerkt als regelingen die de verzorging van werknemers of gewezen werknemers bij ouderdom ten doel hebben. Van regelingen die voorzien in eerder ingaande uitkeringen kon dat, behoudens bijzondere omstandigheden gelegen in de aard van de functie, niet worden gezegd. 5.6. De Inspecteur heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de leeftijd waarop het ouderdomspensioen volgens de pensioenregeling kan ingaan, in breed (internationaal) overleg is bepaald en Nederland zich daaraan heeft gecommitteerd. De vroegst mogelijke pensioenleeftijd (50 jaar) past daarmee volgens de Inspecteur binnen de destijds daarvoor geldende maatschappelijke opvattingen. Verder is de Inspecteur van mening dat het eerder ingaan van de pensioenuitkeringen dan op 60-jarige leeftijd gerechtvaardigd is. Er is sprake van bijzondere omstandigheden gelegen in de aard van de functie van een internationaal ambtenaar die een afwijking rechtvaardigen van wat als regel heeft te gelden omtrent een aanvaardbare ingangsdatum van een ouderdomspensioen. De pensioenvoorwaarden voor internationale ambtenaren van de gecoördineerde organisaties zijn binnen een bandbreedte afgestemd op de pensioenvoorwaarden van de landen Gelet op het voorgaande leidt de mogelijkheid van vervroeging van de pensioeningangsdatum niet tot de conclusie dat de pensioenregeling al voor 1 januari 1995 onzuiver was. Ontbreken AOW-inbouw 5.8. Het ontbreken van AOW-inbouw rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de pensioenregeling al voor 1 januari 1995 onzuiver was. Medewerkers van ESA bouwen immers geen rechten op een AOW-uitkering of een vergelijkbare basisoudedagsvoorziening op. Als in hun geval bij het bepalen van de pensioengrondslag het recht op een AOW-uitkering in aanmerking zou worden genomen, dan is het effect daarvan nihil (vgl. Gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290; het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) ongegrond verklaard, HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:271). Leaving allowance 5.9. In artikel 11 van het pensioenreglement (zie 2.2) is bepaald dat een medewerker van wie het dienstverband eindigt anders dan door overlijden of invaliditeit, terwijl hij geen recht heeft op ouderdomspensioen, recht heeft op een leaving allowance. Deze vergoeding omvat de op het salaris ingehouden pensioenbijdragen, rente, een lumpsum op basis van genoten salaris en diensttijd, en eventueel een gedeeltelijke terugbetaling van gestorte bedragen uit andere pensioenregelingen. De leaving allowance hangt kennelijk samen met artikel 7 van het pensioenreglement. Daarin is bepaald dat recht op ouderdomspensioen pas ontstaat als een medewerker tien of meer jaren daadwerkelijke dienst heeft vervuld bij ESA of een van de andere organisaties genoemd in artikel 1 van het pensioenreglement. In de gegeven samenhang moet de leaving allowance worden geduid als een compensatie voor vertrekkende medewerkers die gedurende hun dienstjaren nog geen recht op een ouderdomspensioen hebben opgebouwd, terwijl op hun salaris wel pensioenpremies zijn ingehouden. Het Hof acht niet aannemelijk dat die compensatie binnen het geheel van de pensioenregeling van meer dan bijkomstige betekenis is, zodat reeds daarom niet het oordeel is gerechtvaardigd dat de pensioenregeling van ESA niet (nagenoeg) uitsluitend de verzorging van (gewezen) werknemers en hun nabestaanden bij invaliditeit en ouderdom ten doel heeft. Dit betekent dat artikel 11 van het pensioenreglement geen reden vormt de pensioenregeling al naar de stand van de wetgeving van voor 1 januari 1995 als onzuiver aan te merken (vgl. Gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290; het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet RO ongegrond verklaard, HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:271). Nabestaandenpensioen voor kinderen 5.10. Belanghebbende stelt dat het recht op een nabestaandenpensioen bestaat voor kinderen tot de leeftijd van 26 jaar en tot een bedrag dat uitgaat boven hetgeen gebruikelijk is. Belanghebbendes klacht heeft, anders dan in eerste aanleg, betrekking op zowel de leeftijdsgrens als de bovenmatige omvang. 5.11.1. Ten aanzien van de kring van gerechtigden geldt dat artikel 25 van het pensioenreglement moet worden gelezen in samenhang met artikel 26 van het pensioenreglement. Artikel 26 bepaalt dat het wezenpensioen eindigt aan het eind van de maand waarin niet langer aanspraak bestaat op de “allowance for a dependent child or dependent person under the Staff Rules and Regulations of the Organisation”. De “dependant allowance” voor kinderen is geregeld in artikel 21.1/4 en volgende van de Staff Regulations (zie 2.4). Deze vergoeding bestaat, kort gezegd, voor kinderen van de medewerker tot zij de leeftijd van 18 jaar bereiken, dan wel 26 jaar zolang zij een studie of beroepsopleiding volgen dan wel militaire dienstplicht vervullen, alsmede andere kinderen aan wie de status van “dependant” is toegekend. Als een kind of “other dependant” de leeftijd van 18 jaar of ouder heeft bereikt, vervalt voor hen dus in beginsel het Dientengevolge heeft de Inspecteur de pensioenuitkeringen, exclusief de household allowance en de tax adjustment, voor 2/3e deel belast in box 1 en is de (gekapitaliseerde) waarde van het resterende deel van het pensioen voor 1/3e deel gerekend tot de rendementsgrondslag in box 3. Gezien het oordeel in 5.15 is derhalve nog in geschil of de household allowance en de tax adjustment volledig in de belastingheffing in box 1 kunnen worden betrokken, en of de (gekapitaliseerde) waarde van het resterende deel van het pensioen voor 1/3e deel mag worden gerekend tot de rendementsgrondslag in box 3. Zijn de household allowance en de tax adjustment onderdeel van het pensioen? 5.17.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de household allowance en de tax adjustment slechts voor (ten hoogste) 2/3e deel in de belastingheffing in box 1 kunnen worden betrokken omdat zij integraal onderdeel van het pensioen uitmaken, waarvoor hij premie heeft betaald. Belanghebbende voert daartoe aan dat de household allowance is gebaseerd op artikel 28 van het pensioenreglement, dat de kosten voor de household allowance op grond van artikel 40 van het pensioenreglement voor rekening van ESA en haar werknemers komen en dat op grond van artikel 41 van het pensioenreglement de kosten voor één derde deel betaald worden door de werknemers middels een percentage van hun inkomen. Belanghebbende heeft verder gewezen op de in 2.9 opgenomen verklaring van het hoofd van de ISRP. 5.17.2. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de household allowance een arbeidsvoorwaarde is die gedurende de actieve periode wordt verstrekt maar ook na pensionering kan doorlopen. Deze toelage is na pensionering qua hoogte niet of beperkt gerelateerd aan de pensioenopbouw en is tevens gemaximeerd. De toelage is geen onderdeel van de pensioenaanspraak. Het betreft geen inkomensvoorziening die alleen ingaat bij ouderdom, invaliditeit of overlijden. Over de tax adjustment merkt de Inspecteur op dat deze ertoe dient gepensioneerde medewerkers een compensatie te bieden voor te betalen inkomstenbelasting indien zij na pensionering woonachtig zijn in een land dat het pensioen in de belastingheffing betrekt. Er is bij de tax adjustment geen sprake van een direct verband met de ingelegde pensioenpremies, aldus de Inspecteur. 5.18.1. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de household allowance een arbeidsvoorwaarde is die gedurende de actieve periode wordt verstrekt, afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, maar ook na pensionering kan doorlopen. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat de household allowance ook tijdens zijn dienstverband met ESA werd uitgekeerd. De lezing van de Inspecteur wordt gestaafd door artikel 21.1/2 van de Staff Regulations (zie 2.4). Dit artikel bepaalt de hoogte van de household allowance op 6% van het basissalaris en regelt wie recht heeft op de allowance, waaronder gehuwde medewerkers en ongehuwde of gescheiden medewerkers met een of meer “dependent children”. Artikel 28, lid 1, van het pensioenreglement (zie 2.2) verwijst naar de family allowances die op grond van de algemene arbeidsvoorwaarden worden toegekend (“granted under the Organisation’s Staff Regulations and Rules”), en bepaalt verder dat deze allowances worden betaald (“paid”) aan de ontvanger van een ouderdomspensioen vanaf de “age of entitlement”. Hieronder wordt kort gezegd verstaan de pensioeningangsleeftijd; zie artikel 8 van het pensioenreglement. De household allowance wordt volgens artikel 28, lid 1, van het pensioenreglement bovendien – na het ingaan van het pensioen – berekend op basis van het pensioen van de ontvanger. Artikel 28 van het pensioenreglement bepaalt derhalve aan wie de allowance na het ingaan van het pensioen wordt betaald (aan de gepensioneerde in plaats van een kwalificerende “staff member”) en hoe deze allowance wordt berekend (over het pensioen in plaats van het basissalaris). Artikel 28 van het pensioenreglement stelt aldus de berekeningswijze 3.5.4.1, als volgt geoordeeld: “Het gedeelte van belanghebbendes pensioenuitkeringen dat is toe te rekenen aan na 1994 ontstane aanspraken waarvoor de werknemersbijdragen zijn betaald op of na 14 september 1999 en vóór 1 januari 2001, zal hierna, voor zover het bedrag van die bijdragen hoger is dan ƒ 5000 per kalenderjaar, worden aangeduid als deel 3 van de pensioenuitkeringen. Dit deel van de uitkeringen is belast op basis van de Wet IB 2001. Het bij Wet van 16 december 2004, Stb. 657, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 ingevoerde artikel 3.82, aanhef en letter d (met ingang van 2006: letter c), van deze wet brengt mee dat dit deel 3 van de pensioenuitkeringen tot het loon wordt gerekend. Een evenwichtige, bij het stelsel van de wet aansluitende toepassing van artikel 3.82 brengt mee dat een uitzondering wordt gemaakt voor zover deel 3 van de pensioenuitkeringen is toe te rekenen aan de niet-aftrekbare werknemersbijdragen van de belastingplichtige. Aldus vindt de heffing plaats op een vergelijkbare wijze als in gevallen waarin de belastingplichtige uit zijn nettoloon aan een verzekeringsmaatschappij niet-aftrekbare premie heeft betaald voor een vergelijkbaar recht op periodieke uitkeringen. Voor zover deel 3 van de pensioenuitkeringen is toe te rekenen aan niet-aftrekbare werknemersbijdragen en daarom niet tot het loon wordt gerekend, behoort het recht op die uitkeringen tot de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3, lid 1, van de Wet IB 2001.” 5.23. De door belanghebbende ontvangen pensioenuitkeringen worden tot het loon gerekend op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 (zie 5.15). Zoals geoordeeld in het hiervoor aangehaalde arrest, brengt een evenwichtige wetstoepassing mee dat hierop een uitzondering wordt gemaakt voor zover de pensioenuitkeringen zijn toe te rekenen aan de niet-aftrekbare werknemersbijdragen van de belastingplichtige. In zoverre behoort het recht op die uitkeringen tot de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3, lid 1, Wet IB 2001. In het onderhavige geval zijn de pensioenuitkeringen voor 2/3e deel belast in box 1 en is de (gekapitaliseerde) waarde van het resterende deel van het pensioen voor 1/3e deel, overeenkomend met het gedeelte van het pensioen dat is voldaan uit de werknemerspremies, gerekend tot de rendementsgrondslag in box 3 (zie 2.8 en 5.16). Deze toepassing is in overeenstemming met de in het voornoemde arrest geformuleerde rechtsregel en is, anders dan belanghebbende stelt, niet in strijd met de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001. Het Hof verwerpt belanghebbendes standpunt dat dit arrest onjuist is, omdat er geen enkele aanleiding is in deze zaak anders te oordelen. Het deel van belanghebbendes pensioen dat niet in box 1 belast is, is daarom terecht beschouwd als onderdeel van de rendementsgrondslag in box 3. Beroep op artikel 1 EP in verbinding met artikel 14 EVRM 5.24. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat de belastingheffing in box 3 over 1/3e deel van het pensioen in strijd is met het bepaalde in artikel 1 EP in verbinding met artikel 14 EVRM. Volgens belanghebbende dient de heffing in box 3 voor alle jaren beperkt te blijven tot het daadwerkelijk behaalde rendement, dat nihil is. Mocht toch een rendement worden verondersteld, dan is het volgens belanghebbende niet realistisch om een hoger percentage dan het rendement op spaarrekeningen in aanmerking te nemen. 5.25. De Hoge Raad heeft in het kerstarrest voor de jaren 2017 en volgende onder meer geoordeeld dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP in verbinding met artikel 14 van het EVRM, indien de heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. De Hoge Raad heeft daarbij echter ook geoordeeld dat de rechter niet eerder dan vanaf het jaar 2017 wegens strijdigheid met artikel 1 EP EVRM op stelselniveau kan ingrijpen in de belastingheffing over box 3-inkomen en dat voor de jaren daarvóór slechts voor een 5.30.2. Op grond van artikel 30fc, lid 1, AWR wordt aan belastingplichtigen belastingrente in rekening gebracht indien een aanslag inkomstenbelasting met een te betalen bedrag wordt vastgesteld zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden betaald. Ingevolge artikel 30fc, lid 2, AWR wordt de belastingrente berekend over het te betalen bedrag aan belasting over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het kalenderjaar en dat eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is. Op grond van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 is een belastingaanslag invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. 5.31. Bij de vermindering van de aanslagen bij de uitspraken op bezwaar is de in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Gesteld noch gebleken is dat de rente in de onderhavige zaken niet in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen is berekend, dan wel met enige andere rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur. De duur van de bezwaarprocedure heeft geen invloed op de hoogte van de in rekening gebrachte rente, maar kan wel van invloed zijn op eventueel in rekening te brengen of te vergoeden invorderingsrente. Ook is de duur van de bezwaarprocedure van belang bij het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (zie hierna). Vergoeding van immateriële schade 5.32. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Hij becijfert de vergoeding voor alle jaren gezamenlijk op € 104.500. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de vergoeding ten onrechte beperkt tot één jaar (2007). 5.33. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel (HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2). 5.34. De Rechtbank heeft de onderhavige bezwaren en beroepen terecht aangemerkt als samenhangende zaken waarin éénmaal spanning en frustratie is ondervonden. De zaken betreffen immers identieke geschilpunten en zijn in bezwaar en beroep gezamenlijk behandeld. Hoewel de uitspraken op bezwaar op verschillende data zijn gedagtekend, zijn alle uitspraken gezamenlijk in één hieraan voorafgaande brief van 6 december 2023 gemotiveerd, waarbij voor ieder jaar de voorgenomen correcties zijn aangekondigd. Hieraan doet niet af dat de oudste bezwaarprocedures zeer lange tijd hebben gelopen. 5.35. Het eerste bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 18 februari 2010. De Inspecteur heeft op 1 maart 2024 de laatste uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan. Vanaf de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de Inspecteur tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan, zijn naar boven afgerond 15,5 jaren verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 13,5 jaar. De overschrijding is geheel toerekenbaar aan de bezwaarfase. Gelet op het voorgaande heeft de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade