Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-11
ECLI:NL:GHDHA:2026:189
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.360.034/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 25-4201 zaaknummer rechtbank : C/10/700664 beschikking van de meervoudige kamer van 11 februari 2026 inzake [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, te Rotterdam, hierna te noemen: de raad. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 7 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vader heeft op 27 november 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof is voorts een journaalbericht van de zijde van de moeder van 17 november 2025, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum. 2.4 De raad heeft bij brief van 4 december 2025 aan het hof laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn. 2.5 De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt. 2.6 De mondelinge behandeling heeft op 7 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat (via een digitale verbinding); - de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Voor de moeder is [tolk 1] opgetreden als tolk in de Arabisch - Syrisch - Libanese taal en voor de vader is [tolk 2] opgetreden als tolk in de Arabisch - Syrisch - Libanese taal. 3 De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2023. 3.3 Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ); - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), hierna tezamen: de minderjarigen. 3.4 De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen. 3.5 Bij beschikking van 18 september 2023 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat het door partijen ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. Een afschrift hiervan is aan de beschikking gehecht. 3.6 In het ouderschapsplan zijn partijen, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overeengekomen: “ 1. Gezamenlijk gezag 1.1 De ouders achten het in het belang van de kinderen dat zij na de scheiding gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. Zij vinden het ook belangrijk dat het contact met de andere ouder zo min mogelijk door de scheiding wordt beïnvloed. (…) (…) 3. Verzorging en Opvoeding 3.1 De ouders hebben afgesproken dat vader altijd contact met de kinderen kan hebben na contact hierover tussen beiden - met betrekking tot de feest en vakantiedagen hebben de ouders afgesproken dat zij de deling in onderling overleg samen afspreken (…).” 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2023 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, bepaald dat vanaf de datum van de bestreden beschikking, zijnde 1 september 2025, de volgende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt: de minderjarigen verblijven wekelijks op zondag bij de vader, waarbij de vader ze na Arabische les bij de moskee in [plaats] ophaalt, in de zomer om 12.00 uur en in De vader wil niet dat de minderjarigen daar last van krijgen. Juridisch kader 5.3 Op grond van artikel 1:253a, lid 1 en lid 4, in samenhang met artikel 1:377e Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van (één van) de ouders een beslissing inzake de zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt in een dergelijk geval een beslissing die hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Oordeel van het hof 5.4 Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof maakt deze gronden – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof neemt hiertoe nog het volgende in aanmerking. De uitspraak door de rechtbank is in overeenstemming met de zorgregeling waar de ouders al langere tijd uitvoering aan geven en die naar omstandigheden goed verloopt. Hoewel ook op de vader de plicht rust om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden, acht het hof het niet in het belang van de minderjarigen om de thans geldende zorgregeling uit te breiden. De vader komt de huidige zorgregeling wel na, zij het dat hem dat veel moeite kost, maar het is weinig zinvol de vader tot een uitbreiding te dwingen. De vader heeft ook in hoger beroep verklaard dat hij niet in staat is een (grotere) vaderrol te vervullen. Zo heeft de vader aangevoerd dat hij angstgevoelens en een depressie heeft, waarvoor hij inmiddels medicatie voorgeschreven heeft gekregen. De vader wordt begeleid door een psychiater en is inmiddels ziek gemeld bij zijn werkgever. De vader geeft aan dat hij niet in de behoeften van de minderjarigen kan voorzien, omdat hij zijn angst, stressgevoelens en boosheid onderdrukt wanneer de minderjarigen bij hem verblijven. Nadat de minderjarigen weer weg zijn komt deze boosheid eruit, waarna de vader op de muren slaat. De vader zou liever minder omgang met de minderjarigen willen dan meer. In het licht van het voorgaande acht het hof het niet in het belang van de minderjarigen om de zorgregeling uit te breiden. 5.5 Het hof ziet wel aanleiding om het halen en het aanvangsmoment van de zorgregeling op de zondag iets te wijzigen, in die zin dat de vader de minderjarigen om 12.00 uur bij de moeder ophaalt, tenzij de minderjarigen Arabische les hebben in de moskee. In dat geval haalt de vader de minderjarigen na de Arabische les bij de moskee in [plaats] op en brengt de vader de minderjarigen in de avond om 19.00 uur weer terug bij de moeder. 5.6 Omdat het hof de zorgregeling op een onderdeel aanpast zal het hof voor de overzichtelijkheid de bestreden beschikking voor wat betreft de zorgregeling vernietigen en als volgt beslissen. Gezag Ontvankelijkheid 5.7 De moeder heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan met betrekking tot het eenhoofdig gezag, in die zin dat zij wenst te worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen indien het hof de bestreden beschikking bekrachtigt of een zorgregeling bepaalt die in frequentie minder is dan een weekend per twee weken. Nu het hof de bestreden beschikking bekrachtigt, komt het hof toe aan het voorwaardelijk verzoek van de moeder. 5.8 Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in samenhang met artikel 130 Rv, heeft de moeder in beginsel het recht (de gronden van) haar verzoek in hoger beroep te vermeerderen. Nu de moeder de oorspronkelijk verzoekster in eerste aanleg was, is bovendien geen sprake van een zelfstandig verzoek van de moeder in de zin van artikel 362 Rv, dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. De verzoeken en de onderwerpen waarop zij betrekking hebben mogen echter niet zozeer van het onderwerp van geschil in eerste aanleg verschillen dat deze wijziging