Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-23
ECLI:NL:GHDHA:2026:1839
ECLI:NL:GHDHA:2026:1839 text/xml public 2026-06-03T10:52:44 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-23 BK-25/485 t/m BK-25/487 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:15777, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1839 text/html public 2026-06-03T10:48:39 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1839 Gerechtshof Den Haag , 23-04-2026 / BK-25/485 t/m BK-25/487 Art. 30a Wet WOZ, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm. Bijzonder geval, geen no cure no pay. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-25/485 tot en met BK-25/487 uitspraak van 23 april 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A. Oosters) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 mei 2025, nummers SGR 24/8510 tot en met SGR 24/8512. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021, 2022 en 2023 (de waardepeildata) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als de [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022, 2023 en 2024 vastgesteld op respectievelijk € 2.652.000, € 2.916.000 en € 2.907.000 (de beschikkingen). Met de beschikkingen is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022, 2023 en 2024 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (de aanslagen). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikkingen en de aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld: “De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.747,50; draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden; draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.” 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 21 februari 2026. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. 2.2. De Heffingsambtenaar heeft op 24 januari 2025 een compromisvoorstel gedaan, inhoudende dat de waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 wordt vastgesteld op € 2.140.000 en voor 2023 en 2024 op € 2.360.000. Op 10 februari 2025 heeft de Heffingsambtenaar een aanvulling gedaan op zijn voorstel voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. De voorgestelde proceskostenvergoeding bedraagt € 1.520,75. Voor de bezwaarfase bestaat deze uit 1 punt vastgesteld op € 647 voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt vastgesteld op € 646 voor de hoorzitting. De toegepaste wegingsfactor voor de bezwaarfase is 1. Voor de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar 1 punt vastgesteld op € 907 toegekend voor het indienen van het beroepschrift. In de beroepsfase is op grond van artikel 30a Wet WOZ een wegingsfactor van 0,25 toegepast. 2.3. Het in ho Daarmee heeft de gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust[4], heeft met de enkele verwijzing door zijn gemachtigde naar diens website geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en). In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025[5] geldt dat het uitblijven van een dergelijke onderbouwing ertoe leidt dat geen sprake is van een bijzonder geval. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe. 6. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit worden beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij dient per fase van de procedure (bezwaar- dan wel beroepsfase) te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en de werkzaamheden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek is geweest. Ze zijn in beroep gezamenlijk en in samenhang met elkaar behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend. 7. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Bpd voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.747,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 1 (totaal bezwaarfase € 1294,-); 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- (tarief 2025), en een wegingsfactor 0,25[6] (totaal beroepsfase € 453,50). 8. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit. De rechtbank is als bestuursrechter namelijk niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.[7] (…) [1] ECLI:NL:HR:2025:46. [2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507. [3] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2. [4] ECLI:NL:HR:2025:46, In dat geval vervalt het meerdere aan [kantoor gemachtigde] . (…) Artikel 5: Ambtshalve verzoek Als het bezwaar gegrond wordt verklaard en de WOZ-waarde met 20% of meer wordt verlaagd, dan kan [kantoor gemachtigde] namens opdrachtgever een ambtshalve verzoek indienen bij de gemeente om de WOZ-waarden en/of OZB-aanslagen van de afgelopen vier jaren op juistheid te beoordelen. Als het verzoek deels of geheel wordt gehonoreerd wordt bij opdrachtgever 25% excl. BTW van het voordeel in de gemeentebelastingen in rekening gebracht. Opdrachtgever dient de factuur binnen 14 dagen na ontvangst van de belastingvermindering te voldoen.” 5.2.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd dat hij voor zijn diensten bij een eventueel hoger beroep op verzoek van de cliënt wederom de in artikel 3.2 genoemde bedragen aan de cliënt in rekening brengt. Voor het ambtshalve verzoek als bedoeld in artikel 5 brengt de gemachtigde geen extra bedrag in rekening, nu het ambtshalve verzoek enkel plaatsvindt na afloop van een afgeronde (bezwaar)procedure. De gemachtigde heeft verklaard dat het op eigen initiatief procederen over de proceskostenvergoeding en het indienen van een ambtshalve verzoek slechts in een klein aantal gevallen aan de orde is. 5.2.3. De gemachtigde heeft individuele overeenkomsten en facturen overgelegd die het jaar 2024 betreffen. De gemachtigde van belanghebbende heeft toegelicht dat de bedragen volgens de eerder in 2024 gesloten overeenkomsten variëren als gevolg van de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsmodel. Overgelegde facturen voor een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure op basis van in april tot en met december 2024 gesloten overeenkomsten variëren in kosten (inclusief btw) van € 240 tot € 387 tot € 484 tot € 580 tot € 851. Volgens een op 18 juli 2024 gesloten overeenkomst bedragen de kosten van een beroepschrift en een taxatierapport € 774,40 inclusief btw. 5.3. In zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “2.3.2 In het arrest van 17 januari 2025 [ Hof : ECLI:NL:HR:2025:46] heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. 2.3.3 Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor in 2.3.2 bedoelde kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het is aan de belanghebbende om daarvan het bewijs te leveren. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken. De door belanghebbende verstrekte gegevens 2.4.1 Belanghebbende heeft in zijn bericht van 13 mei 2025 betoogd dat met de door hem verstrekte gegevens wordt bewezen dat op het moment waarop in deze zaak beroep in cassatie werd ingesteld (4 september 2024), het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde (hierna: Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij een instapvergoeding ter hoogte van dit bedrag staat vast dat klanten van de gemachtigde financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. Daaraan staat niet in de weg dat de klant van de gemachtigde – de belanghebbende in een bpm-procedure – vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. 2.7.2 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.1 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de WHpkv.” 5.4. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad (in het bijzonder r.o. 2.7.1) volgt dat het bedrijfsmodel van de beroepsmatig optredende gemachtigde moet worden beoordeeld naar het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is ingesteld en dat voor de toets of wordt opgetreden op basis van no cure no pay moet worden gekeken naar hetgeen volgens dat bedrijfsmodel voor elke op te starten procedure in rekening wordt gebracht. Hierbij heeft de Hoge Raad klaarblijkelijk niet van belang geacht dat de desbetreffende procedure reeds vóór ingang van het nieuwe door de Hoge Raad in aanmerking genomen bedrijfsmodel werd opgestart (de uitspraak van de rechtbank in die procedure is van 26 juni 2023 terwijl het nieuwe bedrijfsmodel startte per 20 september 2023). 5.5. Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende (zie 5.2) ten tijde van het instellen van beroep op 24 oktober 2024, heeft niet het kenmerk van no cure no pay. Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 18 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:227, heeft de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij in deze zaak in hoger beroep heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2024 voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die dusdanig hoog zijn dat niet kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij bedragen zoals door de gemachtigde in rekening worden gebracht staat vast dat zijn klanten financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof erkend dat de klanten van de gemachtigde financieel risico lopen. 5.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een “bijzonder geval”. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten in de fase van het beroep moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, waaraan de omstandigheid dat in de onderhavige zaak (zoals voorheen) nog geprocedeerd wordt op basis van no cure no pay niet afdoet. Proceskosten en griffierecht 6.1. Er is aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in hoger beroep betaalde griffierechten. Het Hof laat de vergoeding van kosten voor de bezwaarfase (€ 1.294) zoals bepaald door de Rechtbank in stand, aangezien deze niet in geschil is. Beroepsfase 6.2. Wat betreft de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, worden deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, gesteld op € 1.868 (1 punt voor het b