Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:1838
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-25/467 en BK-25/468 uitspraak van 23 april 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A. Oosters) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 mei 2025, nummers SGR 24/8427 en SGR 24/8429. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 en 1 januari 2023 (de waardepeildata) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als de [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 810.000 respectievelijk voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 872.000 (de beschikkingen). Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 en 2024 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (de aanslagen). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft de tegen de beschikkingen en aanslagen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; - veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 787,69; - draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden; - draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.” 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 21 februari 2026. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. 2.2. In de bezwaarfase heeft belanghebbende voor beide jaren een taxatierapport van [A B.V.] ingebracht, alsmede een factuur van € 128,26 (inclusief btw) die betrekking heeft op het opstellen van een taxatierapport (2 uren à € 53 exclusief btw). 2.3. De beschikkingen en de aanslagen zijn op 24 oktober 2024 ambtshalve vernietigd. De (nader voorgestelde) waarde van de woning en de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zijn niet langer in geschil. 2.4. Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft belanghebbende op 20 maart 2025 een aanvulling op zijn beroepschrift ingebracht. Op 2 april 2025, één dag voor de zitting, heeft de Heffingsambtenaar een reactie hierop gedeeld. De reactie bestaat uit vijf pagina’s en vier bijlagen. 2.5. Het in hoger beroep ingediende nader stuk van belanghebbende omvat een uitgebreide onderbouwing met diverse bijlagen ter ondersteuning van het standpunt van de gemachtigde van belanghebbende, dat hij dient te worden aangemerkt als een “bijzonder geval” zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. De bijlagen bestaan onder meer uit de overeenkomst zoals die door de gemachtigde van belanghebbende wordt gebezigd sinds oktober 2024, een aantal overeenkomsten en facturen uit 2024, overeenkomsten uit 2026, een Excel-overzicht met winstcijfers en de winst- en verliesrekeningen van de onderneming van de gemachtigde over de jaren 2012 tot en met 2023. Oordeel van d Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm[2] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.[3] 6. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Gemachtigde stelt dat hij tot 2024 diensten op basis van no cure no pay verleende en dat hij vanaf 2024 diensten verleent op basis van een uurtarief. Gemachtigde heeft een factuur van € 128,26 exclusief btw overgelegd die ziet op het opstellen van een taxatierapport en een overeenkomst die ziet op de bezwaarfase. Niet gebleken is dat er naast de overgelegde factuur nog andere kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarmee heeft de gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust[4], heeft met de enkele verwijzing door zijn gemachtigde naar diens website geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en). In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025[5] geldt dat het uitblijven van een dergelijke onderbouwing ertoe leidt dat geen sprake is van een bijzonder geval. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe. 7. Belanghebbende stelt dat, gelet op de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, recht bestaat op een vergoeding van € 128,26 voor het in bezwaar ingebrachte taxatierapport. Het is echter niet aannemelijk geworden dat de taxateur van belanghebbende meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. Een kostenvergoeding volgens de Richtlijn voor een tijdsbesteding van twee uur is dan disproportioneel en er bestaat aanleiding deze te matigen.[6] De rechtbank acht een tijdsbesteding van tien minuten daarom redelijk en komt daarmee uit op een vergoeding voor de kosten van het taxatierapport van € 10,69 (1/6 uur x € 53 te vermeerderen met 21% btw). 8. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit worden beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij dient per fase van de procedure (bezwaar- dan wel beroepsfase) te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en de werkzaamheden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek is geweest. Ze zijn i 2018, 28796 (de Richtlijn), door de stellingname van de Heffingsambtenaar te volgen dat met het opmaken van de taxatierapporten minder dan twee uur gemoeid zou zijn. Het taxatierapport wordt, aldus belanghebbende, zonder gebruikmaking van automatisering opgemaakt. Belanghebbende betoogt verder dat het opmaken van een dergelijk rapport niet in een tijdsbestek van tien minuten kan plaatsvinden. In het bijzonder gaat veel tijd zitten in het analyseren van goede referenties en het opdelen in hun waardecomponenten. De vergoeding dient dus te worden bepaald op basis van de Richtlijn en wel op 2 uren maal € 53 exclusief btw, derhalve op € 128,26 (inclusief btw). 5.3. De Heffingsambtenaar heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken. Primair stelt de Heffingsambtenaar dat de kosten van de taxatierapporten in het geheel niet vergoed dienen te worden. Daarbij verwijst de Heffingsambtenaar naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2022, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, r.o. 3.10.1. De opgemaakte taxatierapporten ondersteunen volgens de Heffingsambtenaar niet het standpunt van belanghebbende, nu het standpunt van belanghebbende was dat sprake is van een onjuiste objectafbakening. Subsidiair stelt de Heffingsambtenaar zich op het standpunt dat minder uren voor de taxatierapporten moeten worden vergoed, nu in 2022 reeds een rapport is opgemaakt dat qua opmaak en inhoud nagenoeg gelijk is aan de rapporten van onderhavige jaren. De Rechtbank is derhalve terecht uitgegaan van een tijdsbesteding van tien minuten voor de berekening van de vergoeding van de kosten van het taxatierapport, aldus de Heffingsambtenaar. 5.4. De Rechtbank heeft een vergoeding van de kosten van het taxatierapport toegekend en deze vastgesteld op € 10,69 (1/6 uur x € 53 te vermeerderen met 21% btw). De Rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding aanleiding gezien om af te wijken van de Richtlijn, omdat niet aannemelijk is geworden dat de taxateur meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. De Rechtbank achtte een kostenvergoeding volgens de Richtlijn voor een tijdsbesteding van twee uur disproportioneel en heeft aanleiding gezien deze te matigen en daarbij een tijdsbesteding van tien minuten redelijk geacht. 5.5 De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof een uitgebreide toelichting over de werkwijze bij de totstandkoming van taxatieverslagen gegeven. Daarin is betoogd dat de gemachtigde gedeeltelijk handmatig werkt, in het bijzonder bij het selecteren van de referentieobjecten. Met deze geloofwaardige verklaring van de gemachtigde, heeft hij aannemelijk gemaakt dat het opstellen van het onderhavige taxatieverslag meer dan tien minuten in beslag heeft genomen. Dit leidt tot de conclusie dat de vergoeding dient te worden gesteld op € 128,26 (inclusief btw). Bijzonder geval 5.6.1. Op het beroep, dat is ingesteld tegen de in 2024 gedane uitspraken op de bezwaren, is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ van toepassing. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn bedrijfsmodel meebrengt dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ (r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46) en heeft daartoe in hoger beroep financiële en andere informatie over zijn bedrijf in het geding gebracht. 5.6.2. Uit die informatie blijkt volgens de gemachtigde van belanghebbende in de onderhavige zaak zijn werkzaamheden verricht op basis van afspraken die zijn gemaakt ruim vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2024 van de WHpkv, op basis van no cure no pay. 5.7.1. Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde van belanghebbende in nieuwe zaken niet langer op basis van no cure no pay, zo heeft hij verklaard. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van opdracht waarin onder andere het volgende is bepaald: “Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase De kosten voor het beoordelen bedragen € 99 In zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “2.3.2 In het arrest van 17 januari 2025 [ Hof : ECLI:NL:HR:2025:46] heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. 2.3.3 Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor in 2.3.2 bedoelde kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het is aan de belanghebbende om daarvan het bewijs te leveren. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken. De door belanghebbende verstrekte gegevens 2.4.1 Belanghebbende heeft in zijn bericht van 13 mei 2025 betoogd dat met de door hem verstrekte gegevens wordt bewezen dat op het moment waarop in deze zaak beroep in cassatie werd ingesteld (4 september 2024), het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde) noch het eerste kenmerk van optreden op basis van no cure no pay, noch het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft. De gemachtigde is een in 2018 opgerichte besloten vennootschap, [B B.V.] , met een advies- en procespraktijk, gespecialiseerd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). 2.4.2 Over het eerste kenmerk stelt belanghebbende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde in het algemeen nooit gebaseerd is geweest op het principe van no cure no pay en dit in elk geval niet meer zo is met ingang van 20 september 2023. Volgens belanghebbende brengt de gemachtigde sindsdien haar klanten voor iedere procedure, dat wil zeggen voor elk bezwaar tegen een betaling op aangifte of elk bezwaar tegen een naheffingsaanslag, inclusief eventuele opvolgende procedures, een instapvergoeding per betrokken auto in rekening. Die instapvergoeding blijft de klant verschuldigd aan de gemachtigde, ook als de procedure wordt verloren.Tussen 1 januari 2020 en 20 september 2023 bedroeg de instapvergoeding tussen de € 125 en € 265, exclusief omzetbelasting. Vanaf 20 september 2023, het moment waarop de gemachtigde kennisnam van het wetsvoorstel van de WHpkv, rekent de gemachtigde een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting, behoudens in een verwaarloosbaar aantal uitzonderingsgevallen. Volgens belanghebbende kan van zo’n hoog bedrag niet worden gezegd dat de klant géén risico loopt bij het geven van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand. (…) Beoordeling optreden op basis van no cure no pay 2.6.1 Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde be Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende (zie 5.7) ten tijde van het instellen van beroep op 23 oktober 2024, heeft niet het kenmerk van no cure no pay. Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 18 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:227, heeft de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij in deze zaak in hoger beroep heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2024 voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die dusdanig hoog zijn dat niet kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij bedragen zoals door de gemachtigde in rekening worden gebracht staat vast dat zijn klanten financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof erkend dat de klanten van de gemachtigde financieel risico lopen. 5.11. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.10 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een “bijzonder geval”. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten in de fase van het beroep moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, waaraan de omstandigheid dat in de onderhavige zaak (zoals voorheen) nog geprocedeerd wordt op basis van no cure no pay niet afdoet. Proceskosten en griffierecht 6.1. Er is aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in hoger beroep betaalde griffierechten. Het Hof laat de vergoeding van kosten voor de bezwaarfase (€ 323,50) zoals bepaald door de Rechtbank in stand, aangezien deze niet in geschil is. De vergoeding van de kosten van het taxatierapport wordt bepaald op € 128,26 (zie 5.2). Beroepsfase 6.2. Wat betreft de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, worden deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, gesteld op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1). Hogerberoepsfase 6.3. De vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep wordt, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 934 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5). Griffierechten 6.4. Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 aan belanghebbende te vergoeden. Beslissing Het Gerechtshof: - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze de vergoeding van de proceskosten in beroep en het taxatierapport betreft; - veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 2.802; - veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van de taxatierapporten ten bedrage van € 128,26; - draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende de in hoger beroep betaalde griffierechten van € 143 te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door H.A.J. Kroon. De griffier, de raadsheer, D.W. Renes H.A.J. Kroon De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in