Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-02
ECLI:NL:GHDHA:2026:1810
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummer hof : 200.355.640/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/638452 HA ZA 22/967 Arrest 2 juni 2026 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag, tegen 1. [geïntimeerde 1] , wonende in [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2 / de BV] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. M.E.R van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag. 1 Procesverloop in hoger beroep 1.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 19 december 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de (tussen) vonnissen van 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 van de rechtbank Den Haag gewezen onder rolnummer C/09/638452 HA ZA 22/967; de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] , met bijlagen; een brief van [appellante] van 11 mei 2026 met bijlagen; enkele per e-mail van [appellante] van 11 mei 2026 overgelegde nadere producties; een akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] van 21 mei 2021, met bijlagen. 1.2 Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat; [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] , bijgestaan door hun advocaat. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Daarbij hebben geïntimeerden bezwaar gemaakt tegen de e-mail van 11 mei waarin deze partij zelf – zonder tussenkomst van de advocaat – nog enkele producties heeft overlegd zonder dat daarbij enige nadere toelichting wordt gegeven. Aangevoerd is daarbij dat het geen makkelijk te doorgronden stukken betreft en onduidelijk is waarom deze stukken worden overgelegd. Namens appellante is op dit bezwaar niet gereageerd. Het hof besluit deze zonder enige toelichting door de partij zelf ingediende nadere producties – gelet op dit bezwaar van de wederpartij en het feit dat deze zich tegen deze stukken op genoemde gronden niet goed heeft kunnen verweren – buiten beschouwing te laten. Daarbij tekent het hof nog aan dat het ook meer in het algemeen geen acht hoeft te slaan op producties waarvan geheel onduidelijk is gebleven ter onderbouwing waarvan zij worden overgelegd. 2 De bestreden vonnissen 2.1 In het tussenvonnis van 21 februari 2024 luidt het dictum als volgt: “De rechtbank: in conventie 4.1. draagt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] op te bewijzen dat: (1) [geïntimeerde 2 / de BV] over onvoldoende liquide middelen beschikt (i) om tot afstorting over te gaan van het kapitaal dat nodig is voor het aan [appellante] toekomende deel van de door [geïntimeerde 1] in [geïntimeerde 2 / de BV] opgebouwde pensioenaanspraak, als ook (ii) voor de dekking van de commerciële waarde van het resterende deel dat [geïntimeerde 1] toekomt; en indien [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] dit bewijzen: (2) deze middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde 2 / de BV] in gevaar te brengen; 4.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 20 maart 2024 voor uitlating door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel; 4.3. bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen. De zaak zal in dit geval op de rol komen van woensdag 17 april 2024 voor antwoordakte door [appellante] ; 4.4. bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] getuigen willen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april van de memorie van antwoord stellen geïntimeerden dat de in de randnummers 66 en 67 door [appellante] geformuleerde grieven niet voldoen aan de eisen die aan een grief moeten worden gesteld. Geïntimeerden zijn van mening dat al hetgeen waartegen niet specifiek wordt gegriefd, als vaststaand dient te worden beschouwd. 4.3. Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich mee dat [appellante] haar bezwaren tegen de bestreden vonnissen zodanig dient te formuleren dat voor de wederpartij maar ook voor de rechter duidelijk is tegen welke onderdelen zij haar bezwaren richt en wat zij daaraan ten grondslag legt. Een onduidelijke of onvolledige formulering van een grief komt dan ook voor rekening en risico van [appellante] . Dat geldt ook voor de grieven geformuleerd op andere plekken dan in de randnummers 66 en 67. Ontvankelijkheid 4.4. Voor zover de ontvankelijkheid van [appellante] door geïntimeerden aan de orde wordt gesteld, omdat afstorting van een pensioen in eigen beheer bij een professionele verzekeringsmaatschappij niet langer mogelijk is, overweegt het hof als volgt. Dit standpunt wordt door [appellante] betwist, maar daarnaast luidt haar vordering in eerste aanleg in conventie aldus dat geïntimeerden worden veroordeeld “ aan eiseres (althans een toegelaten instelling) te betalen door afstorting ” van het betreffende pensioenbedrag. De vordering is derhalve niet beperkt tot afstorting bij een professionele verzekeringsmaatschappij. De afstorting van het opgebouwde ouderdoms- en nabestaande pensioen 4.5. Het hof overweegt als volgt. In het tussenvonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank conform de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1080) geformuleerd wanneer afstorting van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen kan worden verlangd. Er dienen voldoende financiële middelen in [geïntimeerde 2 / de BV] (hierna: de BV) te zijn (of te kunnen worden vrijgemaakt of aangetrokken zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar te brengen) om op basis van commerciële waarde de afstorting te realiseren van [appellante] terwijl er in de BV ook voldoende kapitaal aanwezig blijft ter dekking van de commerciële aanspraken van [geïntimeerde 1] . Ook heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat een eventueel tekort in beginsel tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] moet worden gedeeld, naar verhouding waartoe de verevening overeenkomstig artikel 3 lid 1 Wvps leiden. Tot slot heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat er omstandigheden kunnen zijn dat een tekort tussen de echtgenoten anders moet worden verdeeld. Derhalve heeft de rechtbank het juiste juridische kader gehanteerd. Voor zover [appellante] in de randnummers 30 en 31 van haar memorie van grieven nog beoogt op te roepen tot een aanpassing van het juridische kader, ziet het hof daartoe geen aanleiding. 4.6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank aan [geïntimeerde 1] en de BV een goed geformuleerde bewijsopdracht heeft verstrekt te weten: “4.1. draagt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] op te bewijzen dat: (1) [geïntimeerde 2 / de BV] over onvoldoende liquide middelen beschikt (i) om tot afstorting over te gaan van het kapitaal dat nodig is voor het aan [appellante] toekomende deel van de door [geïntimeerde 1] in [geïntimeerde 2 / de BV] opgebouwde pensioenaanspraak, als ook (ii) voor de dekking van de commerciële waarde van het resterende deel dat [geïntimeerde 1] toekomt; en indien [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] dit bewijzen: (2) deze middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde 2 / de BV] in gevaar te brengen. 4.7. Uit de grieven van [appellante] volgt dat zij van mening is dat de BV wel over voldoende liquide middelen kan beschikken voor de afstorting van haar pensioenaanspraken. In haar grieven voert zij onder meer aan: 1) dat de notarissen zijn veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] te betalen Het hof acht aannemelijk dat [geïntimeerde 1] , zoals hij stelt en door [appellante] niet dan wel onvoldoende wordt betwist, het bedrag dat hij van de notarissen heeft ontvangen inmiddels volledig heeft verteerd aan privéschulden. Alleen al zijn advocaatkosten bedragen sinds juli 2024 € 82.308,87. Het hof merkt hierbij ten slotte nog op dat [geïntimeerde 1] onbetwist heeft gesteld dat [appellante] tegen de uitspraak op grond waarvan de notarissen (en zijzelf in vrijwaring) tot uitbetaling zijn veroordeeld in hoger beroep is gegaan. 4.13. De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde 1] het huisje in [locatie] kan verkopen en zo over liquide middelen kan beschikken snijdt ook geen hout. [appellante] heeft zonder instemming en medeweten van [geïntimeerde 1] een recht van hypotheek gevestigd op haar aandeel in dit onroerend goed derhalve kan [geïntimeerde 1] dit onroerend goed niet zomaar verkopen. Daar komt bij dat, zoals ook in de bestreden beschikking al is geoordeeld, [geïntimeerde 1] in zijn onderlinge verhouding tot [appellante] recht heeft op de gehele verkoopopbrengst van dit huisje, die hij echter door verkoop daarvan niet kan verkrijgen zolang daarop een hypotheek rust en/of zolang de onbelaste toedeling van het huisje aan hem niet is uitgevoerd. Aan de door de vrouw voorgestelde verkoop behoeft [geïntimeerde 1] dan ook niet mee te werken. 4.14. Daarbij is het hof van oordeel dat van [geïntimeerde 1] in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij eventueel beschikbare privégelden in de BV steekt teneinde de BV in staat te stellen om tot afstorting van het pensioen van [appellante] over te gaan, terwijl [appellante] haar schuld aan hem ter hoogte van (nu nog) meer dan € 350.000, - niet voldoet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat – zoals hieronder nog zal blijken – de man niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het liquiditeitstekort in de BV vanwege de dividenduitkering van maart 2022. 4.15. Gezien de vermogenspositie van [geïntimeerde 1] alsmede de vermogenspositie van de BV acht het hof het niet aannemelijk dat een reguliere bankinstelling op basis van normale kredietvoorwaarden aan [geïntimeerde 1] en of aan de BV een lening zal verstrekken voor de financiering van de pensioenrechten van partijen. Geïntimeerden hebben al in eerste aanleg verschillende stukken overgelegd waaruit dit volgt. De inkomsten van de BV zijn afhankelijk van de werkzaamheden van [geïntimeerde 1] ; als [geïntimeerde 1] om wat voor reden ook niet meer kan werken, droogt de geldstroom voor de BV op. 4.16. Met betrekking tot [de deelneming] is het hof van oordeel dat deze vennootschap geen dividend kan uitkeren aan de BV. De overige reserves bedragen slechts € 68.824, een dergelijke reserve is noodzakelijk om mogelijke toekomstige tegenvallers in bedrijfseconomische zin te kunnen opvangen. De liquiditeiten in deze vennootschap staan niet ter beschikking van de BV aangezien deze behoren tot het vermogen van [de deelneming] 4.17. Op blz. 7 heeft [appellante] een kopje geformuleerd bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof begrijpt uit het betoog van [appellante] dat zij stelt dat [geïntimeerde 1] door de dividenduitkering van € 980.875, - in maart 2022 onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld, en daarom persoonlijk aansprakelijk is voor het daardoor ontstane liquiditeitstekort. 4.18. Door [geïntimeerde 1] en de BV is gemotiveerd verweer gevoerd. 4.19. Vaststaat dat [geïntimeerde 1] een zeer aanzienlijke rekening-courant schuld had bij de BV en dat het grootste deel van die schuld is veroorzaakt door de aankoop (en verbouwing) van de woning in Italië die de vrouw in eigendom toebehoorde en die, voordat deze door [appellante] werd verkocht, ook als zekerheid voor deze schuld kon dienen. Vanuit fiscaal oogpunt bezien was deze schuld zeer risicovol voor beide partijen. De gelden van de BV zijn met name gebruikt voor privébestedingen en fiscaal gezien is dit een dividenduitkering. Het hof verwijst naar de gronden van de rechtba [geïntimeerde 1] heeft slechts om tot executie van deze vorderingen te kunnen komen in reconventie gevorderd om deze veroordelingen in het dictum op te nemen. Met betrekking tot het bedrag van € 8.577,22 is [geïntimeerde 1] van mening dat [appellante] aansprakelijk is voor deze kosten aangezien zij destijds ten onrechte is overgegaan tot executie. 4.24. Het hof overweegt als volgt. Uit de beschikking van ons hof van 29 maart 2023 volgt dat [appellante] een bedrag van € 127.773,44 aan [geïntimeerde 1] dient terug te betalen; het hof verwijst naar r.o. 2.1 van deze beschikking. Abusievelijk heeft het hof dit bedrag niet in het dictum opgenomen, derhalve kon [geïntimeerde 1] niet overgaan tot executie. Vaststaat dat [appellante] niet in cassatie is gegaan van de beschikkingen van 7 december 2022 en 29 maart 2023 van dit hof en derhalve staat tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] vast dat [appellante] het bedrag van € 127.773,44 aan [geïntimeerde 1] verschuldigd is. De rechtbank heeft daarom op goede gronden de reconventionele vordering van [geïntimeerde 1] toegewezen. Voorts is het hof van oordeel dat bij de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag niet de incassokosten van € 8.777,22 in mindering mogen worden gebracht, aangezien die verband houden met de incassering en/of beslaglegging door [appellante] (ten behoeve) van een vordering waaraan de (vermeende) grondslag in hoger beroep is komen te ontvallen. Dergelijke kosten komen voor rekening van degene die in de tussentijd reeds tot tenuitvoerlegging is overgegaan. Gelet op het voorgaande komt het hof ook tot een bekrachtiging van het bestreden vonnis wat betreft de vordering in reconventie. Bewijsaanbod 4.25. Ook in hoger beroep heeft [appellante] , naar aanleiding van de door de rechtbank in eerste aanleg aan [geïntimeerde 1] verstrekte bewijsopdracht, geen aanbod tot het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen gedaan. Voor zover een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs toch aan de orde zou zijn, komt het hof daaraan, gelet op het voorgaande – bij gebrek aan een voldoende onderbouwde betwisting van de stellingen van [geïntimeerde 1] in hoger beroep over de actuele stand van zaken – niet toe. Zo is de stelling van [geïntimeerde 1] dat er op dit moment onvoldoende liquide middelen in de BV aanwezig zijn voor de afstorting van het pensioen en dat die ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders worden verkregen, door [appellante] in hoger beroep onvoldoende onderbouwd betwist gebleven. Het door [appellante] in hoger beroep geformuleerde bewijsaanbod ziet voor het overige op stellingen die, gelet op het voorgaande, niet tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. De proceskosten: misbruik van procesrecht 4.26. Geïntimeerden zijn van mening dat [appellante] in de werkelijke proceskosten moet worden veroordeeld aangezien er sprake is van misbruik van procesrecht. Geïntimeerden hebben daartoe onder meer aangevoerd dat zij bij brief van 15 april 2025 hebben aangeboden om nader inzicht te verschaffen in de liquiditeit van de BV, [appellante] heeft op dit aanbod in het geheel niet gereageerd. Ook hebben zij aangevoerd dat [appellante] geen uitvoering geeft aan de op haar in onherroepelijke rechterlijke beslissingen gelegde verplichtingen, maar wel keer op keer procedures initieert die voor geïntimeerden aanzienlijke lasten met zich meebrengen. 4.27. Door [appellante] is tegen de proceskostenveroordeling verweer gevoerd. 4.28. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken volgt dat [appellante] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [geïntimeerde 1] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw – al dan niet in een andere vorm – naar voren brengt. Het hof concludeert dat [appellante] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stel