Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:181
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.360.273/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/689865 KG ZA 25-801 Arrest in kort geding van 24 februari 2026 in de zaak van Gazprom International Limited, gevestigd in Kalingrad, Russische Federatie , appellante, advocaat: mr. J.Ph. de Korte, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 JSC DTEK Krymenergo , gevestigd in Kiev, Oekraïne, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. G.J. Meijer, kantoorhoudend in Amsterdam. 2 de Russische Federatie , gezeteld in Moskou, Russische Federatie , verweerster in hoger beroep, niet verschenen. Het hof zal partijen hierna Gazprom International , DTEK en de Russische Federatie noemen. 1 De zaak in het kort De Russische Federatie is in een arbitraal vonnis veroordeeld tot betaling van een groot bedrag aan DTEK . DTEK heeft hierop uit hoofde van art. 435 lid 3 Rv executoriaal beslag gelegd op de aandelen die Gazprom International houdt in Wintershall Noordzee B.V. (“ Wintershall ”). DTEK stelt dat Gazprom International kan worden vereenzelvigd met de Russische Federatie dan wel misbruik maakt van haar identiteitsverschil. Gazprom International heeft zich verzet tegen het beslag en heeft in deze procedure opheffing daarvan verzocht. Aan de orde is onder meer of art. 435 lid 3 Rv een grondslag biedt voor het beslag en of Gazprom International zich kan beroepen op immuniteit van executie. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 1 oktober 2025, met bijlagen, waarmee Gazprom International in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 5 september 2025; de memorie van antwoord van DTEK , met bijlagen; de producties 39-48 van Gazprom International . 2.2 Op 17 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. 3 Feiten en procedure bij de voorzieningenrechter 3.1 De voorzieningenrechter heeft in rov. 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan 3.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. i) Gazprom International is een onderneming naar Russisch recht. Enig aandeelhouder is de Russische vennootschap LLC Gazprom Capital . De aandelen in LLC Gazprom Capital worden gehouden door de Russische vennootschap PJSC Gazprom . De Russische Federatie is houder van 50,23% van de aandelen in PJSC Gazprom . ii) Op 1 november 2023 heeft het Permanente Hof van Arbitrage te Den Haag vonnis gewezen in een arbitrale procedure tussen DTEK en de Russische Federatie . De Russische Federatie is veroordeeld tot betaling aan DTEK van een schadevergoeding van $ 207.800.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. iii) De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 1 december 2023 op verzoek van DTEK verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis in Nederland. iv) De Russische Federatie is op 1 februari 2024 bij dit hof een procedure begonnen tot vernietiging van het arbitrale vonnis. Die procedure loopt nog. v) Op 21 juli 2025 heeft DTEK uit hoofde van het arbitrale vonnis executoriaal beslag gelegd op alle aandelen (genummerd 5001 tot en met 10001) die Gazprom International houdt in Wintershall . Het gaat om 50% van het geplaatste aandelenkapitaal van Wintershall . Het beslagexploot dat is betekend aan Wintershall , vermeldt onder meer: “dat verzoeker(s) ( DTEK , hof ) hierbij in executoriaal beslag ten laste van de Russische Federatie (…) doet nemen alle aandelen in de aangezegde vennootschap ( Wintershall , hof ) (…) staande op naam van (…) Gazprom International (…), welke onderneming haar rechten ten aanzien van de aandelen niet aan executante kan tegenwerpen nu zij kan worden vereenzelvigd met de Russische Federatie dan wel misbruik maakt van haar iden Grief I is dan ook ongegrond. Is het beslag rechtsgeldig aan Gazprom International betekend? 4.5 In haar tweede grief klaagt Gazprom International dat DTEK heeft verzuimd het beslagexploot op de juiste wijze aan haar te betekenen en dat het beslag om die reden niet rechtsgeldig is. Gazprom International stelt dat het exploot op grond van het Haags Betekeningsverdrag in de Russische Federatie enkel kan worden betekend door onverwijlde verzending van het exploot door het Openbaar Ministerie aan het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie . Dat is niet gebeurd omdat, aldus Gazprom International , het Openbaar Ministerie in strijd met de Uitvoeringswet bij het Betekeningsverdrag tot nader order is gestopt met het doorzenden van exploten naar de Russische Federatie . 4.6 Op grond van art. 435 lid 3 Rv diende DTEK het op 21 juli 2025 ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag binnen acht dagen aan Gazprom International te betekenen. De deurwaarder heeft het beslag op 23 juli 2025 aan Gazprom International betekend overeenkomstig art. 55 lid 1 Rv aan de ambtenaar van het Openbaar Ministerie van de Rechtbank Den Haag met het verzoek om – kort gezegd – dit exploot aan Gazprom International te doen betekenen/kennisgeven overeenkomstig de art. 3 tot en met 6 van het Haags Betekeningsverdrag. Voorts heeft de deurwaarder afschrift van zijn exploot per aangetekende post toegezonden aan het bekende adres van Gazprom International , vergezeld van een vertaling in het Russisch in tweevoud van het exploot en de daarbij betekende stukken. Daarmee voldoet het exploot aan de eisen van art. 55 Rv, de Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965 en het Haags Betekeningsverdrag, waarbij zowel Nederland als de Russische Federatie partij zijn. Door in tweevoud een vertaling van het exploot en de daarbij betekende stukken in het Russisch bij te voegen, heeft de deurwaarder gevolg gegeven aan het voorbehoud dat de Russische Federatie bij het Haags Betekeningsverdrag heeft gemaakt. 4.7 Als zou moeten worden aangenomen dat de betekening van het exploot aan Gazprom International niet rechtsgeldig zou zijn geweest, stuit de grief af op het volgende. Het staat vast dat Gazprom International daags na de beslaglegging onder Wintershall op de hoogte is geraakt van de beslaglegging en dat zij kort daarop door de deurwaarder is geïnformeerd over de grondslag van dat beslag en de mogelijkheid hiertegen in verzet te gaan. Gazprom International heeft binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht dagen na betekening van het beslag verzet aangetekend, met als gevolg dat het executoriale beslag ten opzichte van haar van rechtswege is omgezet in een conservatoir beslag. Zij heeft vervolgens de opheffing van dit beslag kunnen vorderen. Dat Gazprom International op enigerlei wijze is benadeeld door de beweerdelijk gebrekkige betekening, is niet gebleken. Tot slot merkt het hof nog op dat de betekening aan Gazprom op grond van art. 435 lid 3 Rv niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. 4.8 Grief II is dus ongegrond. Biedt art. 435 lid 3 Rv een grondslag voor het beslag? 4.9 Met grief III klaagt Gazprom International dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat DTEK op grond van art. 435 lid 3 Rv executoriaal beslag onder Wintershall kon leggen wegens – kort gezegd – vereenzelviging en/of misbruik van bevoegdheid om zich te beroepen op het tussen Gazprom International en de Russische Federatie bestaande identiteitsverschil. Art. 435 lid 3 Rv kan volgens Gazprom International slechts in een beperkt aantal, wettelijk omschreven situaties worden toegepast en die situaties doen zich hier niet voor. Het zonder executoriale titel onder Gazprom International executoriaal beslag leggen, levert misbruik van recht of onrechtmatig handelen van DTEK op, aldus Gazprom International . 4.10 De hoofdregel is dat een schuldeiser ( DTEK ) zijn vordering verhaalt op de goederen van zijn schuldenaar ( de Russische Federatie ) (art. 3:276 BW). Op deze Is het door DTEK gepretendeerde verhaalsrecht summierlijk ondeugdelijk? 4.17 Met grief IV voert Gazprom International aan dat het gepretendeerde verhaalsrecht van DTEK summierlijk ondeugdelijk is. In dat verband voert zij allereerst aan dat op de vraag of sprake is van vereenzelviging of misbruik van recht niet alleen het Russische recht van toepassing is. Vóór 30 december 2022 was Gazprom International eerst een Nederlandse vennootschap (tot 6 juli 2022) en daarna een Cypriotische vennootschap (tot 30 december 2022). Over die periodes was dus Nederlands, respectievelijk Cypriotisch recht van toepassing. Uitsluitend over de periode vanaf 30 december 2022 was Gazprom International een Russische vennootschap en is Russisch recht van toepassing. 4.18 Het hof oordeelt als volgt. Het gaat hier om de vraag of in het kader van de beslaglegging door DTEK Gazprom International en de Russische Federatie vereenzelvigd kunnen worden of dat Gazprom International misbruik van recht maakt door zich te beroepen op het tussen haar en de Russische Federatie bestaande identiteitsverschil. Het doet daarbij niet ter zake dat Gazprom International vóór 2023 geen Russische vennootschap was. De voorzieningenrechter heeft dan ook in rov. 4.9 van het bestreden vonnis op goede gronden beslist dat ingevolge de art. 10:118 en 10:119 BW het Russische recht van toepassing is. 4.19 Verder is Gazprom International van mening dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de door haar overgelegde opinies van de Russische advocaat [deskundige 1] niet meer gewicht toekomt dan aan de door DTEK overgelegde opinies van prof. [deskundige 2] . 4.20 Prof. [deskundige 2] heeft in zijn eerste opinie toegelicht dat het Russische recht het leerstuk van “piercing of the corporate veil” kent, waarbij de rechter voorbij gaat aan de rechtspersoonlijkheid van een vennootschap en andere rechtspersonen of natuurlijke personen aansprakelijk houdt voor het handelen of de schulden van de vennootschap. Ook kan naar Russisch recht een vennootschap onder bepaalde omstandigheden aansprakelijk worden gehouden voor het handelen of de schulden van een entiteit die deze vennootschap controleert of die met deze vennootschap is verbonden. Volgens prof. [deskundige 2] zijn er in de rechtspraak diverse voorbeelden aan te wijzen waarin het leerstuk wordt toegepast. Er bestaan diverse wettelijke grondslagen voor de toepassing van dit leerstuk, maar voor het geval van Gazprom International is art. 10 van het Russische Burgerlijk Wetboek de geëigende grondslag. Daarin wordt – kort gezegd – bepaald dat misbruik van recht niet is toegestaan en dat de rechter aan dit misbruik de gevolgen kan verbinden die hij geraden acht. Indien aan een aantal (in de Russische jurisprudentie ontwikkelde) criteria is voldaan, kan sprake zijn van misbruik van de bevoegdheid om zich te beroepen op juridische zelfstandigheid. Aldus prof. [deskundige 2] . 4.21 [deskundige 1] heeft in zijn vijfde opinie toegelicht dat het Russische recht een aantal specifieke wettelijke regels kent op grond waarvan de ene (rechts)persoon aansprakelijk kan worden gehouden voor de schulden van een ander. Volgens hem brengt prof. [deskundige 2] deze regels ten onrechte samen onder het paraplubegrip “piercing of the corporate veil”. Het hof leidt hieruit af dat de kritiek van [deskundige 1] vooral ziet op het gebruik van deze overkoepelende term, maar dat hij niet ontkent dat er een situatie kan zijn waarin een dochtervennootschap aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor schulden van een beleidsbepalende meerderheidsaandeelhouder zolang voor die aansprakelijkheid maar een specifieke wettelijke grondslag is aan te wijzen. Verder deelt [deskundige 1] de analyse van prof. [deskundige 2] dat art. 10 van het Russische Burgerlijke Wetboek een grondslag kan vormen voor een dergelijke aansprakelijkheid, met dien verstande dat hij van mening is dat deze bepaling geen “standalone ground” voor aansprakelijkheid kan zijn. Voor aan 19 van dit verdrag vormt (voor zover hier van belang) een weerspiegeling van het toepasselijke internationaal gewoonterecht. Art. 19 luidt als volgt: “ Article 19 State immunity from post-judgment measures of constraint No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that: (a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated: (i) by international agreement; (ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or (iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the parties has arisen; or (b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding; or (c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that post-judgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.” 4.30 Het geschil spitst zich toe op de vraag of DTEK een beroep toekomt op het bepaalde in art. 19 aanhef en onder c van het VN-Immuniteitsverdrag. Meer in het bijzonder gaat het erom of DTEK in dit kort geding, waarin Gazprom opheffing van het gelegde beslag vordert, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het beslagen vermogen (in de vorm van de aandelen in Wintershall ) in het bijzonder is bestemd voor andere dan publieke doeleinden (“is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes”). Hierover heeft DTEK het volgende aangevoerd. De Gazprom groep en Wintershall zijn commerciële ondernemingen met als statutair doel het maken van winst via de exploitatie van het Wintershall project. Van enig ander doel is geen sprake. Zo is het beslagen vermogen niet bedoeld om de nationale energievoorziening van de Russische Federatie staande te houden en maakt het beslagen vermogen ook geen onderdeel uit van een zogeheten “sovereign wealth fund”. Hetzelfde geldt volgens DTEK voor de opbrengsten die met het vermogen kunnen worden gegenereerd (dividenduitkeringen en opbrengst uit de verkoop van de aandelen). Sinds 2022 is namelijk het beleid dat er geen dividenden worden uitgekeerd aan de Russische Federatie en worden de dividenden binnen de onderneming gelaten. Ten tijde van de beslaglegging was het verder de bedoeling van de Gazprom groep om de aandelen in Wintershall te verkopen en de opbrengst daarvan te investeren in andere commerciële projecten, aldus DTEK . 4.31 Naar het oordeel van het hof heeft DTEK aldus voldoende gegevens aangedragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de aandelen door de Russische Federatie worden gebruikt of zijn bestemd voor andere dan publieke doeleinden. De door DTEK aangedragen gegevens zijn door Gazprom International op zichzelf ook niet voldoende gemotiveerd betwist. Gazprom International voert als betwisting in wezen slechts aan dat alle vermogensbestanddelen die aan de Russische Federatie toekomen, uiteindelijk een publieke bestemming hebben, althans dat dat niet valt uit te sluiten. Deze maatstaf is te streng, omdat uiteindelijk al het vermogen van een staat tot op zekere hoogte ten goede komt aan publieke doeleinden. Dat zou betekenen dat behoudens de onder art. 19 aanhef en onder a en b genoemde situaties, executiemaatregelen tegen een vreemde staat niet of nauwelijks mogelijk zouden zijn. Art. 19 aanhef en onder c van VN-Immuniteitsverdrag zou daarmee zinledig dreigen te worden. 4.32 Daarnaast kan de immuniteit van executie (in Nederland) worden beperkt wanneer een staat door een beroep op immuniteit zou worden beschermd tegen aansprakelijkheid uit hoofde van dwingende normen van internationaal recht ( jus cogens ), z