Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-06-02
ECLI:NL:GHDHA:2026:1791
Ontslag bestuurder Stichting wegens gewichtige redenen (onwerkbare situatie in bestuur en verstoorde verhoudingen). GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.361.778/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/685297 / HA RK25-256 Beschikking van 2 juni 2026 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats] , appellant, gerequestreerde in eerste aanleg, advocaat: mr. E.M. Prins, kantoorhoudend in Den Haag, tegen 1 [geïntimeerde 1] , in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] , woonplaats kiezende in [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] , in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] , woonplaats kiezende in [woonplaats] , verweerders, verzoekers in eerste aanleg, advocaat: voorheen mr. M.A. Weenink, thans mr. F.C. Bouwmeester, kantoorhoudend in Amsterdam, en 3. de stichting Stichting Nalatenschap Mevrouw [erflater] , voorheen genaamd Stichting NTSDPI , gevestigd te Den Haag, belanghebbende, advocaat: mr. P.C. Rijken, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt appellant hierna [appellant] , verweerders [geïntimeerde 1] qq en [geïntimeerde 2] qq, verweerders gezamenlijk [geïntimeerde 1] qq c.s. en belanghebbende de Stichting. 1 De zaak in het kort 1.1 [appellant] was gezamenlijk met onder meer [erflater] (hierna: [erflater] ) bestuurder van een door haar in 1991 opgerichte Stichting, die tot doel had het verlenen van hulp aan het toenmalige Tsjechoslowakije. [erflater] heeft na haar overlijden in 2022 het grootste deel van haar vermogen aan de Stichting nagelaten. [geïntimeerde 1] qq c.s. zijn de executeurs van haar nalatenschap. [appellant] is op verzoek van [geïntimeerde 1] qq c.s. door de rechtbank ontslagen als bestuurder van de Stichting. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van gewichtige redenen die tot het ontslag van de bestuurder leiden, wegens disfunctioneren van het stichtingsbestuur. Dat disfunctioneren was volgens de rechtbank in overwegende mate aan [appellant] te wijten. [appellant] is het hier niet mee eens en verzoekt het hof het ontslag ongedaan te maken. [geïntimeerde 1] qq c.s. en de Stichting hebben in hoger beroep verweer gevoerd. Zij menen dat het ontslag terecht is gegeven. 1.2 Het hof komt tot het oordeel dat het ontslag van [appellant] wegens gewichtige redenen terecht is gegeven en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, op de griffie ontvangen op 19 november 2025, is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2025. 2.2 [geïntimeerde 1] qq c.s. hebben een verweerschrift ingediend dat op 25 februari 2026 is ontvangen op de griffie van het hof. De Stichting heeft als belanghebbende een verweerschrift ingediend dat op 5 maart 2026 is ontvangen ter griffie van het hof. 2.3 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 20 maart 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. De advocaat van [appellant] heeft bij V8-formulier enkele opmerkingen over het proces-verbaal gemaakt. Dit stuk is aan het proces-verbaal gehecht. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 [erflater] is op 15 november 2022 overleden. In haar testament heeft zij de Stichting tot haar enig erfgename benoemd. De Stichting heeft die benoeming beneficiair aanvaard. [erflater] heeft een vermogen van ruim € 821.000.- aan de Stichting nagelaten. 3.2 [geïntimeerde 1] qq is in het testament benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster [erflater] . Hij heeft deze benoeming aanvaard. Hij heeft [geïntimeerde 2] qq overeenkomstig het testament als executeur aan zich toegevoegd. 3.3 De Stichting is in 1991 door [erflater] opgericht. De Stichting is hoofdzakelijk gefinancierd met privévermogen van [erflater] . Sinds haar oprichting heeft de Stichting tot doel gehad het verlenen van zowel materiële als immateriële humanitaire hulp aan Tsjechoslowakije. In 1994 zijn de statuten gewijzigd. Daarbij is de naam van de Stichting gewijzigd in [stichting] . De oorspronkelijke doelstelling is niet veranderd. 3.4 In de statuten van 1994 staat onder meer: “ Artikel 2 1. De stichting heeft ten doel: Het verlenen van humanitaire, zowel materiële als immateriële, hulp aan Tsjechië en Slowakije 2. Zij tracht dit doel te bereiken door: a. Het inzamelen en anderszins verwerven van nieuwe en gebruikte kleding, goederen en medicamenten; b. Het verzorgen van transporten van deze goederen naar Tsjechoslowakije; c. De Nederlandse bevolking en bevolking van Tsjechoslowakije met elkaar in contact brengen door het bevorderen van uitwisselingen van scholieren/studenten en volwassenen. (…) Artikel 4 1. Het bestuur bestaat uit tenminste drie en ten hoogste zeven natuurlijke personen 2. (…) 3. Het bestuur stelt binnen de in lid 1 genoemde grenzen het aantal bestuurders vast. Een niet voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden. 4. De bestuurders worden benoemd door het bestuur. In vakatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. 5. Bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd. Bestuurders worden benoemd voor een periode van maximaal zes jaar. (…) Artikel 9 1. Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. 2. Het besluit van het bestuur tot statutenwijziging behoeft een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen in een voltallige vergadering van het bestuur. Is de vergadering waarin een besluit tot statutenwijzing aan de orde is niet voltallig, dan zal een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier weken na de bedoelde vergadering waarin het besluit kan worden genomen met een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen doch ongeacht het aantal aanwezigen.” 3.5 [erflater] is van 1 april 1993 tot aan haar overlijden bestuurslid van de Stichting geweest. [appellant] is op 15 april 2014 toegetreden tot het bestuur van de Stichting. Tot 15 november 2022 heeft hij steeds met anderen aan het bestuur deelgenomen. Na het overlijden van [erflater] bleef hij als enig bestuurslid over. 3.6 [geïntimeerde 1] qq c.s. hebben [appellant] aangespoord om nieuwe bestuurders te benoemen omdat de Stichting op basis van de statuten ten minste drie bestuurders moet hebben. Zij hebben voorgesteld om zelf met [appellant] in het bestuur plaats te nemen, maar daarmee ging hij niet akkoord. 3.7 Op 18 juli 2023 heeft [appellant] als enig bestuurder ten overstaan van een notaris de statuten van de Stichting gewijzigd in die zin dat: de naam van de Stichting is gewijzigd in [stichting] ; de doelstelling is veranderd in: het verlenen van humanitaire en ontwikkelingshulp aan Tsjechië. Slowakije, Duitsland, Polen en Indonesië, zowel op materieel als immaterieel gebied en voorts al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn; de wijze waarop de Stichting die doelstellingen tracht te bereiken is aangevuld met de volgende activiteiten: i. actieve participatie in sociale, maatschappelijke en educatie initiatieven in de bovengenoemde landen; ii. het ondersteunen van lokale programma’s en projecten die bijdragen aan het bevorderen van inclusie, gelijkheid en educatie binnen de samenleving met specifieke aandacht voor groepen die te maken hebben met discriminatie en onwetendheid; iii. het uitvoeren van commerciële activiteiten, zoals het aankopen, verkopen en exploiteren van vastgoed, ten behoeve van de hoofdactiviteiten van de Stichting; artikel 4 lid 5 van de statuten, op grond waarvan een bestuurder voor een termijn van maximaal zes jaar wordt benoemd, is geschrapt; artikel 15 lid 1 van de statuten bepaalt dat dat het besluit tot statutenwijziging wordt genomen ‘met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering van het Bestuur, waarin alle stemgerechtigde bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn’. 3.8 Na de statutenwijziging zijn alsnog twee nieuwe bestuurders benoemd, de heren [bestuurder 1] en [bestuurder 2] . Zij hebben tijdens de bestuursvergadering op 23 augustus 2023 (dus achteraf) ingestemd met de statutenwijziging door [appellant] . [bestuurder 2] is op 1 april 2024 afgetreden als bestuurder en is opgevolgd door de heer [bestuurder 3] . 3.9 Tussen 14 maart 2024 en februari 2025 hebben ten minste acht bestuursvergaderingen plaatsgevonden. [appellant] heeft elk van de door [bestuurder 1] opgemaakte en rondgestuurde verslagen van die vergaderingen aangepast en opnieuw rondgestuurd, soms meerdere keren. 3.10 Op 10 december 2024 heeft mr. Weenink, de advocaat [geïntimeerde 1] qq c.s., een brief gestuurd aan het bestuur van de Stichting. Daarin staat onder meer: “ Op 18 juli 2023 heeft de heer [appellant] als enig bestuurslid van de Stichting de statuten van 22 april 1994 doen wijzigen, onder meer door in de doelomschrijving Indonesië toe te voegen als land waaraan de Stichting humanitaire en ontwikkelingshulp verleent. Deze statutenwijziging is in strijd met artikel 9 van eerstgenoemde statuten tot stand gekomen en bovendien in strijd met de wensen van erflaatster, de oprichtster van de Stichting. Een en ander was de heer [appellant] bekend. Cliënten verlangen dat de statutenwijziging wordt teruggedraaid voordat zij overgaan tot afgifte van de nalatenschap aan de Stichting. Tevens wensen zij dat de heer [appellant] zicht terugtrekt als bestuurder. Cliënten achten in de huidige situatie onvoldoende gewaarborgd dat het door erflaatster nagelaten vermogen op een verantwoorde en doelmatige wijze zal worden besteed conform haar bedoelingen. ” 3.11 Er is in de bestuursvergaderingen van na die datum over deze brief gesproken. In het verslag van de vergadering van 18 december 2024, zoals opgemaakt door [bestuurder 1] , staat hierover het volgende: Er vindt een intensieve discussie plaats over hoe te reageren op deze brief. [appellant] ( [appellant] , hof) voelt zich onrechtvaardig behandeld en vindt dat de executeurs duidelijk hun bevoegdheden te buiten gaan. Hij vindt dat de executeurs nu eerst en alleen hun eindafrekening dienen te presenteren. Voorts is hij van mening dat wij het geschil met de executeurs via de rechter moeten uitvechten. [bestuurder 1] ( [bestuurder 1] , hof) en [bestuurder 3] ( [bestuurder 3] , hof) willen zo mogelijk schikken door bijvoorbeeld: b. De statutenwijziging ten gunste van projecten in Indonesië terug te draaien. c. Niet in te gaan op de eis dat [appellant] zich terugtrekt als bestuurder van de stichting NTSDPI . In hun ogen moeten we proberen een dure én langdurige gerechtelijke procedure te voorkomen. We zijn een goede doelen stichting en het is niet verstandig veel tijd en energie aan juridische procedures te besteden. [bestuurder 3] vraagt [appellant] nadrukkelijk dit hoofddoel van de stichting NTSDPI op de eerste plaats te stellen. 3.12 In het verslag van de bestuursvergadering van 30 december 2024, zoals opgemaakt door [bestuurder 1] , staat hierover het volgende: “Er volgt een uitgebreide discussie over hoe te reageren op de brief d.d. 10 december2024 van advocaat Mr. Weenink namens de executeurs. [bestuurder 3] , [bestuurder 1] en adviseur [adviseur] bepleiten een minnelijke schikking zoals ook reeds op 18 december jl. bepleit: ** de stichting N T S D P I draait de statutenwijziging ten gunste van Indonesië terug. ** aan de eis dat de heer [appellant] terugtreedt uit het bestuur wordt geen gevolg gegeven.. [appellant] ( [appellant] , hof) daarentegen vindt dat de executeurs nu eerst verantwoording dienen af te leggen over hun werkzaamheden en de financiële verantwoording daarbij. In zijn ogen gaan de executeurs hun boekje ver te buiten. Hij bepleit een juridische procedure tegen de executeurs en vraagt daarvoor een budget van de stichting. De emoties lopen hoog op. [bestuurder 3] , [bestuurder 1] en [adviseur] als adviseur begrijpen de halsstarrige houding van [appellant] niet. Met verstandige mensen moet toch tot een vergelijk zijn te komen. Uiteindelijk zeggen [bestuurder 3] en [bestuurder 1] het vertrouwen in [appellant] op. Zij willen immers een verstandige en overzichtelijke behandeling van het door [erflater] nagelaten vermogen. [appellant] dreigt nu ook met een juridische procedure tegen de andere twee bestuursleden [bestuurder 3] en [bestuurder 1] . Hij vindt dat zij zich hebben te conformeren aan de belangen van de stichting. [adviseur] doet nogmaals een beroep om tot een verstandig compromis te komen.” 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Bij verzoekschrift van 10 juni 2025 hebben [geïntimeerde 1] qq c.s. de rechtbank verzocht (I) om [appellant] te ontslaan als bestuurder van de Stichting en hem voor de duur van de procedure als bestuurder te schorsen bij wijze van voorlopige voorziening, en (II) om artikel 3 lid 1 van de statuten van de Stichting te wijzigen als volgt: “ De stichting heeft ten doel: het verlenen van humanitaire, zowel materiële als immateriële, hulp aan Tsjechië en Slowakije.” Aan het verzoek tot het ontslag van [appellant] als bestuurder legden [geïntimeerde 1] qq c.s. ten grondslag dat sprake was van taakverwaarlozing en/of andere gewichtige omstandigheden. 4.2 De rechtbank heeft het verzoek onder (I) toegewezen en [appellant] met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder van de Stichting, en [geïntimeerde 1] qq c.s. niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek onder (II) tot wijziging van de statuten van de Stichting, en [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde 1] qq c.s. veroordeeld. 4.3 De rechtbank overwoog, kort samengevat, dat onvoldoende is gebleken dat [appellant] zijn taak als bestuurder heeft verwaarloosd. Wel oordeelde de rechtbank dat er andere gewichtige redenen zijn om tot ontslag van [appellant] over te gaan, te weten een ontstane impasse in het bestuur die in overwegende mate aan [appellant] te wijten is. De rechtbank overwoog daarbij dat het aan [appellant] te maken verwijt niet dusdanig ernstig is dat dit rechtvaardigt dat voor hem (op grond van het bepaalde in artikel 2:298 lid 3 BW) een bestuursverbod geldt. Ten aanzien van de verzochte statutenwijziging overwoog de rechtbank dat [geïntimeerde 1] qq c.s. niet tot de in artikel 2:294 lid 1 BW genoemde entiteiten behoren die een verzoek tot wijziging van de statuten kunnen doen. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [appellant] kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en verzoekt -zakelijk weergegeven- de beschikking te vernietigen en het verzoek tot zijn ontslag als bestuurder van de Stichting alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties. 5.2 [geïntimeerde 1] qq c.s. hebben verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. De Stichting is als belanghebbende verschenen en ook zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikking van de rechtbank bekrachtigd moet worden. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1 Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt het hof het volgende voorop. Artikel 2:298 lid 1 BW noemt vier gronden voor ontslag van bestuurders door de rechtbank, waaronder “andere gewichtige redenen”. Deze laatste grond is onder meer aan de orde wanneer sprake is van een disfunctioneren van een stichting met schade voor die stichting en de met haar verbonden organisatie als gevolg, bijvoorbeeld doordat binnen het bestuur een ernstige impasse is ontstaan die de besluitvorming verlamt als gevolg van een diepgaand verschil van inzicht. 6.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] en de andere twee bestuurders verschillend aankijken tegen de wijze waarop de doelstellingen van de Stichting zouden moeten worden verwezenlijkt en hoe het geld van de Stichting moet worden aangewend, en dat zij er niet in slagen om tot elkaar te komen. Omdat zij zonder elkaar geen besluiten op dit vlak kunnen nemen, ligt de besluitvorming stil en komt de Stichting niet toe aan het aanwenden van gelden of het uitvoeren van activiteiten ter verwezenlijking van die doelstellingen. De rechtbank oordeelde verder dat voldoende aannemelijk is geworden dat de onmogelijkheid van goed onderling overleg in overwegende mate te wijten is aan [appellant] . 6.3 De grieven van [appellant] tegen dit oordeel komen samengevat op het volgende neer. [appellant] bestrijdt in de eerste plaats dat sprake was van een impasse in het bestuur. Volgens hem is er een grote hoeveelheid besluiten genomen. De verschillen van inzicht waren bovendien te wijten aan [bestuurder 1] en [bestuurder 3] , en niet aan hem. Het ontslag van [appellant] als bestuurder was in het licht van de omstandigheden een te zwaar middel, waarbij onvoldoende de belangen van [appellant] bij het behoud van zijn functie zijn meegewogen. Zijn functie in het bestuur vloeide rechtstreeks voort uit de bijzondere vertrouwensband die hij had met [erflater] . Daarnaast heeft de rechtbank geen oog gehad voor de ernstige persoonlijke en professionele gevolgen die het ontslag voor appellant met zich brengt. Het ontslag heeft zijn reputatie geschaad en zijn carrièrekansen aanzienlijk beperkt, onder meer doordat integriteitstoetsingen en antecedentenonderzoeken in zowel de financiële sector als de non-profitsector nadelig voor hem uitpakken zolang deze beschikking voortduurt. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. 6.4 Het hof verwerpt het primaire standpunt van [appellant] dat er wel degelijk een groot aantal bestuursbesluiten is genomen en dat daarom en ook overigens helemaal geen sprake was van een impasse. Uit de overgelegde verslagen blijkt dat vooral procedurele besluiten genomen zijn, zoals het plannen van een volgende vergadering. In de periode 14 maart 2024 tot 21 februari 2025 hebben [appellant] , [bestuurder 1] en [bestuurder 3] geen enkele concrete stap kunnen zetten richting het conform de statuten besteden van het stichtingsvermogen. [geïntimeerde 1] qq c.s. hebben er in dit verband terecht op gewezen dat [appellant] argument dat, uitgaande van de (door hem gewijzigde) statuten, voor de dagelijkse bestuursbesluiten een gewone meerderheid volstond voorbijgaat aan het fundamentele verschil van inzicht tussen hem en de andere bestuursleden over de aangepaste doelstelling van de Stichting en de in dat kader te ondernemen activiteiten. De eenzijdig gewijzigde doelomschrijving, het fundamentele meningsverschil over die gewijzigde doelomschrijving en de te ondernemen activiteiten, met daarbij de sterke positie die [appellant] zich via de statutenwijziging binnen het bestuur had weten te verschaffen (zie hierna onder 6.5) zorgden wel degelijk voor een ernstige impasse die het goed functioneren van een stichting als de onderhavige, met onbezoldigde bestuursleden, belemmert. Uit het verslag van de bestuursvergadering van 30 december 2024 (zie onder 3.12) volgt bovendien dat er geen enkel vertrouwen meer was van [appellant] enerzijds in [bestuurder 1] en [bestuurder 3] anderzijds, en dat vice versa hetzelfde gold. Er was meer dan een zakelijk verschil van inzicht over een beleidskwestie; binnen het bestuur was een conflictueuze situatie ontstaan. 6.5 Daarmee komt het hof toe aan de vraag of deze impasse in overwegende mate aan [appellant] te wijten is. Bij de beoordeling van deze vraag weegt het hof mee dat [appellant] na het overlijden van [erflater] , als enige bestuurder was achtergebleven. In strijd met artikel 4 lid 1 van de toenmalige statuten is [appellant] er toen niet toe overgegaan om nieuwe bestuurders aan te zoeken en te benoemen, maar heeft hij eerst de Stichting naar zijn hand gezet door de statuten te wijzingen. Dat deed hij door als doelland Indonesië toe te voegen, door de maximale zittingstermijn voor bestuurders te schrappen en door in de statuten te laten opnemen dat voor een volgende statutenwijziging een drie vierde meerderheid nodig zou zijn. Het is juist dat volgens de statuten een onvolledig bestuur beslissingsbevoegd blijft, maar dit vormt geen rechtvaardiging voor het feit dat [appellant] niet eerst nieuwe bestuursleden heeft aangezocht alvorens te bezien of een – ingrijpende – statutenwijziging aan de orde was. Enigerlei noodzaak voor de door hem gekozen volgorde is niet gebleken. Dat [erflater] al voor haar overlijden van plan was om Indonesië als doelland toe te voegen, blijkt bovendien niet uit de door [appellant] overgelegde stukken en heeft hij ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. 6.6 [appellant] heeft verder niet betwist dat hij er – na toetreding van twee nieuwe bestuursleden – zijn medewerking aan heeft onthouden om een vierde persoon aan het bestuur toe te voegen. Daarmee maakte [appellant] het feitelijk onmogelijk om in het bestuur tot een statutenwijziging te komen. De door [appellant] na het overlijden van [erflater] doorgevoerde wijzigingen brachten immers mee dat voor een statutenwijziging een drie vierde meerderheid was vereist. Met een bestuur van drie personen kon [appellant] iedere door de twee overige bestuurders gewenste statutenwijziging tegenhouden. Ook hierdoor bleef de patstelling over de statutaire doelomschrijving binnen het bestuur voortbestaan. 6.7 Tegen deze achtergrond – het eigenmachtige handelen van [appellant] – is de wens van de twee nadien toegetreden bestuurders, [bestuurder 1] en [bestuurder 3] , om géén voorrang te geven aan doelen in Indonesië naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd. Het feit dat [bestuurder 1] en toenmalige bestuurder [bestuurder 2] de statutenwijziging achteraf hebben goedgekeurd doet hier niet aan af. Zowel tijdens de zitting in eerste aanleg als tijdens de zitting bij het hof heeft [appellant] bovendien te kennen gegeven dat hij géén afstand wilde doen van Indonesië als doelland van de Stichting. Kortom, tot een compromis op dit punt was [appellant] niet bereid. [appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor gewone besluiten binnen het bestuur van de Stichting geen unanimiteitsvereiste bestaat, zodat wel degelijk besluiten konden worden genomen. Uit de overgelegde verslagen blijkt echter dat het nemen van meerderheidsbesluiten ook niet lukte en dat vergaderingen uiteindelijk in een conflictueuze sfeer verliepen. 6.8 [appellant] hield bovendien ook op de zitting van het hof vast aan het uitgangspunt dat nog nader onderzocht moest worden of het vermogen van de Stichting door het ondernemen van commerciële activiteiten in stand kon worden gehouden. Dat de Stichting met name bedoeld zou zijn voor dergelijke commerciële activiteiten volgt echter niet uit de statuten van de Stichting. [appellant] werpt zich als het ware op als degene die de wensen van [erflater] moet vertolken, maar ook daarvoor is geen basis te vinden in de statuten. [appellant] heeft geen andere stukken overgelegd waaruit volgt dat hij op dit punt een bijzondere rol heeft ten opzichte van de andere bestuursleden. Dat hij in de periode voor het overlijden van [erflater] samen met haar het bestuur vormde, is daarvoor in ieder geval niet voldoende. [appellant] heeft bovendien niet bestreden dat [bestuurder 1] en [bestuurder 3] ook tot de kring van bekenden van [erflater] hoorden en dus op de hoogte waren van haar wensen. Door aldus star vast te houden aan zijn inzichten bemoeilijkt [appellant] de besluitvorming in het bestuur en maakt hij juist ook collegiale besluitvorming bij meerderheid zeer lastig zo niet onmogelijk. De overige bestuurders hebben op de zitting van het hof terecht aan de orde gesteld dat instandhouding van het vermogen van de Stichting door het doen van commerciële activiteiten niet haalbaar is binnen een Stichting met een relatief beperkt startvermogen en een bestuur bestaande uit vrijwilligers. [appellant] heeft te kennen gegeven er (nog) niet voor open te staan om het vermogen van de Stichting aan te wenden ter ondersteuning van een reeds bestaande organisatie passende bij de doelstelling van de Stichting. Volgens hem was meer onderzoek nodig. Hij heeft echter ook geen concrete plannen naar voren gebracht waaruit volgt dat het in stand houden van het vermogen van de Stichting op de door hem voorgestane wijze mogelijk zou zijn, of waaruit een dergelijk onderzoek zou moeten bestaan. 6.9 Dat [appellant] zich niet coöperatief heeft opgesteld blijkt ook uit de gang van zaken rondom de bestuursvergaderingen. De Stichting heeft bij haar verweerschrift een groot aantal verslagen van bestuursvergaderingen gevoegd, waaruit blijkt dat [appellant] de door [bestuurder 1] als secretaris opgestelde verslagen telkens van uitgebreide wijzigingen voorzag. Hieruit spreekt een groot wantrouwen jegens de andere bestuurders. Ook de door de rechtbank in haar overwegingen genoemde wens van [appellant] om online te vergaderen, past binnen dat wantrouwen. [appellant] heeft in hoger beroep op zichzelf terecht naar voren gebracht dat online vergaderen een goede oplossing kan zijn voor een bestuur om zonder reistijd te kunnen vergaderen. Reistijd is echter maar één van de aspecten bij het houden van een vergadering. [appellant] heeft onvoldoende bestreden dat zijn wens om online te vergaderen mede, zo niet grotendeels, voortkwam uit bedoeld wantrouwen omdat het hem in de gelegenheid stelde de vergaderingen op te nemen. 6.10 Het hof heeft er oog voor dat [appellant] naar zijn zeggen een nauwe band had met [erflater] en dat het daarom voor hem persoonlijk ingrijpend is om niet langer bij de Stichting betrokken te zijn. Dat geldt ook voor de stelling van [appellant] dat hij er op professioneel terrein last van heeft, althans kan hebben, dat hij is ontslagen als bestuurder van een stichting. Volgens [appellant] , die werkt in de financiële sector, moet hij bij een sollicitatie veelal een vragenlijst invullen waarin onder meer de vraag wordt gesteld of hij ooit door de rechtbank als bestuurder is ontslagen. Als hij deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, wordt de procedure met hem niet voortgezet, of heeft hij daar anderszins last van, aldus [appellant] . Deze persoonlijke belangen van [appellant] wegen echter niet op tegen het belang van de Stichting bij een goed functionerend bestuur. Daarbij komt dat [appellant] ook in hoger beroep niet concreet heeft toegelicht dat sollicitaties zijn mislukt of dat hij nadeel in werkverband heeft ondervonden door het ontslag als bestuurder van de Stichting. Dat laatste spreekt ook niet voor zich, gegeven het feit dat de rechtbank heeft overwogen dat geen sprake was van taakverwaarlozing en aan [appellant] geen bestuursverbod is opgelegd. Dat bij sollicitaties naar andere functies in de financiële sector geen enkele mogelijkheid zou zijn om een vragenlijst toe te lichten heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. 6.11 De conclusie uit het voorgaande is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een ernstige impasse binnen het bestuur, die hoofdzakelijk aan [appellant] te wijten is. Gezien de conflictueuze sfeer binnen het bestuur en het grote wantrouwen tussen [appellant] enerzijds en de twee andere bestuurders anderzijds, valt geen heil te verwachten van bijvoorbeeld een mediationtraject, nog los van de vraag of de tijdsbesteding en inspanning die daarmee gemoeid zijn gevergd kunnen worden van onbezoldigde bestuursleden van een liefdadigheidsstichting. Dit oordeel van het hof verandert niet doordat [appellant] naar zijn zeggen tijdens de zitting bij de rechtbank heeft verklaard zich te conformeren aan het oordeel van de rechter ten aanzien van de vraag of de activiteiten in Indonesië al dan niet tot de doelstelling van de stichting zouden moeten behoren. Het is gezien de hierboven geschetste, overige, omstandigheden niet aannemelijk geworden dat een uitspraak van de rechter op dit punt zal leiden tot genormaliseerde verhoudingen binnen het bestuur. Het ontslag is daarom ook proportioneel. 6.12 Het hof zal daarom de uitspraak van de rechtbank bekrachtigen. Dat geldt ook voor de overwegingen van de rechtbank dat geen sprake is geweest van taakverwaarlozing door [appellant] en dat er geen grond is voor een bestuursverbod. Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en maakt ze tot de zijne. Conclusie en proceskosten 6.13 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof ziet aanleiding om ook de kosten van de Stichting, die als belanghebbende is verschenen, ten laste van [appellant] te brengen. 6.14 De kosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] qq c.s. wordt begroot als volgt: griffierecht € 362,- salaris € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.120,- 6.15 De kosten aan de zijde van de Stichting worden begroot als volgt: griffierecht € 827,- salaris € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.585,- 7 Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2025; veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] q.q. begroot op totaal € 3.120,-, en aan de zijde van Stichting begroot op totaal € 3.585,-; bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-; verklaart deze beschikking wat betreft de aan [geïntimeerde 1] qq c.s. toegewezen proceskosten uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd. Deze beschikking is gegeven door mrs. D.A. Schreuder, J.M. van der Klooster en S.A. Kruisinga en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.