Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-12
ECLI:NL:GHDHA:2026:1769
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummers : 200.358.077/01 (echtscheiding) en 200.358.078/01 (verdeling) rekestnummers rechtbank : FA RK 23-8454 (echtscheiding) en FA RK 24-8197 (verdeling) zaaknummers rechtbank : C/09/657168 (echtscheiding) en FA RK C/09/675717 (verdeling) beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. S.E. de Geus te Den Haag, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , Italië, verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 14 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (de bijbehorende producties zijn op 25 augustus 2025 ontvangen). 2.2 De vrouw heeft op 16 oktober 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De man heeft op 28 november 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de man van 26 augustus 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de man van 1 september 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de man van 6 oktober 2025 met bijlage, ingekomen op 7 oktober 2025; - een journaalbericht van de zijde van de man van 23 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de man van 29 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de man, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk 1] , tolk in de Engelse taal; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk 2] , tolk in de Italiaanse taal. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. 3 De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003 te [plaats] . 3.3 Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige dochters: - [dochter 1] (hierna: [dochter 1] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ; - [dochter 2] (hierna: [dochter 2] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , en tezamen te noemen: de kinderen. 3.4 De man en de vrouw hebben beiden de Italiaanse nationaliteit. 3.5 De vrouw is eind januari 2025 naar Italië verhuisd. 3.6 Voorts is in hoger beroep gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 19 juni 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.091,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) in [plaats] (hierna: de woning of de echtelijke woning) en de daaraan g Zoals aangeven in eerste instantie is dit het enige dat in Italië kan worden verkregen dat vergelijkbaar is met een verklaring van erfrecht die in Italië niet bestaat, althans een officieel overzicht van de goederen die hij geërfd heeft; een kopie van het testament van zijn vader; alle relevante informatie ten aanzien van zijn vermogen wegens zijn erfdeel; kopie van zijn aangifte IB 2023 en 2024. De laatste drie loonstroken 2025; een overzicht van de eigenaarslasten van de woning aan [locatie] , inclusief de gemeentelijke belastingen; een overzicht van de lasten die hij heeft betaald voor de woning in [plaats] ; de vrouw de gelegenheid te geven om het bedrag te berekenen van de vergoedingsrechten die de ontbonden gemeenschap op de man heeft wegens het feit dat hij gemeenschappelijke middelen heeft gebruikt om privékosten te voldoen en het bedrag van de vergoedingsrechten vast te stellen; primair te bepalen dat het Italiaanse recht van toepassing is op het verzoek op partneralimentatie van de vrouw, subsidiair het Nederlandse recht. Kosten rechtens. 4.4 De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele beroep, althans haar beroep en (aanvullende) verzoeken af te wijzen. 5 De motivering van de beslissing Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht (incidentele grief 3 vrouw) 5.1 Het internationaal karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om partneralimentatie. 5.2 Tussen partijen is in geschil welk recht van toepassing is op het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen. De vrouw stelt dat op grond van artikel 3 van het Haags Protocol van 2007 (hierna: het Protocol) het Italiaanse recht van toepassing is op de onderhoudsverplichting, omdat zij sinds begin 2025 haar gewone verblijfplaats in Italië heeft. Verder stelt de vrouw dat artikel 5 van het Protocol (zijnde een afwijking van de hoofdregel van artikel 3 van het Protocol) niet van toepassing is. Zij wijst er onder andere op dat beide partijen de Italiaanse nationaliteit hebben en zij heel vaak in vaak in Italië verblijven. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. 5.3 In artikel 3 van het Protocol is het volgende bepaald: Tenzij dit protocol anders bepaalt, worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, is het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing vanaf het tijdstip waarop de verandering intreedt.” In artikel 5 van het Protocol is hierop een uitzondering opgenomen: “In geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk is artikel 3 niet van toepassing indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing.” 5.4 Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist dat – hoewel de gewone verblijfplaats van de vrouw zich inmiddels in Italië bevindt – het Nederlands recht nauwer verbonden is met het huwelijk van partijen en dat daarom op het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen het Nederlands recht van toepassing is. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. N 5.11 Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan, zowel ten aanzien van de woonlasten van de vrouw als haar levensstandaard in Italië. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ten aanzien van de woonlasten van de vrouw voegt het hof toe dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel degelijk nog woonlasten heeft zoals onderhoudskosten, belastingen en verzekeringen. De exacte hoogte van haar woonlasten zijn op dit moment nog niet bekend, omdat zij haar huidige woning pas in augustus 2025 heeft betrokken (daarvoor had zij huurlasten). Dat zij geen enkele woonlast heeft, zoals de man betoogt, acht het hof niet realistisch. Verder acht het hof de woonlasten van de vrouw – gelet op de welstand van partijen tijdens hun huwelijk – niet onredelijk. Dat de vrouw ervoor heeft gekozen om haar voorschot uit de verdeling te gebruiken voor de aankoop van een woning, maakt dat niet anders. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw verandert daardoor niet. Aan de vrouw komt tot op zekere hoogte de vrijheid toe om keuzes te maken met betrekking tot de besteding van haar middelen zonder dat die in haar nadeel zou hoeven uitwerken doordat voor haar dan met een lagere behoefte zou moeten worden gerekend. Dit geldt temeer doordat zij met een dergelijke keuze de man niet benadeelt. Met betrekking tot de levensstandaardkorting heeft de vrouw onvoldoende weerlegd dat de standaard van Numbeo een redelijke vergelijking biedt. Dat zij meer reiskosten heeft vanwege het bezoeken van de kinderen in Nederland, is naar het oordeel van het hof ingecalculeerd in de hofnorm. Ook tijdens het huwelijk van partijen reisde zij immers al regelmatig van Nederland naar Italië en vice versa. Tot slot constateert het hof dat de vrouw in haar verweerschrift stelt dat er nog een nadere correctie in de berekening van de behoefte moet plaatsvinden, omdat de huuropbrengsten in eerste aanleg niet zijn meegenomen en de aangifte IB over 2023 ontbreekt. Zij heeft op dit punt echter geen grief geformuleerd in haar incidenteel beroep. Nu de vrouw bovendien ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hierin slechts een grief moet worden gelezen indien de partneralimentatie op een lager bedrag dan in de bestreden beschikking wordt vastgesteld, gaat het hof – gelet op hetgeen verder wordt overwogen over de partneralimentatie – hieraan voorbij. Het hof passeert dus de bezwaren van zowel de man als de vrouw en gaat net als de rechtbank uit van een behoefte aan de zijde van de vrouw van € 3.416,- netto per maand. Aanvullende behoefte van de vrouw (behoeftigheid) (grief 3 man) 5.12 De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een inkomen van de vrouw van € 1.613, - bruto per maand, te vermeerderen met een dertiende en veertiende maand, bij wijze van vakantiegeld. De man is het hier niet mee eens, omdat de vrouw in staat is om fulltime te werken. Volgens de man valt niet in te zien waarom de vrouw in deeltijd werkt, terwijl zij gezond is en geen minderjarige kinderen meer heeft om voor te zorgen. Daarnaast heeft de man tijdens de zitting in hoger beroep nog aangegeven dat het niet duidelijk is of en hoeveel de vrouw belasting moet betalen over de partneralimentatie. Hij vermoedt dat de belastingdruk op basis van de loonstrook van de vrouw 13,45 % bedraagt. De vrouw had daarover inzicht moeten geven, aldus de man. 5.13 Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij zich na de beëindiging van het huwelijk van partijen genoeg heeft ingespannen om haar volledige verdiencapaciteit te benutten. De vrouw is na haar remigratie naar Italië vrijwel direct een dienstbetrekking voor 30 uur per week aangegaan en heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het – mede gelet op Gelet op de vermogenspositie van de man en de onderhoudsverplichting ten aanzien van de vrouw, acht het hof de door de man gemaakte keuze voor het handhaven van zijn hoge hypotheeklasten en daarmee het zonder noodzaak handhaven van een beperkte draagkracht, niet redelijk. Verder is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man terecht geen rekening heeft gehouden met een maandelijkse bijdrage aan zijn dochters van in totaal € 3.159, - per maand. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man niet alleen onderhoudsplichtig is jegens zijn jongmeerderjarige kinderen, maar ook jegens de vrouw. Het staat de man op zich vrij om een zeer aanzienlijke onderhoudsbijdrage aan de kinderen te blijven voldoen, die niet gestoeld is op de wettelijke maatstaven. Dit mag echter niet ten koste gaan van zijn verplichting om partneralimentatie te betalen aan de vrouw. Alleen als beide partijen het ermee eens zijn dat de verplichting van de man om partneralimentatie aan de vrouw vervalt om daarmee een deel van zijn onderhoudsbijdrage aan de kinderen te voldoen, is dat anders. Dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt is echter niet gebleken. Het hof acht het dan ook met de rechtbank redelijk om voor de kosten van [dochter 1] en [dochter 2] uit te gaan van een bedrag van € 781,- per maand per kind. De vrouw kan zich erin vinden dat deze bijdragen ten laste van de draagkracht van de man komen. Hetgeen de man verder wil bijdragen zal hij uit zijn vrije ruimte moeten voldoen. Het hof merkt daarbij nog op dat uit zijn eigen draagkrachtberekening blijkt dat zijn inkomen in 2025 aanzienlijk is verhoogd in vergelijking met 2024 (het jaar waarmee de rechtbank heeft gerekend). Zijn draagkracht en daarmee ook zijn vrije ruimte zijn dus verhoogd. 5.17 Gelet op het voorgaande komt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank inhoudende dat de man een draagkracht voor partneralimentatie beschikbaar heeft van € 1.704,- netto per maand, hetgeen neerkomt op € 2.725,- bruto per maand. Daarmee heeft de man voldoende draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw van € 2.091,- bruto per maand te voorzien. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie dan ook bekrachtigen. 5.18 De vrouw verzoekt de man op grond van artikel 21 jo 22 jo 194 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te veroordelen om diverse stukken het geding te brengen, teneinde aan te tonen dat de man voldoende draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen. Nu het hof de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie niet heeft gewijzigd en de vrouw in hoger beroep geen verzoek heeft gedaan om een hogere partneralimentatie vast te stellen, zal het hof het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op stukken met betrekking tot de draagkracht van de man bij gebrek aan belang afwijzen. Afwikkeling huwelijksvermogensregime Rechtsmacht 5.19 Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling. Toepasselijk recht 5.20 Ten aanzien van het toepasselijk recht sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking beheerst door Italiaans recht. Op grond van artikel 7, tweede lid, sub 3 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV 1978) is vanaf 10 juli 2013 het Nederlands recht van toepassing geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen, omdat partijen op dat moment meer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (het ‘wagonstelsel’).Tegen deze overwegingen zijn geen grieven gericht. 5.21 Ten aanzien van de eerste periode geldt dat het Italiaans: huwelijksvermogensrecht bepaalt dat echtgenoten gehuwd zijn in gemeenschap van goederen (‘comunione dei beni’), nu zij niet bij huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen. Op grond van artikel 179 van de Italiaanse Code C De vraag is of met het van toepassing worden van het Nederlands recht de huuropbrengsten buiten de gemeenschap zijn gevallen en in privé aan de man toekomen. 5.26 Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Op grond van de toepasselijkheid van het Italiaans recht is het appartement van meet af aan privé-eigendom van de man gebleven. In artikel 8 van het HHV 1978 is bepaald dat een wijziging in het toepasselijk recht slechts gevolg heeft voor de toekomst, en het vermogen dat vóór die wijziging aan de echtgenoten toebehoorde niet is onderworpen aan het voortaan toepasselijk recht. Eventuele huuropbrengsten – als die er zouden zijn geweest – vielen derhalve in ieder geval tot 10 juli 2013 als vruchten van het appartement onder het Italiaans recht in de gemeenschap. Door de wijziging van het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijk recht is geen wijziging gekomen in het eigendomsrecht van de man ten aanzien van het appartement of in het daarop toepasselijk recht, te weten het Italiaanse recht. Het hof acht dan ook geen grond aanwezig om op uit dit appartement voortkomende vruchten – de huuropbrengsten – na 10 juli 2013 wél een ander regime van toepassing te verklaren en deze vanaf die datum buiten de gemeenschap te laten vallen. Naar het oordeel van het hof volgen de vruchten uit het privévermogensbestanddeel (ook) in dit opzicht immers dat bestanddeel zelf, en blijft dus ook op de uit het bestanddeel voortkomende vruchten het Italiaans recht van toepassing. Dit betekent dat de huuropbrengsten van de man na 10 juli 2013 niet – ten gevolge van de wijziging van het toepasselijk recht – als privé-inkomsten van de man moeten worden aangemerkt. De stelling van de man dat hij met privé-ínkomsten de premie van de kapitaalverzekering – al dan niet deels – heeft voldaan, gaat dan ook niet op. Er is geen grond om de man deze kapitaalverzekering toe te delen of hem een terugneemrecht toe te kennen. Het hof bekrachtigt op dit punt de beslissing van de rechtbank, zij het op andere gronden. Vergoedingsrecht investeringen man (grief 2 man) 5.27 De man stelt dat hij een vergoedingsvordering heeft uit hoofde van de investeringen die hij met privévermogen in de voormalige echtelijke woning heeft verricht. Hij stelt dat hij, naast het bedrag van € 50.000,- waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden, nog investeringen met een beloop van € 57.000, - heeft voldaan, zodat hem in totaal een vergoedingsrecht van € 107.000,- toekomt. Volgens de man hebben partijen bij de aanschaf van de woning in 2011 afgesproken dat zij de kosten voor de aanschaf en verbouwing/renovatie gelijk zouden verdelen. Dit volgt ook uit het feit dat het hypotheekbedrag dat bij de Rabobank is geleend precies gelijk is aan het bedrag dat de vrouw heeft ingelegd voor de aanschaf van de woning. De man heeft met behulp van een Excel-bestand, dat hij heeft overgelegd, zorgvuldig alle boekhoudkundige gegevens met betrekking tot de aankoop en renovatie van de woning genoteerd en bijgehouden; hij heeft dit ook altijd met de vrouw gedeeld. De man stelt dat de vrouw zich aan deze afspraak dient te houden. 5.28 Voor zover deze betalingen niet kwalificeren als investeringen, heeft de man recht op vergoeding van het bedrag ad € 57.000, - jegens de gemeenschap (reprise), aldus de man. Immers, de man heeft tot dit bedrag met privévermogen gemeenschapsschulden voldaan (ECLI:NL:HR:2019:504). 5.29 De vrouw betwist gemotiveerd de stellingen van de man. Hij heeft geen bewijs geleverd van zijn stelling dat het bedrag van € 57.000,- van zijn privévermogen is aangewend voor de verbouwing van de woning of dat daarvan andere gemeenschapsschulden zijn voldaan. 5.30 Het hof overweegt als volgt. Dat tussen partijen een afspraak was gemaakt over de hoogte van de te verreken investeringen in de woning, zoals door de man gesteld, is door de vrouw weersproken en door de man niet nader onderbouwd. Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij. 5.31 Ter onderbou