Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-12
ECLI:NL:GHDHA:2026:1752
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.359.623/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/687582 / KG ZA 25-631 Arrest in kort geding van 12 mei 2026 in de zaak van [appellant] , momenteel verblijvend in de PI [verblijfplaats] , appellant, advocaat: mr. Y. Bouchikhi, kantoorhoudend in Utrecht, tegen de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) , zetelend in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. T.J. Crom, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 [appellant] is gedetineerd. Hij staat sinds 13 juli 2022 (met een korte onderbreking) op de zogeheten GVM-lijst (lijst van gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico). [appellant] vindt dat zijn plaatsing op deze lijst onrechtmatig is omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Hij vordert dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd. 1.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 3 september 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2025, en waarin grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen; de memorie van antwoord van de Staat; de e-mail van [appellant] van 23 maart 2026, met een bijlage; de e-mail van de Staat van 30 maart 2026, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De rechtbank Midden-Nederland heeft [appellant] op 5 juli 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar en zes maanden vanwege de voorbereiding van een liquidatie en medeplichtigheid aan het medeplegen van een andere liquidatie. Het Openbaar Ministerie en [appellant] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. [appellant] verbleef sinds 23 juni 2022 in voorlopige hechtenis in deze strafzaak. 3.2 Bij besluit van 13 juli 2022 heeft de selectiefunctionaris, namens de Minister van Justitie en Veiligheid, [appellant] geplaatst op de hierboven onder 1.1. al genoemde GVM-lijst. De voor plaatsing geldende criteria waren op dat moment opgenomen in de circulaire Beleid gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021 (hierna: de GVM-Circulaire 2021). De selectiefunctionaris heeft [appellant] geplaatst in de categorie ‘hoog’, op grond van (het risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde (criterium C). De selectiefunctionaris heeft daartoe besloten na advies van het Operationeel Overleg (hierna: het OO), een landelijk samenwerkingsverband van bij het gevangeniswezen betrokken partijen, onder wie de selectiefunctionaris, een directeur van een penitentiaire inrichting (PI), een operationeel specialist van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) en vertegenwoordigers van het OM. In het OO-verslag van 13 juli 2022 staat, onder verwijzing naar rapporten van het GRIP van 30 juni 2022, onder meer het volgende: Bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is in juni 2022 de informatie binnengekomen dat [appellant] en twee anderen enkele weken eerder een partij coke hebben geript, dat de eigenaar van deze partij coke naar hen op zoek is en dat in het criminele circuit niet ondenkbaar is dat, wanneer men onvindbaar is, de dreiging zich richt op hun naaste familie. In het weekend vóór het in 3.1. genoemde vonnis is de voorgevel van de woning waar de echtgenote en kinderen van [appellant] verbleven, eruit geblazen. Vermoed wordt dat dit verband houdt met de betrokkenheid van [appellant] bij een ripdeal. 3.3 Op 11 januari 2023 is [appellant] opnieuw besproken in het OO. Het OO adviseerde om aan de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst in de categorie ‘hoog’ criterium E uit de GVM-Circulaire 2021 (ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting) toe te voegen. Dit was gebaseerd op, kort gezegd, een in het vo Daarbij heeft de beklagcommissie onder meer vastgesteld dat zij zich in het kader van eerder aan [appellant] opgelegde maatregelen al kritisch had uitgelaten over de summiere informatie met betrekking tot de actualiteit van het liquidatiegevaar en dat zij daarbij had benoemd dat het op de weg van de directeur van de PI had gelegen om een nadere rapportage op te laten stellen waaruit blijkt dat de informatie nog steeds actueel is. Verder heeft de beklagcommissie overwogen dat uit de bestreden beslissing van 9 januari 2025 niet blijkt dat sprake is van nieuwe informatie of een aanvullende rapportage waaruit de actualiteit van die informatie blijkt en dat vanwege het tijdsverloop en het ontbreken van nieuwe (actuele) informatie niet kan worden geoordeeld dat het liquidatiegevaar nog actueel is. Daarbij heeft de beklagcommissie betrokken dat de voorlopige hechtenis van [appellant] gedurende zeven maanden geschorst is geweest en dat zich in die periode geen incidenten rond [appellant] of zijn omgeving hebben voorgedaan. 3.10 Op 13 mei 2025 is [appellant] vanuit de AIT in de PI Krimpen aan den IJssel overgeplaatst naar een reguliere gevangenisafdeling in de PI Lelystad. Op dat moment zijn aan [appellant] geen toezichtmaatregelen opgelegd. 3.11 Op 11 juni 2025 is [appellant] weer besproken in het OO, waarna is besloten om zijn GVM-status af te schalen naar ‘verhoogd’ en om criterium E te laten vervallen. In het verslag van het OO is opgenomen: Informatie vanuit de PI Krimpen a/d IJssel Betrokkene heeft zich het afgelopen half jaar beter gedragen. Hij had eind 2024 nog een probleem met drugs, gezien de positieve UC’s maar de laatste UC’s laten een negatief resultaat zien. Ondermijning gezag ziet de PI niet langer dus indicatie E komt te vervallen. Daarnaast wordt de GVM-status ‘hoog’ van betrokkene afgeschaald naar ‘verhoogd’. Het OO heeft geoordeeld dat het liquidatiegevaar latent aanwezig zal blijven gezien de antecedenten van betrokkene. Het OO heeft kennisgenomen van de uitkomsten van het KG en de uitspraak van de CvT, maar is van mening dat direct volledig afschalen niet verantwoord is. Betrokkene heeft gedurende langere tijd verbleven op een zeer kleinschalige setting (AIT) en is in die periode ook beveiligd vervoerd. Dit heeft de liquidatiedreiging geminimaliseerd. Nu betrokkene wordt afgeschaald, moet verantwoordelijkheid worden genomen voor de veiligheid van betrokkene op een grootschalige reguliere setting. Het OO stelt dat hiervoor nog enige tijd monitoring nodig is. 3.12 De directeur van de PI Lelystad heeft deze beslissing op 13 juni 2025 schriftelijk aan [appellant] meegedeeld, waarbij ook is meegedeeld dat aan [appellant] een aantal toezichtmaatregelen zal worden opgelegd. In die mededeling is onder meer vermeld: Beschrijving van de beschikbare informatie, waarop onderstaande maatregelen zijn gebaseerd: U bent op 11 juni 2025 besproken in het Operationeel Overleg (OO). In dit overleg heeft men besloten de indicatie HOOG af te schalen naar VERHOOGD. Het liquidatiegevaar is nog steeds latent aanwezig. U bent betrokken geweest bij het rippen van een partij coke waarna de eigenaar van de coke naar u op zoek is gegaan. Het is onbekend hoe deze kwestie is opgelost. Ook is er op uw gezin een aanslag geweest middels een aanslag op een chalet wat zij bewoonden. U heeft twee en een half jaar verbleven in de AIT van Krimpen aan de IJssel. De AIT is een zeer kleine overzichtelijke setting waarbij u volledig in bescherming genomen kunt worden, dat is in de setting van de PI Lelystad waar u nu verblijft anders. Het is dus in ons en uw belang noodzakelijk u goed te blijven volgen. Ik heb alle informatie die ik tot mijn beschikking heb in overweging genomen. Ik heb u gehoord op 12 juni 2025 en heb u verteld dat ik voornemens ben u de onderstaande toezichtsmaatregelen op te leggen om uw gedrag en uw contacten met de buitenwereld te monitoren. Dit om het risico op liquidatie te minimaliseren. (…) Ik heb u verteld dat de afweging opnieuw De Directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] realiseert zich terdege, wat de impact van deze toezichtsmaatregelen zijn voor u en uw contacten. De directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] is echter van mening dat zij dit moment meer waarde moeten hechten aan uw veiligheid en de veiligheid van het personeel in de inrichting. Het risicoprofiel dat door het operationeel overleg is opgesteld is voor de directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] een gegeven waarbij zij de individuele belangenafweging op moet baseren. De directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] erkent het risico zoals dat door het Operationeel Overleg wordt benoemd en ben is [het hof neemt aan dat hier “ik” had moeten staan] van mening van uw gedrag en veiligheid zal moeten worden gemonitord. Gezien dit alles neemt de directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] de onderstaande toezichtsmaatregelen ter bescherming van de orde, rust en veiligheid van de inrichting, over van de Penitentiaire Inrichting te Lelystad. 3.15 Op 1 november 2025 is de GVM-Circulaire 2021 vervangen door een deels aangepaste circulaire, gedateerd 23 september 2025 (hierna: de GVM-Circulaire 2025). Een van de wijzigingen is dat GVM-gedetineerden voortaan worden onderscheiden in twee categorieën, te weten risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). De criteria voor de categorie RG zijn dezelfde als die onder het oude recht voor plaatsing op de GVM-lijst (A tot en met F), met dien verstande dat de omschrijving van criterium D is aangepast, en er een criterium G aan is toegevoegd, maar dat is niet relevant voor de beoordeling in deze zaak. Bij wijze van overgangsrecht is bepaald dat gedetineerden die op 1 november 2025 in een normaal beveiligde inrichting verbleven en onder het oude recht de GVM-status ‘verhoogd’ of ‘hoog’ hebben, worden aangemerkt als risicogedetineerde (RG). 3.16 Op 16 december 2025 is [appellant] besproken in het Overleg Risicogedetineerden (ORG), een landelijk adviesorgaan, dat evenals voorheen het OO, onder meer de taak heeft om de selectiefunctionaris te adviseren over plaatsing dan wel handhaving van een (RG) gedetineerde op de GVM-lijst. Het ORG adviseerde om [appellant] (voor een periode van 6 maanden) aan te merken als RG op grond van criterium C ((risico op) liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde). De selectiefunctionaris heeft dit advies opgevolgd. In het verslag van het ORG valt onder meer het volgende te lezen: Gelet op het feit dat betrokkene nog altijd verantwoordelijk wordt gehouden voor de ripdeal en er een aanslag is gepleegd op zijn gezin, bestaat er volgens het ORG nog altijd een reële en aannemelijke kans/risico op liquidatie of bedreiging in detentie van of door betrokkene. Daar er geen nieuwe informatie is dat de dreiging weg is (of is toegenomen), wordt uitgegaan van een latente dreiging. Gelet hierop is het advies vanuit het ORG om betrokkene aan te merken als risicogedetineerde met indicatie C. 3.17 Op 22 december 2025 heeft de directeur van de PI [verblijfplaats] aan [appellant] schriftelijk medegedeeld dat hij (nog steeds) op de GVM-lijst staat (in de categorie RG) en dat aan hem (opnieuw) toezichtmaatregelen zijn opgelegd. De directeur van de PI [verblijfplaats] acht de maatregelen nodig vanwege de aanwezigheid van het latente liquidatierisico. In de schriftelijke mededeling staat onder meer het volgende: De directeur van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] volgt hierin het advies van het ORG. (…) De directie van Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] heeft u [het hof neemt aan dat hier “uw” had moeten staan] belangen afgewogen tegen de belangen van de inrichting en zijn van oordeel dat de eerder/huidige opgelegde toezichtsmaatregelen niet onredelijk of onbillijk zijn. (…) Gelet op de onderliggende informatie, in combinatie met mijn verantwoordelijkheid voor uw veiligheid en de veiligheid binnen 6 Beoordeling in hoger beroep Ontvankelijkheid en belang [appellant] 6.1 stelt belang te hebben bij verwijdering van de GVM-lijst vanwege de zwaarte van de toezichtmaatregelen die aan hem zijn opgelegd in verband met zijn GVM-status. Volgens [appellant] komt hij door die maatregelen niet in aanmerking voor gezamenlijke (religieuze) activiteiten, bezoek zonder toezicht, beeldbellen met zijn naasten en een vader-kind-dag met zijn zoon. 6.2 De beslissing over de vraag welke maatregelen aan een gedetineerde worden opgelegd, is aan de directeur van de penitentiaire inrichting. De gedetineerde kan tegen de beslissing over het opleggen van concrete maatregelen opkomen in een procedure bij de RSJ. Dat is naar vaste rechtspraak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Het hof kan daarom in deze procedure de aan [appellant] opgelegde maatregelen niet beoordelen. Dat betekent echter niet dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vordering in kort geding om hem te verwijderen van de GVM-lijst. Het moge zo zijn dat de GVM-status van RG er niet toe hoeft te leiden dat toezichtmaatregelen worden getroffen, zoals de Staat stelt, maar dat neemt niet weg dat die status daartoe wel kán leiden en dit bij [appellant] ook het geval is. Voor [appellant] staat geen andere rechtsgang open om de door hem beoogde verwijdering van de GVM-lijst te bewerkstelligen, zodat hij in dit kort geding ontvankelijk is in zijn vordering en ook voldoende belang heeft bij een beslissing op zijn vordering. Toetsingskader 6.3 [appellant] heeft terecht niet bestreden dat de civiele rechter in kort geding de beslissing van de selectiefunctionaris om een gedetineerde op de GVM-lijst te plaatsen, respectievelijk de beslissing om die plaatsing te handhaven, slechts marginaal kan toetsen omdat de selectiefunctionaris daarbij beoordelingsruimte toekomt. Dat betekent dat het hof in dit geding moet nagaan of de selectiefunctionaris in redelijkheid tot de beslissing om de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst te handhaven, heeft kunnen komen. 6.4 Verder is het zo dat het hof ex nunc de meest recente bij het hof bekende verlengingsbeslissing van de selectiefunctionaris moet toetsen. Dat is in dit geval de beslissing van de selectiefunctionaris van 16 december 2025. De selectiefunctionaris heeft toen besloten om [appellant] te handhaven op de GVM-lijst en hem aan te merken als RG op grond van criterium C. Liquidatiegevaar (criterium C); toetsing beslissing 16 december 2025 6.5 Criterium C gaat om “(risico op) liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde”. De woorden “in detentie” houden niet in dat het criterium beperkt is tot gevaren die zich geheel afspelen binnen de penitentiaire inrichting. Een gedetineerde kan in detentie immers ook worden bereikt door de buitenwereld. [appellant] miskent met zijn uitleg dat een risico op liquidatie dat van buiten afkomstig is ook onder criterium C valt. 6.6 In juli 2022 is voor het eerst liquidatiegevaar aangenomen en is [appellant] in verband hiermee op de GVM-lijst geplaatst. Deze indicatie was destijds gebaseerd op de bij het TCI in juni 2022 binnengekomen informatie dat [appellant] verantwoordelijk werd gehouden voor een ripdeal enkele weken eerder, dat de eigenaar van de geripte cocaïne op zoek was naar [appellant] en dat niet ondenkbaar was dat de dreiging zich richtte op zijn naaste familie wanneer hij onvindbaar was. Het feit dat [appellant] betwist dat hij betrokken is geweest bij een ripdeal en dat geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling of formele verdenking op dit punt, maakt niet dat de selectiefunctionaris deze TCI-informatie niet mocht meewegen. De selectiefunctionaris mag ook ‘zachte’ informatie zoals TCI-meldingen meewegen, en dat geldt zeker als het gaat om het voorkomen van een liquidatie. Daarbij komt dat de TCI-informatie is getoetst en als betrouwbaar is beoordeeld en dat korte tijd later een aanslag is gepleegd op de woning van [appellant] . Dit bevestigt de betrouwb