Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-13
ECLI:NL:GHDHA:2026:171
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.341.032/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/618512 / HA ZA 21-868 Arrest van 13 januari 2026 in de zaak van Vereniging Verticaal Transport , gevestigd in Culemborg, appellante, advocaat: mr. R.J.E. Reidinga, kantoorhoudend in Epe, tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid) , zetelend in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. S.O. Visch, kantoorhoudend in 's-Gravenhage. Het hof noemt partijen hierna VVT en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 Deze zaak gaat over de totstandkoming van een wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit, dat voorziet in een uitzondering op het verbod om met een hijs- of hefwerktuig voor goederenvervoer personen te vervoeren. Volgens VVT is de wijziging onrechtmatig en daarom onverbindend en heeft de Staat onder meer onrechtmatig gehandeld door hierover niet naar behoren overleg met haar te voeren. VVT vordert op grond hiervan diverse verklaringen voor recht en aanpassing of buitenwerkingstelling van artikel 7.23d Arbobesluit, schadevergoeding, en bij wege van incident, afschrift van bepaalde stukken. 1.2 De rechtbank heeft VVT niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit en de overige vorderingen afgewezen. Het hof komt tot dezelfde beslissing. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 4 april 2024, waarmee VVT in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2022, 22 juni 2022 en 21 februari 2024; de memorie van grieven van VVT, met bijlagen; de memorie van antwoord van de Staat. 2.2 Op 24 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voor zover VVT daarbij een separate bijlage met eindnoten heeft overgelegd die niet is uitgesproken zal het hof deze buiten beschouwing laten. Verder zou met het uitspreken van de bijlage de maximale (op verzoek van VVT reeds tot 45 minuten verlengde) spreektijd ruimschoots zijn overschreden. VVT heeft tevens voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties overgelegd, over de toelaatbaarheid waarvan het hof hierna in rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.5 zal oordelen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 3 Feitelijke en juridische achtergrond 3.1 VVT is de grootste brancheorganisatie in Nederland voor de verhuur van materieel ten behoeve van verticaal transport. Verticaal transport houdt in hijsen, heffen en werken met hijswerktuigen, zoals een mobiele torenkraan, en hefwerktuigen, zoals een hoogwerker. VVT is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens artikel 2 van haar statuten onder meer tot doel stelt “het bevorderen van de ontwikkeling van verticaal transport” en “het behartigen van de belangen van het verticaal transport in het algemeen en die van haar leden in het bijzonder”. In artikel 3 van de statuten is, voor zover van belang, bepaald dat VVT dit doel tracht te bereiken door: “a. de organen van de overheid van voorlichting en advies te dienen in zaken het verticaal transport betreffende; (…) d. zich te doen vertegenwoordigen zowel nationaal als internationaal waar de belangen van het verticaal transport zulks noodzakelijk of wenselijk maken; (…) f. medewerking te verlenen aan de bevordering en uitvoering van overheidsmaatregelen, voor zover de strekking van deze maatregelen is het doel van de vereniging te bevorderen; (…) i. het aangaan, wijzigingen of opzeggen van collectieve arbeidsovereenkomsten; j. alle andere middelen, die het doel van de vereniging kunnen bevorderen.” 3.2 Op grond van (het sinds 1 januari 2007 geldende) artikel 7.18 lid 4 Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) mogen met een hijs- of hefwerktuig dat uitsluitend is bestemd en ingericht voor Daarnaast zijn de volgende voorwaarden voor de ontheffing van het verbod uit artikel 7.18 lid 4 Arbobesluit opgenomen: (1) de werkgever moet een werkplan opstellen, (2) het werkplan moet worden getoetst door een veiligheidskundige, en (3) de werkgever is verplicht vooraf te melden als van het verbod wordt afgeweken. 3.8 Overleg tussen het Ministerie en de brancheorganisaties heeft geleid tot een Leidraad die op 29 juni 2020 is gepubliceerd op het Arboportaal. De Leidraad bevat een Stappenplan ter bepaling of de inzet van een hijswerktuig met werkbak of werkplatform gerechtvaardigd is. Daarin is vermeld, dat indien in voorkomende gevallen uit de risico-inventarisatie en -evaluatie blijkt, dat een oorspronkelijk beoogde werkmethode risico’s meebrengt en er een andere werkmethode mogelijk is waarbij de risico’s lager zijn, de werkmethode met de laagste risico’s dient te worden toegepast. 3.9 Begin juli 2020 heeft VVT een of meerdere Wob c.q. Woo verzoeken ingediend bij het Ministerie en bij TNO, waarin VVT onder meer heeft verzocht om, kort weergegeven, alle stukken die ten grondslag liggen aan het TNO-onderzoek en alle stukken van de Inspectie, die zien op ongevallen en incidenten waarbij een werkbak of werkplatform aan een hijskraan was betrokken vanaf 1998 tot 2020, en/of die verband houden met het wijzigingsbesluit, te verstrekken. 3.10 Vanaf 1 juli 2020 heeft diverse malen overleg plaatsgevonden tussen de brancheorganisaties, waaronder VVT, en het Ministerie over een verdere aanpassing van artikel 7.23d Arbobesluit. Ook is een tweede internetconsultatie gehouden met het oog op die aanpassing, in welk kader VVT ook een reactie heeft ingestuurd. 3.11 Bij besluit van 20 december 2021, houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met enkele technische wijzigingen en klein beleid (Stb. 2021, 645) is artikel 7.23d Arbobesluit (oud) nader gewijzigd met ingang van 1 januari 2022. Zo geldt niet langer de verplichte toets van het werkplan door een veiligheidsdeskundige. Ook het voorschrift over de maximale windsnelheid en de hoogte waarop deze moet worden gemeten is aangepast. 3.12 Naar aanleiding van de Wob c.q. Woo verzoeken van VVT zijn bij beslissingen van 28 oktober 2021 (deelbesluit 1), 18 maart 2022 (deelbesluit 2), 8 december 2023 (deelbesluit 3) en 14 februari 2024 (deelbesluit 4) een grote hoeveelheid stukken openbaar gemaakt. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 VVT heeft de Staat gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven: Primair : I. een verklaring voor recht dat: 1) het wijzigingsbesluit een (deugdelijke) wettelijke grondslag ontbeert, onrechtmatig is en daarmee onverbindend is; 2) de op het wijzigingsbesluit in artikel 7.23d van het Arbobesluit doorgevoerde wijzigingen onrechtmatig zijn en daarmee die onrechtmatige delen zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) onverbindend zijn; 3) het vaststellen en handhaven van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) jegens VVT (en allen voor wie zij opkomt) een onrechtmatige daad is; 4) de Staat onrechtmatig handelt zolang hij de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) niet door rechtmatige wetgeving (inclusief een Nota van Toelichting waarin onder meer de juiste interpretatie op de juiste wijze is geformuleerd) vervangt; 5) de Staat ten behoeve van VVT verplicht is om zich tegenover iedereen (althans haar aangeslotenen) van uitvoering en handhaving van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) te onthouden en zodanige maatregelen te nemen om de inzet van de werkbak, hangende in een kraan, mogelijk te maken voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte; 6) de Staat uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door VVT geleden en nog te lijden schade en wordt veroordeeld tot vergoeding daarv 4.3 De Staat heeft zich bij incidentele conclusie beroepen op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar vorderingen, op de grond dat, samengevat, voor de leden van VVT een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat waarin zij de verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit aan de orde kunnen stellen, zodat zij niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter, hetgeen ook in de weg staat aan een collectieve actie van VVT op de voet van artikel 3:305a BW. 4.4 De rechtbank heeft bij (eind)vonnis in het incident van 22 juni 2022 VVT wegens het ontbreken van een voldoende eigen belang niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit. De rechtbank heeft VVT wel ontvankelijk geacht voor zover haar vorderingen zien op het gestelde onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat, te weten het niet op behoorlijke wijze voeren van overleg met VVT over de wijzigingen van artikel 7.23d Arbobesluit, op de grond dat VVT als overlegorgaan of -partner van de Staat bij die vorderingen wel een eigen voldoende belang heeft. De rechtbank heeft hierbij de vorderingen van VVT aldus verstaan dat de onderdelen 3 (het vaststellen en handhaven van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit jegens VVT) en 6 (te verklaren voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de door VVT geleden en nog te lijden schade en wordt veroordeeld tot vergoeding daarvan, nader op te maken bij staat) van het primair gevorderde onder I respectievelijk de onderdelen 2 en 5 van het subsidiair onder I gevorderde, mede omvatten het gestelde onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat. In de hoofdzaak heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord en iedere verdere beslissing aangehouden. Hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de Staat bij conclusie van antwoord alleen hoeft in te gaan op de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen van VVT voor zover deze betrekking hebben op het door VVT gestelde onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat. 4.5 Bij akte eiswijziging van 17 augustus 2022 heeft VVT haar eis gewijzigd in die zin dat, zakelijk weergegeven, de verklaring voor recht wordt gevorderd dat de Staat onrechtmatig jegens VVT heeft gehandeld, onder andere door het niet op behoorlijke wijze overleg voeren met VVT als overlegpartner over het wijzigingsbesluit en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade die VVT heeft geleden en zal lijden, op te maken bij staat. VVT vordert ook een voorschot op die schadevergoeding, waarbij zij de schade voorlopig heeft begroot op € 51.825,81. In de akte heeft VVT tevens een incident op grond van artikel 843a Rv opgeworpen, waarin zij afgifte vordert van de stukken en correspondentie met betrekking tot het TNO-onderzoek. 4.6 Bij e-mail van mr. Reidinga van 6 januari 2023, met als bijlage een concept akte eiswijziging met een omvang van 85 pagina’s inclusief eindnoten, heeft VVT aangekondigd andermaal haar eis te willen wijzigen. 4.7 Bij beslissing van 13 januari 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat de concept akte ten dele een verkapte repliek betreft die vanwege de omvang en tijdstip in de procedure in strijd is met de goede procesorde en heeft zij VVT in staat gesteld de akte aan te passen tot een maximum van 10 pagina’s en producties. 4.8 Bij akte houdende eiswijziging/-vermeerdering en overlegging producties d.d. 1 februari 2023 heeft VVT hierop haar eis wederom gewijzigd en vermeerderd. VVT stelt hierbij de volgende vorderingen in, zakelijk en samengevat weergegeven: A. vorderingen met betrekking tot het feitelijk handelen van de Staat (onder andere onbehoorlijk overleg), mede inhoudende de vordering om de Staat op grond van artikel 22 Rv of artikel 843a Rv te bevelen de TNO-stukken over te leggen; B. vorderingen die zien op (aanpassing of buitenwerkingstelling van) de tekst van het wijzigingsbesluit (het besluit va 6.3 Voor zover de producties stukken betreffen die VVT heeft verkregen in de Woo procedure – naar de Staat onweersproken heeft aangevoerd zijn dit productie 98, 99, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107a, 107b, 108, 109, 110 en 111 – geldt voorts dat VVT hierover reeds tenminste anderhalf jaar, in ieder geval sinds deelbesluit 4 van 14 februari 2024, beschikt. Niet valt redelijkerwijs in te zien dat VVT deze stukken niet eerder had kunnen overleggen en daarbij had kunnen toelichten op welke (onderdelen van de) producties zij zich ter onderbouwing van haar vorderingen en haar grieven precies beroept. 6.4 Verder betreft het deels stukken die, voor zover deze zelfstandig als grieven moeten worden beschouwd, in verband met de tweeconclusieregel in hoger beroep had dienen te geschieden in de memorie van grieven. Hierbij gaat het (in ieder geval) om productie 96-2 (Onderliggende stukken bij productie 96), 112 (Analyse verschillen concept en definitief rapport TNO Veilig asbest saneren op hoogte), en 113 (Analyse tekortkomingen uitvoering risicobeoordeling). Voor het aanvaarden van een uitzondering op voormelde in beginsel strakke regel ziet het hof in dit geval geen grond. De algemene stelling van VVT ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep dat bij de producties sprake is van een nadere toelichting op c.q. uitwerking van eerder door VVT ingenomen stellingen, standpunten en aangevoerde grieven, miskent dat het aldus voor de Staat (en de appelrechter) niet voldoende kenbaar is op welke (onderdelen van de) producties VVT zich ter onderbouwing van welke stellingen, gronden en grieven precies beroept. Aldus is deze wijze van procederen in strijd met de eisen van een goede procesorde. 6.5 Gelet op het voorgaande zal het hof producties 96-2 tot en met 113 buiten beschouwing laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, respectievelijk strijd met de tweeconclusieregel in hoger beroep. 6.6 De Staat heeft voorts bij memorie van antwoord aangevoerd dat een deel van de door VVT bij memorie van grieven overgelegde producties wegens strijd met artikel 2.13.1 van het Landelijk procesreglement eveneens buiten beschouwing dient te blijven. 6.7 Het hof acht ook dit bezwaar gegrond. Voormelde producties betreffen het notenapparaat bij de memorie van grieven (productie 89 van acht pagina’s met deels uitgeschreven toelichtingen op de noten), een overzicht van de gedingstukken die de rechtbank volgens VVT had dienen te vermelden (productie 90 van twee pagina’s), en een groot gedeelte van de onderbouwing van de vorderingen (productie 92, 93 (gelijk aan de in eerste aanleg geweigerde productie 72), 94, en 96 van respectievelijk twee, drieëntachtig, vijf, en twaalf pagina’s). De inhoud van deze producties had dan ook moeten worden opgenomen in de memorie van grieven, in welk geval deze (nog los van lettergrootte, marges en regelafstand) een omvang zou hebben gehad van honderdzevenenveertig pagina’s. Volgens artikel 2.13.1 Landelijk procesreglement dient de memorie van grieven echter niet meer te beslaan dan vijfentwintig bladzijden, waartoe blijkens de inhoud van deze bepaling ook het notenapparaat behoort. VVT heeft niet op de voet van genoemd artikel verzocht, laat staan onderbouwd verzocht, een memorie van grieven van een grotere omvang te mogen indienen. Een verzoek daartoe zou overigens, mede gelet op de inhoud en omvang van het dossier, door het hof waarschijnlijk wel zijn toegewezen, maar waarschijnlijk niet tot een dergelijke omvang. VVT heeft evenmin verzocht een aanvullende akte te mogen nemen ter nadere toelichting van een of meer in de memorie van grieven reeds opgenomen grieven, omdat de maximumomvang van de memorie van grieven daartoe ontoereikend is gebleken. 6.8 Bij het voorgaande is van belang dat de gronden die de appellante aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, behoorlijk in het geding, in het onderhavige geval derhalve in de memorie van grieven, naar voren dienen te wo Misbruik procesrecht en schending waarheids- en volledigheidsplicht; grieven 11 t/m 13 6.16 Met de grieven 11 tot en met 13 komt VVT op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van procesrecht en schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv door de Staat. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 6.17 Voor zover VVT de grieven 11 tot en met 13 baseert op argumenten gericht tegen haar niet-ontvankelijk verklaring in haar vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit, stuiten zij reeds af op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar hoger beroep gericht tegen het gedeeltelijke eindvonnis in het incident van 22 juni 2022 en het eindvonnis van 21 februari 2024. 6.18 VVT verwijst in de toelichting op haar grieven naar productie 93 en 94. Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 6.7-6.8 geoordeeld dat onder meer deze producties buiten beschouwing worden gelaten wegens strijd met artikel 2.13.1 Landelijk procesreglement en de eisen van een goede procesorde. Voor zover de toelichting is gebaseerd op deze producties zal het hof daar dan ook geen acht op slaan. 6.19 Het hof acht voor het overige de stelling van VVT dat sprake is van misbruik van procesrecht en schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv onvoldoende onderbouwd. 6.20 VVT stelt dat sprake is van misbruik van procesrecht omdat de Staat haar stelling, dat het niet-ontvankelijkheidsverweer bestaat uit tegen beter weten in door de Staat ingenomen op voorhand kansloze stellingen, niet zou hebben weersproken. Hiermee miskent VVT dat het verweer van de Staat over haar niet-ontvankelijkheid, reeds getuige de beslissing van de rechtbank hieromtrent, niet op voorhand kansloos was. Het stond de Staat dan ook vrij om dit verweer bij wege van incident op te werpen. Daarnaast gaat VVT er aan voorbij dat de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, bewijslast ter zake van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan haar vorderingen ingevolge de hoofdregel van artikel 149 Rv rust op degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, derhalve op VVT. De Staat was niet gehouden haar niet-ontvankelijkheidsverweer nader te onderbouwen. 6.21 Voorts heeft VVT gesteld dat de Staat de rechtbank op het verkeerde been heeft gezet omdat hij zijn niet ontvankelijkheidsverweer heeft gebaseerd op de op voorhand kansloze pijlers dat (i) VVT een collectieve actie heeft ingesteld en (ii) artikel 7.23d Arbobesluit indirecte werking heeft omdat de leden van VVT hierdoor pas geraakt worden na handhaving. Volgens VVT heeft zij onbestreden gesteld dat de grondslagen van het niet-ontvankelijkheidsverweer zo evident ongegrond waren dat het de Staat niet vrijstond het incident op te werpen. Dit betoog stuit af op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar hoger beroep tegen het gedeeltelijke eindvonnis in het incident van 22 juni 2022 en het eindvonnis van 21 februari 2024. Hetzelfde geldt voor de klacht dat de niet-ontvankelijkverklaring van VVT in de vorderingen sub B berust op onjuiste juridische en feitelijke grondslagen. Overigens heeft VVT niet voldoende onderbouwd dat de wijze van procederen door de Staat is ingegeven door het oogmerk VVT en de rechter op het verkeerde been te zetten of anderszins te misleiden. 6.22 VVT betoogt verder dat de Staat de brief van de Staatssecretaris aan VERAS van 6 april 2018 had moeten opnemen in de tijdlijn bij zijn conclusie van antwoord en dat de Staat door zulks na te laten heeft gehandeld in strijd met de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv. Ook dit betoog faalt. VVT heeft deze brief zelf vermeld in het tijdlijnenoverzicht in haar inleidende dagvaarding en als productie 39 bij inleidende dagvaarding in het geding gebracht. Op de Staat rustte geen verplichting de brief alsnog op te nemen in (de tijdlijn bij) haar conclusie van antwoord. Van een schending van de waarheids- of volledigheidsplich 6.30 Anders dan VVT betoogt vloeit een verplichting tot overleg niet voort uit artikel 4 van het ILO-Verdrag inzake veiligheid en gezondheid op het werk (1981, C155), welk artikel bepaalt dat elk der Verdragsstaten, in het licht van de nationale omstandigheden en praktijk, en in overleg met de meest representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, een coherent nationaal beleid formuleert inzake veiligheid op het werk, de gezondheid op het werk en het arbeidsmilieu. Deze bepaling voorziet in het in overleg met deze organisaties formuleren van nationaal beleid op de genoemde terreinen en bevat geen verplichting voor de Staat om in een geval als het onderhavige overleg te voeren met VVT. 6.31 Een dergelijke verplichting volgt evenmin uit de Nederlandse code voor goed openbaar bestuur (2009) en de door VVT overgelegde publicatie “Participatie: beleid begint met luisteren”. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat voormelde code geen juridisch afdwingbare normen inhoudt. Hetzelfde geldt voor genoemde publicatie, die slechts een uitleg bevat wat participatie inhoudt. VVT heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat de redelijkheid en billijkheid een algemene verplichting voor de Staat jegens VVT met zich brengen om overleg te voeren in de door VVT voorgestane zin. 6.32 In hoger beroep staat als niet, althans niet voldoende, bestreden vast dat voorafgaand aan de totstandkoming van het wijzigingsbesluit een uitvoerige uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden tussen de betrokken brancheorganisaties, waaronder VVT, en het Ministerie. Hierbij is VVT meermalen in de gelegenheid gesteld haar opvattingen, zowel schriftelijk als via internetconsultatie en in verschillende overleggen, kenbaar te maken. Derhalve staat vast dat de Staat VVT (onverplicht) voldoende gelegenheid heeft gegeven voor overleg. Zoals hiervoor geoordeeld is de Staat niet verplicht de hierbij de standpunten van VVT te volgen en een regeling met de door de VVT gewenste inhoud tot stand te brengen. 6.33 VVT beroept zich op de brief van de Staatssecretaris van 6 april 2018. Deze brief is een reactie op de brief van verschillende brancheorganisaties, waaronder VVT, van 28 februari 2018, waarbij het rapport van Aboma van 12 februari 2018 wordt aangeboden aan de Staatssecretaris en waarin [naam] van VERAS staat vermeld als woordvoerder. In reactie hierop bericht de Staatssecretaris VERAS, ter attentie van [naam] , dat zij de rapportage van Aboma zal aanbieden aan de partij die het onderzoek voor het Ministerie zal gaan uitvoeren en dat zij “u graag [wil] betrekken bij de uitvoering van het onderzoek”. Voor zover de brief van 6 april 2018 reeds als toezegging aan VVT moet worden aangemerkt, geldt dat de Staat deze toezegging ook is nagekomen. Het rapport van Aboma is immers gedeeld met TNO, die blijkens haar rapport van 23 juli 2018 de bevindingen van Aboma in aanmerking heeft genomen. Dat blijkt ook uit de Kamerbrief van 27 september 2018 (Kamerstukken II 2018/19, nr. 336, p. 2), waarin de Staatssecretaris mededeelt dat de resultaten van het Aboma-onderzoek zijn meegenomen in het TNO rapport. VVT is vervolgens ook betrokken bij het onderzoek van TNO, hetgeen blijkt uit de als productie 41 en 42 in eerste aanleg door VVT overgelegde e-mail correspondentie met betrekking tot een overleg tussen onder meer VVT en TNO in mei 2018 en e-mail correspondentie over “afstemmen scenario’s moeilijke daken voor risicoanalyse” in juni 2018. 6.34 De toezegging van de Staatssecretaris houdt echter niet in dat door TNO en/of de Staat op de door VVT gewenste wijze overleg met haar zou worden gevoerd, dat VVT gelegenheid zou krijgen te reageren op het conceptrapport van TNO, en dat hierbij de inhoudelijke standpunten van VVT over de wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit zouden worden gevolgd. De Staat is, mede gelet op de hiervoor in rechtsoverweging 6.29 vermelde maatstaf, jegens VVT ook niet verantwoordelijk voor de wijze waarop TNO in het kader van haar onafhankelijk onderzo