Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-02
ECLI:NL:GHDHA:2026:1705
Strafrecht
Hoger beroep
16,175 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1705 text/xml public 2026-05-19T12:49:46 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-02 22-002375-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1705 text/html public 2026-05-19T12:48:07 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1705 Gerechtshof Den Haag , 02-04-2026 / 22-002375-25 Art. 6 en art. 7 WVW 1994. Verdachte rijdt een dertienjarig meisje aan terwijl zij een zebrapad oversteekt. Het slachtoffer loopt daardoor zodanig letsel op dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. De verdachte rijdt na de aanrijding door. Het hof oordeelt dat het ongeval het gevolg is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van de verdachte en dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden betrokken te zijn geweest bij een ongeval waarbij aan een ander letsel was toegebracht. Aan de verdachte, die zich eerder heeft schuldig gemaakt aan overtreding van art. 6 WVW 1994 met dodelijke afloop, legt het hof een gevangenisstraf op van 2 maanden en een OBM van 2 jaar. Rolnummer: 22-002375-25 Parketnummers: 10-262121-24 en 96-321832-20 (TUL) Datum uitspraak: 2 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, postadres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren, met aftrek van de duur van invordering en inhouding van het rijbewijs. Voorts is een beslissing genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te Maassluis als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kenteken] ), daarmede rijdende over [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij een voetgangersoversteekplaats naderde en zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats een persoon, zijnde [het slachtoffer] , bevond, die voetgangersoversteekplaats is opgereden en/of (daarbij) niet heeft opgemerkt dat [dat slachtoffer] doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of [dat slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) tegen [dat slachtoffer] is aangebotst en/of aangereden, waardoor een ander (voornoemde [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus (welke operatief onder algehele narcose werd behandeld) en/of een of meerdere blijvende ontsierende litteken(s) in het gezicht en/of op het been en/of hoofdpijn en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te Maassluis als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kenteken] ), daarmee rijdende op de [weg] , terwijl hij een voetgangersoversteekplaats naderde en zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats een persoon, zijnde [het slachtoffer] , bevond, die voetgangersoversteekplaats is opgereden en/of (daarbij) niet heeft opgemerkt dat [dat slachtoffer] doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of [dat slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) tegen [dat slachtoffer] is aangebotst en/of aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Maassluis op/aan de [weg] , op of omstreeks 11 augustus 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [het slachtoffer] ) letsel was toegebracht. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. primair hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te Maassluis als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kenteken] ), daarmede rijdende over de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk , onvoorzichtig en /of onoplettend, terwijl hij een voetgangersoversteekplaats naderde en zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats een persoon, zijnde [het slachtoffer] , bevond, die voetgangersoversteekplaats is opgereden en /of (daarbij) niet heeft opgemerkt dat [dat slachtoffer] doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en /of [dat slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en /of (vervolgens) tegen [dat slachtoffer] is aangebotst en/of aangereden, waardoor een ander (voornoemde [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus (welke operatief onder algehele narcose werd behandeld) en/of een of meerdere blijvende ontsierende litteken(s) in het gezicht en/of op het been en/of hoofdpijn en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; 2. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Maassluis op /aan de [weg] , op of omstreeks 11 augustus 2024 , de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [het slachtoffer] ) letsel was toegebracht. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1705 text/xml public 2026-05-19T12:49:46 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-02 22-002375-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1705 text/html public 2026-05-19T12:48:07 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1705 Gerechtshof Den Haag , 02-04-2026 / 22-002375-25 Art. 6 en art. 7 WVW 1994. Verdachte rijdt een dertienjarig meisje aan terwijl zij een zebrapad oversteekt. Het slachtoffer loopt daardoor zodanig letsel op dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. De verdachte rijdt na de aanrijding door. Het hof oordeelt dat het ongeval het gevolg is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van de verdachte en dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden betrokken te zijn geweest bij een ongeval waarbij aan een ander letsel was toegebracht. Aan de verdachte, die zich eerder heeft schuldig gemaakt aan overtreding van art. 6 WVW 1994 met dodelijke afloop, legt het hof een gevangenisstraf op van 2 maanden en een OBM van 2 jaar. Rolnummer: 22-002375-25 Parketnummers: 10-262121-24 en 96-321832-20 (TUL) Datum uitspraak: 2 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, postadres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren, met aftrek van de duur van invordering en inhouding van het rijbewijs. Voorts is een beslissing genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te Maassluis als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kenteken] ), daarmede rijdende over [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij een voetgangersoversteekplaats naderde en zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats een persoon, zijnde [het slachtoffer] , bevond, die voetgangersoversteekplaats is opgereden en/of (daarbij) niet heeft opgemerkt dat [dat slachtoffer] doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of [dat slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) tegen [dat slachtoffer] is aangebotst en/of aangereden, waardoor een ander (voornoemde [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus (welke operatief onder algehele narcose werd behandeld) en/of een of meerdere blijvende ontsierende litteken(s) in het gezicht en/of op het been en/of hoofdpijn en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te Maassluis als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kenteken] ), daarmee rijdende op de [weg] , terwijl hij een voetgangersoversteekplaats naderde en zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats een persoon, zijnde [het slachtoffer] , bevond, die voetgangersoversteekplaats is opgereden en/of (daarbij) niet heeft opgemerkt dat [dat slachtoffer] doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of [dat slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) tegen [dat slachtoffer] is aangebotst en/of aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Maassluis op/aan de [weg] , op of omstreeks 11 augustus 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [het slachtoffer] ) letsel was toegebracht. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. primair hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te Maassluis als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kenteken] ), daarmede rijdende over de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk , onvoorzichtig en /of onoplettend, terwijl hij een voetgangersoversteekplaats naderde en zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats een persoon, zijnde [het slachtoffer] , bevond, die voetgangersoversteekplaats is opgereden en /of (daarbij) niet heeft opgemerkt dat [dat slachtoffer] doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en /of [dat slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en /of (vervolgens) tegen [dat slachtoffer] is aangebotst en/of aangereden, waardoor een ander (voornoemde [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus (welke operatief onder algehele narcose werd behandeld) en/of een of meerdere blijvende ontsierende litteken(s) in het gezicht en/of op het been en/of hoofdpijn en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; 2. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Maassluis op /aan de [weg] , op of omstreeks 11 augustus 2024 , de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [het slachtoffer] ) letsel was toegebracht. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Volledig
Nadere bewijsoverweging De procespositie van de verdachte ten opzichte van de (combinatie van de) beide ten laste gelegde feiten Op basis van de bewijsmiddelen staat vast – en dit wordt ook door de verdachte erkend – dat er op 11 augustus 2024 te Maassluis een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde personenauto en het slachtoffer, een toen [minderjarig] meisje. Het slachtoffer maakte tijdens de aanrijding als voetganger gebruik van een voetgangersoversteekplaats. De aanrijding heeft bij het slachtoffer letsel veroorzaakt. Het standpunt van de verdediging is dat de verdachte toen en daar op enig moment wel een zeker geluid heeft gehoord en dat hij toen ook wel even vaart heeft verminderd, maar dat hij op geen enkel moment heeft gedacht in botsing te zijn gekomen met een persoon. Om die reden is hij toen niet gestopt, maar is hij doorgereden. Met betrekking tot de aanrijding zelf is het standpunt van de verdediging dat de verdachte niemand heeft zien oversteken en dat hij ook niet wist dat er zich daar überhaupt een voetgangersoversteekplaats bevond. Van iets wat als een ongeval geduid zou moeten worden heeft hij niets gemerkt; een herinnering aan de aanrijding heeft hij niet. De verdachte erkent, achteraf, wel dat hij het slachtoffer over het hoofd heeft gezien. Hij heeft, aldus zijn raadsvrouw in haar pleidooi, geen ander onjuist verkeersgedrag vertoond. Het niet hebben gezien van het slachtoffer is een verkeersfout, maar enkel daarmee is schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 nog niet bewezen. Met betrekking tot feit 1 primair. Is er bij de verdachte sprake geweest van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994? In de tenlastelegging van feit 1 primair wordt aan de verdachte verweten dat zijn verkeersgedrag “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” is geweest. Met deze bewoordingen heeft de steller van de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht dat er bij de verdachte sprake is geweest van enige vorm van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook, zonder verdere toevoeging: artikel 6). In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de schuldvorm ‘roekeloosheid’. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal opnieuw gerekwireerd tot vrijspraak op dit punt. Het hof is van oordeel dat er voor roekeloosheid onvoldoende bewijs is en zal om die reden de verdachte daarvan vrijspreken. Dit betekent dat ter beoordeling resteert of het verkeersgedrag “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” is geweest. Bij de beantwoording van die vraag neemt het hof tot richtsnoer een arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024, NJ 2025/72, m.nt. Van Kempen). Rechtsoverweging 2.6.1 van dit arrest luidt onder meer als volgt: “In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (…). Of daarvan sprake is, (…) is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (…) In het licht van (…) bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan (…) of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.” In navolging van de rechtsliteratuur zal het hof hierna deze ‘gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’ aanduiden als ‘(de) criteriumfiguur’. In rechtsoverweging 2.6.3 van hetzelfde arrest overweegt de Hoge Raad het volgende. (De cursiveringen zijn door het hof aangebracht. Hieronder zal naar de gecursiveerde passages worden verwezen.) “In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen (vgl. onder meer HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat hij daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt , kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.” Bij de toepassing van dit kader op de aanrijding tussen de verdachte en het slachtoffer acht het hof de volgende drie punten van belang. • De voetgangersoversteekplaats – het zebrapad – waarop het slachtoffer zich bevond ten tijde van de aanrijding is in het proces-verbaal van de Verkeersongevallenanalyse als volgt omschreven: “Ter hoogte van de plaats van het ongeval was op de rijbaan van de [weg] een voetgangersoversteekplaats (VOP) aangebracht welke aangeduid werd middels bord L2 van (…) Bijlage I van het RVV 1990 (boven de rijbaan). De VOP was op een verkeersplateau aangebracht. Het verkeer dat in de richting van het verkeersplateau reed werd hiervoor gewaarschuwd door de aanwezige taludmarkering (een pianoklavier). Deze markering was zowel bij het oprijden van het verkeersplateau als bij het afrijden aangebracht.” • Het feit dat het slachtoffer een voetgangersoversteekplaats benutte, maakt dat er sprake was van een voorrangssituatie. Artikel 49, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 luidt: “Bestuurders moeten voetgangers (…) die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.” • Door de politie zijn, afgezien van het slachtoffer en haar vader, vier neutrale getuigen gehoord. Twee van hen ( [getuige 1] en [getuige 2] ) bevonden zich ten tijde van het ongeval als bestuurder van een motorvoertuig op de [weg] . Voor de verdachte vormden zij tegemoetkomend verkeer. Beide getuigen hebben verklaard dat zij stopten voor het zebrapad omdat zij vanuit hun positie op de weg het slachtoffer hebben waargenomen en haar hebben zien oversteken. Het hierboven geciteerde arrest van de Hoge Raad biedt, in de gecursiveerde passages, twee aanknopingspunten voor het rechterlijk oordeel dat er geen sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6. In beide gevallen is dat oordeel overigens niet gegarandeerd. In het eerste geval gaat het om een bestuurder die stelt: “Ik bevond mij in een voorrangssituatie. Ik heb daadwerkelijk gekeken of ik een voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer zag, maar ik heb die (toch) niet waargenomen.” Als dit aannemelijk is, dan ligt afwezigheid van schuld in de zin van artikel 6 voor de hand, en zijn er bijkomende (bijzondere) omstandigheden nodig om tot het tegengestelde oordeel te komen, te weten dat deze bestuurder niettemin, in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen (de criteriumfiguur), aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond.
Volledig
Nadere bewijsoverweging De procespositie van de verdachte ten opzichte van de (combinatie van de) beide ten laste gelegde feiten Op basis van de bewijsmiddelen staat vast – en dit wordt ook door de verdachte erkend – dat er op 11 augustus 2024 te Maassluis een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde personenauto en het slachtoffer, een toen [minderjarig] meisje. Het slachtoffer maakte tijdens de aanrijding als voetganger gebruik van een voetgangersoversteekplaats. De aanrijding heeft bij het slachtoffer letsel veroorzaakt. Het standpunt van de verdediging is dat de verdachte toen en daar op enig moment wel een zeker geluid heeft gehoord en dat hij toen ook wel even vaart heeft verminderd, maar dat hij op geen enkel moment heeft gedacht in botsing te zijn gekomen met een persoon. Om die reden is hij toen niet gestopt, maar is hij doorgereden. Met betrekking tot de aanrijding zelf is het standpunt van de verdediging dat de verdachte niemand heeft zien oversteken en dat hij ook niet wist dat er zich daar überhaupt een voetgangersoversteekplaats bevond. Van iets wat als een ongeval geduid zou moeten worden heeft hij niets gemerkt; een herinnering aan de aanrijding heeft hij niet. De verdachte erkent, achteraf, wel dat hij het slachtoffer over het hoofd heeft gezien. Hij heeft, aldus zijn raadsvrouw in haar pleidooi, geen ander onjuist verkeersgedrag vertoond. Het niet hebben gezien van het slachtoffer is een verkeersfout, maar enkel daarmee is schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 nog niet bewezen. Met betrekking tot feit 1 primair. Is er bij de verdachte sprake geweest van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994? In de tenlastelegging van feit 1 primair wordt aan de verdachte verweten dat zijn verkeersgedrag “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” is geweest. Met deze bewoordingen heeft de steller van de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht dat er bij de verdachte sprake is geweest van enige vorm van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook, zonder verdere toevoeging: artikel 6). In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de schuldvorm ‘roekeloosheid’. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal opnieuw gerekwireerd tot vrijspraak op dit punt. Het hof is van oordeel dat er voor roekeloosheid onvoldoende bewijs is en zal om die reden de verdachte daarvan vrijspreken. Dit betekent dat ter beoordeling resteert of het verkeersgedrag “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” is geweest. Bij de beantwoording van die vraag neemt het hof tot richtsnoer een arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024, NJ 2025/72, m.nt. Van Kempen). Rechtsoverweging 2.6.1 van dit arrest luidt onder meer als volgt: “In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (…). Of daarvan sprake is, (…) is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (…) In het licht van (…) bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan (…) of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.” In navolging van de rechtsliteratuur zal het hof hierna deze ‘gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’ aanduiden als ‘(de) criteriumfiguur’. In rechtsoverweging 2.6.3 van hetzelfde arrest overweegt de Hoge Raad het volgende. (De cursiveringen zijn door het hof aangebracht. Hieronder zal naar de gecursiveerde passages worden verwezen.) “In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen (vgl. onder meer HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat hij daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt , kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.” Bij de toepassing van dit kader op de aanrijding tussen de verdachte en het slachtoffer acht het hof de volgende drie punten van belang. • De voetgangersoversteekplaats – het zebrapad – waarop het slachtoffer zich bevond ten tijde van de aanrijding is in het proces-verbaal van de Verkeersongevallenanalyse als volgt omschreven: “Ter hoogte van de plaats van het ongeval was op de rijbaan van de [weg] een voetgangersoversteekplaats (VOP) aangebracht welke aangeduid werd middels bord L2 van (…) Bijlage I van het RVV 1990 (boven de rijbaan). De VOP was op een verkeersplateau aangebracht. Het verkeer dat in de richting van het verkeersplateau reed werd hiervoor gewaarschuwd door de aanwezige taludmarkering (een pianoklavier). Deze markering was zowel bij het oprijden van het verkeersplateau als bij het afrijden aangebracht.” • Het feit dat het slachtoffer een voetgangersoversteekplaats benutte, maakt dat er sprake was van een voorrangssituatie. Artikel 49, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 luidt: “Bestuurders moeten voetgangers (…) die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.” • Door de politie zijn, afgezien van het slachtoffer en haar vader, vier neutrale getuigen gehoord. Twee van hen ( [getuige 1] en [getuige 2] ) bevonden zich ten tijde van het ongeval als bestuurder van een motorvoertuig op de [weg] . Voor de verdachte vormden zij tegemoetkomend verkeer. Beide getuigen hebben verklaard dat zij stopten voor het zebrapad omdat zij vanuit hun positie op de weg het slachtoffer hebben waargenomen en haar hebben zien oversteken. Het hierboven geciteerde arrest van de Hoge Raad biedt, in de gecursiveerde passages, twee aanknopingspunten voor het rechterlijk oordeel dat er geen sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6. In beide gevallen is dat oordeel overigens niet gegarandeerd. In het eerste geval gaat het om een bestuurder die stelt: “Ik bevond mij in een voorrangssituatie. Ik heb daadwerkelijk gekeken of ik een voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer zag, maar ik heb die (toch) niet waargenomen.” Als dit aannemelijk is, dan ligt afwezigheid van schuld in de zin van artikel 6 voor de hand, en zijn er bijkomende (bijzondere) omstandigheden nodig om tot het tegengestelde oordeel te komen, te weten dat deze bestuurder niettemin, in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen (de criteriumfiguur), aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond.
Volledig
In het tweede geval stelt de bestuurder: “Mijn verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval, vindt zijn aanleiding in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid.” Als dit aannemelijk is, dan kan dit onder omstandigheden bijdragen aan het oordeel dat er geen sprake is geweest van schuld als bedoeld in artikel 6. Er is echter geen algemene regel dat die schuld nooit bewezen kan worden als aannemelijk is dat laatstbedoelde stelling juist is. Het hof stelt vast dat de verdediging in elk geval niet de eerste van de twee zojuist besproken stellingen heeft ingenomen. De verdachte heeft niet gezegd dat hij zich van de voorrangssituatie bewust is geweest en heeft gekeken of er iemand overstak. De verdachte heeft juist gezegd dat hij zich van de voorrangssituatie in het geheel niet bewust is geweest. De tweede stelling is wel door de verdediging betrokken. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld “dat het in de onderhavige zaak slechts gaat om een enkel moment van onoplettendheid, wat onvoldoende is om te komen tot schuld in de zin van art. 6 WVW.” Nog daargelaten dat de door de raadsvrouw vermelde algemene regel (“wat onvoldoende is”) geen steun vindt in hetgeen hierboven op dit punt is geciteerd (“kan (…) niet als algemene regel worden afgeleid”), is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. Voor zover er al een enkel moment van onoplettendheid is geweest (bijvoorbeeld vlak voor de botsing), neemt die omstandigheid niet weg dat de verdachte heeft verklaard dat de voetgangersoversteekplaats als zodanig hem volledig is ontgaan. Vanaf de bocht met de [laan] heeft de verdachte de tijd gehad om de aanwezigheid van de voetgangersoversteekplaats te registreren. Zou hij dat hebben gedaan, dan zou hij zich hebben kunnen concentreren op de betekenis daarvan en zou een moment van onoplettendheid vermoedelijk achterwege zijn gebleven, omdat hij dan zou hebben gekeken of de aanwezigheid van een voetgangersoversteekplaats in dit geval ook neerkwam op de aanwezigheid van een overstekende voetganger. De gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval speelt zich dus niet af in één (zeer) kort moment, maar wordt gevormd door het totaal van zijn rijgedrag vanaf de bocht met de [laan] tot de plaats van het ongeval. Naar het oordeel van het hof is dit rijgedrag gekenmerkt geweest door een voortdurende en daarmee aanmerkelijke onoplettendheid, die uiteindelijk erin resulteerde dat de verdachte niet alleen het slachtoffer niet heeft opgemerkt, maar zelfs niet de voetgangersoversteekplaats als zodanig, dat wil zeggen: de voetgangersoversteekplaats als bijzondere onderbreking van de rijbaan. Dat de verdachte niet wist dat zich daar op de [weg] die voetgangersoversteekplaats bevond, disculpeert hem niet. Had hij het wel geweten, dan had van hem mogen worden verwacht dat hij zijn verkeersgedrag aan die kennis zou hebben aangepast. Maar nu hij het (kennelijk) niet wist gold voor hem dat alertheid en oplettendheid geboden waren: juist voor bestuurders die geen (actuele) kennis van de situatie ter plaatse hebben, zijn opvallende waarschuwingen zoals borden en wegdekmarkeringen bedoeld. Tegenover zijn aanmerkelijke onoplettendheid als meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval heeft de verdachte verder niets gesteld. Wel heeft hij erop gewezen dat, nadat hij was weggereden van de carwash, ongeveer in de meergenoemde bocht, er nog een guts water van het dak op de voorruit terechtkwam en dat dit noodzakelijk maakte dat hij toen de ruitenwissers bediende. Naar het oordeel van het hof heeft een dergelijke gebeurtenis, die allicht een kortstondige afleiding met zich bracht, niet hoeven te betekenen dat er direct nadien geen sprake meer zou kunnen zijn van een normale oplettendheid. (Waarbij het hof daarlaat hoe waarschijnlijk het is dat dit water niet al eerder tijdens de rit in beweging was gekomen.) Daarnaast heeft de raadsvrouw in haar pleidooi geopperd dat de verdachte “mogelijk verblind [was] door de zon”. Dit is echter niet aannemelijk geworden, te minder nu de verdachte zelf, bij de politie, op de vraag of hij verblind werd door de zon ontkennend heeft geantwoord. Het bovenstaande betekent dat het hof tot de slotsom komt dat het rijgedrag van de verdachte aanmerkelijk onoplettend en (daarmee) aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest en dat aldus bij hem sprake is geweest van schuld zoals bedoeld in artikel 6, nu hij is tekortgeschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (zoals, in casu, [getuigen 1 en 2] ). Aan die schuld is het ontstaan van het ongeval te wijten. Buiten discussie staat dat het door het slachtoffer opgelopen letsel door het ongeval is veroorzaakt. Met betrekking tot feit 1 primair. Was sprake van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan? Uit de FARR-verklaring van 12 december 2024 over het slachtoffer volgt dat bij [het slachtoffer] een breuk van het neusbot met verplaatsing is waargenomen, waarvoor zij 5 dagen na het ongeluk, op 16 augustus 2024, operatief behandeld moest worden, waarbij een repositionering van de neus heeft plaatsgevonden. De geschatte genezingsduur bedroeg 4-6 weken. Bij haar aangifte gaf [het slachtoffer] aan dat zij nog steeds hoofdpijn had, flitsen zag en duizelig was. Ze was ook vaak moe. Haar vader merkte daarbij toen op dat zij voor het ongeluk altijd een spring-in-’t-veld was die danste op Tiktok, terwijl ze na het ongeluk vooral sliep en erg vermoeid was. Ze mocht ook een jaar lang geen individuele sporten meer beoefenen, terwijl zij daarvoor op kickboksen zat, en ze moest een speciaal masker dragen om haar gezicht te beschermen tijdens het slapen, gedurende 3 tot 6 weken. Ook aan de gym op school mocht ze pas weer meedoen, zodra dat masker beschikbaar was. Uit de verklaring van haar vader, afgelegd op 16 januari 2025 en daarmee 5 maanden na het ongeluk, blijkt dat [het slachtoffer] 5 maanden na het ongeluk nog altijd erg vermoeid was, na schooltijd vaak ging slapen, waarbij ze soms tot 19:00 uur ’s avonds op de bank lag te slapen en nog minimaal twee keer per week hoofdpijn had, terwijl zij ook psychische klachten had die op school tot veel frustraties bij haar leidde. De littekens in haar wenkbrauw en op haar linker been zijn blijvende littekens. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [het slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Met betrekking tot feit 2. Moest de verdachte weten of redelijkerwijs vermoeden dat hij betrokken was geweest bij een ongeval waarbij aan een ander letsel was toegebracht? De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Mede gelet op de tekst van de tenlastelegging betekent dit dat voor een bewezenverklaring een bevestigende beantwoording nodig is van de zojuist in het cursieve kopje gestelde vraag. In dat verband overweegt het hof als volgt. Bij de politie heeft [getuige 3] onder meer het volgende verklaard: “Ik hoorde de auto met piepende banden remmen en op dat moment kijk ik naar links, naar het zebrapad en ik zie de auto het meisje scheppen. Het meisje slaat met haar hoofd op de voorruit, ze maakt daarna een salto over de auto heen en komt op de rechter voorstijl bij het raam terecht, waardoor de spiegelkap van de rechterspiegel van de auto, de passagierszijde eraf klapt. Het meisje belandde daarna in de berm naast het zebrapad. Op dat moment ben ik de vrachtwagen uitgekomen en ik keek naar de man die het meisje aangereden had. Die is tot stilstand gekomen en binnen 2 seconden geeft hij gas en rijdt hij weg. De man is niet eens uitgestapt.” De verklaring van [getuige 1] houdt onder meer het volgende in: “Ik zag dat het meisje over de motorkap en voor de voorruit langs vloog.
Volledig
In het tweede geval stelt de bestuurder: “Mijn verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval, vindt zijn aanleiding in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid.” Als dit aannemelijk is, dan kan dit onder omstandigheden bijdragen aan het oordeel dat er geen sprake is geweest van schuld als bedoeld in artikel 6. Er is echter geen algemene regel dat die schuld nooit bewezen kan worden als aannemelijk is dat laatstbedoelde stelling juist is. Het hof stelt vast dat de verdediging in elk geval niet de eerste van de twee zojuist besproken stellingen heeft ingenomen. De verdachte heeft niet gezegd dat hij zich van de voorrangssituatie bewust is geweest en heeft gekeken of er iemand overstak. De verdachte heeft juist gezegd dat hij zich van de voorrangssituatie in het geheel niet bewust is geweest. De tweede stelling is wel door de verdediging betrokken. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld “dat het in de onderhavige zaak slechts gaat om een enkel moment van onoplettendheid, wat onvoldoende is om te komen tot schuld in de zin van art. 6 WVW.” Nog daargelaten dat de door de raadsvrouw vermelde algemene regel (“wat onvoldoende is”) geen steun vindt in hetgeen hierboven op dit punt is geciteerd (“kan (…) niet als algemene regel worden afgeleid”), is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. Voor zover er al een enkel moment van onoplettendheid is geweest (bijvoorbeeld vlak voor de botsing), neemt die omstandigheid niet weg dat de verdachte heeft verklaard dat de voetgangersoversteekplaats als zodanig hem volledig is ontgaan. Vanaf de bocht met de [laan] heeft de verdachte de tijd gehad om de aanwezigheid van de voetgangersoversteekplaats te registreren. Zou hij dat hebben gedaan, dan zou hij zich hebben kunnen concentreren op de betekenis daarvan en zou een moment van onoplettendheid vermoedelijk achterwege zijn gebleven, omdat hij dan zou hebben gekeken of de aanwezigheid van een voetgangersoversteekplaats in dit geval ook neerkwam op de aanwezigheid van een overstekende voetganger. De gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval speelt zich dus niet af in één (zeer) kort moment, maar wordt gevormd door het totaal van zijn rijgedrag vanaf de bocht met de [laan] tot de plaats van het ongeval. Naar het oordeel van het hof is dit rijgedrag gekenmerkt geweest door een voortdurende en daarmee aanmerkelijke onoplettendheid, die uiteindelijk erin resulteerde dat de verdachte niet alleen het slachtoffer niet heeft opgemerkt, maar zelfs niet de voetgangersoversteekplaats als zodanig, dat wil zeggen: de voetgangersoversteekplaats als bijzondere onderbreking van de rijbaan. Dat de verdachte niet wist dat zich daar op de [weg] die voetgangersoversteekplaats bevond, disculpeert hem niet. Had hij het wel geweten, dan had van hem mogen worden verwacht dat hij zijn verkeersgedrag aan die kennis zou hebben aangepast. Maar nu hij het (kennelijk) niet wist gold voor hem dat alertheid en oplettendheid geboden waren: juist voor bestuurders die geen (actuele) kennis van de situatie ter plaatse hebben, zijn opvallende waarschuwingen zoals borden en wegdekmarkeringen bedoeld. Tegenover zijn aanmerkelijke onoplettendheid als meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval heeft de verdachte verder niets gesteld. Wel heeft hij erop gewezen dat, nadat hij was weggereden van de carwash, ongeveer in de meergenoemde bocht, er nog een guts water van het dak op de voorruit terechtkwam en dat dit noodzakelijk maakte dat hij toen de ruitenwissers bediende. Naar het oordeel van het hof heeft een dergelijke gebeurtenis, die allicht een kortstondige afleiding met zich bracht, niet hoeven te betekenen dat er direct nadien geen sprake meer zou kunnen zijn van een normale oplettendheid. (Waarbij het hof daarlaat hoe waarschijnlijk het is dat dit water niet al eerder tijdens de rit in beweging was gekomen.) Daarnaast heeft de raadsvrouw in haar pleidooi geopperd dat de verdachte “mogelijk verblind [was] door de zon”. Dit is echter niet aannemelijk geworden, te minder nu de verdachte zelf, bij de politie, op de vraag of hij verblind werd door de zon ontkennend heeft geantwoord. Het bovenstaande betekent dat het hof tot de slotsom komt dat het rijgedrag van de verdachte aanmerkelijk onoplettend en (daarmee) aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest en dat aldus bij hem sprake is geweest van schuld zoals bedoeld in artikel 6, nu hij is tekortgeschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (zoals, in casu, [getuigen 1 en 2] ). Aan die schuld is het ontstaan van het ongeval te wijten. Buiten discussie staat dat het door het slachtoffer opgelopen letsel door het ongeval is veroorzaakt. Met betrekking tot feit 1 primair. Was sprake van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan? Uit de FARR-verklaring van 12 december 2024 over het slachtoffer volgt dat bij [het slachtoffer] een breuk van het neusbot met verplaatsing is waargenomen, waarvoor zij 5 dagen na het ongeluk, op 16 augustus 2024, operatief behandeld moest worden, waarbij een repositionering van de neus heeft plaatsgevonden. De geschatte genezingsduur bedroeg 4-6 weken. Bij haar aangifte gaf [het slachtoffer] aan dat zij nog steeds hoofdpijn had, flitsen zag en duizelig was. Ze was ook vaak moe. Haar vader merkte daarbij toen op dat zij voor het ongeluk altijd een spring-in-’t-veld was die danste op Tiktok, terwijl ze na het ongeluk vooral sliep en erg vermoeid was. Ze mocht ook een jaar lang geen individuele sporten meer beoefenen, terwijl zij daarvoor op kickboksen zat, en ze moest een speciaal masker dragen om haar gezicht te beschermen tijdens het slapen, gedurende 3 tot 6 weken. Ook aan de gym op school mocht ze pas weer meedoen, zodra dat masker beschikbaar was. Uit de verklaring van haar vader, afgelegd op 16 januari 2025 en daarmee 5 maanden na het ongeluk, blijkt dat [het slachtoffer] 5 maanden na het ongeluk nog altijd erg vermoeid was, na schooltijd vaak ging slapen, waarbij ze soms tot 19:00 uur ’s avonds op de bank lag te slapen en nog minimaal twee keer per week hoofdpijn had, terwijl zij ook psychische klachten had die op school tot veel frustraties bij haar leidde. De littekens in haar wenkbrauw en op haar linker been zijn blijvende littekens. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [het slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Met betrekking tot feit 2. Moest de verdachte weten of redelijkerwijs vermoeden dat hij betrokken was geweest bij een ongeval waarbij aan een ander letsel was toegebracht? De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Mede gelet op de tekst van de tenlastelegging betekent dit dat voor een bewezenverklaring een bevestigende beantwoording nodig is van de zojuist in het cursieve kopje gestelde vraag. In dat verband overweegt het hof als volgt. Bij de politie heeft [getuige 3] onder meer het volgende verklaard: “Ik hoorde de auto met piepende banden remmen en op dat moment kijk ik naar links, naar het zebrapad en ik zie de auto het meisje scheppen. Het meisje slaat met haar hoofd op de voorruit, ze maakt daarna een salto over de auto heen en komt op de rechter voorstijl bij het raam terecht, waardoor de spiegelkap van de rechterspiegel van de auto, de passagierszijde eraf klapt. Het meisje belandde daarna in de berm naast het zebrapad. Op dat moment ben ik de vrachtwagen uitgekomen en ik keek naar de man die het meisje aangereden had. Die is tot stilstand gekomen en binnen 2 seconden geeft hij gas en rijdt hij weg. De man is niet eens uitgestapt.” De verklaring van [getuige 1] houdt onder meer het volgende in: “Ik zag dat het meisje over de motorkap en voor de voorruit langs vloog.
Volledig
Waarna ze aan de bijrijderszijde naast de auto op de grond terecht kwam.” [getuige 4] heeft onder meer verklaard: "Ik werk bij [bedrijf] op de [weg] in Maassluis. Vandaag was ik aan het werk. Ik hoorde een harde klap. Ik ben naar buiten gerend en ik zag dat er iets verderop een aanrijding was gebeurd tussen een meisje en een [auto] . Het was een [automerk] . De auto stond stil. Ik hoorde dat de auto weg wilde rijden maar dit lukte niet in een keer. Vrij snel lukte het wel. De auto kwam mijn kant opgereden.” Uit de verklaring van [getuige 4] volgt dat de botsing van de auto van de verdachte met het slachtoffer een zodanig harde klap opleverde dat deze voor hem, de getuige, te horen was, terwijl hij zich niet (als verkeersdeelnemer) op of aan de weg bevond. Verder valt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 3] (“hoofd op de voorruit”) en [getuige 1] (“voor de voorruit langs”) af te leiden dat het slachtoffer zich door het ongeval op enig moment in het gezichtsveld van de verdachte heeft bevonden. Gelet op de combinatie van een hard geluid – de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep (uiteindelijk) ook zelf het woord ‘klap’ gebezigd – met het feit dat het slachtoffer, toen het ongeval zich voltrok, voor de verdachte zichtbaar is geweest, oordeelt het hof dat de verdachte ten minste redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat er sprake was van een botsing met een persoon. Nu naar algemene ervaringsregels te verwachten valt dat in zo’n geval degene die door een auto wordt aangereden letsel oploopt, betekent dit ook dat, naar het oordeel van het hof, de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij betrokken was geweest bij een ongeval waarbij aan een ander letsel was toegebracht. De verdachte heeft hier slechts tegenovergesteld dat hij op geen enkel moment heeft gedacht in botsing te zijn gekomen met een persoon. Dit standpunt wordt door het hof als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een tweetal strafbare feiten. Op 11 augustus 2024 heeft de verdachte, als bestuurder van een personenauto, op de [weg] in Maassluis een aanrijding veroorzaakt, waarbij het slachtoffer, een toen [minderjarig] meisje, letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer maakte tijdens de aanrijding als voetganger gebruik van een voetgangersoversteekplaats. De verdachte heeft ten onrechte geen voorrang verleend aan het slachtoffer op het moment dat zij overstak. Na de aanrijding heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten en zich geen enkel moment om het slachtoffer met letsel bekommerd. Als gevolg van de aanrijding heeft het slachtoffer een breuk in haar neusbot met verplaatsing opgelopen, blijkens een medisch rapportage, waaraan zij is geopereerd, terwijl zij ook langere tijd in haar functioneren beperkt is geweest, doordat zij als gevolg van de aanrijding zeer vermoeid was en hoofdpijn had. De verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, alsmede van het ontbreken van enig besef van de lichamelijke integriteit en de verkeersveiligheid. Voorts heeft de verdachte getracht zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen te ontlopen, door de plaats van het ongeval te verlaten. Dit rekent het hof de verdachte aan. De belangen van de verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs dienen te wijken voor het belang van de (handhaving van de) verkeersveiligheid. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vader van het slachtoffer uiteengezet wat de gevolgen waren voor zijn dochter na de aanrijding. Voorts heeft hij namens haar een slachtofferverklaring voorgelezen. Hieruit volgt dat het slachtoffer twee littekens, te weten een litteken in haar gezicht en een litteken op haar been, heeft overgehouden aan de aanrijding. Daarnaast heeft het slachtoffer tot op heden last van hoofdpijn en pijn aan haar knie. Het slachtoffer heeft, volgens de verklaring van haar vader, EMDR-therapie en de behandeling bij de psycholoog afgerond. Echter, zij ervaart tot op heden boze gevoelens richting de verdachte, zij heeft nog altijd nachtmerries en zij loopt met veel wrok rond. Het hof heeft in strafverzwarende zin acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet waarbij een ander is komen te overlijden. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging, zoals de raadsvrouw heeft bepleit, doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de recidive van de verdachte. Vordering tenuitvoerlegging Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2023 onder parketnummer 96-321832-20 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf af te wijzen nu deze straf niet meer opportuun zou zijn, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd – overigens eveneens voor een verkeersfeit bepaald – nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf leent zich derhalve voor toewijzing. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden .
Volledig
Waarna ze aan de bijrijderszijde naast de auto op de grond terecht kwam.” [getuige 4] heeft onder meer verklaard: "Ik werk bij [bedrijf] op de [weg] in Maassluis. Vandaag was ik aan het werk. Ik hoorde een harde klap. Ik ben naar buiten gerend en ik zag dat er iets verderop een aanrijding was gebeurd tussen een meisje en een [auto] . Het was een [automerk] . De auto stond stil. Ik hoorde dat de auto weg wilde rijden maar dit lukte niet in een keer. Vrij snel lukte het wel. De auto kwam mijn kant opgereden.” Uit de verklaring van [getuige 4] volgt dat de botsing van de auto van de verdachte met het slachtoffer een zodanig harde klap opleverde dat deze voor hem, de getuige, te horen was, terwijl hij zich niet (als verkeersdeelnemer) op of aan de weg bevond. Verder valt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 3] (“hoofd op de voorruit”) en [getuige 1] (“voor de voorruit langs”) af te leiden dat het slachtoffer zich door het ongeval op enig moment in het gezichtsveld van de verdachte heeft bevonden. Gelet op de combinatie van een hard geluid – de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep (uiteindelijk) ook zelf het woord ‘klap’ gebezigd – met het feit dat het slachtoffer, toen het ongeval zich voltrok, voor de verdachte zichtbaar is geweest, oordeelt het hof dat de verdachte ten minste redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat er sprake was van een botsing met een persoon. Nu naar algemene ervaringsregels te verwachten valt dat in zo’n geval degene die door een auto wordt aangereden letsel oploopt, betekent dit ook dat, naar het oordeel van het hof, de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij betrokken was geweest bij een ongeval waarbij aan een ander letsel was toegebracht. De verdachte heeft hier slechts tegenovergesteld dat hij op geen enkel moment heeft gedacht in botsing te zijn gekomen met een persoon. Dit standpunt wordt door het hof als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een tweetal strafbare feiten. Op 11 augustus 2024 heeft de verdachte, als bestuurder van een personenauto, op de [weg] in Maassluis een aanrijding veroorzaakt, waarbij het slachtoffer, een toen [minderjarig] meisje, letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer maakte tijdens de aanrijding als voetganger gebruik van een voetgangersoversteekplaats. De verdachte heeft ten onrechte geen voorrang verleend aan het slachtoffer op het moment dat zij overstak. Na de aanrijding heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten en zich geen enkel moment om het slachtoffer met letsel bekommerd. Als gevolg van de aanrijding heeft het slachtoffer een breuk in haar neusbot met verplaatsing opgelopen, blijkens een medisch rapportage, waaraan zij is geopereerd, terwijl zij ook langere tijd in haar functioneren beperkt is geweest, doordat zij als gevolg van de aanrijding zeer vermoeid was en hoofdpijn had. De verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, alsmede van het ontbreken van enig besef van de lichamelijke integriteit en de verkeersveiligheid. Voorts heeft de verdachte getracht zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen te ontlopen, door de plaats van het ongeval te verlaten. Dit rekent het hof de verdachte aan. De belangen van de verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs dienen te wijken voor het belang van de (handhaving van de) verkeersveiligheid. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vader van het slachtoffer uiteengezet wat de gevolgen waren voor zijn dochter na de aanrijding. Voorts heeft hij namens haar een slachtofferverklaring voorgelezen. Hieruit volgt dat het slachtoffer twee littekens, te weten een litteken in haar gezicht en een litteken op haar been, heeft overgehouden aan de aanrijding. Daarnaast heeft het slachtoffer tot op heden last van hoofdpijn en pijn aan haar knie. Het slachtoffer heeft, volgens de verklaring van haar vader, EMDR-therapie en de behandeling bij de psycholoog afgerond. Echter, zij ervaart tot op heden boze gevoelens richting de verdachte, zij heeft nog altijd nachtmerries en zij loopt met veel wrok rond. Het hof heeft in strafverzwarende zin acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet waarbij een ander is komen te overlijden. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging, zoals de raadsvrouw heeft bepleit, doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de recidive van de verdachte. Vordering tenuitvoerlegging Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2023 onder parketnummer 96-321832-20 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf af te wijzen nu deze straf niet meer opportuun zou zijn, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd – overigens eveneens voor een verkeersfeit bepaald – nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf leent zich derhalve voor toewijzing. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden .