Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:170
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.337.329/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/641230 / HA ZA 23-65 Arrest van 17 februari 2025 (bij vervroeging) in de zaak van [appellant] , woonplaats kiezend in [plaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M.J. de Jongh, kantoorhoudend in Leiden, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.A. Korver, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] . 1 De zaak in het kort 1.1 [appellant] is in 2006 strafrechtelijk veroordeeld voor een poging tot doodslag op het ruim drie maanden oude kind van partijen. In 2009 heeft [geïntimeerde] bij de burgerlijke rechter schadevergoeding gevorderd. In die procedure hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt, die zijn vastgelegd in het vonnis van 28 juli 2010 van de rechtbank Den Haag. De overeengekomen schadevergoeding betrof zowel een vergoeding voor de schade van het kind als voor die van [geïntimeerde] . Het kind is in 2015 overleden. Het afgesproken bedrag was toen nog maar gedeeltelijk door [appellant] voldaan. [appellant] is in april 2021 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In deze zaak gaat het om de vraag of de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] na afloop van de schuldsaneringsregeling nog afdwingbaar is in verband met het bepaalde in art. 358 lid 4 Faillissementswet (Fw). 1.2 Het hof heeft partijen bij tussenarrest in de gelegenheid gesteld om het hof te informeren over het verloop van de schuldsaneringsprocedure. In dit eindarrest komt het hof tot het oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] niet valt onder de aan [appellant] verleende schone lei en dus nog afdwingbaar is. 2 Het verdere procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de akte overleggen stukken en uitlaten van de zijde van [appellant] van 11 november 2025, met bijlagen; de akte uitlaten partijen van de zijde van [geïntimeerde] van 11 november 2025, met bijlagen; de antwoordakte naar aanleiding akte uitlaten van de zijde van [appellant] van 9 december 2025. 2.2 Partijen hebben na het wisselen van de hiervoor genoemde stukken wederom een uitspraak gevraagd. 3 De verdere beoordeling in hoger beroep 3.1 Uit de door partijen overgelegde stukken volgt dat bij uitspraak van 30 april 2024 van de rechtbank Zeeland-West Brabant aan [appellant] de schone lei is verleend. [geïntimeerde] is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft het hof ’sHertogenbosch deze uitspraak bekrachtigd. Dat hof oordeelde in die uitspraak, samengevat, dat met het verlenen van de schone lei aan [appellant] géén oordeel is gegeven over de vraag of de vordering van [geïntimeerde] valt onder de uitzondering van art. 358 lid 4 Fw. Met andere woorden, het verlenen van de schone lei brengt niet zonder meer mee dat [geïntimeerde] haar vordering op [appellant] niet meer kan innen. In de woorden van het hof ’sHertogenbosch: “De (onderhavige) beslissing over wel of geen schone lei, staat los van ieder oordeel van welke rechter dan ook over de vraag of de vordering van [geïntimeerde] onder de van de schone lei uitgezonderde schulden van art. 358 lid 4 Fw valt. Die vraag ligt niet ter beoordeling aan de rechter die moet beslissen over het al dan niet verlenen van de schone lei. Die vraag komt, behalve in de procedure in de door [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2023 ingestelde hoger beroep, (mogelijk) aan de orde indien [geïntimeerde] na afloop van de schuldsanering wenst door te gaan met executie van het eerder gewezen civiele vonnis waarin [appellant] is veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en [appellant] zich vervolgens beroept op de schone lei en een executiegeschil ontstaat (…)” 3.2 [appellant] heeft, oo In het hiernavolgende gaat het hof uit van het artikel zoals dat gold ten tijde van de toelating van [appellant] in 2021. Art. 288 Fw bevat drie voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het verzoek te kunnen toewijzen. Daartoe behoort de voorwaarde dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Er zijn, naast de toelatingsvoorwaarden, ook vier afwijzingsgronden. Eén daarvan bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen als de schuldenaar schulden heeft die voortvloeien uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling ter zake van een of meer misdrijven in de periode van vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoek. De rechter die oordeelt over het verzoek tot toelating zal toetsen of aan de drie toelatingsvoorwaarden is voldaan en of de verplichte afwijzingsgronden afwezig zijn. 3.7 De vraag of (één of meer van) de schulden op de schuldenlijst na afloop van de schuldsaneringsregeling onder de schone lei vallen, maakt geen onderdeel uit van de toetsing bij toelating tot de (wettelijke) schuldsaneringsregeling. Die vraag komt, zoals ook het hof ’sHertogenbosch in zijn uitspraak van 25 juli 2024 heeft overwogen (rov. 3.8.4), (mogelijk) aan de orde indien een schuldeiser na afloop van de schuldsaneringsregeling wenst door te gaan met het innen van of de executie van een vordering. Degene die de schuldsaneringsregeling heeft doorlopen kan dan in een executiegeschil (of een procedure als de onderhavige) een beroep doen op de schone lei. 3.8 [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op een brief van de Minister van Justitie van 18 april 2002 in het kader van de evaluatie van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. In die brief wordt onder meer beschreven dat het onwenselijk is dat de schuldsanering leidt tot het oninbaar worden van strafrechtelijk gerelateerde schulden: “Dit heeft dan tot gevolg dat een in het schuldenpakket begrepen strafrechtelijke boete of schadevergoedingsmaatregel niet meer kan worden geïnd, en dat deze na een (zeer) gedeeltelijke aflossing in het wettelijk saneringstraject voor het restant wordt omgezet in een natuurlijke verbintenis, de zogenaamde schone lei. Hiermee komt de handhaving van het strafrecht en de positie van het slachtoffer in geding. Dit is met name waar de boete of schadevergoedingsmaatregel gebaseerd is op ernstige misdragingen, uit maatschappelijk oogpunt ongewenst.” 3.9 In de desbetreffende brief wordt verder besproken dat nog onderzocht zal worden of het mogelijk zal worden gemaakt om een schuldenaar slechts met een deel van zijn schuldenpakket toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De uitzondering voor strafrechtelijk gerelateerde schulden is echter terechtgekomen in art. 358 Fw, dat betrekking heeft op het ná het doorlopen van de regeling verlenen van de schone lei. Daarmee is, waar het gaat om schulden ouder dan vijf jaar, dus niet gekozen voor een toetsing ter gelegenheid van de toelating. Dit volgt uit de memorie van toelichting op art. 358 Fw, zoals dat in 2008 is gaan gelden (Kamerstukken II 2004-2005, 29942, nr. 3): “Het nieuwe vierde lid voegt een regeling toe voor het uitzonderen van de schone lei van vorderingen uit schulden die voortvloeien uit strafrechtelijke boetes. Schuldenaren met dergelijke boetes uit misdrijven die niet langer dan vijf jaar vóór indiening van het verzoekschrift zijn opgelegd, wordt de toegang tot de schuldsaneringsregeling geweigerd, aldus artikel 288, tweede lid, onder b. Is de veroordeling tot betaling van de boete of de schadevergoeding ouder dan vijf jaar, dan kan de schuldenaar wel worden toegelaten, maar blijven de daaruit voortvloeiende vorderingen bij afsluiting van de schuldsaneringsregeling buiten de schone lei. Zowel in de brief van 27 februari 2002 (TK 2001/02, 28 258, nr. 1, p. 5 en p. 17) als in de brief van 18 april 2002 (TK 2001/02, 28 258, nr. 2) is door de toenmalige Als [geïntimeerde] zich had gevoegd in het strafproces en de strafrechter haar, wegens de complexiteit van de vordering, niet-ontvankelijk had verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter, was dezelfde vordering op dezelfde grondslag bij de burgerlijke rechter aan de orde gekomen als nu het geval is geweest. Van een moeilijk af te bakenen categorie is dus geen sprake bij vorderingen als in deze zaak aan de orde. Er is ook geen goede reden te bedenken waarom de vordering van [geïntimeerde] wat de werking van de schone lei betreft anders behandeld moet worden dan wanneer zij via de strafrechter bij de burgerlijke rechter terecht was gekomen. Die reden is er te minder, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, omdat [geïntimeerde] nooit is gewezen op de mogelijkheid zich als benadeelde in het strafproces te voegen en de regeling van art. 358 lid 4 Fw ten tijde van de veroordeling van [appellant] nog niet bestond, zodat [geïntimeerde] daar ook geen rekening mee kon houden. 3.14 Grief 2 slaagt dus evenmin. Het is niet relevant dat [geïntimeerde] de vordering van het kind heeft verkregen door vererving 3.15 Zoals hiervoor is geoordeeld, valt de vordering van [geïntimeerde] niet onder de schone lei omdat deze feitelijk voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling. In de tekst van art. 358 lid 4 Fw wordt niet de voorwaarde gesteld dat de vordering wordt geïnd door het slachtoffer zelf. Ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 358 lid 4 Fw kan die voorwaarde niet worden afgeleid. De ratio van art. 358 lid 4 Fw, dat het uit maatschappelijk oogpunt ongewenst is als strafrechtelijk gerelateerde schulden onder de schone lei vallen en dat dit het draagvlak van de Wsnp kan aantasten, geldt ook als het slachtoffer van het misdrijf is overleden. Grief 3 slaagt dus ook niet. De grief van [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep 3.16 [geïntimeerde] eist in incidenteel hoger beroep dat het hof ten aanzien van de proceskosten alsnog beslist dat deze niet op enigerlei wijze ten laste komen van het ten behoeve van [geïntimeerde] in de schuldsaneringsregeling gespaarde bedrag. [geïntimeerde] voert aan dat uit het overzicht van mutaties van de boedelrekening blijkt dat het griffierecht voor het voeren van de onderhavige procedure en ook de proceskosten van de eerste aanleg, waartoe [appellant] jegens [geïntimeerde] is veroordeeld, zijn betaald uit de boedelrekening. Volgens [geïntimeerde] had het hele boedelactief aan haar moeten toekomen en hadden deze kosten daaruit niet voldaan mogen worden. 3.17 Deze grief wordt verworpen. Hoe het in de schuldsaneringsregeling gespaarde bedrag wordt verdeeld, blijkt uit de slotuitdelingslijst van de schuldsaneringsregeling (art. 356 lid 1 Fw). [geïntimeerde] kan niet langs de weg van het hoger beroep in deze procedure opkomen tegen de slotuitdelingslijst. Voor zover [geïntimeerde] bedoelt op te komen tegen door de rechter-commissaris gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling gegeven beslissingen, geldt evenzeer dat daartegen geen hoger beroep (meer) openstaat, en al helemaal niet bij wege van incidenteel hoger beroep in deze procedure. Conclusie en proceskosten 3.18 De conclusie is dat het principale hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Hetzelfde geldt voor het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] . Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank van 1 november 2023 bekrachtigen. 3.19 Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principale hoger beroep (inclusief nakosten). Het hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:griffierecht € 349,-salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.828,- 3.20 Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten van het incidentele hoger beroep (inclusief nakosten). Het hof begroot de proceskosten in het incidentele hoger beroe