Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-27
ECLI:NL:GHDHA:2026:169
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.355.418/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/661365 / HA ZA 24-155 Arrest in het incident van 27 januari 2026 in de zaak van KNSF Vastgoed II B.V. , gevestigd in Muiden, appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. N van Tamelen te Amsterdam tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninksrijksrelaties) , zetelend in Den Haag, geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. R.J. Roks te Amsterdam. Het hof noemt partijen hierna KNSF en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 KNSF vordert in dit incident jegens de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) afgifte van verschillende bescheiden met betrekking tot de verkoop door middel van een Biedboekprocedure van het monumentale complex Ensemble Veenhuizen aan het zogeheten Consortium. Het hof wijst deze vordering af. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 7 april 2025, gericht tegen Staat (als geïntimeerde sub a in de hoofdzaak) en tegen na te noemen stichting De Nieuwe Rentmeester en het Consortium (als geïntimeerden sub b tot en met e in de hoofdzaak), waarmee KNSF in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025; de incidentele vordering ex artikel 195 Rv van 12 augustus 2025, gericht tegen de Staat; de akte van de Staat van 26 augustus 2025 houdende antwoord in het incident. 3 Aanleiding voor dit incident 3.1 De aanleiding voor dit incident is de verkoop door het Rijksvastgoedbedrijf van het monumentale complex Ensemble Veenhuizen door middel van een Biedboekprocedure. KNSF en het Consortium (geïntimeerden sub c, d en e in de hoofdzaak) hebben zich aangemeld en in fase 1a van de Biedboekprocedure een opgave geschiktheid ingediend. De Beoordelingscommissie heeft na een beoordeling van de door beide gegadigden in fase 1b van de Biedboekprocedure ingediende visie aan KNSF laten weten dat zij niet is toegelaten tot de tweede fase van de Biedboekprocedure. Het Consortium is wel toegelaten tot de tweede fase. Nadat het Consortium een plan had ingediend waarin haar visie nader was uitgewerkt, heeft zij in de derde fase een onvoorwaardelijke bieding gedaan. Vervolgens heeft het Rijksvastgoedbedrijf in de vierde fase de verkoop van het Ensemble gegund aan het Consortium. De koopovereenkomst is ondertekend op 28 mei 2021, waarna op 5 juli 2021 de levering heeft plaatsgevonden. Het Consortium heeft het Ensemble vervolgens voor hetzelfde bedrag verkocht en geleverd aan De Nieuwe Rentmeester (geïntimeerde sub b in de hoofdzaak). 3.2 Het Rijksvastgoedbedrijf heeft naar aanleiding van een verzoek van KNSF van 28 april 2021 op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) (oud) op 20 december 2021 een aantal van de verzochte bescheiden, in een bestand van 615 pagina’s, openbaar gemaakt. 3.3 KNSF heeft zich bij brief van haar raadsman van 22 april 2022 op het standpunt gesteld dat de Biedboekprocedure niet eerlijk is verlopen. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft dat bij brief van haar raadsman van 2 augustus 2022 gemotiveerd weersproken. 3.4 KNSF heeft vervolgens de Staat, De Nieuwe Rentmeester en het Consortium in rechte betrokken en in de hoofdzaak gevorderd, samengevat: de verklaring voor recht dat de tussen het Rijksvastgoedbedrijf en het Consortium gesloten koopovereenkomst ten aanzien van het Ensemble (geheel) nietig is, althans vernietigbaar en deze te vernietigen, althans dat KNSF deze koopovereenkomst rechtmatig heeft vernietigd, althans alle gedaagden te veroordelen tot ongedaan making van alle koop-, verkoop-, en leveringshandelingen uit hoofde van zowel de koopovereenkomst tussen het Rijksvastgoedbedrijf en het Consortium als de koopovereenkomst tussen het Consortium en De Nieuwe Rentmeester; de verklaring voor recht dat het Rijksvastgoedbedrijf onrechtmatig heeft ge Een vordering op de voet van artikel 195 Rv kan immers in beginsel in iedere stand van het geding worden ingesteld, dus ook in een lopende procedure in hoger beroep indien eiseres in het incident een identieke vordering als in eerste aanleg heeft ingesteld waarop in die instantie reeds is beslist. De omstandigheid dat de Staat ten gevolge hiervan de mogelijkheid wordt ontnomen een oordeel in twee (feitelijke) instanties te verkrijgen over de exhibitievordering maakt niet dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Dat de belangen van de Staat of het Consortium onredelijk zouden worden geschaad door een separate beslissing in het incident acht het hof mede gezien het hierna weergegeven oordeel niet aannemelijk. Ook overigens is naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof verwerpt de formele verweren van de Staat. 5.3 KNSF baseert haar incidentele vordering op artikel 195 Rv. Die bepaling is van toepassing, omdat de nieuwe regeling betreffende het inzagerecht geldt voor procedures die na 1 januari 2025 bij een instantie aanhangig worden gemaakt (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). Ingevolge artikel 195 lid 1 Rv in verbinding met artikel 194 lid 1 Rv kan de rechter, op verzoek van een partij bij een rechtsbetrekking die daarbij voldoende belang heeft, de wederpartij die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens. 5.4 Artikel 195 Rv voorziet, evenals 843a Rv (oud), niet in een onbeperkt recht op inzage, afschrift of uittreksel jegens degene die over de gegevens kan beschikken of deze in bezit of bewaring heeft. Voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 195 Rv moet zijn voldaan aan de volgende cumulatieve vereisten. De eiser moet (i) partij zijn bij de rechtsbetrekking waarop de verlangde gegevens betrekking hebben, (ii) de verlangde gegevens moeten voldoende bepaald zijn, en (iii) de eiser moet voldoende belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel. 5.5 Met deze vereisten, in onderlinge samenhang bezien, wordt onder meer beoogd "fishing expeditions" te voorkomen. Artikel 195 Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van gegevens waarvan de eiseres slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen. Verder kan ook indien aan de vereisten is voldaan de vordering op grond van artikel 195 lid 1 Rv in verbinding met artikel 194 lid 2 Rv worden afgewezen indien de wederpartij zich kan beroepen op een verschoningsrecht of indien gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Onder gewichtige redenen valt in ieder geval het verstrekken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Daarnaast hangt het af van de concrete omstandigheden van het geval in hoeverre een gewichtige reden van degene die over de informatie beschikt, zwaarder dient te wegen dan het belang dat degene die om de informatie verzoekt over alle informatie beschikt die van belang is voor de oplossing van het geschil . De rechter kan de vordering voorts afwijzen wegens strijd met de eisen van een goede procesorde of misbruik van procesrecht. Het criterium van strijd met de eisen van een goede procesorde heeft niet slechts betrekking op het moment waarop de vordering wordt gedaan, maar strekt zich ook uit tot de proceshouding van een partij en biedt de rechter de mogelijkheid om bijvoorbeeld herhaalde verzoeken met dezelfde inhoud af te wijzen. Het criterium van misbruik van bevoegdheid geldt tot slot als een belangrijke waarborg tegen toewijzing van “fishing expeditions” . 5.6 Bij de beoordeling of is voldaan aan de vereisten kan de rechter de aard van de verlangde gegevens en de partij tegen wie de vordering is gericht betrekken. Indien het gaat om bedrijfsgevoelige informatie die wordt gevorderd door een concurrerende onderneming of een inzagevordering die is gericht tot een derde die buiten het geschil staat, zal de rechter In dit verband behoeft thans niet onderzocht te worden of sprake is van onrechtmatig handelen jegens KNSF doordat de Staat het Consortium zou hebben bevoordeeld. 5.12 Het hof overweegt met betrekking tot de afzonderlijke gegevens waarvan KNSF afschrift vordert bovendien als volgt. (1) Koopovereenkomst en alle eventuele aanvullende afspraken 5.13 De Staat heeft met betrekking tot deze gegevens in eerste aanleg aangevoerd dat de definitieve koopovereenkomst materieel niet verschilt van de (concept)koopovereenkomst die als bijlage 4 onderdeel uitmaakte van het Biedboek en de verkoopprocedure en dat het Rijksvastgoedbedrijf daarin geen afwijkende en/of aanvullende (financiële) afspraken heeft opgenomen terwijl de koopprijs van het Ensemble kenbaar is gemaakt via de leveringsakte. KNSF heeft dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover KNSF afschrift vordert van alle eventuele andere afspraken die ten aanzien van het Ensemble, al dan niet via de Stichting, zijn gemaakt, zijn de verlangde gegevens onvoldoende bepaald. (2, 3 en 7) Opgave(n) geschiktheid en visie; bieding en plan 5.14 Ten aanzien van de opgave(n) geschiktheid, de visie, de bieding en het plan van het Consortium heeft de Staat aangevoerd dat gaat het om bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige gegevens die informatie bevatten over de inschrijving. Artikel 6.3.2 van het Biedboek bepaalt in dit verband dat het belanghebbenden niet is toegestaan informatie uit hun aanmelding, de daarmee verband houdende documenten, eventueel ingediende plannen noch de uiteindelijke bieding bekend te maken aan derden. KNSF heeft onvoldoende weersproken dat de opgave(n) geschiktheid en de visie van het Consortium bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige bevatten. Hetzelfde geldt voor de bieding en het plan van het Consortium. De door de Staat aangevoerde gewichtige reden dient zwaarder te wegen dan het belang van KNSF om over deze gegevens te beschikken. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat het gaat om gegevens van het Consortium, dat als zodanig geen partij is in dit incident in hoger beroep. Gelet op dit alles staan gewichtige redenen in de weg aan toewijzing van de incidentele vordering met betrekking tot deze gegevens (art. 195 lid 1 Rv jo. artikel 194 lid 2 Rv). (4) Communicatie Rijksvastgoedbedrijf, notaris en Consortium 5.15 Naar het oordeel van het hof zijn de door KNSF verlangde gegevens – alle communicatie tussen het Rijksvastgoedbedrijf, de notaris en het Consortium – te ruim omschreven en daarmee onvoldoende bepaald. KNSF heeft ook niet, althans niet voldoende, onderbouwd welke informatie uit deze gegevens kan worden verkregen en waarom die informatie van belang is. Voorts heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat het Rijksvastgoedbedrijf KNSF naar aanleiding van haar Wob-verzoek in de gelegenheid heeft gesteld alle correspondentie uit de openbare inschrijving geprint en ongelakt in te zien, waarna de correspondentie uiteindelijk (gelakt) openbaar is gemaakt. KNSF heeft in dit verband niet voldoende onderbouwd dat en zo ja, welke relevante gegevens nog ontbreken. In zoverre ontbeert KNSF ook voldoende belang bij haar incidentele vordering. (5 en 6) Taxatie(s) 5.16 KNSF vordert tot slot afschrift van de taxatie van het Ensemble die voorafgaand aan het biedingsproces is verricht, alsmede van de taxatie van het Ensemble in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf. In haar incidentele conclusie verwijst zij voor de beide taxaties naar de erkenning van het Rijksvastgoedbedrijf tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat die taxatie bestaat. De Staat heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangevoerd dat er voorafgaand aan de biedingsprocedure een taxatie is geweest, dat dit een boekhoudkundige exercitie was waarbij is gekeken naar de waarde van de individuele objecten bij individuele verkoop, die bij elkaar opgesteld kwam op een bedrag van € 13 miljoen, hetgeen een ander uitgangspunt is dan de verkoop van de objecten