Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-10
ECLI:NL:GHDHA:2026:160
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.341.960/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 10483410 CV EXPL 23-12209 Arrest van 10 februari 2026 in de zaak van [naam] Vastgoed B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats], appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. L.P. Quist, kantoorhoudend in Dordrecht, tegen NR Cooling Services B.V. , gevestigd in Krimpen aan den IJssel en kantoorhoudend in Ridderkerk, geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A.C. de Kanter, kantoorhoudend in Amersfoort. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en NR Cooling. 1 De zaak in het kort 1.1 NR Cooling heeft een bedrijfsruimte van [appellante] gehuurd. Voorafgaand aan de aanvangsdatum van de huurovereenkomst heeft zij de bedrijfsruimte gerenoveerd. Over de renovatie en de kosten daarvan hebben partijen afspraken gemaakt. Het gaat in deze zaak om de vraag hoe die afspraken moeten worden uitgelegd. Ook gaat het om herstel van de gebreken aan de riolering en de vraag wie de kosten van het uitgevoerd onderzoek aan het riool en het ontstoppen van het riool moet betalen. 1.2 De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld om een bedrag van € 94.840,96 aan NR Cooling te betalen en een bedrag van € 1.443,53 voor kosten rioolonderzoek. Verder heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld de gebreken aan de riolering te herstellen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. Wel komt het hof tot een andere ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. Ook vindt het hof dat [appellante] de kosten van het ontstoppen van het riool moet betalen. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 29 april 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024; de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen; het arrest van dit hof van 16 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden); de memorie van antwoord in principaal appel en memorie van grieven in incidenteel appel (tevens wijziging van eis) van NR Cooling, met bijlagen; de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellante]. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 [appellante] is eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het pand). Het pand is begin 2021 ter verhuur aangeboden door Van Vliet Bedrijfsmakelaars B.V. Als verhurend makelaar is [makelaar] (hierna: [makelaar] of de makelaar) opgetreden. In de verhuurbrochure is aanvankelijk een huurprijs van € 6.000,- opgenomen. 3.2 NR Cooling heeft belangstelling getoond voor (de huur van) het pand. NR Cooling heeft na bezichtiging van het pand kenbaar gemaakt dat het pand eerst gerenoveerd moest worden. 3.3 In dat verband heeft [makelaar] op 20 juni 2021 een e-mail gestuurd aan [bestuurder NR] (indirect bestuurder van NR Cooling, hierna: [bestuurder NR]) met de volgende inhoud: “Ik heb nog diverse malen overleg gehad met de eigenaar van het pand aan de [adres]. (….) Als we kijken naar verhuur is eigenaar bereid aanzienlijk mee te investeren in het up-to-date maken van het pand. Van het totaal te investeren bedrag, met een bovencap van € 400.000,- exclusief BTW, is eigenaar bereid om voor 50% mee te investeren en dit terug te laten komen in de huurprijs. Eigenaar is dus bereid om € 200.000,- te investeren in het pand, e.e.a. op basis van de door jullie overlegde / te overleggen investeringsbegroting. Uitgaande van deze investering (…) mag ik het pand aanbieden voor een huurprijs van € 7.750,- per maand exclusief servicekosten exclusief BTW. De voorkeur van verhuurder is dan wel een huurtermijn van 7 jaar. (…)” 3.4 NR Cooling heeft op 29 juni 2021 een investeringsbegroting gemaakt ter zake van de werkzaamheden aan het pand. Deze investeringsbegroting is als bijlage bij de door beide partijen ondertekende huurovereenkomst gevoegd. De begroting sluit op ee Ik ben zo vrij geweest een document te maken waarin benoemd word wat wij gaan doen, waarbij heel simpel door ja of nee te zeggen akkoord (of niet) kan worden gegeven op de aanpassingen. I.v.m. voortgang demontage werken zouden wij graag voor het weekend horen of wij verder kunnen gaan, of dat een bezoek met de eigenaars vertegenwoordiger morgen een optie is. (…)” 3.10 Op 9 juli 2021 heeft [makelaar] aan [medewerker NR] gemaild: “Uiteraard kan worden aangevangen met de eerste werkzaamheden aan de [adres]. De tekenlijst heb ik in goede orde ontvangen en doorgezet naar verhuurder. Ik kom hier zsm op terug.” 3.11 Op 15 juli 2021 heeft [makelaar] aan [medewerker NR] geschreven: “Zoals besproken onderstaand de contactgegevens van de beheerder van de [adres]. Met hem kunnen de bouwtechnische zaken worden besproken en in eerste instantie ook de financiële afwikkeling van de verbouwing.” 3.12 NR Cooling heeft op dezelfde dag de beheerder [beheerder] (hierna: [beheerder] of de beheerder) uitgenodigd om aanwezig te zijn bij een overleg op 21 juli 2021 met leveranciers over een aantal werkzaamheden in het pand. De beheerder heeft aangegeven dat hij niet aanwezig kan zijn. 3.13 [medewerker NR] heeft op 25 augustus 2021 aan [beheerder] het ontwerp van het kantoor toegestuurd. In reactie daarop mailt [beheerder]: “Ziet er goed uit!” 3.14 Bij e-mail van 3 september 2021 bericht [beheerder] aan [medewerker NR]: “Na onze afspraak heb ik e.e.a. met de eigenaar besproken. (…) Daktoegang In principe is de eigenaar hiermee akkoord om dit aan te laten brengen. Ter vergelijk zal ik ook een offerte laten opmaken. Na ontvangst van de raming van jouw aannemer zal ik beide voorstellen voorleggen ter goedkeuring aan de eigenaar. (…)” 3.15 Na afrondin g van de werkzaamheden heeft NR Cooling het gehuurde op 4 oktober 2021 in gebruik genomen. 3.16 Bij e-mail van 5 oktober 2021 heeft NR Cooling aan de beheerder gemeld dat er problemen waren met de riolering en dat er een professioneel ontstoppersbedrijf is ingeschakeld om alles te ontstoppen. Ook is in de e-mail vermeld dat de oorzaak was “zwaar aangekoekte riool afvoeren, door lange stilstand waardoor alles opdroogt en aankoekt aan de wanden”. In de bijlage is een factuur meegestuurd van € 1.570,90 (exclusief btw). Verder is melding gemaakt van een verstopping van een regenafvoerput op het achterterrein. 3.17 Op 20 oktober 2021 heeft NR Cooling een factuur voor een bedrag van € 200.000,- exclusief BTW aan [appellante] verzonden voor de kosten van de renovatie. 3.18 Bij e-mail van 10 november 2021 heeft NR Cooling de facturen van de verbouwing aan [appellante] gestuurd. Op 15 november 2021 heeft [appellante] geschreven dat zij een voorschotbetaling zal doen van 50% van de factuur, dat zij nog niet akkoord is met de specifieke factuur en dat een inhoudelijke beoordeling daarvan pas kan plaatsvinden na het overleg van volgende week. 3.19 Op 2 december 2021 heeft NR Cooling aan [appellante] een excel bestand met factuurnummers en link naar de facturen gestuurd. 3.20 Bij e-mail van 19 januari 2022 heeft [appellante] nog een aantal opmerkingen gemaakt over de juistheid van de rapportage. In mei 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen NR Cooling en [appellante] over de facturen. 3.21 In een e-mail van 1 juni 2022 heeft [makelaar] onder meer het volgende verklaard: “(…) Vanuit mij is er zowel telefonisch als per mail diverse keren contact geweest met verhuurder inzake de verbouwing. Op 2 juni , in de onderhandelingsfase, heb ik een mail verzonden naar verhuurder met een overzicht van de werkzaamheden die jullie voornemens waren om te doen in het pand. Op 11 juni heb ik het door jullie opgestelde overzicht (bijgesloten excel bestand) aan verhuurder toegezonden. Dit is de basis geweest voor de uiteindelijke investeringsbegroting die als bijlage is bijgesloten bij de huurovereenkomst. Ik kan niet precies herleiden hoe verhuurder hier akkoord op heeft gegeven en wanneer. Maar feit is dat dit document is bijgesl 5.2 Kort gezegd zien de bezwaren van [appellante] op de uitleg door de kantonrechter van de afspraken in artikel 23 van de huurovereenkomst (grieven 1 t/m 5), de omvang van de kosten van de renovatiewerkzaamheden (grief 6 en 7), het oordeel dat [appellante] moet zorgdragen voor herstel van de riolering en de draaikolken en dat [appellante] de kosten van het rioolonderzoek moet betalen (grief 8), het oordeel dat [appellante] geen belang heeft bij afgifte van de gevorderde bescheiden (grief 9) en de veroordeling van [appellante] in de proceskosten (grief 10). 5.3 NR Cooling eist in incidenteel hoger beroep dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 100.000,- (in plaats van het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 94.840,96) met de wettelijke handelsrente vanaf 3 november 2021 (dan wel vanaf 2 december 2021, dan wel vanaf 22 mei 2022, dan wel vanaf 24 november 2022) tot de dag dat volledig is betaald, na eiswijziging tot betaling van de kosten van het ontstoppen van de riolering (€ 1.570,-), tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, tot het realiseren van een daktoetreding, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van beide instanties. 5.4 De bezwaren van NR Cooling zien op de afwijzing van de kosten van het ontstoppen van het riool (grief 1), de overweging dat administratiekosten niet in de berekening van de renovatiekosten mogen worden opgenomen (grieven 2 en 3), de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente (grief 4), de overweging dat [appellante] niet hoeft te zorgen voor daktoetreding (grief 5) en de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten (grief 6). 6 Beoordeling in hoger beroep Uitleg artikel 23 huurovereenkomst 6.1 [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de woorden ‘in goed overleg’ in artikel 23 moet worden afgeleid dat partijen de intentie hadden dat over de concrete invulling van de afspraken nog overleg zou worden gevoerd. Met artikel 23 wordt volgens [appellante] niet geregeld welke werkzaamheden worden uitgevoerd en wanneer, welke leveranciers de werkzaamheden zullen uitvoeren, wat de onderlinge verdeling van taken tussen partijen zal zijn etc. De verbintenissen die voortvloeien uit artikel 23 zijn dan ook onvoldoende bepaalbaar. Bovendien volgt uit artikel 12.3 van de algemene bepalingen dat NR Cooling schriftelijke toestemming nodig heeft voor veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde. Artikel 23 is niet een bijzondere bepaling die de algemene bepaling van artikel 12 lid 3 opzij heeft gezet. Bovendien is die bepaling nog eens herhaald in artikel 14 van de huurovereenkomst, waarin staat dat altijd schriftelijke toestemming nodig is. Dat betekent dus dat NR Cooling én toestemming nodig had van [appellante] voor het laten uitvoeren van concrete werkzaamheden én in goed overleg met [appellante] concrete opdrachten zou geven voor de uitvoering van de werkzaamheden. Anderen waren niet bevoegd om [appellante] in dezen te vertegenwoordigen. De investeringsbegroting was niet leidend voor de werkzaamheden die daadwerkelijk zouden worden uitgevoerd maar slechts bedoeld om bij benadering inzichtelijk te krijgen wat de beoogde renovatie zou gaan kosten. De investeringsbegroting kan niet worden beschouwd als schriftelijke toestemming. Uit de e-mail van 8 juli 2021 volgt dat ook NR Cooling er zonder meer vanuit ging dat zij toestemming nodig van [appellante]. Omdat NR Cooling zich niet aan de voorwaarde van toestemming en goed overleg heeft gehouden, is [appellante] niet gebonden aan de afspraak. Verder moet artikel 23 volgens [appellante] zo worden uitgelegd dat facturatie voor 50% bij verhuurder en voor 50% bij huurder zou plaatsvinden. Indirecte facturering is niet afgesproken. Partijen hadden een gezamenlijk opdrachtgeverschap voor ogen. Voor [appellante] was het immers van groot belang om controle te blijven houden over de daadwerkelijk uit te voeren werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten. Ten onrechte heeft de kanton Zij heeft ook gewezen op de e-mail van 15 juli 2021 aan NR Cooling waarin is bericht dat alle bouwtechnische zaken en (in eerste instantie) ook de financiële afwikkeling met de beheerder konden worden besproken. In dat licht bezien had het op de weg gelegen van [appellante] om haar stelling (nader) te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Gezamenlijk opdrachtgever 6.6 Volgens [appellante] moet de bepaling dat “ de uit te voeren werkzaamheden dienen voor 50% bij de verhuurder en voor 50% bij de huurder in rekening te worden gebracht” zo worden uitgelegd dat de facturen naar beide partijen bij helfte moeten worden gefactureerd. Dat impliceert volgens haar dat partijen gelijkwaardig de offertes zouden opvragen en opdrachten zouden aangaan. Die kans is [appellante] ontnomen. Het hof volgt dat betoog niet. De uitleg die [appellante] aan de bepaling wil geven volgt niet uit de stukken. Bovendien heeft NR Cooling er terecht op gewezen dat [appellante] zich ook niet als zodanig heeft gedragen. Zij heeft immers nooit (ook niet via de makelaar of de beheerder) aan NR Cooling kenbaar gemaakt dat zij betrokken wilde worden bij het aanvragen van offertes, de keuze voor aannemers of leveranciers, de verstrekking van opdrachten en de betaling van facturen. Evenmin heeft zij zelf offertes aangevraagd. Daarbij komt dat de werkzaamheden mochten worden uitgevoerd “naar wens van de huurder” en dat NR Cooling al een investeringsbegroting had opgesteld op basis van kostenbegrotingen van aannemers/leveranciers. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van voornoemde bepaling meebrengt dat facturering indirect kan plaatsvinden. Overige omstandigheden 6.7 Tot slot kan de uitleg van artikel 23 van de huurovereenkomst niet los worden gezien van de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen. De afspraak over de vergoeding van de renovatiekosten is gemaakt onder de voorwaarde dat NR Cooling een hogere huurprijs zou accepteren (€ 7.750,- in plaats van € 6.000,-), een langere huurtermijn (7 jaar in plaats van 5 jaar) en na het einde van de huurovereenkomst alle zaken/voorzieningen die met de renovatie gemoeid zijn zonder recht op vergoeding in het pand zou achterlaten. [makelaar] schrijft immers in de mail van 20 juni 2021 dat de eigenaar bereid is voor 50% mee te investeren en dat hij dit wil laten terugkomen in de huurprijs. [appellante] kan reeds daarom niet gevolgd worden in haar uitleg dat zij geen enkel profijt heeft gehad van de renovatiewerkzaamheden. Daarnaast kan [appellante] ook profiteren van enige waardevermeerdering, zo volgt immers uit de verklaring van makelaar-taxateur Bremmer. Welke kosten vallen onder artikel 23? a) Factuur KSP 6.8 Volgens [appellante] heeft de kantonrechter een te hoog bedrag onder artikel 23 geschaard. [appellante] heeft er op gewezen dat op de factuur van KSP (productie 10 bij dagvaarding) het oude adres van NR Cooling staat vermeld. Zij meent dat deze factuur geen betrekking heeft op werkzaamheden aan het gehuurde. Het gaat om sloop van een hekwerk terwijl er bij het gehuurde geen hekwerk is gesloopt. 6.9 NR Cooling heeft onder verwijzing naar foto’s in de verhuurbrochure voldoende onderbouwd dat het hier gaat om het demonteren van een stalen hek dat zich in het magazijn bevond. Dat hekwerk staat ook opgenomen op de investeringsbegroting. b) Facturen inrichting 6.10 Volgens [appellante] heeft een deel van de kosten betrekking op de aankleding van het pand, terwijl die kosten niet onder artikel 23 vallen. Met de schuine streep in de zinsnede “ het gehuurde in goed overleg tussen partijen zal worden gerenoveerd / zal worden ingericht naar wens van huurder” is niet beoogd om de werkzaamheden uit te breiden maar het tweede deel omvat een alternatieve omschrijving van het eerste deel. Met het inrichten wordt niet gedoeld op inrichting in de zin van bekleding, meubilair en dergelijke maar op de wijze waarop het pand bouwkundig gezien wordt ingericht, op de plattegrond g) Administratiekosten 6.16 NR Cooling heeft op haar beurt bezwaar gemaakt tegen de overweging van de kantonrechter dat de administratiekosten niet in de berekening mogen worden meegenomen. Volgens haar kwalificeert artikel 23 van de huurovereenkomst als een aannemingsovereenkomst, heeft NR Cooling zich als (hoofd)aannemer jegens [appellante] verbonden om de renovatie/inrichting tot stand te brengen, heeft zij de uitvoering van het werk gecoördineerd en heeft zij ook het risico gedragen voor fouten van de aannemers/leveranciers. [appellante] heeft betwist dat sprake is van een aannemingsovereenkomst. De afspraak was alleen dat [appellante] een financiële bijdrage zou leveren. Dat administratiekosten zijn verschuldigd blijkt ook nergens uit de investeringsbegroting of de tekenlijst. Subsidiair wordt betwist dat 10% gebruikelijk is of redelijk. 6.17 Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat hier sprake is van een eenvoudige overeenkomst waarin afspraken zijn gemaakt over het recht van NR Cooling als huurder om werkzaamheden uit te laten voeren en de plicht van [appellante] om hieraan een financiële bijdrage te leveren. De administratiekosten zijn niet opgenomen in de investeringsbegroting, zodat deze op grond van de huurovereenkomst niet toewijsbaar zijn. De overeenkomst kwalificeert, anders dan NR Cooling suggereert, niet als een aannemingsovereenkomst. Daarvan is immers sprake als de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld. NR Cooling heeft zich ook nooit als aannemer gedragen door bijvoorbeeld werk op te leveren. Van een aannemingsovereenkomst is dan ook geen sprake zodat de administratiekosten (die overigens ook niet op de investeringsbegroting of tekenlijst waren opgenomen) niet toewijsbaar zijn. 6.18 Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat [appellante] enig bedrag onverschuldigd heeft betaald. Het beroep daarop faalt dus. Riolering (vuilwatersysteem en straatkolken) 6.19 Partijen twisten over de vraag of de gebreken aan de riolering voor rekening van huurder of voor verhuurder moeten komen. NR Cooling beroept zich op het feit dat de aanvangsdatum van de huurovereenkomst 1 oktober 2021 is. In artikel 11 van de huurovereenkomst is bepaald dat de sleuteloverhandiging/oplevering kan plaatsvinden zodra de huurovereenkomst volledig is getekend en de eigenaar/verhuurder de bankgarantie of waarborgsom van de huurder heeft ontvangen. In artikel 11 noch elders in de huurovereenkomst is bepaald dat de huurovereenkomst bij sleuteloverhandiging/oplevering aanvangt. Er is nergens afgeweken van art. 7:204 lid 2 BW en de algemene bepaling 2.1 van de huurovereenkomst en er is nergens bepaald dat de onderhoudsverplichting van huurder al aanvangt op de datum van sleuteloverhandiging/oplevering. Het gaat er daarom om of het gebrek op 1 oktober 2021 aanwezig was. NR Cooling heeft de gebreken op 5 oktober 2021 gemeld, direct na de ingebruikname van het pand. Dat bevestigt volgens NR Cooling dat de gebreken al aanwezig waren bij de aanvang van de huurovereenkomst. [appellante] heeft aansprakelijkheid aanvaard omdat zij meermaals – via de beheerder – heeft aangegeven de gebreken te zullen oplossen, waartoe zij ook opdracht heeft gegeven aan aannemer [aannemer] & Zn. 6.20 [appellante] heeft daar tegenin gebracht dat het gehuurde met ingang van 8 juli 2021 in gebruik is genomen. Op grond van artikel 11.5 onder d, e en k en artikel 11.6 van de algemene bepalingen althans op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid is het gebruik daarmee voor rekening en risico van NR Cooling gebracht. Het had op de weg van NR Cooling gelegen om het gehuurde bij ingebruikname te controleren. Niet is komen vast te staan dat het gebrek ten tijde van de oplevering bestond. Dit is immers niet vermeld in de opleverrapportage. Door eerst op 4 oktobe Daktoetreding 6.23 Volgens NR Cooling zijn partijen in afwijking van artikel 23 van de huurovereenkomst en de investeringsbegroting overeengekomen dat [appellante] de daktoetreding zal laten aanbrengen. Beheerder [beheerder] heeft immers bij e-mail van 3 september 2021 (namens [appellante]) bevestigd dat zij in principe akkoord is met het laten aanbrengen van de daktoegang en dat hij een offerte zal aanvragen bij onderhoudsbedrijf Van Mastrigt en die samen met de offerte van NR Cooling ter goedkeuring zal voorleggen aan de eigenaar. Ook NR Cooling heeft een prijsopgave gevraagd en deze doorgestuurd aan [beheerder]. Nadat NR Cooling om een update had gevraagd, heeft [beheerder] op 14 december 2021 geantwoord dat hij de offertes heeft ontvangen en zal voorleggen aan de eigenaar. Volgens NR Cooling mocht zij gelet op deze correspondentie erop vertrouwen dat [appellante] de daktoetreding voor haar rekening zou laten realiseren. 6.24 [appellante] heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat een daktoetreding zou worden gerealiseerd voor rekening van [appellante]. Het feit dat terzake offertes zijn aangevraagd door de beheerder maakt zulks niet anders. De beheerder is niet bevoegd. Voor zover de beheerder wel bevoegd zou zijn, dan geldt dat met het opvragen van de offertes de beheerder nog niet heeft aangegeven dat de kosten voor rekening van [appellante] zouden zijn. Het is niet meer dan een serviceverlening dat de offertes zijn opgevraagd. 6.25 Het hof kan uit de correspondentie waarop NR Cooling zich beroept niet afleiden dat daaruit zou volgen dat [appellante] de daktoetreding zou realiseren en dat dit voor haar rekening zou gebeuren. Evenmin mocht NR Cooling daarop vertrouwen. [beheerder] had immers het voorbehoud gemaakt dat hij het zal voorleggen aan de eigenaar. Het enkele feit dat (ook) [appellante] offertes heeft aangevraagd is onvoldoende om van gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen spreken. Bovendien is het realiseren van een dakluik genoemd in de investeringsbegroting, zodat het voor de hand lag dat NR Cooling dit in het kader van de renovatie had laten uitvoeren. In dat geval zou de kostenverdeling gelden zoals is overeengekomen (voor zover dit de € 200.000,- niet overschrijdt). De (bij eiswijziging) gevorderde € 5.000,- om de daktoetreding zelf te realiseren is niet toewijsbaar. Buitengerechtelijke incassokosten 6.26 Volgens NR Cooling heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat er geen grondslag is voor toekenning van buitengerechtelijke incassokosten omdat op het moment van verrichten van de buitengerechtelijke werkzaamheden nog geen sprake was van een opeisbare vordering. NR Cooling vordert een bedrag van € 15.404,51 en subsidiair € 10.269,33. Zowel NR Cooling als [appellante] verwijst daarbij naar de standpunten ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. [appellante] heeft daaraan toegevoegd dat geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen en dat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd. 6.27 Met [appellante] is het hof van oordeel dat NR Cooling haar vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Niet duidelijk is welke kosten zien op het geven van de onderbouwing door middel van facturen en welke kosten zien op daadwerkelijke buitengerechtelijke werkzaamheden. NR Cooling heeft bij inleidende dagvaarding aangeboden om de facturen die ten grondslag liggen aan de vordering in het geding te brengen. Het had echter op haar weg gelegen om, zeker nadat deze vordering door [appellante] in eerste aanleg al was betwist, om de facturen in hoger beroep in het geding te brengen. Het hof wijst de vordering op dit punt dus af. Vordering tot afgifte bescheiden (art. 843a Rv (oud)) 6.28 Nu de voorwaarde (zie 5.1) waaronder de vordering tot afgifte van bescheiden is vervuld komt het hof toe aan de beoordeling daarvan. [appellante] vordert afgifte van alle offertes, opdrachtbevestigingen, afleverbonnen, verklaring van een accountant, alsmede betaalb