Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-13
ECLI:NL:GHDHA:2026:1599
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-25/608 tot en met BK-25/612 uitspraak van 13 mei 2026 in het geding tussen: B.V. [X] , te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: J.J. Vetter) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juli 2025, nummers SGR 25/162, SGR 25/166 tot en met SGR 25/169. Procesverloop 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd en bij gelijktijdig genomen beschikkingen verzuimboetes opgelegd alsmede belastingrente in rekening gebracht: Datum aanslag Tijdvak Loonheffing Verzuimboete Belastingrente 29 december 2023 2018 € 74.378 € 5.278 € 14.816 2 januari 2024 2019 € 79.100 € 5.278 € 12.658 2 januari 2024 2020 € 77.578 € 5.514 € 10.343 2 januari 2024 2021 € 82.053 € 5.514 € 7.658 2 januari 2024 2022 € 84.544 € 5.514 € 4.509 1.2. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende afgewezen en de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en belastingrentebeschikkingen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep is € 385 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - draagt verweerder op de naheffingsaanslagen loonheffingen 2018 tot en met 2022 te verminderen overeenkomstig deze uitspraak; - vermindert de verzuimboetes tot een bedrag van in totaal € 12.500; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.461; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend in het principaal hoger beroep. Belanghebbende heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep en een nader stuk in het principaal hoger beroep. De Inspecteur heeft op 20 maart 2026 een nader stuk ingediend in het principaal en incidenteel hoger beroep. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad op 1 april 2026. Partijen zijn verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 1.6. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaak, tenzij hetgeen is aangevoerd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Feiten 2.1. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en exploitatie van onroerende goederen. Belanghebbende maakt deel uit van een holdingstructuur met een beheermaatschappij en dochtermaatschappijen. Belanghebbende verhuurt via haar dochtermaatschappijen ongeveer 176 woningen in [woonplaats 1] , [woonplaats 2] en [woonplaats 3] en is bestuurder bij een aantal verenigingen van eigenaren van woningen in [woonplaats 2] . 2.2. [A] , geboren in 1944, is (indirect) 100%-aandeelhouder van belanghebbende). Hij is vanaf 26 januari 1989 statutair bestuurder van belanghebbende en in (fictieve) dienstbetrekking bij belanghebbende. Belanghebbende is gevestigd op het woonadres van [A] . Bij belanghebbende zijn in de naheffingsjaren daarnaast nog twee werknemers in dienst. 2.3. Inzake bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2001 en 2003 van [A] is tussen [Adviseur] , de adviseur van belanghebbende, en de Belastingdienst onder meer de volgende correspondentie gevoerd: “ […] , 7 maart 2006 Betreft : bezwaar inkomstenbelasting 2001 sofi-nummer [nummer], Geachte heer [naam], Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 6 oktober 2005 e De Mini’s zijn gebruikt door een werknemer van belanghebbende (Werknemer 1) voor de opnames en mutaties van woningen, De Mini’s werden af en toe mede gebruikt door [A] en een andere werknemer van belanghebbende (Werknemer 2). Belanghebbende heeft voor deze auto's geen bijtelling voor het privégebruik van de auto bij het loon van (een van) de werknemers geteld. 2.7. Op 7 april 2022 heeft tussen de Belastingdienst en [A] en [Adviseur] een gesprek plaatsgevonden over verschillende fiscale onderwerpen. In een e-mailbericht van de Inspecteur aan [A] van 25 april 2022 is vermeld: “Gebruikelijk loon In het verleden heeft er een discussie plaatsgevonden over de toepassing van de zogenoemde gebruikelijk loon regeling (inmiddels opgenomen in artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964). Deze discussie is uiteindelijk beslecht middens de gang naar de rechter. Uiteindelijk werd een salaris van fl. 150.000 passend geacht voor de door [naam digra] verrichte werkzaamheden voor zijn vennootschappen. Later is dit bedrag aangepast naar fl. 125.000 (omgerekend € 56.722). Echter, in weerwil van de gemaakte afspraken geniet u reeds geruime tijd een salaris van slechts € 10.386. Dit bedrag ligt beduidend lager dan het in het verleden afgesproken salaris. Het genoten salaris doet ook geen recht aan de aard en omvang van de werkzaamheden. U heeft immers meerdere malen aangegeven dagelijks hard te werken en veel van de werkzaamheden en besluitvorming die plaatsvinden binnen de BV's zelf uit te voeren, en daarbij alles te investeren in de vennootschappen. Het door u genoten salaris voldoet daarmee niet aan de gemaakte afspraken noch aan de vereisten van de gebruikelijk loon regeling. Wij zijn voornemens dit te gaan corrigeren in uw aangiften. Gelet op de wettelijke navorderingstermijn zullen wij correcties doorvoeren voor de jaren vanaf 2016 tot en met 2020. Hierbij sluiten we aan bij het destijds vastgestelde salaris van fl. 125.000. In bijgevoegd schema is dit bedrag omgerekend naar euro's en het is tevens jaarlijks geïndexeerd. Uit het schema kunt u zodoende opmaken welk salaris zal worden gehanteerd voor de betreffende jaren (2016 tot en met 2020). Wij zullen u op korte termijn nader informeren over de voorgenomen correcties.” 2.8.1. Bij brief van 15 december 2023 heeft de Inspecteur belanghebbende aangekondigd naheffingsaanslagen loonheffing over de jaren 2018 tot en met 2022 op te leggen waarbij: - een gebruikelijk loon van [A] in aanmerking wordt genomen op grond van artikel 12a, lid 1 en onderdeel a, van de Wet Loonbelasting 1964 (Wet LB) overeenkomstig het door de Inspecteur vastgestelde loon uit meest vergelijkbare dienstbetrekking van € 73.500 (2018) € 76.500 (2019) € 79.500 (2020) € 83.250 (2021) € 85.250 (2022) - een bijtelling voor het privé gebruik van de in 2.6 genoemde auto’s in aanmerking wordt genomen, alsmede - over de jaren 2018 tot en met 2022 verzuimboetes zullen worden opgelegd ter hoogte van het wettelijk maximum bedrag van artikel 67c, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). 2.8.2. Voor de vaststelling van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is de Inspecteur aangesloten bij het maximale loon in bezoldigingsklasse B van een bestuurder van een woningbouwcorporatie met 0-750 woningen (tabel in de Regeling topinkomens toegelaten instellingen volkshuisvesting op grond van de Wet normering topinkomens (WNT)). In de WNT worden de bezoldigingsmaxima bepaald op basis van objectieve criteria, zoals het aantal verhuureenheden en aantal inwoners van de locatie van verhuureenheden. De Inspecteur heeft de naheffingen als volgt gemotiveerd: “Gebruikelijk loon In de brief van uw adviseur d.d. 10 mei 2022 zijn de volgende relevante feiten met betrekking tot het gebruikelijk loon van [naam digra] [naam digra] weergegeven. [Naam digra] verricht werkzaamheden voor de entiteit B.V. [belanghebbende] . Gedurende ongeveer anderhalf uur per dag werkt [naam digra] erg hard. Voor de rest wordt alles uitgewerkt door de 2 Doordat geen externe werknemer de functie en bijbehorende verantwoordelijkheden van [naam digra] heeft overgenomen is het aannemelijk dat de werkzaamheden van [naam digra] hetzelfde zijn gebleven als in voorgaande jaren. Bovendien merken wij op dat de twee administratieve medewerkers deze taken niet hebben overgenomen, aangezien het loon van deze werknemers niet passend is bij de verantwoordelijkheden van een bestuurder en het loon van deze werknemers niet beduidend is gestegen in de afgelopen jaren. Objectieve criteria Belanghebbende Woningbouwcorporatie bezoldigingsklasse B Activiteiten onderneming Verhuur, beheer en verkoop van panden. Bouwen, beheren en verhuren van woonruimtes met een betaalbare huur. Grootte van het bedrijf uitgedrukt in verhuureenheden Ongeveer 176 woningen worden verhuurd door het gehele concern van [naam digra]. Tussen de 0-750 verhuureenheden in eigendom of beheer. Locatie van de verhuureenheden Met name in [woonplaats 2] (+/- 52% van het totaal van de verhuureenheden) en [woonplaats 1] (+/- 20% van het totaal van de verhuureenheden). 20% van de verhuureenheden zijn gelegen in een gemeente met meer dan 100.001 inwoners om in bezoldigingsklasse B te vallen in plaats van bezoldigingsklasse A. Verantwoordelijkheden bestuurder [naam digra] heeft de volgende verantwoordelijkheden: a. eindverantwoordelijk voor de naleving van alle relevante wet- en regelgeving en interne regelingen; b. besluitvorming inzake uitbesteding van het beheer (onderhoud), verhuur en verkoop van panden; c. besluitvorming inzake welke deelnemingen worden verkocht; d. analyseren van economische ontwikkelingen ten aanzien van de investeringen; e. besluitvorming ten aanzien van de samenstelling van de investeringen; en f. administratieve medewerkers aansturen. Een bestuurder van een woningcorporatie is belast met het besturen van de woningcorporatie en is onder meer verantwoordelijk voor: a. de naleving van alle relevante wet- en regelgeving en interne regelingen; b. de realisatie van zijn doelstellingen, de strategie, de financiering en het beleid en de daaruit voortvloeiende resultatenontwikkeling; c. het beleid ten aanzien van deelnemingen van de woningcorporatie; d. het opstellen en onderhouden van een adequaat en effectief intern risicobeheersings- en controlesysteem; e. de aansturing en co6rdinatie van processen en activiteiten; en f. het bepalen van de uitgangspunten voor de organisatiestructuur. Het loon van een bestuurder van een woningcorporatie hebben wij bepaald op grond van de Wet normering topinkomens (hierna: WNT). Het doel van de WNT is het tegengaan van bovenmatige bezoldigingen en ontslagvergoedingen in de (semi)publieke sector. De bezoldigingsmaxima worden jaarlijks geïndexeerd. In de WNT worden de bezoldigingsmaxima van bestuurders van woningcorporaties bepaald op basis van objectieve criteria, zoals het aantal verhuureenheden en aantal inwoners van de locatie van verhuureenheden. Volledigheidshalve merken wij op dat het aannemelijk is dat het loon van een bestuurder van een commerciële organisatie in de vastgoedsector hoger is dan het loon op grond van de WNT. Derhalve zijn wij van mening dat het loon op grond van de WNT alleszins redelijk is. Zoals hierboven benoemd is het loon van een bestuurder van een toegelaten instellingen volkshuisvesting afhankelijk van het aantal verhuureenheden en het aantal inwoners van de grootste gemeente waarin 20% van de verhuureenheden zijn gelegen op grond van de WNT is het bezoldigingsmaxima. Het concern van [naam digra] verhuurt ongeveer 167 woningen waarvan meer dan 20% van de woningen zijn gelegen in de gemeente [woonplaats 2] . De gemeente [woonplaats 2] heeft vanaf 2018 meer dan 500.000 inwoners. Bezoldigingsklasse B geldt voor een bestuurder van een woningcorporatie welke minder dan 750 verhuureenheden heeft waarvan 20% van de woningen zijn gelegen in een gemeente met meer dan 100.001 inwoners op grond van artikel 2.7 WNT jo. artikel 3 Regeling normering topinkomens toegelat Indien sprake is van een uitzonderlijk geval wordt een verzuimboete van 100 percent van het wettelijk maximum van € 5.514 op grond van paragraaf 24 lid 5 BBBB. Blijkens het voorgaande wordt per kalenderjaar een verzuimboete van het wettelijk maximum in het desbetreffende jaar opgelegd op grond van paragraaf 24 lid 3 BBBB. Verzuimboeten Jaar 2018 2019 2020 2021 2022 Verzuimboete vanwege gedeeltelijk niet binnen de termijn betalen van de aangiftebelasting € 5.278 € 5.278 € 5.514 € 5.514 € 5.514 Totaal boete € 5.278 €5.278 € 5.514 € 5.514 €5.514” 2.9. In beroep was tussen partijen niet meer in geschil dat de bijtelling voor het privégebruik van de Mercedes diende te worden geschrapt. De Rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist. Verder was in beroep niet in geschil dat ter zake van de Mini’s terecht een bijtelling privégebruik auto is toegepast alsmede dat de Mini’s in de naheffingsjaren door één werknemer, Werknemer 1, werden gebruikt. Voorts was niet in geschil dat de verzuimboetes verminderd dienden te worden voor het deel van het privégebruik van de Mini’s naar 80% van het wettelijk maximum van artikel 67c, lid 1, AWR. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “3 Gebruikelijk loon 13. Op grond van artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB) wordt het belastbare loon van een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft (de dga) ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. het loon uit de meeste vergelijkbare dienstbetrekking; b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen; c. € 45.000 (2018 en 2019), € 46.000 (2020), € 47.000 (2021) en € 48.000 (2022) (de normbedragen). 14. De bewijslast voor het in aanmerking nemen van een hoger gebruikelijk loon dan de normbedragen rust op verweerder. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestuurder van een woningcorporatie de meest vergelijkbare dienstbetrekking betreft en heeft het gebruikelijk loon daarop gebaseerd. Eiseres heeft aangevoerd dat de dienstbetrekking van de heer [A] in de verte wel vergelijkbaar is met de functie van een directeur bij een woningcorporatie maar dat een directeur bij een woningcorporatie met meer protocollen, toezicht, politiek en regels te maken heeft en om die reden de dienstbetrekkingen niet geheel vergelijkbaar zijn. Hoewel de werkzaamheden van de heer [A] niet geheel gelijk te stellen zijn aan die van een bestuurder van een woningcorporatie, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de bestuurder van een woningcorporatie de meest vergelijkbare dienstbetrekking betreft. Verweerder heeft aansluiting gezocht bij de bezoldiging van een bestuurder in bezoldigingsklasse B (behorend bij een bedrijfsgrootte van 0-750 verhuureenheden) en heeft 75% hiervan als uitgangspunt genomen. Dit komt neer op bedragen van € 73.500 (2018), € 76.500 (2019), € 79.500 (2020), € 83.250 (2021) en € 86.250 (2022) aan gebruikelijk loon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de 25% afslag voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de werkzaamheden van de heer [A] en de bestuurder van een woningcorporatie. Eiseres heeft bovendien geen andere meer vergelijkbare dienstbetrekking aangevoerd. 15. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met een deeltijdfactor. Eiseres heeft gesteld dat de heer [A] niet fulltime werkzaamheden voor haar verricht en slechts 8 uur per week (20%) werkzaam is voor haar. De rechtbank acht op grond van de stukken van het geding, waaronder de correspondentie tussen partijen in 2006, aannemelijk dat de heer [A] niet fulltime werkt. Verweerder gaat dan ook uit van een te hoog gebruikelijk loon. Eiseres heeft echter de bewijslast om het door haar De rechtbank acht het onder de gegeven omstandigheden niet aannemelijk dat de bedragen rechtens en feitelijk verhaalbaar zijn bij mevrouw B . Verweerder heeft terecht geen voor verhaal vatbare naheffingsaanslag loonheffing afgegeven. De bijtelling voor het privégebruik van de Mini Coopers blijft aldus in stand. Belastingrente 20. De belastingrente is overeenkomstig de wettelijke bepalingen berekend en dient te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslagen. Voor een verdere vermindering ziet de rechtbank geen aanleiding. Verzuimboetes 21. Verweerder heeft ingevolge artikel 67c, eerste lid, van de Awr voor ieder belastingjaar een verzuimboete opgelegd naar het wettelijk maximum. In totaal is derhalve een bedrag van € 27.098 aan verzuimboetes in rekening gebracht. In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verzuimboetes voor zover betrekking hebbend op de bijtellingen privégebruik auto van de Mini Coopers naar 80% van het wettelijk maximum dienen te worden verlaagd overeenkomstig paragraaf 24, vierde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingrecht. De verzuimboetes dienen te worden verlaagd naar een totaalbedrag van € 26.266,68 aldus verweerder. 22. Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid van een belanghebbende. Wel moet bij afwezigheid van alle schuld (avas) aan de zijde van eiseres het opleggen van een verzuimboete achterwege blijven. Van avas acht de rechtbank geen sprake. 23. De verzuimboetes moeten gelet op verweerders standpunt worden verminderd, ook rekening houdend met de vermindering van de naheffingsaanslagen. De rechtbank acht een verdere vermindering van de verzuimboetes in dit geval passend en geboden en matigt de verzuimboetes tot een bedrag van € 12.500 in totaal. 24. Gelet op wat is hiervoor is overwogen, zijn de beroepen gegrond. Proceskosten 25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). (…) [1] Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:25.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of: - de Rechtbank de hoogte van het gebruikelijk loon van [A] over de jaren 2018 tot en met 2022 terecht heeft bepaald op het normloon als bedoeld in artikel 12a, lid 1, onderdeel c, van de Wet LB 1964; - de Inspecteur bij het vaststellen van het gebruikelijk loon in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld; - de Inspecteur de bijtelling privégebruik auto voor de Mini’s terecht als eindheffingsbestanddeel in aanmerking heeft genomen (en belanghebbende niet kan worden gevolgd in zijn verzoek om een verhaalbare naheffingsaanslag loonheffingen), en; - aan belanghebbende terecht verzuimboetes zijn opgelegd en belastingrente in rekening is gebracht. 4.2. Meer specifiek. Belanghebbende stelt dat een gebruikelijk loon lager dan de normbedragen in aanmerking moet worden genomen en de Inspecteur stelt dat het gebruikelijk loon op het door hem bepaalde loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking als bedoeld in artikel 12a, lid 1 en onderdeel a, Wet LB 1964 moet worden vastgesteld. De Inspecteur stelt dat de bijtelling ter zake van de Mini’s terecht als eindheffingsbestanddeel naar het gebruteerd tarief is belast. Belanghebbende betwist dat en stelt dat ter zake voor verhaal vatbare naheffingsaanslagen moeten worden opgelegd. De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de boetes niet had mogen verminderen tot een totaal bedrag van € 12.500. 4.3. Belanghebbende concludeert in principaal hoger beroep tot: vernie Belanghebbende stelt in hoger beroep dat het gebruikelijk loon dat door de Inspecteur gesteld is op het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking, dient te worden verminderd met de volgende percentages: - 20% vanwege het feit dat [A] in deeltijd werkt gedurende maximaal 8 uur per week en eigenlijk met pensioen is; - 30% vanwege het feit dat de functie van een bestuurder van een woningstichting (de meest vergelijkbare dienstbetrekking) zwaarder is dan de functie van bestuurder van belanghebbende; - 40% vanwege het feit dat het aantal woningen dat belanghebbende beheert minder dan 200 bedraagt. 5.4. De Inspecteur stelt in incidenteel hoger beroep dat hij door het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking (door hem gesteld op het maximaal loon in bezoldigingsklasse B van een bestuurder van een woningbouwcorporatie met 0-750 woningen (tabel in de Regeling topinkomens toegelaten instellingen volkshuisvesting op grond van WNT)) tot uitgangspunt te nemen bij de berekening van het gebruikelijk loon van [A] , de lonen niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld en dat de Rechtbank de lonen ten onrechte heeft verminderd tot de normbedragen. Bewijslastverdeling 5.5. Het normloon van artikel 12a Wet LB staat als bewijsregel voorop. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat een lager loon in aanmerking komt. En het is aan de inspecteur aannemelijk te maken dat een hoger loon in aanmerking moet worden genomen. Lager loon dan het normloon? 5.6. Nu belanghebbende stelt dat het gebruikelijk loon van [A] lager is dan de normbedragen in de jaren waarop de naheffingsaanslagen zien, is het overeenkomstig de in 5.5 genoemde bewijsregel aan haar om bewijs te leveren voor de juistheid van haar stelling. 5.7.1. Het Hof zal eerst het beroep van belanghebbende op opgewekt vertrouwen behandelen. Dit is de meest vergaande stelling. Belanghebbende heeft in de belastingjaren 2011 tot en met 2018 € 10.386, overeenkomend met ongeveer een vierde gedeelte van het in de brief van de adviseur van belanghebbende van 7 maart 2006 aan de Inspecteur genoemde bedrag van € 45.384 in de aangiften loonheffingen als loon van [A] opgenomen. Belanghebbende is er daarbij van uitgegaan dat [A] ongeveer 8 uur per week werkt. Belanghebbende stelt dat op grond van de door haar overgelegde correspondentie met de Inspecteur zij ook voor de onderhavige jaren 2018 tot en met 2022 erop mocht vertrouwen dat zij met het bedrag van € 10.386 het loon van [A] in de loonaangiften tot het juiste bedrag, althans niet te laag, heeft verantwoord. 5.7.2. In de brief van 5 december 2006 heeft de Inspecteur haar akkoord gekoppeld aan het feit dat er binnen [belanghebbende] geen, althans bijna geen, werkzaamheden door [A] plaatsvonden die betrekking hadden op het beheer van de onroerendgoedportefeuille en hij zich met bijna niets anders meer bezighield of bezig zou gaan houden dan met het beheer van langlopende deposito’s. 5.7.3. In de Toelichting op het bezwaarschrift van 9 maart 2007 merkt de Inspecteur slechts op dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat in het jaar 2003 de werkzaamheden van [A] van zodanige aard waren dat er geen hoger gebruikelijk loon in aanmerking behoefde te worden genomen. 5.7.4. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439). Het ligt in het onderhavige geschil dan op de weg van belanghebbende, die stelt dat de Inspecteur is akkoord gegaan met toepassing van een deeltijdfactor in 2001 en 2003 en met een verdere afname van de werkzaamheden van [A] voor [belanghebbende] in de jaren daarna, mede als gevolg van een Er is bijvoorbeeld geen arbeidsovereenkomst of een separate afspraak ten aanzien van het privégebruik overgelegd waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. De stelling van belanghebbende dat dit oordeel in wezen met zich meebrengt dat een naheffingsaanslag feitelijk nooit voor verhaal vatbaar is is gestoeld op een onjuiste rechtsopvatting. Verzuimboetes 5.12. De Inspecteur heeft aan belanghebbende verzuimboetes opgelegd omdat belanghebbende de loonheffing die op aangifte had dienen te worden afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, en is aangesloten bij de maximale bedragen op grond van artikel 67c, lid 1, AWR. Zoals de Inspecteur al heeft opgemerkt, heeft dat niet te gelden voor wat betreft de bijtelling privégebruik auto die op 80% van de maximale bedragen dient te worden vastgesteld. De Inspecteur heeft gesteld dat hij daarmee per abuis bij het nemen van de boetebeschikkingen geen rekening heeft gehouden. 5.13. Uit het in 5.2.1 tot en met 5.11 overwogene volgt dat belanghebbende in de jaren 2018 tot en met 2022 hogere bedragen loonheffing op aangifte had moeten afdragen dan zij heeft gedaan. Belanghebbende heeft niet gesteld dat omstandigheden aanwezig zijn waaruit moet worden afgeleid dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Aan belanghebbende is voor elk van de naheffingstijdvakken terecht een verzuimboete opgelegd. Het vorenstaande neemt niet weg dat het Hof beoordeelt of de hoogte van de opgelegde boetes alle omstandigheden in aanmerking genomen passend en geboden zijn. De Inspecteur heeft voor de hoogte van de boetes aangesloten bij de verzuimboetemaxima. Het Hof acht dat niet passend en geboden en stelt - net als de Rechtbank - de boetes gezamenlijk vast op een bedrag van € 12.500 voor alle naheffingstijdvakken te samen. Belastingrente 5.14. Tegen de heffing van belastingrente zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De belastingrente dient wel te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslagen. Slotsom 5.15. Het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur zijn ongegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Voor het hoger beroep van belanghebbende acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6.2. Voor het incidenteel hoger beroep acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de zaken tezamen vast op € 2.802 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt zienswijze op incidenteel hoger beroep en 1 punt zitting à € 934 x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang)). 6.3. Voor teruggave van de voor het hoger beroep betaalde griffierechten ziet het Hof geen aanleiding. Beslissing Het Gerechtshof: - bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten voor het incidenteel hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.802. Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, M.J.M. van der Weijden en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De griffier, de voorzitter, Y. Postema T.A. de Hek De beslissing is op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notarië