Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-23
ECLI:NL:GHDHA:2026:1588
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/1016 Uitspraak van 23 april 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F. van Hecke) en de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Invorderingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 december 2024, nummers SGR 23/5519 en SGR 23/5520. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn bij afzonderlijke beschikkingen dwangbevelkosten in rekening gebracht vanwege het niet tijdig betalen van aanslagen met aanslagnummers […] en […] (de beschikkingen dwangbevelkosten). 1.2. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbendes bezwaren tegen de beschikkingen dwangbevelkosten gegrond verklaard en de beschikkingen dwangbevelkosten vernietigd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende voor elk van de bezwaren een kostenvergoeding toegekend van € 74. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van de beroepen is één keer € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht gedaan. Dit beroep op betalingsonmacht is door de griffier voorlopig toegewezen. Belanghebbende heeft op 28 februari 2025, 3 juni 2025, en 26 juni 2026 nadere stukken ingediend. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft op 10 maart 2026 een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 29 februari 2020 en 31 augustus 2022 aanslagen lokale heffingen opgelegd. 2.2. Omdat belanghebbende de aanslagen niet voor het verstrijken van de betalingstermijn (volledig) heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar met dagtekening 21 april 2023 aanmaningen gestuurd en daarbij voor elk van de aanmaningen € 18 aanmaningskosten in rekening gebracht. De aanmaningen vermelden dat de op de aanslagen verschuldigde bedragen vóór 5 mei 2023 betaald moeten zijn. 2.3. Op 25 april 2023 heeft belanghebbende een beroep gedaan op kwijtschelding van de aanslagen. Naar aanleiding van het beroep op kwijtschelding heeft de Invorderingsambtenaar uitstel van betaling verleend voor de aanslagen. 2.4. Omdat belanghebbende de op de aanslagen verschuldigde bedragen niet vóór 5 mei 2023 heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar met dagtekening 20 mei 2023 dwangbevelen uitgevaardigd. Ter zake van het dwangbevel voor betaling van de aanslag met nummer […] is € 146 dwangbevelkosten in rekening gebracht en ter zake van het dwangbevel voor betaling van de aanslag met nummer […] € 90. 2.5. De Invorderingsambtenaar heeft de door belanghebbende tegen de beschikkingen dwangbevelkosten gemaakte bezwaren gegrond verklaard, omdat uitstel was verleend voor de betaling van de aanslagen. Tevens heeft hij per bezwaar een kostenvergoeding toegekend van € 74 (een punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 296 en wegingsfactor 0,25). Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Invorderingsambtenaar als verweerder: “6. Voor zover eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht heeft overgelegd, volgt de rechtbank haar daarin niet. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd welke op de zaak betrekking hebbende stukken nog zouden ontbreken. 7. Voor wegingsfactor 0,25 kan aanleiding bestaan in zaken met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil.[1] Het gaat dan om za De wegingsfactor 5.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Invorderingsambtenaar ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast bij de vaststelling van de kostenvergoedingen ter zake van de gegrondverklaring van de bezwaren tegen de beschikkingen dwangbevelkosten. Volgens belanghebbende moet de wegingsfactor 1,5 zijn. Zij voert daartoe aan dat de beschikkingen dwangbevelkosten een herhaling zijn van eerdere beschikkingen dwangbevelkosten voor dezelfde aanslagen en dat het gebruik van nummers door de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland het zeer bewerkelijk maakt om te achterhalen op welke aanslagen de beschikkingen dwangbevelkosten betrekking hebben. 5.4. In artikel 7:15, lid 2, Awb is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, op verzoek van de belanghebbende worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld (artikel 7:15, lid 4, Awb). In artikel 1, aanhef en onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat de in artikel 7:15, lid 2, Awb bedoelde kosten betrekking kunnen hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, Bpb is bepaald dat het bedrag van de kosten wordt vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief. Uit onderdeel A5 van de bijlage bij het Bpb volgt dat voor het indienen van een bezwaarschrift één punt wordt toegekend. Uit onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb volgt dat voor een zaak met een “zeer licht” gewicht wegingsfactor 0,25 wordt toegepast. 5.5. Het Hof is van oordeel dat de Invorderingsambtenaar terecht wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. De beschikkingen dwangbevelkosten bevatten de naam van belanghebbende en de aanslagnummers waarop de dwangbevelen betrekking hebben. Het was voor belanghebbende dan ook zeer eenvoudig geweest om onder vermelding van die aanslagnummers bezwaren in te dienen tegen de beschikkingen dwangbevelkosten met als enige grond van bezwaar dat voor deze aanslagen uitstel van betaling is verleend. Een dergelijk eenvoudig bezwaarschrift rechtvaardigt de kwalificatie “zeer licht” als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb. Daar komt bij dat de bezwaarschriften tegen beide beschikkingen dwangbevelkosten met uitzondering van het aanslagnummer en het bedrag van de dwangbevelkosten identiek konden zijn. De eenvoud van de zaak blijkt ook uit het feit dat de Invorderingsambtenaar de bezwaren zonder nadere vragen gegrond heeft verklaard. Het gewicht van de zaak wordt niet anders doordat belanghebbende zeer uitvoerige bezwaarschriften heeft opgesteld waarin wordt verwezen naar tal van andere juridische procedures. Evenmin wordt het gewicht van de zaak beïnvloed door het niet vermelden van een burgerservicenummer op de dwangbevelen, waardoor het indienen van de bezwaren volgens belanghebbende meer tijd heeft gekost. Deze omstandigheden doen niet af aan de constatering dat het aantekenen van bezwaar tegen de beschikkingen dwangbevelkosten op de grond dat uitstel van betaling was verleend voor de aanslagen eenvoudige werkzaamheden zijn. Slotsom 5.6. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout. De griffier, de voorzitter, T. van Hout M.J.M. van der Weijden De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een af