Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-09
ECLI:NL:GHDHA:2026:1583
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/580 Uitspraak van 9 april 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] ( [buitenland] ), belanghebbende, (gemachtigde: J.M.A. Suijkerbuijk) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/6926. Procesverloop 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2018 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.455. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 6.288 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de navorderingsaanslag gemaakte bezwaar afgewezen en de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 maart 2026. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen en is geen bericht van verhindering bij het Hof binnengekomen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 22 december 2025, 9:56 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop, is belanghebbende naar het oordeel van het Hof overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht uitgenodigd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende was gedurende 2018 woonachtig in Nederland en in de periode april 2018 tot en met oktober 2019 werkzaam als pilote (gezagvoerder) bij [A Ltd.] te [buitenland] . 2.2. Belanghebbende heeft als binnenlands belastingplichtige aangifte IB/PVV 2018 gedaan en een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 91.455, bestaande uit de volgende componenten: - Belastbare winst uit onderneming: € 604 - Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 90.851 - (Aandeel) belaste inkomsten uit eigen woning: € 0 Als naam van haar werkgever heeft belanghebbende ‘ [A Ltd.] ’ ingevuld. Belanghebbende heeft in haar aangifte verzocht om een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting voor haar buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking. Tevens heeft belanghebbende verzocht om premievrijstelling gedurende 2018. 2.3. Ten aanzien van de aangifte IB/PVV 2018 zijn bij de Belastingdienst de volgende risicosignalen (uitworpbeweringen) gegenereerd: “W418 Bel pl heeft minimaal 1 van de vragen gekruist die aangeven dat sprake is van een samenwerkingsverband. RSIN-nummer is ( […] ). H115 Beoordeel buitenlandse inkomsten tegenwoordige arbeid (box 1); beoordeel toename bedrag aftrek elders belast; zie evt. vorig jaar; bel pl geniet winst\ (AR:3) W411 Aangifte uit segment MKB; teamnummer (20); aandachtscategorie (2A) H220 Beoordeel buitenlandse inkomsten tegenwoordige arbeid (box 1); CD- elementen invullen; beoordeel toename bedrag aftrek elders belast; zie evt. vorig jaar (AR:3).” 2.4. De aanslag IB/PVV 2018 is zonder nader onderzoek conform de aangifte opgelegd, resulterend in een te betalen bedrag van nihil. 2.5. Belanghebbende heeft als binnenlands belastingplichtige aangifte IB/PVV 2019 gedaan en een belastbaar i Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Overeenkomst van het Koninkrijk der Nederlanden en Malta tot het vermijden van dubbele belasting uit inkomen is het salaris dat een inwoner van de ene Staat door die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Het beroep in de aangifte op vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting impliceert dat de dienstbetrekking in Malta werd uitgeoefend. Daaruit volgt dat verweerder tot nader onderzoek was gehouden, als de mogelijkheid dat een inwoner van Nederland zijn dienstbetrekking in Malta uitoefent als onwaarschijnlijk heeft te gelden. Verweerder heeft aangevoerd dat heden ten dage allerminst ongebruikelijk is dat bij het vervullen van een dienstbetrekking in het buitenland ervoor wordt gekozen in Nederland te blijven wonen, waarbij dan een of tweemaal in de week heen en weer wordt gevlogen en overigens in het werkland wordt overnacht. Verder heeft verweerder verklaard dergelijke situaties in de praktijk veelvuldig tegen te komen, onder andere ook in relatie tot Turkije en Griekenland. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheid dat een inwoner van Nederland zijn dienstbetrekking op Malta uitoefent niet onwaarschijnlijk is. Dat betekent dat de feiten die bekend werden bij de aanslagregeling 2019 gelden als ‘nieuw feit’ navordering rechtvaardigen. 9. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. 10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. (…) [1] Zie o.a. HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165 en HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184. [2] HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een nieuw feit dat navordering over het jaar 2018 op grond van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) rechtvaardigt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018. Daarnaast verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Belanghebbende stelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering over het jaar 2018 in de weg staat. Volgens belanghebbende hadden zowel de uitworpredenen (zie 2.3), de geclaimde vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting alsook de naam van haar werkgever ( [A Ltd.] ) voor de Inspecteur aanleiding moeten zijn om haar aangifte IB/PVV 2018 nader te beoordelen. Dat de Inspecteur desondanks geen nader onderzoek heeft ingesteld voordat de aanslag IB/PVV 2018 werd opgelegd, kwalificeert volgens belanghebbende als een ambtelijk verzuim. 5.2. De Inspecteur bestrijdt dat sprake is van een ambtelijk verzuim. De aanslag IB/PVV 2018 is op geautomatiseerde wijze tot stand gekomen, een inhoudelijke beoordeling heeft niet plaatsgevonden. Binnen het toepasselijke toetsingskader is volgens de Inspecteur van belang of de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte correct was, en dat was het geval. 5.3. Op grond van artikel 16, lid 1, AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin In dat geval was het heffingsrecht op grond van artikel 17 van het Belastingverdrag immers volledig aan Malta toegekomen, ongeacht waar de werkzaamheden plaatsvonden, en had belanghebbende dus terecht een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting geclaimd. 5.8. Met hetgeen de Inspecteur heeft gesteld en aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de aangifte IB/PVV 2018 opgenomen gegevens juist waren. Hetgeen belanghebbende hier tegenin heeft gebracht, is onvoldoende om te leiden tot een ander oordeel. De omstandigheid dat in Malta over het salaris van belanghebbende Maltese belasting werd ingehouden doet aan het vorenstaande niet af. Van inhoudingen elders is de Inspecteur niet op de hoogte en als een belastingplichtige een vrijstelling claimt onder een belastingverdrag mag de Inspecteur ervan uitgaan dat die belastingplichtige daarmee het standpunt inneemt dat zij aan de voorwaarden voor die vrijstelling voldoet. Voorts kan het Hof belanghebbende niet volgen waar zij stelt dat de naam ‘ [A Ltd.] ” aanleiding had moeten zijn om de aangifte IB/PVV 2018 aan een nader onderzoek te onderwerpen. Aan die naam kon immers geen enkele aanwijzing worden ontleend omtrent de werkzaamheden van belanghebbende, anders dan dat zij waarschijnlijk werkzaam was in de luchtvaartsector. Tot slot is het Hof van oordeel dat, anders dan belanghebbende stelt, de Rechtbank in r,o. 8 niet heeft overwogen dat het hoogst ongebruikelijk is dat een dienstbetrekking in Malta wordt uitgeoefend, terwijl de belastingplichtige in Nederland woont. Deze stelling berust op een verkeerde lezing van r.o. 8. Dit betekent dat de Inspecteur niet tot een nader onderzoek was gehouden met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2018. Van een ambtelijk verzuim is daarom geen sprake. Belastingrente 5.9. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Slotsom 5.10. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, T.A. de Hek en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout. De griffier, de voorzitter, T. van Hout P.C. van den Brink De beslissing is op 9 april 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het