Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:GHDHA:2026:1580
Strafrecht
Hoger beroep
7,986 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1580 text/xml public 2026-05-12T14:02:47 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-05-07 22-003010-20.a Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1580 text/html public 2026-05-12T14:02:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1580 Gerechtshof Den Haag , 07-05-2026 / 22-003010-20.a Ontneming. Andere feiten waaromtrent aanwijzingen bestaan. Pondspondsgewijze toerekening in verhouding tot de bewezenverklaarde periode. Rolnummer: 22-003010-20 PO Parketnummer: 10-996581-17 Datum uitspraak: 7 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Procesgang Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 7 mei 2026 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 tot en met 6 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: het onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde: eendaadse samenloop van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; het onder 3 bewezenverklaarde: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd; het onder 6 bewezenverklaarde: gewoontewitwassen; veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en is beslist omtrent de in beslag genomen voorwerpen. De rechtbank heeft bij vonnis van 29 oktober 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 182.591,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de duur van een eventueel te vorderen gijzeling 540 dagen bedraagt. Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Vordering van het Openbaar Ministerie De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 207.591,-, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie, in afwijking van de oorspronkelijke vordering, gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op een bedrag van € 231.448,49 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewijsvoering De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vaststelling van de betalingsverplichting Overwegingen Grondslag De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van het hof bestaan er voldoende aanwijzingen dat andere strafbare feiten dan de bewezenverklaarde door de betrokkene zijn begaan en dat hij daaruit voordeel heeft gegenereerd. Die andere feiten bestaat uit de illegale handel in geneesmiddelen waaronder anabolen. Dat de betrokkene hieruit inkomen heeft gegenereerd is door de betrokkene erkend. Juridisch kader Het hof stelt voorop dat als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In geval er verscheidene daders zijn, zal de rechter niet altijd de omvang van dat voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. In zo’n geval dient de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Uitgangspunt totaal behaalde opbrengst In het onderzoek Vejovis is op de computer van [verdachte] een excelbestand aangetroffen. Uit dat excelbestand komt naar voren dat in totaal € 622.775,30 winst is gemaakt met de handel in geneesmiddelen, waaronder anabolen, in de periode 1 september 2014 tot en met 10 april 2017. Dat bedrag is als volgt over de jaren verdeeld: 2014 € 5.882,50 2015 € 137.257,80 2016 € 433.635,00 2017 € 46.000,00 Totaal € 622.775,30 Het bedrag van € 622.775,30 (afgerond: € 622.775) is in het Ontnemingsrapport als uitgangspunt genomen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De administratie is door [verdachte] gevoerd op grond waarvan het hof aanneemt dat het de periode vertegenwoordigt die [verdachte] aan de handel deelnam. De verdediging heeft niet bestreden dat dit bedrag de over deze jaren met de handel in anabolen en overige geneesmiddelen gemaakte winst betreft. Het hof acht aannemelijk dat de aangetroffen administratie een waarheidsgetrouw beeld geeft van de in de tenlastegelegde periode gemaakte winst. Het verweer De verdediging heeft aangevoerd dat van het bedrag van € 622.775,30 meer personen werden betaald dan uitsluitend de drie verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zoals het Openbaar Ministerie aanneemt. De raadsman heeft in zijn pleidooi in hoger beroep uitsluitend verwezen naar het pleidooi in eerste aanleg. Het hof komt tot een andere verdeling van de totale inkomsten en houdt daarbij rekening met andere personen die profiteerden van de handel. Daarmee is gerespondeerd op de verweren. Uitgangspunten toerekening opbrengst Met de verdediging acht het hof in het kader van de beoordeling van de ontnemingsvordering aannemelijk dat [persoon 1] en [persoon 4] de illegale handel in anabolen en overige geneesmiddelen hebben opgezet. De verklaring van [getuige] dat [persoon 4] op enig moment de organisatie heeft verlaten en daarna nog maandelijks een bedrag betaald kreeg, wordt ondersteund door de verklaring van [verdachte] . Het hof acht dit aannemelijk en zal een aandeel van de opbrengst aan [persoon 1] en [persoon 4] toerekenen. Ofschoon ten aanzien van [persoon 4] niet kan worden vastgesteld dat hij over de hele bewezenverklaarde periode in de winst heeft gedeeld, gaat het hof daar – ten voordele van de betrokkenen – wel vanuit.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1580 text/xml public 2026-05-12T14:02:47 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-05-07 22-003010-20.a Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1580 text/html public 2026-05-12T14:02:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1580 Gerechtshof Den Haag , 07-05-2026 / 22-003010-20.a Ontneming. Andere feiten waaromtrent aanwijzingen bestaan. Pondspondsgewijze toerekening in verhouding tot de bewezenverklaarde periode. Rolnummer: 22-003010-20 PO Parketnummer: 10-996581-17 Datum uitspraak: 7 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Procesgang Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 7 mei 2026 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 tot en met 6 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: het onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde: eendaadse samenloop van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; het onder 3 bewezenverklaarde: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd; het onder 6 bewezenverklaarde: gewoontewitwassen; veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en is beslist omtrent de in beslag genomen voorwerpen. De rechtbank heeft bij vonnis van 29 oktober 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 182.591,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de duur van een eventueel te vorderen gijzeling 540 dagen bedraagt. Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Vordering van het Openbaar Ministerie De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 207.591,-, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie, in afwijking van de oorspronkelijke vordering, gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op een bedrag van € 231.448,49 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewijsvoering De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vaststelling van de betalingsverplichting Overwegingen Grondslag De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van het hof bestaan er voldoende aanwijzingen dat andere strafbare feiten dan de bewezenverklaarde door de betrokkene zijn begaan en dat hij daaruit voordeel heeft gegenereerd. Die andere feiten bestaat uit de illegale handel in geneesmiddelen waaronder anabolen. Dat de betrokkene hieruit inkomen heeft gegenereerd is door de betrokkene erkend. Juridisch kader Het hof stelt voorop dat als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In geval er verscheidene daders zijn, zal de rechter niet altijd de omvang van dat voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. In zo’n geval dient de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Uitgangspunt totaal behaalde opbrengst In het onderzoek Vejovis is op de computer van [verdachte] een excelbestand aangetroffen. Uit dat excelbestand komt naar voren dat in totaal € 622.775,30 winst is gemaakt met de handel in geneesmiddelen, waaronder anabolen, in de periode 1 september 2014 tot en met 10 april 2017. Dat bedrag is als volgt over de jaren verdeeld: 2014 € 5.882,50 2015 € 137.257,80 2016 € 433.635,00 2017 € 46.000,00 Totaal € 622.775,30 Het bedrag van € 622.775,30 (afgerond: € 622.775) is in het Ontnemingsrapport als uitgangspunt genomen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De administratie is door [verdachte] gevoerd op grond waarvan het hof aanneemt dat het de periode vertegenwoordigt die [verdachte] aan de handel deelnam. De verdediging heeft niet bestreden dat dit bedrag de over deze jaren met de handel in anabolen en overige geneesmiddelen gemaakte winst betreft. Het hof acht aannemelijk dat de aangetroffen administratie een waarheidsgetrouw beeld geeft van de in de tenlastegelegde periode gemaakte winst. Het verweer De verdediging heeft aangevoerd dat van het bedrag van € 622.775,30 meer personen werden betaald dan uitsluitend de drie verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zoals het Openbaar Ministerie aanneemt. De raadsman heeft in zijn pleidooi in hoger beroep uitsluitend verwezen naar het pleidooi in eerste aanleg. Het hof komt tot een andere verdeling van de totale inkomsten en houdt daarbij rekening met andere personen die profiteerden van de handel. Daarmee is gerespondeerd op de verweren. Uitgangspunten toerekening opbrengst Met de verdediging acht het hof in het kader van de beoordeling van de ontnemingsvordering aannemelijk dat [persoon 1] en [persoon 4] de illegale handel in anabolen en overige geneesmiddelen hebben opgezet. De verklaring van [getuige] dat [persoon 4] op enig moment de organisatie heeft verlaten en daarna nog maandelijks een bedrag betaald kreeg, wordt ondersteund door de verklaring van [verdachte] . Het hof acht dit aannemelijk en zal een aandeel van de opbrengst aan [persoon 1] en [persoon 4] toerekenen. Ofschoon ten aanzien van [persoon 4] niet kan worden vastgesteld dat hij over de hele bewezenverklaarde periode in de winst heeft gedeeld, gaat het hof daar – ten voordele van de betrokkenen – wel vanuit.
Volledig
Beoordeling kosten Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen aannemelijk dat niet alleen de in deze zaak aangehouden en veroordeelde personen werkzaamheden verrichtten voor deze handel en daarvoor werden betaald, maar dat daarnaast ook andere personen koerierswerkzaamheden voor die handel hebben verricht en daarvoor een betaling ontvingen. [verdachte] noemt in zijn schriftelijke verklaring van 7 september 2020 een groot aantal personen. Omtrent een aantal van hen blijkt uit het dossier dat zij werkzaamheden verrichtten ten behoeve van de deze handel, namelijk van [medeverdachte 3] , [persoon 2] , en [persoon 3] . Er zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die de blote stelling dat meer personen betaald kregen, ondersteunen. Wel zijn er voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat ook [persoon 5] enige tijd voor de handel heeft gewerkt en het hof zal in het voordeel van betrokkene hiermee rekening houden. In het dossier bevinden zich geen andere aanknopingspunten voor de hoogte van de bedragen die deze medewerkers kregen dan de schriftelijke verklaring van [verdachte] . Op basis van die verklaring houdt het hof rekening met betalingen aan bezorgers [persoon 2] en [persoon 5] van elk € 10.000 en aan bezorger [medeverdachte 3] en [persoon 3] van € 5.000, dat is in totaal € 30.000. Deze ‘kostenpost’ zal naar rato van de hierna te noemen schattingen van wederrechtelijk verkregen voordeel bij betrokkene in mindering worden gebracht. Bij de verdere toerekening van de opbrengst zoekt het hof, naar rato van de periode waarin de betrokkene heeft bijgedragen aan de handel, aansluiting bij de periode die voor de betrokkene bewezen is verklaard. De in het bestand van [verdachte] genoemde winst per jaar wordt omgerekend naar een maandbedrag. Dit maandbedrag wordt vervolgens eerst gedeeld door het aantal betrokkenen dat in die maand aan de handel meedeed en dan vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de betrokkene in het betreffende jaar aan de handel heeft meegewerkt. Dit leidt tot een bedrag per persoon over het aantal maanden dat hij heeft meegewerkt. Indien het aantal personen dat aan de handel meewerkte in de loop van een jaar wijzigt dan wordt voor de periode waarin een nieuw aantal personen werkzaam was een nieuw maandbedrag per persoon berekend, gebaseerd op het aantal personen dat de winst in die nieuwe periode onderling verdeelden. Toedeling van de opbrengst Op basis van bovengenoemde uitgangspunten komt het hof tot de volgende berekening per jaar. 2014 In 2014 was de opbrengst € 5.882,50. In dit jaar waren [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] bij de handel betrokken. Er zijn geen objectief vast te stellen aanwijzingen hoe zij deze opbrengst hebben verdeeld. Een pondspondsgewijze toedeling betekent € 1.960,83 per persoon over 2014. 2015 In 2015 was de opbrengst € 137.257,80. In dit jaar waren [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] twaalf maanden betrokken bij de handel, waarbij [persoon 4] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet meer zelf handelde. Vanaf medio oktober 2015 was ook [medeverdachte 1] betrokken. Er zijn geen objectief vast te stellen aanwijzingen hoe zij deze opbrengst hebben verdeeld. Het hof rekent de winst uit het jaar 2015 terug naar winst per maand en verdeelt dat bedrag pondspondsgewijs over de betrokkenen naar rato van het aantal maanden waarin zij meewerkten. De opbrengst in 2015 per maand was € 137.257,80 gedeeld door 12, dat is 11.438,15 per maand. [medeverdachte 1] was de laatste 2,5 maanden betrokken. Over deze laatste 2,5 maanden werd de opbrengst onder 4 personen verdeeld, derhalve 2.859,54 per persoon per maand. Aan [medeverdachte 1] wordt over 2015 toegerekend een bedrag van 2,5 x 2.859,54 = € 7.148,85. Datzelfde bedrag wordt aan de overige drie toegerekend over de laatste 2,5 maanden. Over de eerste 9,5 maanden wordt aan de overige drie toegerekend 9,5 x (11.438,15 gedeeld door 3) = 9,5 x 3.812,72 = 36.220,81 per persoon. Aan elk van de overige drie personen, [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] , wordt over 2015 toegerekend: 7.148,85 + 36.220,81 = € 43.369,66 2016 In 2016 was de opbrengst € 433.635,00; gedeeld door 12 is dit 36.136,25 per maand. [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] waren twaalf maanden betrokken bij de handel, waarbij [persoon 4] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet zelf handelde. Tot 7 november (het hof rekent tot 1 november, derhalve 10 maanden) was ook [medeverdachte 1] betrokken. Vanaf juni, derhalve 7 maanden, was ook [medeverdachte 2] betrokken. Over de eerste 5 maanden werd de opbrengst (5 x 36.136,25 = 180.681,25) verdeeld tussen 4 personen: [verdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] en [medeverdachte 1] . Derhalve 45.170,31 per persoon. Over de maanden juni tot en met oktober (derhalve 5 maanden) werd de opbrengst (5 x 36.136,25 = 180.681,25) verdeeld over 5 personen: [verdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Derhalve 36.136,25 per persoon. Over de maanden november en december werd de opbrengst (2 x 36.136,25 = 72.272,50) verdeeld over vier personen: [verdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] en [medeverdachte 2] . Derhalve 18.068,13 per persoon. Aan [verdachte] wordt toegerekend: 45.170,31 + 36.136,25 + 18.068,13 = € 99.374.69 Aan [medeverdachte 1] wordt toegerekend: 45.170,31 + 36.136,25 = € 81.306,56 Aan [medeverdachte 2] wordt toegerekend: 36.136,25 + 18.068,13 = € 54.204,38 2017 In 2017 was de opbrengst € 46.000,-. In dit jaar waren [verdachte] , [persoon 1] , [medeverdachte 2] en [persoon 4] tot 11 april betrokken bij de handel, waarbij [persoon 4] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet zelf handelde. Een pondspondsgewijze toedeling die rekening houdt met het aantal maanden dat betrokkene deelnam aan de handel betekent voor ieder van hen € 11.500,00. Conclusie uit deze berekeningen Bovenstaande leidt tot voor betrokkene tot de volgende toedeling over de gehele periode 2014 – 11 april 2017: [verdachte] 1.960,83 + 43.369,66 + 99.374,69 + 11.500 = € 156.205,18 Kosten medewerkers Het hof zal de aannemelijk geachte kosten voor genoemde medewerkers verdelen over de drie betrokkenen naar rato van het aantal maanden waarin zij in de tenlastegelegde periode hebben meegewerkt. [verdachte] heeft 27 maanden meegewerkt (1 januari 2015 – 1 april 2017) [medeverdachte 1] heeft 12,5 maanden meegewerkt (1 oktober 2015 – 1 november 2016) [medeverdachte 2] heeft 10 maanden meegewerkt (1 juni 2016 – 1 april 2017). In totaal gaat het derhalve om 49,5 meegewerkte maanden. De door het hof aannemelijk geachte kosten van 30.000 leveren derhalve een kostenpost van 606,00 per maand op. Bij [verdachte] zal voor de kosten (27 x 606 =) 16.362,00 in mindering worden gebracht Bij [medeverdachte 1] is dat (12,5 x 606 =) 7.575,00 . Bij [medeverdachte 2] is dat (10 x 606 =) 6.060,00. Verbeurdverklaring In de strafzaak van betrokkene heeft het hof een bedrag van € 2.245,00 verbeurd verklaard. Dit zal in mindering worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting. Redelijke termijn Namens de betrokkene is op 2 november 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 7 mei 2026. Gelet daarop is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep met ruim 5 jaar overschreden. Het hof ziet geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak te verdisconteren, nu het hof dit reeds in de strafzaak van de verdachte heeft gedaan. Conclusie Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 139.843,18 (156.205,18 minus 16.362,00) en de betalingsverplichting op € 137.598,18 (139.843,18 minus 2.245,00) en zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen. Toepasselijk wettelijk voorschrift Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zoals dat geldt, dan wel gold.
Volledig
Beoordeling kosten Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen aannemelijk dat niet alleen de in deze zaak aangehouden en veroordeelde personen werkzaamheden verrichtten voor deze handel en daarvoor werden betaald, maar dat daarnaast ook andere personen koerierswerkzaamheden voor die handel hebben verricht en daarvoor een betaling ontvingen. [verdachte] noemt in zijn schriftelijke verklaring van 7 september 2020 een groot aantal personen. Omtrent een aantal van hen blijkt uit het dossier dat zij werkzaamheden verrichtten ten behoeve van de deze handel, namelijk van [medeverdachte 3] , [persoon 2] , en [persoon 3] . Er zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die de blote stelling dat meer personen betaald kregen, ondersteunen. Wel zijn er voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat ook [persoon 5] enige tijd voor de handel heeft gewerkt en het hof zal in het voordeel van betrokkene hiermee rekening houden. In het dossier bevinden zich geen andere aanknopingspunten voor de hoogte van de bedragen die deze medewerkers kregen dan de schriftelijke verklaring van [verdachte] . Op basis van die verklaring houdt het hof rekening met betalingen aan bezorgers [persoon 2] en [persoon 5] van elk € 10.000 en aan bezorger [medeverdachte 3] en [persoon 3] van € 5.000, dat is in totaal € 30.000. Deze ‘kostenpost’ zal naar rato van de hierna te noemen schattingen van wederrechtelijk verkregen voordeel bij betrokkene in mindering worden gebracht. Bij de verdere toerekening van de opbrengst zoekt het hof, naar rato van de periode waarin de betrokkene heeft bijgedragen aan de handel, aansluiting bij de periode die voor de betrokkene bewezen is verklaard. De in het bestand van [verdachte] genoemde winst per jaar wordt omgerekend naar een maandbedrag. Dit maandbedrag wordt vervolgens eerst gedeeld door het aantal betrokkenen dat in die maand aan de handel meedeed en dan vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de betrokkene in het betreffende jaar aan de handel heeft meegewerkt. Dit leidt tot een bedrag per persoon over het aantal maanden dat hij heeft meegewerkt. Indien het aantal personen dat aan de handel meewerkte in de loop van een jaar wijzigt dan wordt voor de periode waarin een nieuw aantal personen werkzaam was een nieuw maandbedrag per persoon berekend, gebaseerd op het aantal personen dat de winst in die nieuwe periode onderling verdeelden. Toedeling van de opbrengst Op basis van bovengenoemde uitgangspunten komt het hof tot de volgende berekening per jaar. 2014 In 2014 was de opbrengst € 5.882,50. In dit jaar waren [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] bij de handel betrokken. Er zijn geen objectief vast te stellen aanwijzingen hoe zij deze opbrengst hebben verdeeld. Een pondspondsgewijze toedeling betekent € 1.960,83 per persoon over 2014. 2015 In 2015 was de opbrengst € 137.257,80. In dit jaar waren [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] twaalf maanden betrokken bij de handel, waarbij [persoon 4] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet meer zelf handelde. Vanaf medio oktober 2015 was ook [medeverdachte 1] betrokken. Er zijn geen objectief vast te stellen aanwijzingen hoe zij deze opbrengst hebben verdeeld. Het hof rekent de winst uit het jaar 2015 terug naar winst per maand en verdeelt dat bedrag pondspondsgewijs over de betrokkenen naar rato van het aantal maanden waarin zij meewerkten. De opbrengst in 2015 per maand was € 137.257,80 gedeeld door 12, dat is 11.438,15 per maand. [medeverdachte 1] was de laatste 2,5 maanden betrokken. Over deze laatste 2,5 maanden werd de opbrengst onder 4 personen verdeeld, derhalve 2.859,54 per persoon per maand. Aan [medeverdachte 1] wordt over 2015 toegerekend een bedrag van 2,5 x 2.859,54 = € 7.148,85. Datzelfde bedrag wordt aan de overige drie toegerekend over de laatste 2,5 maanden. Over de eerste 9,5 maanden wordt aan de overige drie toegerekend 9,5 x (11.438,15 gedeeld door 3) = 9,5 x 3.812,72 = 36.220,81 per persoon. Aan elk van de overige drie personen, [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] , wordt over 2015 toegerekend: 7.148,85 + 36.220,81 = € 43.369,66 2016 In 2016 was de opbrengst € 433.635,00; gedeeld door 12 is dit 36.136,25 per maand. [verdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] waren twaalf maanden betrokken bij de handel, waarbij [persoon 4] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet zelf handelde. Tot 7 november (het hof rekent tot 1 november, derhalve 10 maanden) was ook [medeverdachte 1] betrokken. Vanaf juni, derhalve 7 maanden, was ook [medeverdachte 2] betrokken. Over de eerste 5 maanden werd de opbrengst (5 x 36.136,25 = 180.681,25) verdeeld tussen 4 personen: [verdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] en [medeverdachte 1] . Derhalve 45.170,31 per persoon. Over de maanden juni tot en met oktober (derhalve 5 maanden) werd de opbrengst (5 x 36.136,25 = 180.681,25) verdeeld over 5 personen: [verdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Derhalve 36.136,25 per persoon. Over de maanden november en december werd de opbrengst (2 x 36.136,25 = 72.272,50) verdeeld over vier personen: [verdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] en [medeverdachte 2] . Derhalve 18.068,13 per persoon. Aan [verdachte] wordt toegerekend: 45.170,31 + 36.136,25 + 18.068,13 = € 99.374.69 Aan [medeverdachte 1] wordt toegerekend: 45.170,31 + 36.136,25 = € 81.306,56 Aan [medeverdachte 2] wordt toegerekend: 36.136,25 + 18.068,13 = € 54.204,38 2017 In 2017 was de opbrengst € 46.000,-. In dit jaar waren [verdachte] , [persoon 1] , [medeverdachte 2] en [persoon 4] tot 11 april betrokken bij de handel, waarbij [persoon 4] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet zelf handelde. Een pondspondsgewijze toedeling die rekening houdt met het aantal maanden dat betrokkene deelnam aan de handel betekent voor ieder van hen € 11.500,00. Conclusie uit deze berekeningen Bovenstaande leidt tot voor betrokkene tot de volgende toedeling over de gehele periode 2014 – 11 april 2017: [verdachte] 1.960,83 + 43.369,66 + 99.374,69 + 11.500 = € 156.205,18 Kosten medewerkers Het hof zal de aannemelijk geachte kosten voor genoemde medewerkers verdelen over de drie betrokkenen naar rato van het aantal maanden waarin zij in de tenlastegelegde periode hebben meegewerkt. [verdachte] heeft 27 maanden meegewerkt (1 januari 2015 – 1 april 2017) [medeverdachte 1] heeft 12,5 maanden meegewerkt (1 oktober 2015 – 1 november 2016) [medeverdachte 2] heeft 10 maanden meegewerkt (1 juni 2016 – 1 april 2017). In totaal gaat het derhalve om 49,5 meegewerkte maanden. De door het hof aannemelijk geachte kosten van 30.000 leveren derhalve een kostenpost van 606,00 per maand op. Bij [verdachte] zal voor de kosten (27 x 606 =) 16.362,00 in mindering worden gebracht Bij [medeverdachte 1] is dat (12,5 x 606 =) 7.575,00 . Bij [medeverdachte 2] is dat (10 x 606 =) 6.060,00. Verbeurdverklaring In de strafzaak van betrokkene heeft het hof een bedrag van € 2.245,00 verbeurd verklaard. Dit zal in mindering worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting. Redelijke termijn Namens de betrokkene is op 2 november 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 7 mei 2026. Gelet daarop is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep met ruim 5 jaar overschreden. Het hof ziet geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak te verdisconteren, nu het hof dit reeds in de strafzaak van de verdachte heeft gedaan. Conclusie Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 139.843,18 (156.205,18 minus 16.362,00) en de betalingsverplichting op € 137.598,18 (139.843,18 minus 2.245,00) en zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen. Toepasselijk wettelijk voorschrift Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zoals dat geldt, dan wel gold.