Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:GHDHA:2026:1552
Strafrecht
Hoger beroep
48,775 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1552 text/xml public 2026-05-07T11:08:15 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-15 22-000041-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1552 text/html public 2026-05-07T11:07:22 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1552 Gerechtshof Den Haag , 15-04-2026 / 22-000041-24 Veroordeling voor medeplegen moord en bezit vuurwapen met munitie. Slachtoffer op straat neergeschoten voor ouderlijke woning. Gebruik voor het bewijs van verklaring anonieme getuige. Verwerping alibiverweer. Beslissingen schade benadeelde partijen. Rolnummer: 22-000041-24 Parketnummers: 10-013684-22 en 10-034912-22 Datum uitspraak: 15 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteland] op [geboortedatum 1] 1995, thans gedetineerd in de [verblijfplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht. Tenlastelegging Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn de zaken onder parketnummer 10-013684-22 en parketnummer 10-034912-22 gevoegd. Het hof zal - omwille van de leesbaarheid van het arrest – gebruik maken van een doorlopende nummering van de gevoegd behandelde zaken met inachtneming van de door de rechtbank in eerste aanleg aangebrachte volgorde. Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep (cursief weergegeven) - tenlastegelegd dat: 1. parketnummer 10-013684-22) hij op of omstreeks 3 1 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg. meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2021 tot en met 31 december 2021 te Rotterdam en/of Katwijk en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland. opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het (meermalen) - aanschaffen van een simkaart en/of beltegoed voor [medeverdachte] en/of en/of (een) ander(en) en/of - vervoeren van [medeverdachte] en/of - ( via sms-berichten) geven van instructies aan de koper/handelaar/tussenpersoon ( [neef van medeverdachte] ) van de Opel Corsa en/of - vervoeren van [medeverdachte] naar de [adres 1] en/of [adres 2] en/of [adres 3] en/of [adres 4] en/of de [adres 5] en/of de [adres 6] en/of - aanwezig zijn bij ontmoetingen en/of onderhouden van contacten met [medeverdachte] en/of [neef van medeverdachte] en/of - uitlenen van zijn, verdachtes, auto aan (een) contact(en) van [medeverdachte] ; 2. ( parketnummer 10-013684-22) hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 09 februari 2022 te Rotterdam en/of Vaals en/of Spijkenisse en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder erkenning, meerdere althans één wapen(s) van categorie I en/of categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of III, waaronder een 3D-geprint vuurwapen, type FCG9, heeft/hebben vervaardigd en/of getransformeerd en/of in de uitoefening van een bedrijf heeft/hebben uitgewisseld en/of verhuurd en/of anderszins ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben hersteld en/of heeft/hebben beproefd en/of heeft/hebben verhandeld, en/of heeft onderhandeld over de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) en/of de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) of munitie heeft geregeld, door met één of meer andere(n), te weten “ [persoon 1] ” en/of “ [persoon 2] ” en/of “ [persoon 3] ” en/of “ [persoon 4] ” en/of “ [persoon 5] ” en/of “ [persoon 6] ” en/of “ [persoon 7] ”, afbeeldingen van dat 3D-geprint vuurwapen, type FGC-9, en/of (een) andere vuurwapen(s) en/of onderdelen en/of munitie naar genoemde andere(n) en/of een of meer in Nederland verblijvende personen te verzenden waarop hij, verdachte, (een) reactie(s) ontvangt en/of waarna hij, verdachte, vervolgens op deze reactie(s) reageert , terwijl hij en/of zijn mededadefts) daar een beroep en/of gewoonte van heeft/hebben gemaakt; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 09 februari 2022 te Rotterdam en/of Vaals en/of Spijkenisse en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder erkenning, meerdere althans één wapen(s) van categorie I en/of categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of III, waaronder een 3D-geprint vuurwapen, type FGC-9, te vervaardigen en/of te transformeren en/of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen en/of te verhuren en/of anderszins ter beschikking te stellen en/of te herstellen en/of te beproeven en/of te verhandelen, en/of te onderhandelen over de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) en/of de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) of munitie te regelen, door met één of meer andere(n), te weten “ [persoon 1] ” en/of “ [persoon 2] ” en/of “ [persoon 3] ” en/of “ [persoon 4] ” en/of “ [persoon 5] ” en/of “ [persoon 6] ” en/of “ [persoon 7] ”, afbeeldingen van dat 3D-geprint vuurwapen, type FGC-9,en/of (een) andere vuurwapen(s) en/of onderdelen en/of munitie naar genoemde andere(n) en/of een of meer in Nederland verblijvende personen te verzenden waarop hij, verdachte, (een) reactie(s) ontvangt en/of waarna hij, verdachte, vervolgens op deze reactie(s) reageert, terwijl hij en/of zijn mededader(s) daar een beroep en/of gewoonte van heeft/hebben gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. ( parketnummer 10-034912-22) hij, op of omstreeks 9 februari 2022, te Rotterdam, althans Nederland (in een personenauto van het merk Smart met kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder I O van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Llama Especial .380 kaliber .380 (9mm kort) en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd; 4. ( parketnummer 10-034912-22) hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam (in een woning aan de [adres 7] te Rotterdam), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1552 text/xml public 2026-05-07T11:08:15 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-15 22-000041-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1552 text/html public 2026-05-07T11:07:22 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1552 Gerechtshof Den Haag , 15-04-2026 / 22-000041-24 Veroordeling voor medeplegen moord en bezit vuurwapen met munitie. Slachtoffer op straat neergeschoten voor ouderlijke woning. Gebruik voor het bewijs van verklaring anonieme getuige. Verwerping alibiverweer. Beslissingen schade benadeelde partijen. Rolnummer: 22-000041-24 Parketnummers: 10-013684-22 en 10-034912-22 Datum uitspraak: 15 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteland] op [geboortedatum 1] 1995, thans gedetineerd in de [verblijfplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht. Tenlastelegging Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn de zaken onder parketnummer 10-013684-22 en parketnummer 10-034912-22 gevoegd. Het hof zal - omwille van de leesbaarheid van het arrest – gebruik maken van een doorlopende nummering van de gevoegd behandelde zaken met inachtneming van de door de rechtbank in eerste aanleg aangebrachte volgorde. Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep (cursief weergegeven) - tenlastegelegd dat: 1. parketnummer 10-013684-22) hij op of omstreeks 3 1 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg. meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2021 tot en met 31 december 2021 te Rotterdam en/of Katwijk en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland. opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het (meermalen) - aanschaffen van een simkaart en/of beltegoed voor [medeverdachte] en/of en/of (een) ander(en) en/of - vervoeren van [medeverdachte] en/of - ( via sms-berichten) geven van instructies aan de koper/handelaar/tussenpersoon ( [neef van medeverdachte] ) van de Opel Corsa en/of - vervoeren van [medeverdachte] naar de [adres 1] en/of [adres 2] en/of [adres 3] en/of [adres 4] en/of de [adres 5] en/of de [adres 6] en/of - aanwezig zijn bij ontmoetingen en/of onderhouden van contacten met [medeverdachte] en/of [neef van medeverdachte] en/of - uitlenen van zijn, verdachtes, auto aan (een) contact(en) van [medeverdachte] ; 2. ( parketnummer 10-013684-22) hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 09 februari 2022 te Rotterdam en/of Vaals en/of Spijkenisse en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder erkenning, meerdere althans één wapen(s) van categorie I en/of categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of III, waaronder een 3D-geprint vuurwapen, type FCG9, heeft/hebben vervaardigd en/of getransformeerd en/of in de uitoefening van een bedrijf heeft/hebben uitgewisseld en/of verhuurd en/of anderszins ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben hersteld en/of heeft/hebben beproefd en/of heeft/hebben verhandeld, en/of heeft onderhandeld over de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) en/of de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) of munitie heeft geregeld, door met één of meer andere(n), te weten “ [persoon 1] ” en/of “ [persoon 2] ” en/of “ [persoon 3] ” en/of “ [persoon 4] ” en/of “ [persoon 5] ” en/of “ [persoon 6] ” en/of “ [persoon 7] ”, afbeeldingen van dat 3D-geprint vuurwapen, type FGC-9, en/of (een) andere vuurwapen(s) en/of onderdelen en/of munitie naar genoemde andere(n) en/of een of meer in Nederland verblijvende personen te verzenden waarop hij, verdachte, (een) reactie(s) ontvangt en/of waarna hij, verdachte, vervolgens op deze reactie(s) reageert , terwijl hij en/of zijn mededadefts) daar een beroep en/of gewoonte van heeft/hebben gemaakt; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 09 februari 2022 te Rotterdam en/of Vaals en/of Spijkenisse en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder erkenning, meerdere althans één wapen(s) van categorie I en/of categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of III, waaronder een 3D-geprint vuurwapen, type FGC-9, te vervaardigen en/of te transformeren en/of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen en/of te verhuren en/of anderszins ter beschikking te stellen en/of te herstellen en/of te beproeven en/of te verhandelen, en/of te onderhandelen over de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) en/of de transactie(s) voor de aankoop, verkoop of levering van (een) wapen(s) of munitie te regelen, door met één of meer andere(n), te weten “ [persoon 1] ” en/of “ [persoon 2] ” en/of “ [persoon 3] ” en/of “ [persoon 4] ” en/of “ [persoon 5] ” en/of “ [persoon 6] ” en/of “ [persoon 7] ”, afbeeldingen van dat 3D-geprint vuurwapen, type FGC-9,en/of (een) andere vuurwapen(s) en/of onderdelen en/of munitie naar genoemde andere(n) en/of een of meer in Nederland verblijvende personen te verzenden waarop hij, verdachte, (een) reactie(s) ontvangt en/of waarna hij, verdachte, vervolgens op deze reactie(s) reageert, terwijl hij en/of zijn mededader(s) daar een beroep en/of gewoonte van heeft/hebben gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. ( parketnummer 10-034912-22) hij, op of omstreeks 9 februari 2022, te Rotterdam, althans Nederland (in een personenauto van het merk Smart met kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder I O van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Llama Especial .380 kaliber .380 (9mm kort) en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd; 4. ( parketnummer 10-034912-22) hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam (in een woning aan de [adres 7] te Rotterdam), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art.
Volledig
2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Grand Power model KI00 en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4. gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm voorhanden heeft gehad; 5. ( parketnummer 10-034912-22) hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam, althans in Nederland (in een personenauto van het merk Opel met kenteken [kenteken 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 O van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool met valse merkaanduiding HK P 2000 USP kaliber 9mm en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en), van het merk CBC kaliber 9mm voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] en het in beslag genomen voorwerp is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte instellen hoger beroep van 5 januari 2024 richt het namens de verdachte ingestelde hoger beroep zich uitsluitend tegen de veroordeling ter zake van feit 1. Het openbaar ministerie heeft evenwel onbeperkt hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat alle tenlastegelegde feiten aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde komt. Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het hof volgt de verdediging in haar standpunt en overweegt daartoe als volgt. Tijdens onderzoek aan de telefoon van de verdachte zijn foto’s aangetroffen waarop al dan niet automatische vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen staan afgebeeld. Ook is een afbeelding aangetroffen van een doos ‘Magtech’, bestemd voor 50 patronen (het hof begrijpt: munitie). Daarnaast zijn gesprekken aangetroffen waarin (al dan niet in verhullende taal) wordt gesproken over verschillende vuurwapens en munitie en de (ver)koop daarvan in de periode vanaf 5 januari 2022 tot en met 2 februari 2022. Uit navraag bij een wapenexpert van de politie blijkt dat het bij een van de afbeeldingen vermoedelijk gaat om een 3D-geprint vuurwapen van het type FCG9. De verdachte heeft bij de politie een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij ontkend een of meerdere 3D-geprinte vuurwapens in zijn bezit te hebben gehad dan wel aangeboden te hebben. De foto van het 3D-geprinte vuurwapen had hij op het internet gevonden en hij heeft gedaan ‘net alsof’ hij meer vuurwapens te koop had, aldus de verdachte. Hoewel de inhoud van de door de verdachte gevoerde gesprekken en de op zijn telefoon aangetroffen afbeeldingen minst genomen een vermoeden doen rijzen dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met (een poging tot) de handel in een of meerdere vuurwapens en munitie, kan op grond van de stukken in het dossier niet worden vastgesteld tot welke in artikel 2 van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) genoemde categorieën de in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie zouden behoren. Zo zou het bij een van de afbeeldingen vermoedelijk gaan om een 3D-geprint vuurwapen van het type FCG9, maar een dergelijk wapen is niet bij de verdachte aangetroffen en dus evenmin door de politie onderzocht en geclassificeerd. Enkel een vermoeden gebaseerd op een afbeelding is, zonder nadere feiten en omstandigheden, onvoldoende voor een wettig en overtuigende bewezenverklaring van dit feit. De andere wapens en munitie die zouden zijn verhandeld, dan wel waartoe de verdachte een poging zou hebben gedaan, zijn anders dan de enkele weergave van de afbeelding in het dossier, helemaal niet nader geduid door een wapenexpert van de politie. Evenmin kan uit de aard en de inhoud van de gesprekken voldoende worden afgeleid dat het om echte vuurwapens en munitie gaat. Van een situatie dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat het in de gesprekken steeds om echte vuurwapens en munitie gaat, en meer specifiek van welke in artikel 2 WWM genoemde categorie(ën), is dan ook geen sprake. Dit brengt mee dat het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde reeds hierom niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging - kort weergegeven - het volgende naar voren gebracht. De verklaringen van de anonieme getuige zijn onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Tussen de verdachte (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) was geen sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op het al dan niet met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Overwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 Het hof zal eerst de relevante feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, weergeven. Vervolgens zal het hof de verweren van de verdediging bespreken en tot een oordeel komen. Inleiding Op 31 december 2021 omstreeks 19.20 uur kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de [adres 6] te Rotterdam. Bij de politie was een melding binnengekomen dat er ter hoogte van [adres 6] was geschoten en een persoon voor dood op straat zou liggen. Omstreeks 19.24 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen een persoon op zijn linkerzijde op straat liggen met een scooter tussen zijn benen. Een van de verbalisanten constateerde dat deze persoon geen hartslag meer had en de verbalisanten besloten hem te reanimeren. Hulp mocht niet meer baten. Het tijdstip van overlijden werd afgegeven om 19.44 uur. Deze persoon bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [slachtoffer] ). Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn negen doorschoten, drie inschoten en drie schampschoten geconstateerd. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van een schotletsel door het hoofd (via de rug). De drie inschoten en de overige acht doorschoten in romp en ledematen kunnen via ademhalings- en longfunctiestoornissen alsook bloedverlies hebben bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden. In de directe nabijheid van de plaats delict werden 30 kogelhulzen aangetroffen die waren verschoten met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan.
Volledig
2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Grand Power model KI00 en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4. gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm voorhanden heeft gehad; 5. ( parketnummer 10-034912-22) hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam, althans in Nederland (in een personenauto van het merk Opel met kenteken [kenteken 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 O van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool met valse merkaanduiding HK P 2000 USP kaliber 9mm en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en), van het merk CBC kaliber 9mm voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] en het in beslag genomen voorwerp is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte instellen hoger beroep van 5 januari 2024 richt het namens de verdachte ingestelde hoger beroep zich uitsluitend tegen de veroordeling ter zake van feit 1. Het openbaar ministerie heeft evenwel onbeperkt hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat alle tenlastegelegde feiten aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde komt. Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het hof volgt de verdediging in haar standpunt en overweegt daartoe als volgt. Tijdens onderzoek aan de telefoon van de verdachte zijn foto’s aangetroffen waarop al dan niet automatische vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen staan afgebeeld. Ook is een afbeelding aangetroffen van een doos ‘Magtech’, bestemd voor 50 patronen (het hof begrijpt: munitie). Daarnaast zijn gesprekken aangetroffen waarin (al dan niet in verhullende taal) wordt gesproken over verschillende vuurwapens en munitie en de (ver)koop daarvan in de periode vanaf 5 januari 2022 tot en met 2 februari 2022. Uit navraag bij een wapenexpert van de politie blijkt dat het bij een van de afbeeldingen vermoedelijk gaat om een 3D-geprint vuurwapen van het type FCG9. De verdachte heeft bij de politie een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij ontkend een of meerdere 3D-geprinte vuurwapens in zijn bezit te hebben gehad dan wel aangeboden te hebben. De foto van het 3D-geprinte vuurwapen had hij op het internet gevonden en hij heeft gedaan ‘net alsof’ hij meer vuurwapens te koop had, aldus de verdachte. Hoewel de inhoud van de door de verdachte gevoerde gesprekken en de op zijn telefoon aangetroffen afbeeldingen minst genomen een vermoeden doen rijzen dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met (een poging tot) de handel in een of meerdere vuurwapens en munitie, kan op grond van de stukken in het dossier niet worden vastgesteld tot welke in artikel 2 van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) genoemde categorieën de in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie zouden behoren. Zo zou het bij een van de afbeeldingen vermoedelijk gaan om een 3D-geprint vuurwapen van het type FCG9, maar een dergelijk wapen is niet bij de verdachte aangetroffen en dus evenmin door de politie onderzocht en geclassificeerd. Enkel een vermoeden gebaseerd op een afbeelding is, zonder nadere feiten en omstandigheden, onvoldoende voor een wettig en overtuigende bewezenverklaring van dit feit. De andere wapens en munitie die zouden zijn verhandeld, dan wel waartoe de verdachte een poging zou hebben gedaan, zijn anders dan de enkele weergave van de afbeelding in het dossier, helemaal niet nader geduid door een wapenexpert van de politie. Evenmin kan uit de aard en de inhoud van de gesprekken voldoende worden afgeleid dat het om echte vuurwapens en munitie gaat. Van een situatie dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat het in de gesprekken steeds om echte vuurwapens en munitie gaat, en meer specifiek van welke in artikel 2 WWM genoemde categorie(ën), is dan ook geen sprake. Dit brengt mee dat het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde reeds hierom niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging - kort weergegeven - het volgende naar voren gebracht. De verklaringen van de anonieme getuige zijn onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Tussen de verdachte (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) was geen sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op het al dan niet met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Overwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 Het hof zal eerst de relevante feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, weergeven. Vervolgens zal het hof de verweren van de verdediging bespreken en tot een oordeel komen. Inleiding Op 31 december 2021 omstreeks 19.20 uur kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de [adres 6] te Rotterdam. Bij de politie was een melding binnengekomen dat er ter hoogte van [adres 6] was geschoten en een persoon voor dood op straat zou liggen. Omstreeks 19.24 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen een persoon op zijn linkerzijde op straat liggen met een scooter tussen zijn benen. Een van de verbalisanten constateerde dat deze persoon geen hartslag meer had en de verbalisanten besloten hem te reanimeren. Hulp mocht niet meer baten. Het tijdstip van overlijden werd afgegeven om 19.44 uur. Deze persoon bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [slachtoffer] ). Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn negen doorschoten, drie inschoten en drie schampschoten geconstateerd. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van een schotletsel door het hoofd (via de rug). De drie inschoten en de overige acht doorschoten in romp en ledematen kunnen via ademhalings- en longfunctiestoornissen alsook bloedverlies hebben bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden. In de directe nabijheid van de plaats delict werden 30 kogelhulzen aangetroffen die waren verschoten met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan.
Volledig
Dit schietincident vormde aanleiding om het onderzoek onder de naam TGO Wester op te starten. Dat onderzoek heeft geresulteerd in (onder meer) de volgende bevindingen. De bij het schietincident betrokken auto Op 31 december 2021 stond een getuige met een aantal personen te praten op de hoek van de [adres 8] met de [adres 6] toen hij een grijze auto de [adres 6] in zag komen rijden. Na ongeveer 10 à 12 seconden hoorde hij ‘trrrr’ en zag hij lichtflitsen. Hij wist meteen dat het geluid niet werd veroorzaakt door vuurwerk, maar dat het geweerschoten waren. Een andere getuige, wonend aan de [adres 6] , hoorde op 31 december 2021 rond 19:20 uur vijf tot zeven schoten. Qua geluid dacht hij dat het een automatisch vuurwapen was. Nog een andere getuige hoorde op 31 december 2021 omstreeks 19:20 uur vijftien schoten. Toen hij vanuit zijn woning aan de [adres 6] naar buiten keek, zag hij een kleine grijze auto vol gas in de richting van de [adres 9] rijden. Dat was ongeveer 30 seconden nadat hij de knallen hoorde. Een paar minuten nadat [slachtoffer] op straat was aangetroffen, kwam een melding dat er ter hoogte van de [adres 2] te Rotterdam een personenauto in brand stond. Het bleek te gaan om een grijze Opel Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken 3] (hierna: de Opel Corsa). De ter plaatse gekomen verbalisanten roken een sterke geur, lijkend op benzine. Ook zagen zij een voorwerp op de bestuurdersstoel liggen dat leek op een gesmolten jerrycan. De Opel Corsa bleek aan de binnenzijde gedeeltelijk te zijn verbrand. Uit camerabeelden bleek dat de Opel Corsa omstreeks 19:24:50 uur werd geparkeerd voor de [adres 2] , waarna de bestuurder uitstapte en een passagier via het rechterachterportier uitstapte. Omstreeks 19.25 uur kwam een steekvlam uit de auto. Beide personen renden vervolgens het brandpad naast de [adres 2] in, in de richting van de [adres 17] te Rotterdam. De afstand tussen de [adres 6] , de plaats delict, en de [adres 2] bedraagt een reistijd per auto van bij benadering vier minuten. Aan de hand van verschillende camerabeelden uit de omgeving van de plaats delict en ARS-gegevens (camera’s die kentekens registreren) is onderzoek gedaan naar de route van de Opel Corsa. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat ongeveer 45 seconden nadat [slachtoffer] de [adres 6] in reed, er een grijze Opel Corsa de [adres 6] uit reed en via de [adres 9] en de [adres 18] richting de [adres 19] reed. De [adres 19] ligt naast de [adres 2] waar de Opel Corsa kort daarna brandend werd aangetroffen. De grijze Opel Corsa die op de camerabeelden in de omgeving van de [adres 6] werd waargenomen, had meerdere kenmerken die overeenkwamen met de Opel Corsa. In de periode van 31 december 2021 tussen 18:25 uur en 19:20 uur werden geen andere personenauto’s op de camerabeelden waargenomen, gelijkend op de Opel Corsa. Tussenconclusie Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de Opel Corsa is gebruikt bij het schietincident, waarna deze ongeveer vijf minuten ná het schietincident ter hoogte van nummer [nummer 1] aan de [adres 2] in brand is gestoken. Vervolgens zijn de bestuurder en de passagier van de Opel Corsa weggerend via een brandpad gelegen naast de [adres 2] in de richting van de [adres 17] . Gelet op het korte tijdsverloop tussen het schietincident en het parkeren en in brand steken van de Opel Corsa, gaat het hof ervan uit dat de personen die de bewuste auto hebben geparkeerd ook in die auto zaten ten tijde van het schietincident. Er zijn bovendien geen aanwijzingen in het dossier dat er op dat moment een of meerdere andere personen in de Opel Corsa hebben gezeten. Periode voorafgaand aan het schietincident Met het oog op het beantwoorden van de vraag wie ten tijde van het schietincident de inzittenden van de Opel Corsa waren, zal het hof eerst ingaan op de periode voorafgaand aan het schietincident. Op 30 december 2021, de dag voorafgaand aan het schietincident, was de Opel Corsa op naam gesteld van [neef van medeverdachte] (hierna: [neef van medeverdachte] ), wonende aan de [adres 10] te Rotterdam. [neef van medeverdachte] heeft een tante genaamd [partner van medeverdachte] (hierna: [partner van medeverdachte] ). [partner van medeverdachte] is de partner van [medeverdachte] en zij hebben samen kinderen. Gezien de relatie tussen [partner van medeverdachte] en [medeverdachte] kan [medeverdachte] als de oom van [neef van medeverdachte] worden geduid. [neef van medeverdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van een iPhone 12 met het nummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). Op de iPhone 12 van [neef van medeverdachte] is een aantal WhatsApp-chats aangetroffen, onder meer tussen [neef van medeverdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) dat volgens de politie in gebruik was bij [partner van medeverdachte] (naar het hof begrijpt: [partner van medeverdachte] ). Uit die chats bleek – kort gezegd – dat [neef van medeverdachte] een auto voor zijn oom moest regelen. Op 29 november 2021 vroeg [neef van medeverdachte] aan [partner van medeverdachte] wat voor budget ‘ [naam] ’ heeft voor een auto. ‘ [naam] ’ wil een automaat hebben. [partner van medeverdachte] antwoordde daarop dat zij het niet weet en dat [neef van medeverdachte] het hem zelf maar moet vragen. Vervolgens stuurde zij [neef van medeverdachte] een contact met daaraan gekoppeld twee telefoonnummers, waaronder het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3] ), die bij [medeverdachte] in gebruik waren. Nog diezelfde dag stuurde [medeverdachte] met gebruikmaking van het nummer [telefoonnummer 3] [neef van medeverdachte] een WhatsApp-bericht, inhoudende de mededeling “ik ga je tien uur videobelle als je kan”. Omstreeks 22:02 uur heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [neef van medeverdachte] en genoemd nummer voor de duur van bijna 20 minuten. Het hof maakt hieruit op dat [neef van medeverdachte] in opdracht van [medeverdachte] een auto moest regelen en dat zij hierover contact hebben gehad. Op 29 november 2021 om 22.24 uur stuurde [neef van medeverdachte] een WhatsApp-bericht aan een persoon die in de iPhone 12 was opgeslagen onder de naam ‘ [contactpersoon] ’. Hij appte aan ‘ [contactpersoon] ’ dat zijn oom een auto zoekt en het budget 2500 euro is. Het moet een automaat zijn, met vijf deuren en donkere ramen. Op 4 december 2021 stuurde [neef van medeverdachte] aan ‘ [contactpersoon] ’ een advertentie van een Audi A3 die op Marktplaats te koop stond met daarbij het bericht: “me oom vraagt of we deze kunnen regelen”. Daarop antwoordde ‘ [contactpersoon] ’ dat hij die Audi A3 niets vond. [neef van medeverdachte] reageerde daarop met een bericht dat deze goed is, dat het tijdelijk is, dat de motor niet uitmaakt en dat het voor zijn oom ook niet uitmaakt dat de auto niet zuinig is. Uiteindelijk kwam het niet tot de koop van die Audi A3, omdat die voor de export was bestemd. Op 17 december 2021 omstreeks 06.48 uur reed een witte Daihatsu Cuore met het kenteken [kenteken 4] (hierna: de Daihatsu) het terrein van het [tankstation] aan de [adres 11] te Katwijk op. De Daihatsu was op naam gesteld van [bedrijf] en voorzien van een Track & Trace systeem. [bedrijf] had de Daihatsu vanaf 4 november 2021 ter beschikking gesteld aan [verdachte] die bij dit bedrijf in dienst was. [verdachte] kocht omstreeks 06.51 uur een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ) bij het tankstation. Hij heeft hierover bij de politie verklaard dat hij dat op verzoek van ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ had gedaan. ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ is de bijnaam van [medeverdachte] . Later die dag omstreeks 16.48 uur werd het nummer [telefoonnummer 4] geactiveerd. Het nummer was in gebruik tot en met 31 december 2021. Op de iPhone 12 van [neef van medeverdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] stonden diverse sms-berichten opgeslagen die waren uitgewisseld met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Laatstgenoemd telefoonnummer was niet onder een contactnaam opgeslagen.
Volledig
Dit schietincident vormde aanleiding om het onderzoek onder de naam TGO Wester op te starten. Dat onderzoek heeft geresulteerd in (onder meer) de volgende bevindingen. De bij het schietincident betrokken auto Op 31 december 2021 stond een getuige met een aantal personen te praten op de hoek van de [adres 8] met de [adres 6] toen hij een grijze auto de [adres 6] in zag komen rijden. Na ongeveer 10 à 12 seconden hoorde hij ‘trrrr’ en zag hij lichtflitsen. Hij wist meteen dat het geluid niet werd veroorzaakt door vuurwerk, maar dat het geweerschoten waren. Een andere getuige, wonend aan de [adres 6] , hoorde op 31 december 2021 rond 19:20 uur vijf tot zeven schoten. Qua geluid dacht hij dat het een automatisch vuurwapen was. Nog een andere getuige hoorde op 31 december 2021 omstreeks 19:20 uur vijftien schoten. Toen hij vanuit zijn woning aan de [adres 6] naar buiten keek, zag hij een kleine grijze auto vol gas in de richting van de [adres 9] rijden. Dat was ongeveer 30 seconden nadat hij de knallen hoorde. Een paar minuten nadat [slachtoffer] op straat was aangetroffen, kwam een melding dat er ter hoogte van de [adres 2] te Rotterdam een personenauto in brand stond. Het bleek te gaan om een grijze Opel Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken 3] (hierna: de Opel Corsa). De ter plaatse gekomen verbalisanten roken een sterke geur, lijkend op benzine. Ook zagen zij een voorwerp op de bestuurdersstoel liggen dat leek op een gesmolten jerrycan. De Opel Corsa bleek aan de binnenzijde gedeeltelijk te zijn verbrand. Uit camerabeelden bleek dat de Opel Corsa omstreeks 19:24:50 uur werd geparkeerd voor de [adres 2] , waarna de bestuurder uitstapte en een passagier via het rechterachterportier uitstapte. Omstreeks 19.25 uur kwam een steekvlam uit de auto. Beide personen renden vervolgens het brandpad naast de [adres 2] in, in de richting van de [adres 17] te Rotterdam. De afstand tussen de [adres 6] , de plaats delict, en de [adres 2] bedraagt een reistijd per auto van bij benadering vier minuten. Aan de hand van verschillende camerabeelden uit de omgeving van de plaats delict en ARS-gegevens (camera’s die kentekens registreren) is onderzoek gedaan naar de route van de Opel Corsa. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat ongeveer 45 seconden nadat [slachtoffer] de [adres 6] in reed, er een grijze Opel Corsa de [adres 6] uit reed en via de [adres 9] en de [adres 18] richting de [adres 19] reed. De [adres 19] ligt naast de [adres 2] waar de Opel Corsa kort daarna brandend werd aangetroffen. De grijze Opel Corsa die op de camerabeelden in de omgeving van de [adres 6] werd waargenomen, had meerdere kenmerken die overeenkwamen met de Opel Corsa. In de periode van 31 december 2021 tussen 18:25 uur en 19:20 uur werden geen andere personenauto’s op de camerabeelden waargenomen, gelijkend op de Opel Corsa. Tussenconclusie Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de Opel Corsa is gebruikt bij het schietincident, waarna deze ongeveer vijf minuten ná het schietincident ter hoogte van nummer [nummer 1] aan de [adres 2] in brand is gestoken. Vervolgens zijn de bestuurder en de passagier van de Opel Corsa weggerend via een brandpad gelegen naast de [adres 2] in de richting van de [adres 17] . Gelet op het korte tijdsverloop tussen het schietincident en het parkeren en in brand steken van de Opel Corsa, gaat het hof ervan uit dat de personen die de bewuste auto hebben geparkeerd ook in die auto zaten ten tijde van het schietincident. Er zijn bovendien geen aanwijzingen in het dossier dat er op dat moment een of meerdere andere personen in de Opel Corsa hebben gezeten. Periode voorafgaand aan het schietincident Met het oog op het beantwoorden van de vraag wie ten tijde van het schietincident de inzittenden van de Opel Corsa waren, zal het hof eerst ingaan op de periode voorafgaand aan het schietincident. Op 30 december 2021, de dag voorafgaand aan het schietincident, was de Opel Corsa op naam gesteld van [neef van medeverdachte] (hierna: [neef van medeverdachte] ), wonende aan de [adres 10] te Rotterdam. [neef van medeverdachte] heeft een tante genaamd [partner van medeverdachte] (hierna: [partner van medeverdachte] ). [partner van medeverdachte] is de partner van [medeverdachte] en zij hebben samen kinderen. Gezien de relatie tussen [partner van medeverdachte] en [medeverdachte] kan [medeverdachte] als de oom van [neef van medeverdachte] worden geduid. [neef van medeverdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van een iPhone 12 met het nummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). Op de iPhone 12 van [neef van medeverdachte] is een aantal WhatsApp-chats aangetroffen, onder meer tussen [neef van medeverdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) dat volgens de politie in gebruik was bij [partner van medeverdachte] (naar het hof begrijpt: [partner van medeverdachte] ). Uit die chats bleek – kort gezegd – dat [neef van medeverdachte] een auto voor zijn oom moest regelen. Op 29 november 2021 vroeg [neef van medeverdachte] aan [partner van medeverdachte] wat voor budget ‘ [naam] ’ heeft voor een auto. ‘ [naam] ’ wil een automaat hebben. [partner van medeverdachte] antwoordde daarop dat zij het niet weet en dat [neef van medeverdachte] het hem zelf maar moet vragen. Vervolgens stuurde zij [neef van medeverdachte] een contact met daaraan gekoppeld twee telefoonnummers, waaronder het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3] ), die bij [medeverdachte] in gebruik waren. Nog diezelfde dag stuurde [medeverdachte] met gebruikmaking van het nummer [telefoonnummer 3] [neef van medeverdachte] een WhatsApp-bericht, inhoudende de mededeling “ik ga je tien uur videobelle als je kan”. Omstreeks 22:02 uur heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [neef van medeverdachte] en genoemd nummer voor de duur van bijna 20 minuten. Het hof maakt hieruit op dat [neef van medeverdachte] in opdracht van [medeverdachte] een auto moest regelen en dat zij hierover contact hebben gehad. Op 29 november 2021 om 22.24 uur stuurde [neef van medeverdachte] een WhatsApp-bericht aan een persoon die in de iPhone 12 was opgeslagen onder de naam ‘ [contactpersoon] ’. Hij appte aan ‘ [contactpersoon] ’ dat zijn oom een auto zoekt en het budget 2500 euro is. Het moet een automaat zijn, met vijf deuren en donkere ramen. Op 4 december 2021 stuurde [neef van medeverdachte] aan ‘ [contactpersoon] ’ een advertentie van een Audi A3 die op Marktplaats te koop stond met daarbij het bericht: “me oom vraagt of we deze kunnen regelen”. Daarop antwoordde ‘ [contactpersoon] ’ dat hij die Audi A3 niets vond. [neef van medeverdachte] reageerde daarop met een bericht dat deze goed is, dat het tijdelijk is, dat de motor niet uitmaakt en dat het voor zijn oom ook niet uitmaakt dat de auto niet zuinig is. Uiteindelijk kwam het niet tot de koop van die Audi A3, omdat die voor de export was bestemd. Op 17 december 2021 omstreeks 06.48 uur reed een witte Daihatsu Cuore met het kenteken [kenteken 4] (hierna: de Daihatsu) het terrein van het [tankstation] aan de [adres 11] te Katwijk op. De Daihatsu was op naam gesteld van [bedrijf] en voorzien van een Track & Trace systeem. [bedrijf] had de Daihatsu vanaf 4 november 2021 ter beschikking gesteld aan [verdachte] die bij dit bedrijf in dienst was. [verdachte] kocht omstreeks 06.51 uur een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ) bij het tankstation. Hij heeft hierover bij de politie verklaard dat hij dat op verzoek van ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ had gedaan. ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ is de bijnaam van [medeverdachte] . Later die dag omstreeks 16.48 uur werd het nummer [telefoonnummer 4] geactiveerd. Het nummer was in gebruik tot en met 31 december 2021. Op de iPhone 12 van [neef van medeverdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] stonden diverse sms-berichten opgeslagen die waren uitgewisseld met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Laatstgenoemd telefoonnummer was niet onder een contactnaam opgeslagen.
Volledig
De berichten hadden betrekking op het aanschaffen van een auto en waren verzonden vanaf 18 december 2021. Uit een analyse van de Track & Trace gegevens van de Daihatsu, de historische telecomgegevens van de bij [verdachte] in gebruik zijnde telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ) en [telefoonnummer 6] (hierna: [telefoonnummer 6] ), en de historische telecomgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is naar voren gekomen dat de Track & Trace gegevens van de Daihatsu overeenkomen met de gebruikte zendmasten van de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] in genoemde periode met [verdachte] is meegereisd. Verder is uit onderzoek gebleken dat het nummer [telefoonnummer 4] niet dagelijks in gebruik was en alleen contact leek te hebben met het telefoonnummer van [neef van medeverdachte] . Op 22 december 2021 om 12.34 uur vertrok de Daihatsu vanaf de woning van [verdachte] aan de [adres 12] 62 te Rotterdam. Tussen 13.58 uur en 16.42 uur was de Daihatsu aan de woning gelegen aan de [adres 13] te Dordrecht, een regelmatig verblijfadres van de moeder van [medeverdachte] . In de telefoon van [verdachte] was een video met de datum 22 december 2021, tijdstip 13.36 uur, opgeslagen. Op de video was te zien dat [verdachte] samen met [medeverdachte] in een auto zit. Het telefoonnummer [telefoonnummer 7] was bij [medeverdachte] in gebruik en straalde om 15.57 uur de zendmast aan de [adres 13] 210 te Dordrecht aan. Het telefoonnummer [telefoonnummer 6] van [verdachte] maakte om 15.52 uur gebruik van diezelfde zendmast. Om 16.42 uur reed de Daihatsu via de [adres 12] te Rotterdam naar de [adres 2] te Rotterdam. Daar stond het voertuig van 19.40 uur tot 20.18 uur geparkeerd. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij daar met [medeverdachte] naar toe was gereden en dat hij aldaar enige tijd heeft gewacht. Om 20.18 uur reed de Daihatsu naar de woning van [neef van medeverdachte] aan de [adres 10] te Rotterdam. Nadat de Daihatsu daar om 20.54 uur was gearriveerd, reed die om 21.16 uur weer weg. In die tijd bevonden het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] zich in de directe omgeving van de woning van [neef van medeverdachte] . Uit contacten tussen [partner van medeverdachte] en [neef van medeverdachte] bleek dat [neef van medeverdachte] die avond een afspraak had met [medeverdachte] . Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte] en [verdachte] op 22 december 2021 in ieder geval vanaf 13:36 uur samen zijn geweest, samen naar de woning van [neef van medeverdachte] zijn gereden waar (in ieder geval) [medeverdachte] [neef van medeverdachte] heeft bezocht en vervolgens samen weer zijn weggereden. In de nacht van 22 op 23 december 2021 stuurde [neef van medeverdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met de tekst: “Yo bro, ik heb wat gevonden. Stuur je WhatsApp-nummer dan kan je gelijk zien”. Op 24 december 2021 stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van medeverdachte] , inhoudende: “Was vergeten te vermelden maar het liefst donker ramen”. Daarop reageerde [neef van medeverdachte] met de woorden “oké goed” en dat hij verder gaat kijken. Op 25 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ via WhatsApp een aantal advertenties aan [neef van medeverdachte] waarin Opel Corsa’s te koop werden aangeboden. Op 27 december 2021 vroeg ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van medeverdachte] : “Corsa toch voor je oom”. Op 28 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van medeverdachte] een advertentie van Marktplaats waarin de Opel Corsa te koop werd aangeboden met daaraan gekoppeld de vraag of die goed is. [neef van medeverdachte] antwoordde daarop dat die goed is. Vervolgens vroeg hij wanneer ‘ [contactpersoon] ’ bij die auto gaat kijken en wat ze gaan doen met die folie, want: “Hij wil die echt”. Om 20.53 uur en 20.55 uur belden [neef van medeverdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met elkaar. Een aantal uren daarvoor had [neef van medeverdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gestuurd met daarin de mededeling dat hij een auto had gevonden en de vraag of hij het moest voorschieten. De gebruiker van [telefoonnummer 4] liet daarop weten dat hij contant betaalt. Ook vroeg hij of [neef van medeverdachte] het kan afleveren, omdat hij zelf geen vervoer heeft. In de ochtend en middag van 29 december 2021 was er een aantal keren telefonisch contact tussen [neef van medeverdachte] en [medeverdachte] . Daarin liet [neef van medeverdachte] weten nog niet te kunnen bellen, maar [medeverdachte] wilde contact over ‘die adje’ (naar het hof begrijpt: de eerder bedoelde advertentie waarin een Opel Corsa te koop werd aangeboden) . Uiteindelijk was er om 17.29 uur telefonisch contact tussen hen. Op 29 december 2021 omstreeks 18.23 uur reed [verdachte] in de Daihatsu naar de woning van [partner van medeverdachte] gelegen aan de [adres 14] te [plaats] in België. [medeverdachte] had hem gevraagd om hem en zijn kinderen daar op te halen. Omstreeks 19.54 uur reden [verdachte] en [medeverdachte] terug naar Nederland. In Dordrecht werden de kinderen van [medeverdachte] afgezet bij het adres [adres 13] te Dordrecht. Om 21.09 uur vertrokken [verdachte] en [medeverdachte] vanaf de [adres 13] te Dordrecht in de richting van Rotterdam. Gedurende die rit werd omstreeks 21.15 uur een prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer een zendmast aan de Markettenweg 22b te Dordrecht aan. De Markettenweg ligt in de buurt van de [adres 13] te Dordrecht. Kort daarna werd een tweede prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: * [telefoonnummer 9] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer de zendmast aan de K.P. van de Mandelelaan te Rotterdam aan, die naast de Rijksweg A16 tussen Dordrecht en Rotterdam staat. Beide telefoonnummers straalden zendmasten aan die liggen op de route die de Daihatsu op de bewuste avond reed. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] straalde omstreeks 22.30 uur de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De Beukelsdijk 179 ligt in de nabije omgeving van de woning van [neef van medeverdachte] aan de [adres 10] te Rotterdam. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 december 2021 samen met [medeverdachte] naar de [adres 10] te Rotterdam was gereden. [medeverdachte] had een afspraak met [neef van medeverdachte] die om 22.20 uur in de [adres 10] was. Om 22.36 uur reden [verdachte] en [medeverdachte] naar het woonadres van de moeder van [medeverdachte] aan de [adres 5] te Rotterdam. Volgens de verklaring van [verdachte] verbleef [medeverdachte] daar een aantal dagen. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur en had alleen contact met het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten. Het telefoonnummer gebruikte voornamelijk zendmasten in de directe omgeving van de [adres 5] te Rotterdam. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] vanaf 29 december 2021 te 21.15 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [medeverdachte] . Op 31 december 2021 te 16.34 uur gebruikte het telefoonnummer de zendmast aan de Groene Tuin 277-299 te Rotterdam. Die zendmast ligt nabij de woning aan de [adres 5] te Rotterdam. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] werd op 30 december 2021 vanaf 10.42 uur weer gebruikt. Het telefoonnummer straalde voornamelijk de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De [adres 10] valt binnen het bereik van de deze zendmast. Het telefoonnummer had alleen contact met het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten.
Volledig
De berichten hadden betrekking op het aanschaffen van een auto en waren verzonden vanaf 18 december 2021. Uit een analyse van de Track & Trace gegevens van de Daihatsu, de historische telecomgegevens van de bij [verdachte] in gebruik zijnde telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ) en [telefoonnummer 6] (hierna: [telefoonnummer 6] ), en de historische telecomgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is naar voren gekomen dat de Track & Trace gegevens van de Daihatsu overeenkomen met de gebruikte zendmasten van de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] in genoemde periode met [verdachte] is meegereisd. Verder is uit onderzoek gebleken dat het nummer [telefoonnummer 4] niet dagelijks in gebruik was en alleen contact leek te hebben met het telefoonnummer van [neef van medeverdachte] . Op 22 december 2021 om 12.34 uur vertrok de Daihatsu vanaf de woning van [verdachte] aan de [adres 12] 62 te Rotterdam. Tussen 13.58 uur en 16.42 uur was de Daihatsu aan de woning gelegen aan de [adres 13] te Dordrecht, een regelmatig verblijfadres van de moeder van [medeverdachte] . In de telefoon van [verdachte] was een video met de datum 22 december 2021, tijdstip 13.36 uur, opgeslagen. Op de video was te zien dat [verdachte] samen met [medeverdachte] in een auto zit. Het telefoonnummer [telefoonnummer 7] was bij [medeverdachte] in gebruik en straalde om 15.57 uur de zendmast aan de [adres 13] 210 te Dordrecht aan. Het telefoonnummer [telefoonnummer 6] van [verdachte] maakte om 15.52 uur gebruik van diezelfde zendmast. Om 16.42 uur reed de Daihatsu via de [adres 12] te Rotterdam naar de [adres 2] te Rotterdam. Daar stond het voertuig van 19.40 uur tot 20.18 uur geparkeerd. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij daar met [medeverdachte] naar toe was gereden en dat hij aldaar enige tijd heeft gewacht. Om 20.18 uur reed de Daihatsu naar de woning van [neef van medeverdachte] aan de [adres 10] te Rotterdam. Nadat de Daihatsu daar om 20.54 uur was gearriveerd, reed die om 21.16 uur weer weg. In die tijd bevonden het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] zich in de directe omgeving van de woning van [neef van medeverdachte] . Uit contacten tussen [partner van medeverdachte] en [neef van medeverdachte] bleek dat [neef van medeverdachte] die avond een afspraak had met [medeverdachte] . Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte] en [verdachte] op 22 december 2021 in ieder geval vanaf 13:36 uur samen zijn geweest, samen naar de woning van [neef van medeverdachte] zijn gereden waar (in ieder geval) [medeverdachte] [neef van medeverdachte] heeft bezocht en vervolgens samen weer zijn weggereden. In de nacht van 22 op 23 december 2021 stuurde [neef van medeverdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met de tekst: “Yo bro, ik heb wat gevonden. Stuur je WhatsApp-nummer dan kan je gelijk zien”. Op 24 december 2021 stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van medeverdachte] , inhoudende: “Was vergeten te vermelden maar het liefst donker ramen”. Daarop reageerde [neef van medeverdachte] met de woorden “oké goed” en dat hij verder gaat kijken. Op 25 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ via WhatsApp een aantal advertenties aan [neef van medeverdachte] waarin Opel Corsa’s te koop werden aangeboden. Op 27 december 2021 vroeg ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van medeverdachte] : “Corsa toch voor je oom”. Op 28 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van medeverdachte] een advertentie van Marktplaats waarin de Opel Corsa te koop werd aangeboden met daaraan gekoppeld de vraag of die goed is. [neef van medeverdachte] antwoordde daarop dat die goed is. Vervolgens vroeg hij wanneer ‘ [contactpersoon] ’ bij die auto gaat kijken en wat ze gaan doen met die folie, want: “Hij wil die echt”. Om 20.53 uur en 20.55 uur belden [neef van medeverdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met elkaar. Een aantal uren daarvoor had [neef van medeverdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gestuurd met daarin de mededeling dat hij een auto had gevonden en de vraag of hij het moest voorschieten. De gebruiker van [telefoonnummer 4] liet daarop weten dat hij contant betaalt. Ook vroeg hij of [neef van medeverdachte] het kan afleveren, omdat hij zelf geen vervoer heeft. In de ochtend en middag van 29 december 2021 was er een aantal keren telefonisch contact tussen [neef van medeverdachte] en [medeverdachte] . Daarin liet [neef van medeverdachte] weten nog niet te kunnen bellen, maar [medeverdachte] wilde contact over ‘die adje’ (naar het hof begrijpt: de eerder bedoelde advertentie waarin een Opel Corsa te koop werd aangeboden) . Uiteindelijk was er om 17.29 uur telefonisch contact tussen hen. Op 29 december 2021 omstreeks 18.23 uur reed [verdachte] in de Daihatsu naar de woning van [partner van medeverdachte] gelegen aan de [adres 14] te [plaats] in België. [medeverdachte] had hem gevraagd om hem en zijn kinderen daar op te halen. Omstreeks 19.54 uur reden [verdachte] en [medeverdachte] terug naar Nederland. In Dordrecht werden de kinderen van [medeverdachte] afgezet bij het adres [adres 13] te Dordrecht. Om 21.09 uur vertrokken [verdachte] en [medeverdachte] vanaf de [adres 13] te Dordrecht in de richting van Rotterdam. Gedurende die rit werd omstreeks 21.15 uur een prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer een zendmast aan de Markettenweg 22b te Dordrecht aan. De Markettenweg ligt in de buurt van de [adres 13] te Dordrecht. Kort daarna werd een tweede prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: * [telefoonnummer 9] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer de zendmast aan de K.P. van de Mandelelaan te Rotterdam aan, die naast de Rijksweg A16 tussen Dordrecht en Rotterdam staat. Beide telefoonnummers straalden zendmasten aan die liggen op de route die de Daihatsu op de bewuste avond reed. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] straalde omstreeks 22.30 uur de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De Beukelsdijk 179 ligt in de nabije omgeving van de woning van [neef van medeverdachte] aan de [adres 10] te Rotterdam. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 december 2021 samen met [medeverdachte] naar de [adres 10] te Rotterdam was gereden. [medeverdachte] had een afspraak met [neef van medeverdachte] die om 22.20 uur in de [adres 10] was. Om 22.36 uur reden [verdachte] en [medeverdachte] naar het woonadres van de moeder van [medeverdachte] aan de [adres 5] te Rotterdam. Volgens de verklaring van [verdachte] verbleef [medeverdachte] daar een aantal dagen. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur en had alleen contact met het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten. Het telefoonnummer gebruikte voornamelijk zendmasten in de directe omgeving van de [adres 5] te Rotterdam. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] vanaf 29 december 2021 te 21.15 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [medeverdachte] . Op 31 december 2021 te 16.34 uur gebruikte het telefoonnummer de zendmast aan de Groene Tuin 277-299 te Rotterdam. Die zendmast ligt nabij de woning aan de [adres 5] te Rotterdam. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] werd op 30 december 2021 vanaf 10.42 uur weer gebruikt. Het telefoonnummer straalde voornamelijk de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De [adres 10] valt binnen het bereik van de deze zendmast. Het telefoonnummer had alleen contact met het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten.
Volledig
Het telefoonnummer was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] vanaf 29 december 2021 te 22.30 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [neef van medeverdachte] en dat hij dat telefoonnummer op 30 december 2021 had gekregen van [medeverdachte] . Op 30 december 2021 om 15.12 uur stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van medeverdachte] met daarin de vraag of [neef van medeverdachte] naar de [adres 3] kan komen, omdat hij geen vervoer heeft. In de avond van 30 december 2021 verplaatste het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] zich naar Capelle aan den IJssel. Rond middernacht verplaatste ook het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] zich naar Capelle aan den IJssel. Beide telefoonnummers maakten in de avond regelmatig contact. Om 00.59 uur gebruikten beide telefoonnummers de zendmast aan de Bazuin 2 te Capelle aan den IJssel. Een minuut eerder, om 00.58 uur, was de Daihatsu aangekomen op de [adres 4] te Capelle aan den IJssel, waarna deze om 01.16 uur weer vertrok. De vriendin van [neef van medeverdachte] woonde aan de [adres 15] te Capelle aan den IJssel. Dat is in de nabijheid van de [adres 4] . De telefoon van [neef van medeverdachte] was tussen 00.24 uur en 02.36 uur in de omgeving van de [adres 4] . [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) naar Capelle aan den IJssel had gebracht waar ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ een ontmoeting had met iemand. Uit het voorgaande leidt het hof af dat in de nacht van 30 december 2021 op 31 december 2021 in Capelle aan den IJssel een ontmoeting tussen [neef van medeverdachte] en [medeverdachte] heeft plaatsgevonden waar [verdachte] bij is geweest. Op 31 december 2021 om 03.17 uur stuurde [neef van medeverdachte] een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met het verzoek hem te laten weten wanneer hij ‘het’ kan brengen. Diezelfde dag om 16.34 uur liet [neef van medeverdachte] via een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] weten dat hij er is. Op dat moment straalden de telefoonnummers * [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] de zendmast aan de Groene Tuin te Rotterdam aan. Die zendmast is gelegen in de directe nabijheid van de [adres 3] te Rotterdam. Om 16.34 uur was er ongeveer gedurende 74 seconden contact tussen beide telefoonnummers. Daarna zijn beide telefoonnummers niet meer gebruikt. [neef van medeverdachte] heeft op 11 januari 2022 bij de politie verklaard dat hij de Opel Corsa eerst had opgehaald en vervolgens had weggebracht naar de [adres 3] te Rotterdam waar hij de sleutels van de Opel Corsa had gegeven aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Nadat hij was gearriveerd had hij een sms-bericht verzonden met de mededeling dat hij er was. [verdachte] heeft op 31 maart 2022 tegenover de politie verklaard dat hij op 31 december 2021 eerst naar het huis van ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ was gegaan. Die had hem gevraagd of hij bij het paadje wilde gaan staan omdat iemand een auto zou komen brengen. Ook had ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ hem gevraagd de sleutel aan te nemen. De [adres 3] en de [adres 5] liggen in de directe nabijheid van elkaar. Tussenconclusie Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [medeverdachte] en [verdachte] via [neef van medeverdachte] en een andere tussenpersoon de Opel Corsa hebben aangeschaft die is gebruikt bij het onderhavige schietincident. Daarbij heeft [medeverdachte] het initiatief genomen. Uit de onderlinge communicatie volgt dat de auto niet zuinig hoefde te zijn, omdat het slechts tijdelijk was en dat de ramen liefst donker moesten zijn. Dit vormt op zichzelf een duidelijke aanwijzing dat die auto is aangeschaft voor criminele doeleinden. Bij de communicatie rondom het aanschaffen en afleveren van de Opel Corsa hebben zij gebruikt gemaakt van telefoonnummers die vanaf het moment dat de Opel Corsa was afgeleverd niet meer in gebruik waren. Wie zaten ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa? Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte] en [verdachte] ook degenen zijn geweest die ten tijde van de schietpartij in de Opel Corsa hebben gezeten. Hierbij heeft het hof de volgende aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. Uit de Track & Trace gegevens is gebleken dat de Daihatsu op 31 december 2021 omstreeks 15.30 uur van de [adres 12] te Rotterdam naar de Steenhagen te Rotterdam reed. De Steenhagen ligt in de directe nabijheid van zowel de Noorderhagen als de [adres 5] . De Daihatsu stond vervolgens een uur stil op de Steenhagen. In dat uur vond de overdracht van de Opel Corsa bij de [adres 3] plaats. Om 16.47 uur reed de Daihatsu weer terug naar de [adres 12] , waarna de Daihatsu om 17.01 uur via de [adres 16] weer terugreed naar de Noorderhagen. Onderweg naar de Noorderhagen is om 17.08 uur met de pinpas behorende bij de bankrekening van [verdachte] een betaling met bijbehorende pincode bij [restaurant] IJsselmonde gedaan. Deze vestiging van [restaurant] ligt in de directe omgeving van de Bandeloodijk. De Daihatsu kwam om 17.30 uur aan op de Noorderhagen en werd de rest van de avond tot 23.55 uur niet meer gebruikt. Uit camerabeelden is gebleken dat op 31 december 2021 omstreeks 18.04 uur de Opel Corsa te Rotterdam over de Oosterhagen reed, komende uit de richting van de Hollandse Tuin. Omstreeks 18.22 uur reed de Opel Corsa over de Breeweg in de richting van de [adres 6] . Enkele minuten later, omstreeks 18.25 uur, reed de Opel Corsa over de [adres 9] komende uit de richting van de [adres 6] . Omstreeks 19.19 uur kwam een scooter aangereden over de [adres 9] , komend uit de richting van de [adres 18] . De scooter sloeg linksaf de [adres 6] in. Ongeveer 45 seconden daarna reed de Opel Corsa de [adres 6] uit en sloeg rechtsaf de [adres 9] in. Verder is uit de Track & Trace gegevens gebleken dat de Daihatsu om 23.55 uur naar de [adres 12] te Rotterdam reed en daar vijf minuten later aan kwam. Op 1 januari 2022 om 00.09 uur reed de Daihatsu naar de [adres 13] te Dordrecht. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte] om 00.30 uur naar Dordrecht heeft gebracht. Voorts is van belang hetgeen de getuige [zus van medeverdachte] , de zus van [medeverdachte] , heeft verklaard over de avond van 31 december 2021 en oud en nieuw. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat [partner van medeverdachte] na haar avonddienst op 31 december 2021 alleen naar de woning aan de [adres 13] te Dordrecht was gekomen. De kinderen van [medeverdachte] en [partner van medeverdachte] waren al een paar dagen eerder gekomen. Rond middernacht was [zus van medeverdachte] alleen met [partner van medeverdachte] en haar neefjes in de woning. [zus van medeverdachte] dacht toen nog: “Iets klopt niet”. Pas na middernacht hebben [medeverdachte] en [verdachte] zich bij het gezelschap gevoegd. [zus van medeverdachte] had toen tegen hen gezegd dat het al twaalf uur was geweest en dat zij zo laat waren. Normaal waren zij met oud en nieuw altijd samen. [partner van medeverdachte] had eerder die dag omstreeks 10.52 uur twee WhatsApp-berichten aan de moeder van [medeverdachte] verzonden, inhoudende: “Ik ga proberen vanavond na werk te komen. Ik werk tot 22.00 uur als ik het redt. Alvast een fijne & voorspoedige jaarwisseling met de allerbeste wensen toegewenst. Love you”. Dat [partner van medeverdachte] en haar kinderen met oud en nieuw in de woning aan de [adres 13] waren, volgt ook uit een met de telefoon van [zus van medeverdachte] opgenomen video. Daarop is te zien dat [partner van medeverdachte] het oude jaar aftelt met op de achtergrond een televisie waarop het logo van RTL4 is te zien. Op een andere video is de stem van [partner van medeverdachte] en die van haar kinderen te horen.
Volledig
Het telefoonnummer was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] vanaf 29 december 2021 te 22.30 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [neef van medeverdachte] en dat hij dat telefoonnummer op 30 december 2021 had gekregen van [medeverdachte] . Op 30 december 2021 om 15.12 uur stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van medeverdachte] met daarin de vraag of [neef van medeverdachte] naar de [adres 3] kan komen, omdat hij geen vervoer heeft. In de avond van 30 december 2021 verplaatste het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] zich naar Capelle aan den IJssel. Rond middernacht verplaatste ook het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] zich naar Capelle aan den IJssel. Beide telefoonnummers maakten in de avond regelmatig contact. Om 00.59 uur gebruikten beide telefoonnummers de zendmast aan de Bazuin 2 te Capelle aan den IJssel. Een minuut eerder, om 00.58 uur, was de Daihatsu aangekomen op de [adres 4] te Capelle aan den IJssel, waarna deze om 01.16 uur weer vertrok. De vriendin van [neef van medeverdachte] woonde aan de [adres 15] te Capelle aan den IJssel. Dat is in de nabijheid van de [adres 4] . De telefoon van [neef van medeverdachte] was tussen 00.24 uur en 02.36 uur in de omgeving van de [adres 4] . [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) naar Capelle aan den IJssel had gebracht waar ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ een ontmoeting had met iemand. Uit het voorgaande leidt het hof af dat in de nacht van 30 december 2021 op 31 december 2021 in Capelle aan den IJssel een ontmoeting tussen [neef van medeverdachte] en [medeverdachte] heeft plaatsgevonden waar [verdachte] bij is geweest. Op 31 december 2021 om 03.17 uur stuurde [neef van medeverdachte] een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met het verzoek hem te laten weten wanneer hij ‘het’ kan brengen. Diezelfde dag om 16.34 uur liet [neef van medeverdachte] via een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] weten dat hij er is. Op dat moment straalden de telefoonnummers * [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] de zendmast aan de Groene Tuin te Rotterdam aan. Die zendmast is gelegen in de directe nabijheid van de [adres 3] te Rotterdam. Om 16.34 uur was er ongeveer gedurende 74 seconden contact tussen beide telefoonnummers. Daarna zijn beide telefoonnummers niet meer gebruikt. [neef van medeverdachte] heeft op 11 januari 2022 bij de politie verklaard dat hij de Opel Corsa eerst had opgehaald en vervolgens had weggebracht naar de [adres 3] te Rotterdam waar hij de sleutels van de Opel Corsa had gegeven aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Nadat hij was gearriveerd had hij een sms-bericht verzonden met de mededeling dat hij er was. [verdachte] heeft op 31 maart 2022 tegenover de politie verklaard dat hij op 31 december 2021 eerst naar het huis van ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ was gegaan. Die had hem gevraagd of hij bij het paadje wilde gaan staan omdat iemand een auto zou komen brengen. Ook had ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ hem gevraagd de sleutel aan te nemen. De [adres 3] en de [adres 5] liggen in de directe nabijheid van elkaar. Tussenconclusie Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [medeverdachte] en [verdachte] via [neef van medeverdachte] en een andere tussenpersoon de Opel Corsa hebben aangeschaft die is gebruikt bij het onderhavige schietincident. Daarbij heeft [medeverdachte] het initiatief genomen. Uit de onderlinge communicatie volgt dat de auto niet zuinig hoefde te zijn, omdat het slechts tijdelijk was en dat de ramen liefst donker moesten zijn. Dit vormt op zichzelf een duidelijke aanwijzing dat die auto is aangeschaft voor criminele doeleinden. Bij de communicatie rondom het aanschaffen en afleveren van de Opel Corsa hebben zij gebruikt gemaakt van telefoonnummers die vanaf het moment dat de Opel Corsa was afgeleverd niet meer in gebruik waren. Wie zaten ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa? Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte] en [verdachte] ook degenen zijn geweest die ten tijde van de schietpartij in de Opel Corsa hebben gezeten. Hierbij heeft het hof de volgende aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. Uit de Track & Trace gegevens is gebleken dat de Daihatsu op 31 december 2021 omstreeks 15.30 uur van de [adres 12] te Rotterdam naar de Steenhagen te Rotterdam reed. De Steenhagen ligt in de directe nabijheid van zowel de Noorderhagen als de [adres 5] . De Daihatsu stond vervolgens een uur stil op de Steenhagen. In dat uur vond de overdracht van de Opel Corsa bij de [adres 3] plaats. Om 16.47 uur reed de Daihatsu weer terug naar de [adres 12] , waarna de Daihatsu om 17.01 uur via de [adres 16] weer terugreed naar de Noorderhagen. Onderweg naar de Noorderhagen is om 17.08 uur met de pinpas behorende bij de bankrekening van [verdachte] een betaling met bijbehorende pincode bij [restaurant] IJsselmonde gedaan. Deze vestiging van [restaurant] ligt in de directe omgeving van de Bandeloodijk. De Daihatsu kwam om 17.30 uur aan op de Noorderhagen en werd de rest van de avond tot 23.55 uur niet meer gebruikt. Uit camerabeelden is gebleken dat op 31 december 2021 omstreeks 18.04 uur de Opel Corsa te Rotterdam over de Oosterhagen reed, komende uit de richting van de Hollandse Tuin. Omstreeks 18.22 uur reed de Opel Corsa over de Breeweg in de richting van de [adres 6] . Enkele minuten later, omstreeks 18.25 uur, reed de Opel Corsa over de [adres 9] komende uit de richting van de [adres 6] . Omstreeks 19.19 uur kwam een scooter aangereden over de [adres 9] , komend uit de richting van de [adres 18] . De scooter sloeg linksaf de [adres 6] in. Ongeveer 45 seconden daarna reed de Opel Corsa de [adres 6] uit en sloeg rechtsaf de [adres 9] in. Verder is uit de Track & Trace gegevens gebleken dat de Daihatsu om 23.55 uur naar de [adres 12] te Rotterdam reed en daar vijf minuten later aan kwam. Op 1 januari 2022 om 00.09 uur reed de Daihatsu naar de [adres 13] te Dordrecht. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte] om 00.30 uur naar Dordrecht heeft gebracht. Voorts is van belang hetgeen de getuige [zus van medeverdachte] , de zus van [medeverdachte] , heeft verklaard over de avond van 31 december 2021 en oud en nieuw. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat [partner van medeverdachte] na haar avonddienst op 31 december 2021 alleen naar de woning aan de [adres 13] te Dordrecht was gekomen. De kinderen van [medeverdachte] en [partner van medeverdachte] waren al een paar dagen eerder gekomen. Rond middernacht was [zus van medeverdachte] alleen met [partner van medeverdachte] en haar neefjes in de woning. [zus van medeverdachte] dacht toen nog: “Iets klopt niet”. Pas na middernacht hebben [medeverdachte] en [verdachte] zich bij het gezelschap gevoegd. [zus van medeverdachte] had toen tegen hen gezegd dat het al twaalf uur was geweest en dat zij zo laat waren. Normaal waren zij met oud en nieuw altijd samen. [partner van medeverdachte] had eerder die dag omstreeks 10.52 uur twee WhatsApp-berichten aan de moeder van [medeverdachte] verzonden, inhoudende: “Ik ga proberen vanavond na werk te komen. Ik werk tot 22.00 uur als ik het redt. Alvast een fijne & voorspoedige jaarwisseling met de allerbeste wensen toegewenst. Love you”. Dat [partner van medeverdachte] en haar kinderen met oud en nieuw in de woning aan de [adres 13] waren, volgt ook uit een met de telefoon van [zus van medeverdachte] opgenomen video. Daarop is te zien dat [partner van medeverdachte] het oude jaar aftelt met op de achtergrond een televisie waarop het logo van RTL4 is te zien. Op een andere video is de stem van [partner van medeverdachte] en die van haar kinderen te horen.
Volledig
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte] om half een (het hof begrijpt: 00.30 uur) naar zijn moeder in Dordrecht had gebracht. Daar is hij anderhalf uur gebleven. [zus van medeverdachte] heeft verder bij de politie verklaard dat zij van [partner van medeverdachte] had gehoord dat ‘ze’ wraak hadden genomen omdat de broer van [medeverdachte] en [zus van medeverdachte] was overleden. Er moest wraak worden genomen op de mensen die te maken hadden met de moord op haar broer [broer medeverdachte] . Uit het dossier blijkt dat [broer medeverdachte] (hierna: [broer medeverdachte] ) op 29 mei 2020 voor de ouderlijke woning, gelegen aan de [adres 5] te Rotterdam, is doodgeschoten, nadat hij zou zijn verraden door [broer van slachtoffer] . Laatstgenoemde is de broer van [slachtoffer] . [partner van medeverdachte] had ook tegen [zus van medeverdachte] gezegd dat [medeverdachte] een tijdje weg zou zijn van huis en dat hij zich aan het verschuilen was. [partner van medeverdachte] had het telefoonnummer van [medeverdachte] verwijderd uit de telefoon van [zus van medeverdachte] . In die telefoon stond hij opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’. Alle berichten van en aan ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ waren verwijderd. Volgens [partner van medeverdachte] moest het worden verwijderd voor de politie. Zij had daarbij gezegd: “We hebben geen contact. We hebben hem lang niet gezien”. Uit een opname vertrouwelijke communicatie volgt dat [verdachte] op enig moment tegen een politiemedewerker heeft gezegd dat zijn familie iemand heeft gedood op straat en dat hij zijn neefje heeft geholpen. Dat het motief voor de onderhavige schietpartij wraak was voor de dood van [broer medeverdachte] volgt ook uit de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige. Volgens de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige had de moeder van [medeverdachte] druk uitgeoefend op haar zoons omdat zij wraak wilde voor de dood van [broer medeverdachte] . Het was eigenlijk de bedoeling dat [broer van slachtoffer] zou worden doodgeschoten. Hij was namelijk degene die [broer medeverdachte] op de avond van zijn dood in de val had gelokt. Bij de onderhavige schietpartij was een AK gebruikt, die door [medeverdachte] was aangeschaft. [medeverdachte] had geschoten en [verdachte] had de auto bestuurd. Zij waren die avond twee of drie keer in de straat geweest. Zij hadden lang in de auto moeten wachten voordat er iemand kwam. [verdachte] had samen met [medeverdachte] de plaats delict verlaten. [medeverdachte] was degene die bepaalde wat er ging gebeuren. Tussenconclusie Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat het [medeverdachte] en [verdachte] zijn geweest die ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa hebben gezeten. [verdachte] is de bestuurder van de Opel Corsa geweest en [medeverdachte] heeft op [slachtoffer] geschoten. Vervolgens hebben zij samen de plaats delict in de Opel Corsa verlaten. Verweren van de verdediging Het hof zal ingaan op de verweren van de verdediging. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de anonieme getuige De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de anonieme getuige niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer voorop dat de vraag of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt beoordeeld door de rechter-commissaris en niet door de zittingsrechter. De zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruik maakt van de resultaten van het in artikel 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 21 september 2022 beslist om een getuige die anoniem wenste te blijven aan te merken als bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv. De verdediging heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 1 november 2022 is het hoger beroep ongegrond verklaard. Daarmee is de status van bedreigde getuige definitief geworden. Op 28 februari 2023 is de anonieme getuige door de rechter-commissaris gehoord. Na een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in hoger beroep heeft de rechter-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2025 uiteengezet op welke wijze hij de betrouwbaarheid van de anonieme getuige heeft onderzocht en heeft hij geconcludeerd dat de getuige en de afgelegde verklaring van die getuige als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. In een document van 20 augustus 2025 heeft de rechter-commissaris aanvullende vragen van de verdediging hierover beantwoord. Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van de anonieme getuige toegewezen, in die zin dat de verdediging de gelegenheid is geboden om aan de anonieme getuige nadere vragen te stellen naar aanleiding van de op 28 februari 2023 door de anonieme getuige afgelegde verklaring. De anonieme getuige heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd waarin hij/zij, voor zover mogelijk, antwoord heeft gegeven op de op schrift gestelde vragen die voorafgaand aan het verhoor door de verdediging en het openbaar ministerie waren ingediend. In een proces-verbaal van bevindingen van februari 2026 heeft de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en de inhoud van de door hem/haar afgelegde verklaring beoordeeld. De raadsheer-commissaris is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om de anonieme getuige en zijn/haar verklaring niet betrouwbaar te achten. Het hof stelt vast dat de procedure die in acht is genomen bij de totstandkoming van de verklaringen van de anonieme getuige in overeenstemming is met de voorschriften en waarborgen die zijn neergelegd in artikel 226a Sv. Verder stelt het hof vast dat zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en zijn/haar verklaringen heeft onderzocht en daarover in een proces-verbaal van bevindingen rekenschap heeft afgelegd. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdediging voorafgaand aan het verhoor schriftelijke vragen heeft opgegeven, dat alle door het openbaar ministerie en door de verdediging opgegeven vragen zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord en dat, voor zover de antwoorden niet in het proces-verbaal van verhoor zijn opgenomen, dit nodig was om de identiteit van de getuige verborgen te houden. De beperking en daarbij gevoegd de inbreuk op het ondervragingsrecht van een anonieme getuige voor de procespartijen, vormen de grondslag voor de bepalingen in Sv, die nadere regels stellen voor het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen voor het bewijs. Deze houden in dat de zittingsrechter behoedzaam dient te zijn bij de waardering en het gebruik van zo’n verklaring voor de bewijsvoering. Mede op grond hiervan is aangenomen dat de zittingsrechter zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme getuige dient te beoordelen. Het hof beschikt over het gehele dossier en het betrouwbaarheidsoordeel heeft betrekking op de samenhang tussen de verklaringen van de anonieme getuige en alle overige processtukken. Het hof baseert zijn oordeel hierover op grond van alle voorgaande bevindingen en bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, waarvan in het bijzonder worden vermeld de verklaringen van [zus van medeverdachte] en [verdachte] , de bevindingen omtrent de situatie omstreeks het tijdstip van het schietincident op de plaats delict en de omstandigheid dat op camerabeelden is te zien dat enkele minuten na het schietincident twee personen de bij het schietincident betrokken Opel Corsa verlaten.
Volledig
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte] om half een (het hof begrijpt: 00.30 uur) naar zijn moeder in Dordrecht had gebracht. Daar is hij anderhalf uur gebleven. [zus van medeverdachte] heeft verder bij de politie verklaard dat zij van [partner van medeverdachte] had gehoord dat ‘ze’ wraak hadden genomen omdat de broer van [medeverdachte] en [zus van medeverdachte] was overleden. Er moest wraak worden genomen op de mensen die te maken hadden met de moord op haar broer [broer medeverdachte] . Uit het dossier blijkt dat [broer medeverdachte] (hierna: [broer medeverdachte] ) op 29 mei 2020 voor de ouderlijke woning, gelegen aan de [adres 5] te Rotterdam, is doodgeschoten, nadat hij zou zijn verraden door [broer van slachtoffer] . Laatstgenoemde is de broer van [slachtoffer] . [partner van medeverdachte] had ook tegen [zus van medeverdachte] gezegd dat [medeverdachte] een tijdje weg zou zijn van huis en dat hij zich aan het verschuilen was. [partner van medeverdachte] had het telefoonnummer van [medeverdachte] verwijderd uit de telefoon van [zus van medeverdachte] . In die telefoon stond hij opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’. Alle berichten van en aan ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ waren verwijderd. Volgens [partner van medeverdachte] moest het worden verwijderd voor de politie. Zij had daarbij gezegd: “We hebben geen contact. We hebben hem lang niet gezien”. Uit een opname vertrouwelijke communicatie volgt dat [verdachte] op enig moment tegen een politiemedewerker heeft gezegd dat zijn familie iemand heeft gedood op straat en dat hij zijn neefje heeft geholpen. Dat het motief voor de onderhavige schietpartij wraak was voor de dood van [broer medeverdachte] volgt ook uit de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige. Volgens de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige had de moeder van [medeverdachte] druk uitgeoefend op haar zoons omdat zij wraak wilde voor de dood van [broer medeverdachte] . Het was eigenlijk de bedoeling dat [broer van slachtoffer] zou worden doodgeschoten. Hij was namelijk degene die [broer medeverdachte] op de avond van zijn dood in de val had gelokt. Bij de onderhavige schietpartij was een AK gebruikt, die door [medeverdachte] was aangeschaft. [medeverdachte] had geschoten en [verdachte] had de auto bestuurd. Zij waren die avond twee of drie keer in de straat geweest. Zij hadden lang in de auto moeten wachten voordat er iemand kwam. [verdachte] had samen met [medeverdachte] de plaats delict verlaten. [medeverdachte] was degene die bepaalde wat er ging gebeuren. Tussenconclusie Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat het [medeverdachte] en [verdachte] zijn geweest die ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa hebben gezeten. [verdachte] is de bestuurder van de Opel Corsa geweest en [medeverdachte] heeft op [slachtoffer] geschoten. Vervolgens hebben zij samen de plaats delict in de Opel Corsa verlaten. Verweren van de verdediging Het hof zal ingaan op de verweren van de verdediging. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de anonieme getuige De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de anonieme getuige niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer voorop dat de vraag of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt beoordeeld door de rechter-commissaris en niet door de zittingsrechter. De zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruik maakt van de resultaten van het in artikel 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 21 september 2022 beslist om een getuige die anoniem wenste te blijven aan te merken als bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv. De verdediging heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 1 november 2022 is het hoger beroep ongegrond verklaard. Daarmee is de status van bedreigde getuige definitief geworden. Op 28 februari 2023 is de anonieme getuige door de rechter-commissaris gehoord. Na een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in hoger beroep heeft de rechter-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2025 uiteengezet op welke wijze hij de betrouwbaarheid van de anonieme getuige heeft onderzocht en heeft hij geconcludeerd dat de getuige en de afgelegde verklaring van die getuige als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. In een document van 20 augustus 2025 heeft de rechter-commissaris aanvullende vragen van de verdediging hierover beantwoord. Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van de anonieme getuige toegewezen, in die zin dat de verdediging de gelegenheid is geboden om aan de anonieme getuige nadere vragen te stellen naar aanleiding van de op 28 februari 2023 door de anonieme getuige afgelegde verklaring. De anonieme getuige heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd waarin hij/zij, voor zover mogelijk, antwoord heeft gegeven op de op schrift gestelde vragen die voorafgaand aan het verhoor door de verdediging en het openbaar ministerie waren ingediend. In een proces-verbaal van bevindingen van februari 2026 heeft de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en de inhoud van de door hem/haar afgelegde verklaring beoordeeld. De raadsheer-commissaris is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om de anonieme getuige en zijn/haar verklaring niet betrouwbaar te achten. Het hof stelt vast dat de procedure die in acht is genomen bij de totstandkoming van de verklaringen van de anonieme getuige in overeenstemming is met de voorschriften en waarborgen die zijn neergelegd in artikel 226a Sv. Verder stelt het hof vast dat zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en zijn/haar verklaringen heeft onderzocht en daarover in een proces-verbaal van bevindingen rekenschap heeft afgelegd. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdediging voorafgaand aan het verhoor schriftelijke vragen heeft opgegeven, dat alle door het openbaar ministerie en door de verdediging opgegeven vragen zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord en dat, voor zover de antwoorden niet in het proces-verbaal van verhoor zijn opgenomen, dit nodig was om de identiteit van de getuige verborgen te houden. De beperking en daarbij gevoegd de inbreuk op het ondervragingsrecht van een anonieme getuige voor de procespartijen, vormen de grondslag voor de bepalingen in Sv, die nadere regels stellen voor het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen voor het bewijs. Deze houden in dat de zittingsrechter behoedzaam dient te zijn bij de waardering en het gebruik van zo’n verklaring voor de bewijsvoering. Mede op grond hiervan is aangenomen dat de zittingsrechter zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme getuige dient te beoordelen. Het hof beschikt over het gehele dossier en het betrouwbaarheidsoordeel heeft betrekking op de samenhang tussen de verklaringen van de anonieme getuige en alle overige processtukken. Het hof baseert zijn oordeel hierover op grond van alle voorgaande bevindingen en bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, waarvan in het bijzonder worden vermeld de verklaringen van [zus van medeverdachte] en [verdachte] , de bevindingen omtrent de situatie omstreeks het tijdstip van het schietincident op de plaats delict en de omstandigheid dat op camerabeelden is te zien dat enkele minuten na het schietincident twee personen de bij het schietincident betrokken Opel Corsa verlaten.
Volledig
Ook blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen dat [medeverdachte] de initiator is geweest en een motief had. Daarnaast is de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. Met het oog op het beantwoorden van de vraag of de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar is voor het bewijs is het bepaalde in de artikelen 344a Sv en 360 Sv van belang. In artikel 344a, eerste lid, Sv is bepaald dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op schriftelijke bescheiden met verklaringen van anonieme getuigen. Het hof is van oordeel dat hieraan is voldaan, nu de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd is en steun vindt in de bewijsmiddelen zoals hierboven genoemd. Ook is naar het oordeel van het hof voldaan aan het bepaalde in artikel 344a, tweede lid, Sv. De anonieme getuige is door de raadsheer-commissaris als bedreigde getuige gehoord en het onder 1 tenlastegelegde feit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en levert gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar acht voor het bewijs. Hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht, noopt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt in zoverre dan ook verworpen. Medeplegen op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] ? Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat tussen [medeverdachte] en [verdachte] sprake was van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Uit de aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [medeverdachte] en [verdachte] door middel van tussenpersonen de Opel Corsa hebben aangeschaft die tijdens het schietincident is gebruikt. Daarbij is het initiatief voor het aanschaffen van die Opel Corsa uitgegaan van [medeverdachte] . Bij de communicatie rondom die aanschaf hebben zij gebruik gemaakt van telefoonnummers die uitsluitend voor dat doeleinde zijn gebruikt, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat die telefoonnummers, zodra de auto was afgeleverd, buiten gebruik waren. Op 31 december 2021 omstreeks 16.34 uur is de Opel Corsa afgeleverd in de nabijheid van de woning aan de [adres 5] te Rotterdam waar [medeverdachte] op dat moment verbleef. [verdachte] heeft op verzoek van [medeverdachte] de sleutels van de Opel Corsa in ontvangst genomen. Omstreeks 18.04 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte] in de Opel Corsa in de richting van de [adres 6] te Rotterdam gereden. [verdachte] was de bestuurder van de Opel Corsa. Omstreeks 19.19 uur is [slachtoffer] op zijn scooter de [adres 6] ingereden. Daar heeft [medeverdachte] met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan vanaf een korte afstand in de richting van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is daarbij in zijn hoofd en lichaam geraakt en ter plekke aan zijn verwondingen overleden. [medeverdachte] en [verdachte] zijn omstreeks 19.20 uur in de Opel Corsa de [adres 6] uitgereden en in de richting van de [adres 2] te Rotterdam gereden. Aan de [adres 2] his de Opel Corsa geparkeerd en in brand gestoken. Vervolgens zijn zij samen weggerend. Dat [medeverdachte] en [verdachte] met voorbedachte raad hebben gehandeld leidt het hof af uit de omstandigheid dat zij ruim de tijd hebben gehad om over hun besluit en de gevolgen daarvan na te denken. Zij zijn immers ruim een maand voor het schietincident gestart met de aanschaf van de Opel Corsa, zij zijn die bewuste dag omstreeks 18.04 uur in de richting van de [adres 6] gereden en hebben ruim een uur gewacht voordat zij [slachtoffer] in het vizier kregen. Dat het opzet was gericht op het doden van [slachtoffer] volgt reeds uit de omstandigheid dat er op korte afstand meermalen met een (semi) automatisch geweer op hem is geschoten. Conclusie van het hof Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] zich tezamen en in vereniging met [verdachte] schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Alternatieve lezing van [verdachte] heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij het schietincident en heeft een alternatieve lezing gegeven met betrekking tot zijn activiteiten omstreeks 31 december 2021, de dag van het schietincident. Nu het hof tot de conclusie is gekomen dat [verdachte] ten tijde van het schietincident de Opel Corsa heeft bestuurd, zal het hof de alternatieve lezing bespreken. [verdachte] heeft wisselend verklaard over zijn activiteiten omstreeks 31 december 2021. Zo heeft hij bij de politie op 31 maart 2022 verklaard dat hij de sleutel van de Opel Corsa in opdracht van ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) bij een paadje in ontvangst had genomen, dat hij de sleutel van de Opel Corsa later aan een onbekende jongen genaamd ‘ [onbekende jongen] ’ had gegeven, alsmede de sleutel van de Daihatsu, dat ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ tussen half 10 en 11 uur (het hof begrijpt: 21:30 en 23:00 uur) de sleutel had teruggebracht en [verdachte] de Daihatsu Cuore had opgehaald waarna hij ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ naar Dordrecht heeft gebracht. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [verdachte] verklaard dat hij eerst de sleutels in ontvangst had genomen van een onbekende, dat hij tussen 17:30 uur en 19:30 uur thuis was aan de [adres 12] te Rotterdam en dat hij de Daihatsu Cuore rond middernacht heeft opgehaald op de Noorderhagen te Rotterdam. Na het afgeven van de sleutels had hij met drie verschillende vrouwen afgesproken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat hij rond 16.30 uur in de buurt van de [adres 3] te Rotterdam voor ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ de sleutels van de Opel Corsa van [neef van medeverdachte] had gekregen, dat hij in de Daihatsu naar huis is gereden en dat hij vanaf 17.00 uur in zijn woning aan de [adres 12] te Rotterdam was. Aldaar heeft hij de sleutels van de Opel Corsa en de Daihatsu aan een ander gegeven. Hij is dan ook niet degene geweest die die dag rond 17.30 uur in de Daihatsu weer terug is gereden naar de Noorderhagen. [verdachte] had zijn tas in de auto laten liggen met daarin zijn portemonnee. In die portemonnee zaten zijn bankpas en de daarbij behorende pincode waarmee ‘die jongen’ bij de [restaurant] heeft gepind. Rond middernacht heeft [verdachte] de sleutels van de Daihatsu van ‘die jongen’ teruggekregen. Vervolgens is [verdachte] vanaf de [adres 12] te voet in de richting van ‘daar waar de auto altijd geparkeerd stond’ gelopen om zijn auto op te halen in een straat waarvan hij naar eigen zeggen de naam niet weet. Het hof merkt in dit verband op dat de Daihatsu aan de Noorderhagen geparkeerd stond en de afstand tussen de [adres 12] en de Noorderhagen betreft ongeveer 1,5 kilometer. Vervolgens is hij op 31 december 2021 net na oud en nieuw met [medeverdachte] naar Dordrecht gereden. Volgens [verdachte] zijn er getuigen die kunnen bevestigen dat hij op de bewuste avond thuis is geweest. De eerste in dit verband genoemde getuige is getuige [getuige 1] , de buurvrouw van [verdachte] . Zij heeft verklaard dat zij [verdachte] pas na middernacht heeft gezien. Haar zus heeft die verklaring bevestigd. Getuige [getuige 2] heeft op 16 maart 2023 bij de rechter-commissaris ontkend [verdachte] op 31 december 2021 te hebben gezien. Anders dan [verdachte] stelt, vindt zijn alternatieve lezing geen bevestiging in hetgeen de getuigen hebben verklaard. Ook overigens is in het dossier geen steunbewijs voor die lezing voorhanden. Het hof schuift de alternatieve lezing van [verdachte] dan ook als niet geloofwaardig terzijde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.
Volledig
Ook blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen dat [medeverdachte] de initiator is geweest en een motief had. Daarnaast is de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. Met het oog op het beantwoorden van de vraag of de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar is voor het bewijs is het bepaalde in de artikelen 344a Sv en 360 Sv van belang. In artikel 344a, eerste lid, Sv is bepaald dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op schriftelijke bescheiden met verklaringen van anonieme getuigen. Het hof is van oordeel dat hieraan is voldaan, nu de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd is en steun vindt in de bewijsmiddelen zoals hierboven genoemd. Ook is naar het oordeel van het hof voldaan aan het bepaalde in artikel 344a, tweede lid, Sv. De anonieme getuige is door de raadsheer-commissaris als bedreigde getuige gehoord en het onder 1 tenlastegelegde feit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en levert gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar acht voor het bewijs. Hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht, noopt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt in zoverre dan ook verworpen. Medeplegen op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] ? Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat tussen [medeverdachte] en [verdachte] sprake was van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Uit de aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [medeverdachte] en [verdachte] door middel van tussenpersonen de Opel Corsa hebben aangeschaft die tijdens het schietincident is gebruikt. Daarbij is het initiatief voor het aanschaffen van die Opel Corsa uitgegaan van [medeverdachte] . Bij de communicatie rondom die aanschaf hebben zij gebruik gemaakt van telefoonnummers die uitsluitend voor dat doeleinde zijn gebruikt, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat die telefoonnummers, zodra de auto was afgeleverd, buiten gebruik waren. Op 31 december 2021 omstreeks 16.34 uur is de Opel Corsa afgeleverd in de nabijheid van de woning aan de [adres 5] te Rotterdam waar [medeverdachte] op dat moment verbleef. [verdachte] heeft op verzoek van [medeverdachte] de sleutels van de Opel Corsa in ontvangst genomen. Omstreeks 18.04 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte] in de Opel Corsa in de richting van de [adres 6] te Rotterdam gereden. [verdachte] was de bestuurder van de Opel Corsa. Omstreeks 19.19 uur is [slachtoffer] op zijn scooter de [adres 6] ingereden. Daar heeft [medeverdachte] met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan vanaf een korte afstand in de richting van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is daarbij in zijn hoofd en lichaam geraakt en ter plekke aan zijn verwondingen overleden. [medeverdachte] en [verdachte] zijn omstreeks 19.20 uur in de Opel Corsa de [adres 6] uitgereden en in de richting van de [adres 2] te Rotterdam gereden. Aan de [adres 2] his de Opel Corsa geparkeerd en in brand gestoken. Vervolgens zijn zij samen weggerend. Dat [medeverdachte] en [verdachte] met voorbedachte raad hebben gehandeld leidt het hof af uit de omstandigheid dat zij ruim de tijd hebben gehad om over hun besluit en de gevolgen daarvan na te denken. Zij zijn immers ruim een maand voor het schietincident gestart met de aanschaf van de Opel Corsa, zij zijn die bewuste dag omstreeks 18.04 uur in de richting van de [adres 6] gereden en hebben ruim een uur gewacht voordat zij [slachtoffer] in het vizier kregen. Dat het opzet was gericht op het doden van [slachtoffer] volgt reeds uit de omstandigheid dat er op korte afstand meermalen met een (semi) automatisch geweer op hem is geschoten. Conclusie van het hof Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] zich tezamen en in vereniging met [verdachte] schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Alternatieve lezing van [verdachte] heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij het schietincident en heeft een alternatieve lezing gegeven met betrekking tot zijn activiteiten omstreeks 31 december 2021, de dag van het schietincident. Nu het hof tot de conclusie is gekomen dat [verdachte] ten tijde van het schietincident de Opel Corsa heeft bestuurd, zal het hof de alternatieve lezing bespreken. [verdachte] heeft wisselend verklaard over zijn activiteiten omstreeks 31 december 2021. Zo heeft hij bij de politie op 31 maart 2022 verklaard dat hij de sleutel van de Opel Corsa in opdracht van ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) bij een paadje in ontvangst had genomen, dat hij de sleutel van de Opel Corsa later aan een onbekende jongen genaamd ‘ [onbekende jongen] ’ had gegeven, alsmede de sleutel van de Daihatsu, dat ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ tussen half 10 en 11 uur (het hof begrijpt: 21:30 en 23:00 uur) de sleutel had teruggebracht en [verdachte] de Daihatsu Cuore had opgehaald waarna hij ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ naar Dordrecht heeft gebracht. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [verdachte] verklaard dat hij eerst de sleutels in ontvangst had genomen van een onbekende, dat hij tussen 17:30 uur en 19:30 uur thuis was aan de [adres 12] te Rotterdam en dat hij de Daihatsu Cuore rond middernacht heeft opgehaald op de Noorderhagen te Rotterdam. Na het afgeven van de sleutels had hij met drie verschillende vrouwen afgesproken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat hij rond 16.30 uur in de buurt van de [adres 3] te Rotterdam voor ‘ [bijnaam van medeverdachte] ’ de sleutels van de Opel Corsa van [neef van medeverdachte] had gekregen, dat hij in de Daihatsu naar huis is gereden en dat hij vanaf 17.00 uur in zijn woning aan de [adres 12] te Rotterdam was. Aldaar heeft hij de sleutels van de Opel Corsa en de Daihatsu aan een ander gegeven. Hij is dan ook niet degene geweest die die dag rond 17.30 uur in de Daihatsu weer terug is gereden naar de Noorderhagen. [verdachte] had zijn tas in de auto laten liggen met daarin zijn portemonnee. In die portemonnee zaten zijn bankpas en de daarbij behorende pincode waarmee ‘die jongen’ bij de [restaurant] heeft gepind. Rond middernacht heeft [verdachte] de sleutels van de Daihatsu van ‘die jongen’ teruggekregen. Vervolgens is [verdachte] vanaf de [adres 12] te voet in de richting van ‘daar waar de auto altijd geparkeerd stond’ gelopen om zijn auto op te halen in een straat waarvan hij naar eigen zeggen de naam niet weet. Het hof merkt in dit verband op dat de Daihatsu aan de Noorderhagen geparkeerd stond en de afstand tussen de [adres 12] en de Noorderhagen betreft ongeveer 1,5 kilometer. Vervolgens is hij op 31 december 2021 net na oud en nieuw met [medeverdachte] naar Dordrecht gereden. Volgens [verdachte] zijn er getuigen die kunnen bevestigen dat hij op de bewuste avond thuis is geweest. De eerste in dit verband genoemde getuige is getuige [getuige 1] , de buurvrouw van [verdachte] . Zij heeft verklaard dat zij [verdachte] pas na middernacht heeft gezien. Haar zus heeft die verklaring bevestigd. Getuige [getuige 2] heeft op 16 maart 2023 bij de rechter-commissaris ontkend [verdachte] op 31 december 2021 te hebben gezien. Anders dan [verdachte] stelt, vindt zijn alternatieve lezing geen bevestiging in hetgeen de getuigen hebben verklaard. Ook overigens is in het dossier geen steunbewijs voor die lezing voorhanden. Het hof schuift de alternatieve lezing van [verdachte] dan ook als niet geloofwaardig terzijde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.
Volledig
hij op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/ op het hoofd en /of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 3. hij, op of omstreeks 9 februari 2022, te Rotterdam , althans Nederland ( in een personenauto van het merk Smart met kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder I O van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Llama Especial .380 kaliber .380 (9mm kort) en /of ( daarbij ) ( voor dit vuurwapen geschikte ) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro (o) n ( en ) voorhanden heeft gehad en /of heeft vervoerd; 4. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam ( in een woning aan de [adres 7] te Rotterdam ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Grand Power model KI00 en /of ( daarbij ) ( voor dit vuurwapen geschikte ) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4. gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro (o) n ( en ) , kaliber 9mm voorhanden heeft gehad; 5. hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam , althans in Nederland ( in een personenauto van het merk Opel met kenteken [kenteken 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool met valse merkaanduiding HK P 2000 USP kaliber 9mm en /of ( daarbij ) ( voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro (o) n ( en ) , van het merk CBC kaliber 9mm voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd . Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: 1 primair: medeplegen van moord; 3, 4 en 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan moord door met een (semi)automatisch vuurwapen meermalen op het hoofd en het lichaam van het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer is ter plekke op straat aan zijn verwondingen overleden. Door zo te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft onherstelbaar leed toegebracht bij de nabestaanden, onder wie zijn minderjarige kinderen, en de overige naasten van het slachtoffer. Zij zullen moeten leven met het onomkeerbare verlies van een dierbare. Het enorme leed dat aan de nabestaanden is toegebracht komt duidelijk tot uiting in de in deze procedure ter terechtzitting afgelegde en overgelegde slachtoffer-verklaringen. Daarbij komt dat het schietincident heeft plaatsgevonden op oudejaarsavond omstreeks 19.30 uur op straat, vlakbij de ouderlijke woning van het slachtoffer. Op dat moment waren er mensen, onder meer op straat, die getuige hiervan zijn geweest. Zij hebben de schoten gehoord en het slachtoffer op straat zien liggen. Het is een geluk dat er door het handelen van de verdachte en zijn mededader die avond niet meer slachtoffers zijn gevallen. Meer in het algemeen kan worden gezegd dat een schietincident op straat gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van drie verschillende vuurwapens en bij die vuurwapens behorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat het risico niet denkbeeldig is, blijkt uit de onderhavige zaak waarin het slachtoffer op straat met gebruik van een vuurwapen is doodgeschoten. Strafblad Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van eerdere datum, te weten 29 juli 2022, volgt dat de verdachte op 16 maart 2016 op Curaçao onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het in vereniging plegen van diefstal met geweld. Persoonlijke omstandigheden Verder heeft het hof acht geslagen op een over de persoon van de verdachte opgemaakt Pro Justitia rapport van 26 oktober 2023, opgemaakt door drs. R. de Vries, GZ-psycholoog. Ook heeft het hof acht geslagen op een advies opgesteld op 1 november 2023 door Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). De op te leggen straf Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de onomkeerbaarheid daarvan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan, en de impact ervan op de samenleving. Daarnaast heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep besproken en uit de hiervoor genoemde rapportage en het advies van de reclassering volgt, en de straffen die in het algemeen voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Moord rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles bij elkaar acht het hof oplegging van een langdurige gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden in beginsel in deze strafzaak passend en geboden.
Volledig
hij op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/ op het hoofd en /of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 3. hij, op of omstreeks 9 februari 2022, te Rotterdam , althans Nederland ( in een personenauto van het merk Smart met kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder I O van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Llama Especial .380 kaliber .380 (9mm kort) en /of ( daarbij ) ( voor dit vuurwapen geschikte ) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro (o) n ( en ) voorhanden heeft gehad en /of heeft vervoerd; 4. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam ( in een woning aan de [adres 7] te Rotterdam ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Grand Power model KI00 en /of ( daarbij ) ( voor dit vuurwapen geschikte ) munitie in de zin van artikel 1, lid I onder 4. gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro (o) n ( en ) , kaliber 9mm voorhanden heeft gehad; 5. hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam , althans in Nederland ( in een personenauto van het merk Opel met kenteken [kenteken 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool met valse merkaanduiding HK P 2000 USP kaliber 9mm en /of ( daarbij ) ( voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro (o) n ( en ) , van het merk CBC kaliber 9mm voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd . Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: 1 primair: medeplegen van moord; 3, 4 en 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan moord door met een (semi)automatisch vuurwapen meermalen op het hoofd en het lichaam van het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer is ter plekke op straat aan zijn verwondingen overleden. Door zo te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft onherstelbaar leed toegebracht bij de nabestaanden, onder wie zijn minderjarige kinderen, en de overige naasten van het slachtoffer. Zij zullen moeten leven met het onomkeerbare verlies van een dierbare. Het enorme leed dat aan de nabestaanden is toegebracht komt duidelijk tot uiting in de in deze procedure ter terechtzitting afgelegde en overgelegde slachtoffer-verklaringen. Daarbij komt dat het schietincident heeft plaatsgevonden op oudejaarsavond omstreeks 19.30 uur op straat, vlakbij de ouderlijke woning van het slachtoffer. Op dat moment waren er mensen, onder meer op straat, die getuige hiervan zijn geweest. Zij hebben de schoten gehoord en het slachtoffer op straat zien liggen. Het is een geluk dat er door het handelen van de verdachte en zijn mededader die avond niet meer slachtoffers zijn gevallen. Meer in het algemeen kan worden gezegd dat een schietincident op straat gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van drie verschillende vuurwapens en bij die vuurwapens behorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat het risico niet denkbeeldig is, blijkt uit de onderhavige zaak waarin het slachtoffer op straat met gebruik van een vuurwapen is doodgeschoten. Strafblad Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van eerdere datum, te weten 29 juli 2022, volgt dat de verdachte op 16 maart 2016 op Curaçao onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het in vereniging plegen van diefstal met geweld. Persoonlijke omstandigheden Verder heeft het hof acht geslagen op een over de persoon van de verdachte opgemaakt Pro Justitia rapport van 26 oktober 2023, opgemaakt door drs. R. de Vries, GZ-psycholoog. Ook heeft het hof acht geslagen op een advies opgesteld op 1 november 2023 door Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). De op te leggen straf Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de onomkeerbaarheid daarvan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan, en de impact ervan op de samenleving. Daarnaast heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep besproken en uit de hiervoor genoemde rapportage en het advies van de reclassering volgt, en de straffen die in het algemeen voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Moord rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles bij elkaar acht het hof oplegging van een langdurige gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden in beginsel in deze strafzaak passend en geboden.
Volledig
Dit is een gevangenisstraf van kortere duur dan door het openbaar-ministerie is gevorderd, nu de verdachte integraal van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Daarnaast heeft het hof bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de omstandigheid dat de rol van de verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde een andere is, dan die van de medeverdachte [medeverdachte] van wie het initiatief tot het begaan van het onder 1 bewezenverklaarde is uitgegaan. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 10 februari 2021. De rechtbank heeft op 22 december 2023 uitspraak in de onderhavige zaak gedaan. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 6 maanden. Namens de verdachte is op 5 januari 2024 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2024 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van 6 maanden. Op 13 december 2024 heeft een regiebehandeling van de onderhavige zaak plaatsgevonden. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris bij dit hof voor het horen van 2 getuigen. In verband met de omstandigheid dat de verdediging aanvullende onderzoekswensen had ingediend, heeft op 27 juni 2025 een tweede regiebehandeling van de zaak plaatsgevonden. De zaak is opnieuw verwezen naar de raadsheer-commissaris om (onder meer) de anonieme getuige opnieuw te horen. Op 10 en 11 maart 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden. Op 1 april 2026 is het onderzoek gesloten, waarna op 15 april 2026 arrest wordt gewezen. Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 11 maanden heeft plaatsgevonden. Het hof ziet in de mate van overschrijding, waarbij het hof tevens de duur van de procedure in het geheel heeft betrokken, alsmede de complexiteit van de zaak, aanleiding die te verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal aan de verdachte daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren opleggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de teruggave aan de verdachte wordt gelast van de inbeslaggenomen telefoon van het merk Apple, kleur zwart. Het hof gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen telefoon van het merk Apple, kleur zwart, nu het strafvorderlijk belang zich hiertegen niet (meer) verzet. Vorderingen tot schadevergoeding In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, te weten - [benadeelde partij 1] , de partner van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 113.790,00, bestaande uit een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade en een bedrag van € 110.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 2] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 89.785,00, bestaande uit een bedrag van € 29.785,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 3] , de minderjarige zoon van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 99.900,00, bestaande uit een bedrag van € 39.900,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 4] , de moeder van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 5] , de vader van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 37.500,00, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en - [benadeelde partij 6] , de zus van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 65.057,87, bestaande uit een bedrag van € 10.057,87 aan materiële schade en een bedrag van € 55.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig het vonnis dient te worden beslist Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering. Mocht niet tot vrijspraak worden geoordeeld, dan heeft de verdediging ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen de volgende standpunten ingenomen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, te weten de kosten van de grafsteen, en de gevorderde immateriële schade, te weten affectieschade, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de gevorderde schokschade. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen, subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] De benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot vergoeding van de materiële schade. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het ten aanzien van die vorderingen toe te wijzen bedrag te matigen. Wat betreft de gevorderde immateriële schade dient de schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ te worden afgewezen. Subsidiair dienen de benadeelde partijen ten aanzien van dat deel van hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de gevorderde affectieschade. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De gevorderde affectieschade kan wat de verdediging betreft worden toegewezen. De gevorderde schokschade kan worden toegekend tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 20.000,00. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] Over de gevorderde affectieschade heeft de verdediging geen standpunt ingenomen. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot vergoeding van de materiële schade. De gevorderde affectieschade kan wat de verdediging betreft worden toegewezen.
Volledig
Dit is een gevangenisstraf van kortere duur dan door het openbaar-ministerie is gevorderd, nu de verdachte integraal van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Daarnaast heeft het hof bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de omstandigheid dat de rol van de verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde een andere is, dan die van de medeverdachte [medeverdachte] van wie het initiatief tot het begaan van het onder 1 bewezenverklaarde is uitgegaan. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 10 februari 2021. De rechtbank heeft op 22 december 2023 uitspraak in de onderhavige zaak gedaan. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 6 maanden. Namens de verdachte is op 5 januari 2024 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2024 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van 6 maanden. Op 13 december 2024 heeft een regiebehandeling van de onderhavige zaak plaatsgevonden. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris bij dit hof voor het horen van 2 getuigen. In verband met de omstandigheid dat de verdediging aanvullende onderzoekswensen had ingediend, heeft op 27 juni 2025 een tweede regiebehandeling van de zaak plaatsgevonden. De zaak is opnieuw verwezen naar de raadsheer-commissaris om (onder meer) de anonieme getuige opnieuw te horen. Op 10 en 11 maart 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden. Op 1 april 2026 is het onderzoek gesloten, waarna op 15 april 2026 arrest wordt gewezen. Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 11 maanden heeft plaatsgevonden. Het hof ziet in de mate van overschrijding, waarbij het hof tevens de duur van de procedure in het geheel heeft betrokken, alsmede de complexiteit van de zaak, aanleiding die te verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal aan de verdachte daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren opleggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de teruggave aan de verdachte wordt gelast van de inbeslaggenomen telefoon van het merk Apple, kleur zwart. Het hof gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen telefoon van het merk Apple, kleur zwart, nu het strafvorderlijk belang zich hiertegen niet (meer) verzet. Vorderingen tot schadevergoeding In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, te weten - [benadeelde partij 1] , de partner van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 113.790,00, bestaande uit een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade en een bedrag van € 110.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 2] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 89.785,00, bestaande uit een bedrag van € 29.785,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 3] , de minderjarige zoon van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 99.900,00, bestaande uit een bedrag van € 39.900,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 4] , de moeder van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 5] , de vader van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 37.500,00, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en - [benadeelde partij 6] , de zus van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 65.057,87, bestaande uit een bedrag van € 10.057,87 aan materiële schade en een bedrag van € 55.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig het vonnis dient te worden beslist Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering. Mocht niet tot vrijspraak worden geoordeeld, dan heeft de verdediging ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen de volgende standpunten ingenomen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, te weten de kosten van de grafsteen, en de gevorderde immateriële schade, te weten affectieschade, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de gevorderde schokschade. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen, subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] De benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot vergoeding van de materiële schade. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het ten aanzien van die vorderingen toe te wijzen bedrag te matigen. Wat betreft de gevorderde immateriële schade dient de schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ te worden afgewezen. Subsidiair dienen de benadeelde partijen ten aanzien van dat deel van hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de gevorderde affectieschade. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De gevorderde affectieschade kan wat de verdediging betreft worden toegewezen. De gevorderde schokschade kan worden toegekend tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 20.000,00. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] Over de gevorderde affectieschade heeft de verdediging geen standpunt ingenomen. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot vergoeding van de materiële schade. De gevorderde affectieschade kan wat de verdediging betreft worden toegewezen.
Volledig
De gevorderde schokschade kan worden toegekend tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 20.000,00. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Algemene overwegingen ten aanzien van de vorderingen Juridisch kader De benadeelde partij kan op grond van artikel 51f in verbinding met artikel 361 lid 2, aanhef en onder b, Sv in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging(en) van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW). Schokschade Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’). Voor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7). Affectieschade Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. De wetgever heeft in artikel 6:108, derde lid, van het BW bepaald dat in geval van overlijden een beperkte kring gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade per categorie naasten vaste normbedragen vastgesteld. Aantasting in de persoon op andere wijze Met betrekking tot dit ‘ander nadeel’ bepaalt artikel 6:106, aanhef en onder b, BW dat een benadeelde onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5). Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van de materiële schade Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd dat tot een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 110.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 20.000,00 (affectieschade); € 50.000,00 (schokschade), en € 40.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW, namelijk de levensgezel van het slachtoffer ten tijde van de tenlastegelegde periode. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Vast staat dat de benadeelde partij niet aanwezig is geweest ten tijde van het schietincident zelf en ook niet rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder dat schietincident heeft plaatsgevonden. De eerste directe confrontatie met de gevolgen van het schietincident vond plaats in het ziekenhuis waar de benadeelde partij met het lichaam van het overleden slachtoffer is geconfronteerd. De raadsman van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat dit heeft te gelden als een onverhoedse en onvermijdelijke confrontatie, die heeft geleid tot ernstig en objectiveerbaar geestelijk letsel. Alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan, acht het hof een nadere onderbouwing van de gestelde immateriële schade noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Of het schenden van het recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens de benadeelde partij kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.
Volledig
De gevorderde schokschade kan worden toegekend tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 20.000,00. De schadepost ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Algemene overwegingen ten aanzien van de vorderingen Juridisch kader De benadeelde partij kan op grond van artikel 51f in verbinding met artikel 361 lid 2, aanhef en onder b, Sv in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging(en) van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW). Schokschade Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’). Voor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7). Affectieschade Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. De wetgever heeft in artikel 6:108, derde lid, van het BW bepaald dat in geval van overlijden een beperkte kring gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade per categorie naasten vaste normbedragen vastgesteld. Aantasting in de persoon op andere wijze Met betrekking tot dit ‘ander nadeel’ bepaalt artikel 6:106, aanhef en onder b, BW dat een benadeelde onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5). Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van de materiële schade Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd dat tot een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 110.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 20.000,00 (affectieschade); € 50.000,00 (schokschade), en € 40.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW, namelijk de levensgezel van het slachtoffer ten tijde van de tenlastegelegde periode. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Vast staat dat de benadeelde partij niet aanwezig is geweest ten tijde van het schietincident zelf en ook niet rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder dat schietincident heeft plaatsgevonden. De eerste directe confrontatie met de gevolgen van het schietincident vond plaats in het ziekenhuis waar de benadeelde partij met het lichaam van het overleden slachtoffer is geconfronteerd. De raadsman van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat dit heeft te gelden als een onverhoedse en onvermijdelijke confrontatie, die heeft geleid tot ernstig en objectiveerbaar geestelijk letsel. Alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan, acht het hof een nadere onderbouwing van de gestelde immateriële schade noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Of het schenden van het recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens de benadeelde partij kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.
Volledig
Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 23.790,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade toewijzen met ingang van 17 november 2023, te weten de datum van de vordering tot schadevergoeding, nu bijlage 3 bij de vordering slechts een ongedateerde factuur betreft en het hof niet kan vaststellen wat de exacte datum is waarop deze schade is ontstaan. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige dochter van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van haar vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ten aanzien van de immateriële schade Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige zoon van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd.
Volledig
Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 23.790,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade toewijzen met ingang van 17 november 2023, te weten de datum van de vordering tot schadevergoeding, nu bijlage 3 bij de vordering slechts een ongedateerde factuur betreft en het hof niet kan vaststellen wat de exacte datum is waarop deze schade is ontstaan. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige dochter van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van haar vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ten aanzien van de immateriële schade Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige zoon van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd.
Volledig
Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 17.500,00 (affectieschade); € 40.000,00 (schokschade), en € 20.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c, BW namelijk de moeder van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Het hof overweegt dat op grond van het dossier, waaronder de op 31 december 2021 tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring van de benadeelde partij, niet kan worden vastgesteld op welk moment en onder welke omstandigheden zij met de gevolgen van het schietincident is geconfronteerd. Gelet op die stand van zaken, alsmede gelet op de omstandigheid dat deze schadepost door de verdediging is betwist, acht het hof een nadere onderbouwing en verdere behandeling noodzakelijk, alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter toelichting van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Zij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 5] Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c BW, namelijk de vader van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor hem zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand.
Volledig
Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 17.500,00 (affectieschade); € 40.000,00 (schokschade), en € 20.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c, BW namelijk de moeder van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Het hof overweegt dat op grond van het dossier, waaronder de op 31 december 2021 tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring van de benadeelde partij, niet kan worden vastgesteld op welk moment en onder welke omstandigheden zij met de gevolgen van het schietincident is geconfronteerd. Gelet op die stand van zaken, alsmede gelet op de omstandigheid dat deze schadepost door de verdediging is betwist, acht het hof een nadere onderbouwing en verdere behandeling noodzakelijk, alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter toelichting van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Zij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 5] Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c BW, namelijk de vader van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor hem zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand.