Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:GHDHA:2026:1551
Strafrecht
Hoger beroep
48,360 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1551 text/xml public 2026-05-07T11:26:16 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-15 22-000027-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1551 text/html public 2026-05-07T11:25:47 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1551 Gerechtshof Den Haag , 15-04-2026 / 22-000027-24 Veroordeling voor medeplegen moord en bezit vuurwapen met munitie. Slachtoffer op straat neergeschoten voor ouderlijke woning. Gebruik voor het bewijs van verklaring anonieme getuige. Verwerping alibiverweer. Beslissingen schade benadeelde partijen. Rolnummer: 22-000027-24 Parketnummers: 10-027590-22 en 10-042870-22 (gevoegd) Datum uitspraak: 15 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1994, BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd in [verblijfplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht. Tenlastelegging Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn de zaken onder parketnummer 10-027590-22 en parketnummer 10-042870-22 gevoegd. Het hof zal - omwille van de leesbaarheid van het arrest – gebruik maken van een doorlopende nummering van de gevoegd behandelde zaken met inachtneming van de door de rechtbank in eerste aanleg aangebrachte volgorde. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. parketnummer 10-027590-22) hij op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 2. ( parketnummer 10-042870-22) hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam, althans in Nederland (in een woning aan de [adres 1] te Rotterdam), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Grand Power K100 kaliber 9mm en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 21 kogelpatronen, van het merk/type Div S&B kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. In plaats daarvan heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Vrijspraak van feit 2 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de beschikkingsmacht over het in de tenlastelegging omschreven wapen en de daarin omschreven munitie heeft gehad. Het hof volgt de verdediging in haar standpunt en overweegt daartoe als volgt. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is vereist dat de verdachte het wapen en/of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van ‘een meerdere of mindere mate van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen en/of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen en/of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen en/of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen en/of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen en/of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen en/of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Er dient - kort gezegd – dus te worden voldaan aan drie factoren: de verdachte moet over het wapen en/of de munitie kunnen beschikken, er dient een machtsrelatie tussen de verdachte en het wapen en/of de munitie te zijn en de verdachte moet zich bewust zijn van de aanwezigheid van het wapen en/of de munitie. Bij het beoordelen van de vraag of de verdachte (hierna: [verdachte] ) het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad als bedoeld in artikel 26, eerste lid, WWM heeft het hof de volgende – aan het dossier ontleende – feiten en omstandigheden betrokken. Uit informatie van het Team Criminele Inlichtingen was naar voren gekomen dat zich in de woning van [broer van verdachte 1] (hierna: [broer van verdachte 1] ), de broer van [verdachte] , vermoedelijk een wapen bevond. Op 10 februari 2022 om 0:40 uur vond een doorzoeking van die woning, gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, plaats. Daarbij werd in een van de twee slaapkamers op een direct in het zicht staande airconditioningsunit een wapen aangetroffen. In de directe nabijheid van het wapen werd een zakje met kogelpatronen aangetroffen. Het wapen en de kogelpatronen zijn inbeslaggenomen en voor verder onderzoek bemonsterd. In de bemonstering van de binnenzijde van het wapen is DNA-materiaal aangetroffen dat te herleiden is tot [verdachte] . Uit de bemonstering van de ruwe delen en de trekker van het wapen is een mengprofiel verkregen met daarin eveneens DNA-materiaal dat te herleiden is tot [verdachte] . Uit de bemonstering van de buitenzijde van het patroonmagazijn is een mengprofiel verkregen met daarin DNA-materiaal dat te herleiden is tot minimaal twee personen, te weten de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [verdachte] . Uit het dossier blijkt voorts dat kort voor de doorzoeking van de woning, te weten op 9 februari 2022 om 19.20 uur, door een verbalisant is waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte] het portiek van de [adres 1] te Rotterdam binnen zijn gegaan, nadat [medeverdachte] de toegangsdeur tot het portiek met een sleutel had geopend. Om 21.13 uur is waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte] het portiek weer uitliepen. [broer van verdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] bij hem logeerde en gebruik maakte van de slaapkamer waar het wapen en de kogelpatronen zijn aangetroffen.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1551 text/xml public 2026-05-07T11:26:16 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-15 22-000027-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1551 text/html public 2026-05-07T11:25:47 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1551 Gerechtshof Den Haag , 15-04-2026 / 22-000027-24 Veroordeling voor medeplegen moord en bezit vuurwapen met munitie. Slachtoffer op straat neergeschoten voor ouderlijke woning. Gebruik voor het bewijs van verklaring anonieme getuige. Verwerping alibiverweer. Beslissingen schade benadeelde partijen. Rolnummer: 22-000027-24 Parketnummers: 10-027590-22 en 10-042870-22 (gevoegd) Datum uitspraak: 15 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1994, BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd in [verblijfplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht. Tenlastelegging Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn de zaken onder parketnummer 10-027590-22 en parketnummer 10-042870-22 gevoegd. Het hof zal - omwille van de leesbaarheid van het arrest – gebruik maken van een doorlopende nummering van de gevoegd behandelde zaken met inachtneming van de door de rechtbank in eerste aanleg aangebrachte volgorde. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. parketnummer 10-027590-22) hij op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 2. ( parketnummer 10-042870-22) hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Rotterdam, althans in Nederland (in een woning aan de [adres 1] te Rotterdam), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Grand Power K100 kaliber 9mm en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 21 kogelpatronen, van het merk/type Div S&B kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. In plaats daarvan heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Vrijspraak van feit 2 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de beschikkingsmacht over het in de tenlastelegging omschreven wapen en de daarin omschreven munitie heeft gehad. Het hof volgt de verdediging in haar standpunt en overweegt daartoe als volgt. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is vereist dat de verdachte het wapen en/of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van ‘een meerdere of mindere mate van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen en/of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen en/of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen en/of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen en/of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen en/of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen en/of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Er dient - kort gezegd – dus te worden voldaan aan drie factoren: de verdachte moet over het wapen en/of de munitie kunnen beschikken, er dient een machtsrelatie tussen de verdachte en het wapen en/of de munitie te zijn en de verdachte moet zich bewust zijn van de aanwezigheid van het wapen en/of de munitie. Bij het beoordelen van de vraag of de verdachte (hierna: [verdachte] ) het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad als bedoeld in artikel 26, eerste lid, WWM heeft het hof de volgende – aan het dossier ontleende – feiten en omstandigheden betrokken. Uit informatie van het Team Criminele Inlichtingen was naar voren gekomen dat zich in de woning van [broer van verdachte 1] (hierna: [broer van verdachte 1] ), de broer van [verdachte] , vermoedelijk een wapen bevond. Op 10 februari 2022 om 0:40 uur vond een doorzoeking van die woning, gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, plaats. Daarbij werd in een van de twee slaapkamers op een direct in het zicht staande airconditioningsunit een wapen aangetroffen. In de directe nabijheid van het wapen werd een zakje met kogelpatronen aangetroffen. Het wapen en de kogelpatronen zijn inbeslaggenomen en voor verder onderzoek bemonsterd. In de bemonstering van de binnenzijde van het wapen is DNA-materiaal aangetroffen dat te herleiden is tot [verdachte] . Uit de bemonstering van de ruwe delen en de trekker van het wapen is een mengprofiel verkregen met daarin eveneens DNA-materiaal dat te herleiden is tot [verdachte] . Uit de bemonstering van de buitenzijde van het patroonmagazijn is een mengprofiel verkregen met daarin DNA-materiaal dat te herleiden is tot minimaal twee personen, te weten de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [verdachte] . Uit het dossier blijkt voorts dat kort voor de doorzoeking van de woning, te weten op 9 februari 2022 om 19.20 uur, door een verbalisant is waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte] het portiek van de [adres 1] te Rotterdam binnen zijn gegaan, nadat [medeverdachte] de toegangsdeur tot het portiek met een sleutel had geopend. Om 21.13 uur is waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte] het portiek weer uitliepen. [broer van verdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] bij hem logeerde en gebruik maakte van de slaapkamer waar het wapen en de kogelpatronen zijn aangetroffen.
Volledig
Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat er weliswaar op meerdere plekken op het wapen DNA is aangetroffen dat te herleiden is tot [verdachte] , maar dat dat gegeven op zichzelf nog niet de conclusie rechtvaardigt dat [verdachte] op de tenlastegelegde datum en plaats de beschikkingsmacht hierover heeft gehad. Zo kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld op welk moment en op welke manier het tot [verdachte] te herleiden DNA-materiaal op het wapen terecht is gekomen. Voorts is onder meer een mengprofiel aangetroffen, met daarin DNA dat te herleiden is tot [medeverdachte] , de persoon die ten tijde van het aantreffen van het wapen en de munitie in die slaapkamer verbleef en over een sleutel van de woning beschikte. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] in die periode eveneens in de woning van [broer van verdachte 1] verbleef en/of dat hij over een sleutel van die woning beschikte. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid dat [verdachte] zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en de kogelpatronen aldaar. Gelet op die stand van zaken is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [verdachte] , al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de tenlastegelegde periode de beschikkingsmacht over het bewuste wapen en de kogelpatronen heeft gehad en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben daarvan als bedoeld in artikel 26, eerste lid, WWM. Het voorgaande brengt het hof tot zijn oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij hiervan behoort te worden vrijgesproken. Standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging - kort weergegeven - het volgende naar voren gebracht. De verklaringen van de anonieme getuige zijn onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. [verdachte] heeft een alternatieve verklaring gegeven die niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier en ook niet ongeloofwaardig of onaannemelijk is. Tussen [verdachte] en [medeverdachte] was geen sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op het al dan niet met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Overwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 Het hof zal eerst de relevante feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, weergeven. Vervolgens zal het hof de verweren van de verdediging bespreken en tot een oordeel komen. Inleiding Op 31 december 2021 omstreeks 19.20 uur kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de [adres 2] te Rotterdam. Bij de politie was een melding binnengekomen dat er ter hoogte van [adres 2] was geschoten en een persoon voor dood op straat zou liggen. Omstreeks 19.24 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen een persoon op zijn linkerzijde op straat liggen met een scooter tussen zijn benen. Een van de verbalisanten constateerde dat deze persoon geen hartslag meer had en de verbalisanten besloten hem te reanimeren. Hulp mocht niet meer baten. Het tijdstip van overlijden werd afgegeven om 19.44 uur. Deze persoon bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [slachtoffer] ). Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn negen doorschoten, drie inschoten en drie schampschoten geconstateerd. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van een schotletsel door het hoofd (via de rug). De drie inschoten en de overige acht doorschoten in romp en ledematen kunnen via ademhalings- en longfunctiestoornissen alsook bloedverlies hebben bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden. In de directe nabijheid van de plaats delict werden 30 kogelhulzen aangetroffen die waren verschoten met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan. Dit schietincident vormde aanleiding om het onderzoek onder de naam TGO Wester op te starten. Dat onderzoek heeft geresulteerd in (onder meer) de volgende bevindingen. De bij het schietincident betrokken auto Op 31 december 2021 stond een getuige met een aantal personen te praten op de hoek van de [adres 3] met de [adres 2] toen hij een grijze auto de [adres 2] in zag komen rijden. Na ongeveer 10 à 12 seconden hoorde hij ‘trrrr’ en zag hij lichtflitsen. Hij wist meteen dat het geluid niet werd veroorzaakt door vuurwerk, maar dat het geweerschoten waren. Een andere getuige, wonend aan de [adres 2] , hoorde op 31 december 2021 rond 19:20 uur vijf tot zeven schoten. Qua geluid dacht hij dat het een automatisch vuurwapen was. Nog een andere getuige hoorde op 31 december 2021 omstreeks 19:20 uur vijftien schoten. Toen hij vanuit zijn woning aan de [adres 2] naar buiten keek, zag hij een kleine grijze auto vol gas in de richting van de [adres 4] rijden. Dat was ongeveer 30 seconden nadat hij de knallen hoorde. Een paar minuten nadat [slachtoffer] op straat was aangetroffen, kwam een melding dat er ter hoogte van de [adres 5] te Rotterdam een personenauto in brand stond. Het bleek te gaan om een grijze Opel Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Opel Corsa). De ter plaatse gekomen verbalisanten roken een sterke geur, lijkend op benzine. Ook zagen zij een voorwerp op de bestuurdersstoel liggen dat leek op een gesmolten jerrycan. De Opel Corsa bleek aan de binnenzijde gedeeltelijk te zijn verbrand. Uit camerabeelden bleek dat de Opel Corsa omstreeks 19:24:50 uur werd geparkeerd voor de [adres 5] , waarna de bestuurder uitstapte en een passagier via het rechterachterportier uitstapte. Omstreeks 19.25 uur kwam een steekvlam uit de auto. Beide personen renden vervolgens het brandpad naast de [adres 5] in, in de richting van de [adres 16] te Rotterdam. De afstand tussen de [adres 2] , de plaats delict, en de [adres 5] bedraagt een reistijd per auto van bij benadering vier minuten. Aan de hand van verschillende camerabeelden uit de omgeving van de plaats delict en ARS-gegevens (camera’s die kentekens registreren) is onderzoek gedaan naar de route van de Opel Corsa. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat ongeveer 45 seconden nadat [slachtoffer] de [adres 2] in reed, er een grijze Opel Corsa de [adres 2] uit reed en via de [adres 4] en de [adres 17] richting de [adres 18] reed. De [adres 18] ligt naast de [adres 5] waar de Opel Corsa kort daarna brandend werd aangetroffen. De grijze Opel Corsa die op de camerabeelden in de omgeving van de [adres 2] werd waargenomen, had meerdere kenmerken die overeenkwamen met de Opel Corsa. In de periode van 31 december 2021 tussen 18:25 uur en 19:20 uur werden geen andere personenauto’s op de camerabeelden waargenomen, gelijkend op de Opel Corsa. Tussenconclusie Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de Opel Corsa is gebruikt bij het schietincident, waarna deze ongeveer vijf minuten ná het schietincident ter hoogte van nummer [nummer 1] aan de [adres 5] in brand is gestoken. Vervolgens zijn de bestuurder en de passagier van de Opel Corsa weggerend via een brandpad gelegen naast de [adres 5] in de richting van de [adres 16] . Gelet op het korte tijdsverloop tussen het schietincident en het parkeren en in brand steken van de Opel Corsa, gaat het hof ervan uit dat de personen die de bewuste auto hebben geparkeerd ook in die auto zaten ten tijde van het schietincident. Er zijn bovendien geen aanwijzingen in het dossier dat er op dat moment een of meerdere andere personen in de Opel Corsa hebben gezeten. Periode voorafgaand aan het schietincident Met het oog op het beantwoorden van de vraag wie ten tijde van het schietincident de inzittenden van de Opel Corsa waren, zal het hof eerst ingaan op de periode voorafgaand aan het schietincident. Op 30 december 2021, de dag voorafgaand aan het schietincident, was de Opel Corsa op naam gesteld van [neef van verdachte] (hierna: [neef van verdachte] ), wonende aan de [adres 6] te Rotterdam.
Volledig
Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat er weliswaar op meerdere plekken op het wapen DNA is aangetroffen dat te herleiden is tot [verdachte] , maar dat dat gegeven op zichzelf nog niet de conclusie rechtvaardigt dat [verdachte] op de tenlastegelegde datum en plaats de beschikkingsmacht hierover heeft gehad. Zo kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld op welk moment en op welke manier het tot [verdachte] te herleiden DNA-materiaal op het wapen terecht is gekomen. Voorts is onder meer een mengprofiel aangetroffen, met daarin DNA dat te herleiden is tot [medeverdachte] , de persoon die ten tijde van het aantreffen van het wapen en de munitie in die slaapkamer verbleef en over een sleutel van de woning beschikte. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] in die periode eveneens in de woning van [broer van verdachte 1] verbleef en/of dat hij over een sleutel van die woning beschikte. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid dat [verdachte] zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en de kogelpatronen aldaar. Gelet op die stand van zaken is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [verdachte] , al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de tenlastegelegde periode de beschikkingsmacht over het bewuste wapen en de kogelpatronen heeft gehad en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben daarvan als bedoeld in artikel 26, eerste lid, WWM. Het voorgaande brengt het hof tot zijn oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij hiervan behoort te worden vrijgesproken. Standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging - kort weergegeven - het volgende naar voren gebracht. De verklaringen van de anonieme getuige zijn onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. [verdachte] heeft een alternatieve verklaring gegeven die niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier en ook niet ongeloofwaardig of onaannemelijk is. Tussen [verdachte] en [medeverdachte] was geen sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op het al dan niet met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Overwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 Het hof zal eerst de relevante feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, weergeven. Vervolgens zal het hof de verweren van de verdediging bespreken en tot een oordeel komen. Inleiding Op 31 december 2021 omstreeks 19.20 uur kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de [adres 2] te Rotterdam. Bij de politie was een melding binnengekomen dat er ter hoogte van [adres 2] was geschoten en een persoon voor dood op straat zou liggen. Omstreeks 19.24 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen een persoon op zijn linkerzijde op straat liggen met een scooter tussen zijn benen. Een van de verbalisanten constateerde dat deze persoon geen hartslag meer had en de verbalisanten besloten hem te reanimeren. Hulp mocht niet meer baten. Het tijdstip van overlijden werd afgegeven om 19.44 uur. Deze persoon bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [slachtoffer] ). Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn negen doorschoten, drie inschoten en drie schampschoten geconstateerd. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van een schotletsel door het hoofd (via de rug). De drie inschoten en de overige acht doorschoten in romp en ledematen kunnen via ademhalings- en longfunctiestoornissen alsook bloedverlies hebben bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden. In de directe nabijheid van de plaats delict werden 30 kogelhulzen aangetroffen die waren verschoten met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan. Dit schietincident vormde aanleiding om het onderzoek onder de naam TGO Wester op te starten. Dat onderzoek heeft geresulteerd in (onder meer) de volgende bevindingen. De bij het schietincident betrokken auto Op 31 december 2021 stond een getuige met een aantal personen te praten op de hoek van de [adres 3] met de [adres 2] toen hij een grijze auto de [adres 2] in zag komen rijden. Na ongeveer 10 à 12 seconden hoorde hij ‘trrrr’ en zag hij lichtflitsen. Hij wist meteen dat het geluid niet werd veroorzaakt door vuurwerk, maar dat het geweerschoten waren. Een andere getuige, wonend aan de [adres 2] , hoorde op 31 december 2021 rond 19:20 uur vijf tot zeven schoten. Qua geluid dacht hij dat het een automatisch vuurwapen was. Nog een andere getuige hoorde op 31 december 2021 omstreeks 19:20 uur vijftien schoten. Toen hij vanuit zijn woning aan de [adres 2] naar buiten keek, zag hij een kleine grijze auto vol gas in de richting van de [adres 4] rijden. Dat was ongeveer 30 seconden nadat hij de knallen hoorde. Een paar minuten nadat [slachtoffer] op straat was aangetroffen, kwam een melding dat er ter hoogte van de [adres 5] te Rotterdam een personenauto in brand stond. Het bleek te gaan om een grijze Opel Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Opel Corsa). De ter plaatse gekomen verbalisanten roken een sterke geur, lijkend op benzine. Ook zagen zij een voorwerp op de bestuurdersstoel liggen dat leek op een gesmolten jerrycan. De Opel Corsa bleek aan de binnenzijde gedeeltelijk te zijn verbrand. Uit camerabeelden bleek dat de Opel Corsa omstreeks 19:24:50 uur werd geparkeerd voor de [adres 5] , waarna de bestuurder uitstapte en een passagier via het rechterachterportier uitstapte. Omstreeks 19.25 uur kwam een steekvlam uit de auto. Beide personen renden vervolgens het brandpad naast de [adres 5] in, in de richting van de [adres 16] te Rotterdam. De afstand tussen de [adres 2] , de plaats delict, en de [adres 5] bedraagt een reistijd per auto van bij benadering vier minuten. Aan de hand van verschillende camerabeelden uit de omgeving van de plaats delict en ARS-gegevens (camera’s die kentekens registreren) is onderzoek gedaan naar de route van de Opel Corsa. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat ongeveer 45 seconden nadat [slachtoffer] de [adres 2] in reed, er een grijze Opel Corsa de [adres 2] uit reed en via de [adres 4] en de [adres 17] richting de [adres 18] reed. De [adres 18] ligt naast de [adres 5] waar de Opel Corsa kort daarna brandend werd aangetroffen. De grijze Opel Corsa die op de camerabeelden in de omgeving van de [adres 2] werd waargenomen, had meerdere kenmerken die overeenkwamen met de Opel Corsa. In de periode van 31 december 2021 tussen 18:25 uur en 19:20 uur werden geen andere personenauto’s op de camerabeelden waargenomen, gelijkend op de Opel Corsa. Tussenconclusie Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de Opel Corsa is gebruikt bij het schietincident, waarna deze ongeveer vijf minuten ná het schietincident ter hoogte van nummer [nummer 1] aan de [adres 5] in brand is gestoken. Vervolgens zijn de bestuurder en de passagier van de Opel Corsa weggerend via een brandpad gelegen naast de [adres 5] in de richting van de [adres 16] . Gelet op het korte tijdsverloop tussen het schietincident en het parkeren en in brand steken van de Opel Corsa, gaat het hof ervan uit dat de personen die de bewuste auto hebben geparkeerd ook in die auto zaten ten tijde van het schietincident. Er zijn bovendien geen aanwijzingen in het dossier dat er op dat moment een of meerdere andere personen in de Opel Corsa hebben gezeten. Periode voorafgaand aan het schietincident Met het oog op het beantwoorden van de vraag wie ten tijde van het schietincident de inzittenden van de Opel Corsa waren, zal het hof eerst ingaan op de periode voorafgaand aan het schietincident. Op 30 december 2021, de dag voorafgaand aan het schietincident, was de Opel Corsa op naam gesteld van [neef van verdachte] (hierna: [neef van verdachte] ), wonende aan de [adres 6] te Rotterdam.
Volledig
[neef van verdachte] heeft een tante genaamd [partner van verdachte] (hierna: [partner van verdachte] ). [partner van verdachte] is de partner van [verdachte] en zij hebben samen kinderen. Gezien de relatie tussen [partner van verdachte] en [verdachte] kan [verdachte] als de oom van [neef van verdachte] worden geduid. [neef van verdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van een iPhone 12 met het nummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). Op de iPhone 12 van [neef van verdachte] is een aantal WhatsApp-chats aangetroffen, onder meer tussen [neef van verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) dat volgens de politie in gebruik was bij [partner van verdachte] (naar het hof begrijpt: [partner van verdachte] ). Uit die chats bleek – kort gezegd – dat [neef van verdachte] een auto voor zijn oom moest regelen. Op 29 november 2021 vroeg [neef van verdachte] aan [partner van verdachte] wat voor budget ‘ [naam] ’ heeft voor een auto. ‘ [naam] ’ wil een automaat hebben. [partner van verdachte] antwoordde daarop dat zij het niet weet en dat [neef van verdachte] het hem zelf maar moet vragen. Vervolgens stuurde zij [neef van verdachte] een contact met daaraan gekoppeld twee telefoonnummers, waaronder het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3] ), die bij [verdachte] in gebruik waren. Nog diezelfde dag stuurde [verdachte] met gebruikmaking van het nummer [telefoonnummer 3] [neef van verdachte] een WhatsApp-bericht, inhoudende de mededeling “ik ga je tien uur videobelle als je kan”. Omstreeks 22:02 uur heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [neef van verdachte] en genoemd nummer voor de duur van bijna 20 minuten. Het hof maakt hieruit op dat [neef van verdachte] in opdracht van [verdachte] een auto moest regelen en dat zij hierover contact hebben gehad. Op 29 november 2021 om 22.24 uur stuurde [neef van verdachte] een WhatsApp-bericht aan een persoon die in de iPhone 12 was opgeslagen onder de naam ‘ [contactpersoon] ’. Hij appte aan ‘ [contactpersoon] ’ dat zijn oom een auto zoekt en het budget 2500 euro is. Het moet een automaat zijn, met vijf deuren en donkere ramen. Op 4 december 2021 stuurde [neef van verdachte] aan ‘ [contactpersoon] ’ een advertentie van een Audi A3 die op Marktplaats te koop stond met daarbij het bericht: “me oom vraagt of we deze kunnen regelen”. Daarop antwoordde ‘ [contactpersoon] ’ dat hij die Audi A3 niets vond. [neef van verdachte] reageerde daarop met een bericht dat deze goed is, dat het tijdelijk is, dat de motor niet uitmaakt en dat het voor zijn oom ook niet uitmaakt dat de auto niet zuinig is. Uiteindelijk kwam het niet tot de koop van die Audi A3, omdat die voor de export was bestemd. Op 17 december 2021 omstreeks 06.48 uur reed een witte Daihatsu Cuore met het kenteken [kenteken 2] (hierna: de Daihatsu) het terrein van het [tankstation] aan de [adres 7] te Katwijk op. De Daihatsu was op naam gesteld van [bedrijf] en voorzien van een Track & Trace systeem. [bedrijf] had de Daihatsu vanaf 4 november 2021 ter beschikking gesteld aan [medeverdachte] die bij dit bedrijf in dienst was. [medeverdachte] kocht omstreeks 06.51 uur een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ) bij het tankstation. Hij heeft hierover bij de politie verklaard dat hij dat op verzoek van ‘ [bijnaam van verdachte] ’ had gedaan. ‘ [bijnaam van verdachte] ’ is de bijnaam van [verdachte] . Later die dag omstreeks 16.48 uur werd het nummer [telefoonnummer 4] geactiveerd. Het nummer was in gebruik tot en met 31 december 2021. Op de iPhone 12 van [neef van verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] stonden diverse sms-berichten opgeslagen die waren uitgewisseld met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Laatstgenoemd telefoonnummer was niet onder een contactnaam opgeslagen. De berichten hadden betrekking op het aanschaffen van een auto en waren verzonden vanaf 18 december 2021. Uit een analyse van de Track & Trace gegevens van de Daihatsu, de historische telecomgegevens van de bij [medeverdachte] in gebruik zijnde telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ) en [telefoonnummer 6] (hierna: [telefoonnummer 6] ), en de historische telecomgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is naar voren gekomen dat de Track & Trace gegevens van de Daihatsu overeenkomen met de gebruikte zendmasten van de telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] in genoemde periode met [medeverdachte] is meegereisd. Verder is uit onderzoek gebleken dat het nummer [telefoonnummer 4] niet dagelijks in gebruik was en alleen contact leek te hebben met het telefoonnummer van [neef van verdachte] . Op 22 december 2021 om 12.34 uur vertrok de Daihatsu vanaf de woning van [medeverdachte] aan de [adres 8] te Rotterdam. Tussen 13.58 uur en 16.42 uur was de Daihatsu aan de woning gelegen aan de [adres 9] te Dordrecht, een regelmatig verblijfadres van de moeder van [verdachte] . In de telefoon van [medeverdachte] was een video met de datum 22 december 2021, tijdstip 13.36 uur, opgeslagen. Op de video was te zien dat [medeverdachte] samen met [verdachte] in een auto zit. Het telefoonnummer [telefoonnummer 7] was bij [verdachte] in gebruik en straalde om 15.57 uur de zendmast aan de [adres 10] te Dordrecht aan. Het telefoonnummer [telefoonnummer 6] van [medeverdachte] maakte om 15.52 uur gebruik van diezelfde zendmast. Om 16.42 uur reed de Daihatsu via de [adres 8] te Rotterdam naar de [adres 5] te Rotterdam. Daar stond het voertuig van 19.40 uur tot 20.18 uur geparkeerd. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij daar met [verdachte] naar toe was gereden en dat hij aldaar enige tijd heeft gewacht. Om 20.18 uur reed de Daihatsu naar de woning van [neef van verdachte] aan de [adres 6] te Rotterdam. Nadat de Daihatsu daar om 20.54 uur was gearriveerd, reed die om 21.16 uur weer weg. In die tijd bevonden het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] zich in de directe omgeving van de woning van [neef van verdachte] . Uit contacten tussen [partner van verdachte] en [neef van verdachte] bleek dat [neef van verdachte] die avond een afspraak had met [verdachte] . Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat [verdachte] en [medeverdachte] op 22 december 2021 in ieder geval vanaf 13:36 uur samen zijn geweest, samen naar de woning van [neef van verdachte] zijn gereden waar (in ieder geval) [verdachte] [neef van verdachte] heeft bezocht en vervolgens samen weer zijn weggereden. In de nacht van 22 op 23 december 2021 stuurde [neef van verdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met de tekst: “Yo bro, ik heb wat gevonden. Stuur je WhatsApp-nummer dan kan je gelijk zien”. Op 24 december 2021 stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van verdachte] , inhoudende: “Was vergeten te vermelden maar het liefst donker ramen”. Daarop reageerde [neef van verdachte] met de woorden “oké goed” en dat hij verder gaat kijken. Op 25 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ via WhatsApp een aantal advertenties aan [neef van verdachte] waarin Opel Corsa’s te koop werden aangeboden. Op 27 december 2021 vroeg ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van verdachte] : “Corsa toch voor je oom”. Op 28 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van verdachte] een advertentie van Marktplaats waarin de Opel Corsa te koop werd aangeboden met daaraan gekoppeld de vraag of die goed is. [neef van verdachte] antwoordde daarop dat die goed is. Vervolgens vroeg hij wanneer ‘ [contactpersoon] ’ bij die auto gaat kijken en wat ze gaan doen met die folie, want: “Hij wil die echt”. Om 20.53 uur en 20.55 uur belden [neef van verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met elkaar.
Volledig
[neef van verdachte] heeft een tante genaamd [partner van verdachte] (hierna: [partner van verdachte] ). [partner van verdachte] is de partner van [verdachte] en zij hebben samen kinderen. Gezien de relatie tussen [partner van verdachte] en [verdachte] kan [verdachte] als de oom van [neef van verdachte] worden geduid. [neef van verdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van een iPhone 12 met het nummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). Op de iPhone 12 van [neef van verdachte] is een aantal WhatsApp-chats aangetroffen, onder meer tussen [neef van verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) dat volgens de politie in gebruik was bij [partner van verdachte] (naar het hof begrijpt: [partner van verdachte] ). Uit die chats bleek – kort gezegd – dat [neef van verdachte] een auto voor zijn oom moest regelen. Op 29 november 2021 vroeg [neef van verdachte] aan [partner van verdachte] wat voor budget ‘ [naam] ’ heeft voor een auto. ‘ [naam] ’ wil een automaat hebben. [partner van verdachte] antwoordde daarop dat zij het niet weet en dat [neef van verdachte] het hem zelf maar moet vragen. Vervolgens stuurde zij [neef van verdachte] een contact met daaraan gekoppeld twee telefoonnummers, waaronder het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3] ), die bij [verdachte] in gebruik waren. Nog diezelfde dag stuurde [verdachte] met gebruikmaking van het nummer [telefoonnummer 3] [neef van verdachte] een WhatsApp-bericht, inhoudende de mededeling “ik ga je tien uur videobelle als je kan”. Omstreeks 22:02 uur heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [neef van verdachte] en genoemd nummer voor de duur van bijna 20 minuten. Het hof maakt hieruit op dat [neef van verdachte] in opdracht van [verdachte] een auto moest regelen en dat zij hierover contact hebben gehad. Op 29 november 2021 om 22.24 uur stuurde [neef van verdachte] een WhatsApp-bericht aan een persoon die in de iPhone 12 was opgeslagen onder de naam ‘ [contactpersoon] ’. Hij appte aan ‘ [contactpersoon] ’ dat zijn oom een auto zoekt en het budget 2500 euro is. Het moet een automaat zijn, met vijf deuren en donkere ramen. Op 4 december 2021 stuurde [neef van verdachte] aan ‘ [contactpersoon] ’ een advertentie van een Audi A3 die op Marktplaats te koop stond met daarbij het bericht: “me oom vraagt of we deze kunnen regelen”. Daarop antwoordde ‘ [contactpersoon] ’ dat hij die Audi A3 niets vond. [neef van verdachte] reageerde daarop met een bericht dat deze goed is, dat het tijdelijk is, dat de motor niet uitmaakt en dat het voor zijn oom ook niet uitmaakt dat de auto niet zuinig is. Uiteindelijk kwam het niet tot de koop van die Audi A3, omdat die voor de export was bestemd. Op 17 december 2021 omstreeks 06.48 uur reed een witte Daihatsu Cuore met het kenteken [kenteken 2] (hierna: de Daihatsu) het terrein van het [tankstation] aan de [adres 7] te Katwijk op. De Daihatsu was op naam gesteld van [bedrijf] en voorzien van een Track & Trace systeem. [bedrijf] had de Daihatsu vanaf 4 november 2021 ter beschikking gesteld aan [medeverdachte] die bij dit bedrijf in dienst was. [medeverdachte] kocht omstreeks 06.51 uur een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ) bij het tankstation. Hij heeft hierover bij de politie verklaard dat hij dat op verzoek van ‘ [bijnaam van verdachte] ’ had gedaan. ‘ [bijnaam van verdachte] ’ is de bijnaam van [verdachte] . Later die dag omstreeks 16.48 uur werd het nummer [telefoonnummer 4] geactiveerd. Het nummer was in gebruik tot en met 31 december 2021. Op de iPhone 12 van [neef van verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] stonden diverse sms-berichten opgeslagen die waren uitgewisseld met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Laatstgenoemd telefoonnummer was niet onder een contactnaam opgeslagen. De berichten hadden betrekking op het aanschaffen van een auto en waren verzonden vanaf 18 december 2021. Uit een analyse van de Track & Trace gegevens van de Daihatsu, de historische telecomgegevens van de bij [medeverdachte] in gebruik zijnde telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ) en [telefoonnummer 6] (hierna: [telefoonnummer 6] ), en de historische telecomgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is naar voren gekomen dat de Track & Trace gegevens van de Daihatsu overeenkomen met de gebruikte zendmasten van de telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] in genoemde periode met [medeverdachte] is meegereisd. Verder is uit onderzoek gebleken dat het nummer [telefoonnummer 4] niet dagelijks in gebruik was en alleen contact leek te hebben met het telefoonnummer van [neef van verdachte] . Op 22 december 2021 om 12.34 uur vertrok de Daihatsu vanaf de woning van [medeverdachte] aan de [adres 8] te Rotterdam. Tussen 13.58 uur en 16.42 uur was de Daihatsu aan de woning gelegen aan de [adres 9] te Dordrecht, een regelmatig verblijfadres van de moeder van [verdachte] . In de telefoon van [medeverdachte] was een video met de datum 22 december 2021, tijdstip 13.36 uur, opgeslagen. Op de video was te zien dat [medeverdachte] samen met [verdachte] in een auto zit. Het telefoonnummer [telefoonnummer 7] was bij [verdachte] in gebruik en straalde om 15.57 uur de zendmast aan de [adres 10] te Dordrecht aan. Het telefoonnummer [telefoonnummer 6] van [medeverdachte] maakte om 15.52 uur gebruik van diezelfde zendmast. Om 16.42 uur reed de Daihatsu via de [adres 8] te Rotterdam naar de [adres 5] te Rotterdam. Daar stond het voertuig van 19.40 uur tot 20.18 uur geparkeerd. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij daar met [verdachte] naar toe was gereden en dat hij aldaar enige tijd heeft gewacht. Om 20.18 uur reed de Daihatsu naar de woning van [neef van verdachte] aan de [adres 6] te Rotterdam. Nadat de Daihatsu daar om 20.54 uur was gearriveerd, reed die om 21.16 uur weer weg. In die tijd bevonden het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] zich in de directe omgeving van de woning van [neef van verdachte] . Uit contacten tussen [partner van verdachte] en [neef van verdachte] bleek dat [neef van verdachte] die avond een afspraak had met [verdachte] . Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat [verdachte] en [medeverdachte] op 22 december 2021 in ieder geval vanaf 13:36 uur samen zijn geweest, samen naar de woning van [neef van verdachte] zijn gereden waar (in ieder geval) [verdachte] [neef van verdachte] heeft bezocht en vervolgens samen weer zijn weggereden. In de nacht van 22 op 23 december 2021 stuurde [neef van verdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met de tekst: “Yo bro, ik heb wat gevonden. Stuur je WhatsApp-nummer dan kan je gelijk zien”. Op 24 december 2021 stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van verdachte] , inhoudende: “Was vergeten te vermelden maar het liefst donker ramen”. Daarop reageerde [neef van verdachte] met de woorden “oké goed” en dat hij verder gaat kijken. Op 25 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ via WhatsApp een aantal advertenties aan [neef van verdachte] waarin Opel Corsa’s te koop werden aangeboden. Op 27 december 2021 vroeg ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van verdachte] : “Corsa toch voor je oom”. Op 28 december 2021 stuurde ‘ [contactpersoon] ’ aan [neef van verdachte] een advertentie van Marktplaats waarin de Opel Corsa te koop werd aangeboden met daaraan gekoppeld de vraag of die goed is. [neef van verdachte] antwoordde daarop dat die goed is. Vervolgens vroeg hij wanneer ‘ [contactpersoon] ’ bij die auto gaat kijken en wat ze gaan doen met die folie, want: “Hij wil die echt”. Om 20.53 uur en 20.55 uur belden [neef van verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met elkaar.
Volledig
Een aantal uren daarvoor had [neef van verdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gestuurd met daarin de mededeling dat hij een auto had gevonden en de vraag of hij het moest voorschieten. De gebruiker van [telefoonnummer 4] liet daarop weten dat hij contant betaalt. Ook vroeg hij of [neef van verdachte] het kan afleveren, omdat hij zelf geen vervoer heeft. In de ochtend en middag van 29 december 2021 was er een aantal keren telefonisch contact tussen [neef van verdachte] en [verdachte] . Daarin liet [neef van verdachte] weten nog niet te kunnen bellen, maar [verdachte] wilde contact over ‘die adje’ (naar het hof begrijpt: de eerder bedoelde advertentie waarin een Opel Corsa te koop werd aangeboden) . Uiteindelijk was er om 17.29 uur telefonisch contact tussen hen. Op 29 december 2021 omstreeks 18.23 uur reed [medeverdachte] in de Daihatsu naar de woning van [partner van verdachte] gelegen aan de [adres 11] te [plaats 1] in België. [verdachte] had hem gevraagd om hem en zijn kinderen daar op te halen. Omstreeks 19.54 uur reden [medeverdachte] en [verdachte] terug naar Nederland. In Dordrecht werden de kinderen van [verdachte] afgezet bij het adres [adres 9] te Dordrecht. Om 21.09 uur vertrokken [medeverdachte] en [verdachte] vanaf de [adres 9] te Dordrecht in de richting van Rotterdam. Gedurende die rit werd omstreeks 21.15 uur een prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: [telefoonnummer 8] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer een zendmast aan de Markettenweg 22b te Dordrecht aan. De Markettenweg ligt in de buurt van de [adres 10] te Dordrecht. Kort daarna werd een tweede prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: [telefoonnummer 9] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer de zendmast aan de K.P. van de Mandelelaan te Rotterdam aan, die naast de Rijksweg A16 tussen Dordrecht en Rotterdam staat. Beide telefoonnummers straalden zendmasten aan die liggen op de route die de Daihatsu op de bewuste avond reed. Het telefoonnummer [telefoonnummer 9] straalde omstreeks 22.30 uur de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De Beukelsdijk 179 ligt in de nabije omgeving van de woning van [neef van verdachte] aan de [adres 6] te Rotterdam. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 december 2021 samen met [verdachte] naar de [adres 6] te Rotterdam was gereden. [verdachte] had een afspraak met [neef van verdachte] die om 22.20 uur in de [adres 6] was. Om 22.36 uur reden [medeverdachte] en [verdachte] naar het woonadres van de moeder van [verdachte] aan de [adres 12] te Rotterdam. Volgens de verklaring van [medeverdachte] verbleef [verdachte] daar een aantal dagen. Het telefoonnummer [telefoonnummer 8] was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur en had alleen contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten. Het telefoonnummer gebruikte voornamelijk zendmasten in de directe omgeving van de [adres 12] te Rotterdam. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer [telefoonnummer 8] vanaf 29 december 2021 te 21.15 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [verdachte] . Op 31 december 2021 te 16.34 uur gebruikte het telefoonnummer de zendmast aan de Groene Tuin 277-299 te Rotterdam. Die zendmast ligt nabij de woning aan de [adres 12] te Rotterdam. Het telefoonnummer [telefoonnummer 9] werd op 30 december 2021 vanaf 10.42 uur weer gebruikt. Het telefoonnummer straalde voornamelijk de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De [adres 6] valt binnen het bereik van de deze zendmast. Het telefoonnummer had alleen contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten. Het telefoonnummer was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer [telefoonnummer 9] vanaf 29 december 2021 te 22.30 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [neef van verdachte] en dat hij dat telefoonnummer op 30 december 2021 had gekregen van [verdachte] . Op 30 december 2021 om 15.12 uur stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van verdachte] met daarin de vraag of [neef van verdachte] naar de [adres 13] kan komen, omdat hij geen vervoer heeft. In de avond van 30 december 2021 verplaatste het telefoonnummer [telefoonnummer 9] zich naar Capelle aan den IJssel. Rond middernacht verplaatste ook het telefoonnummer [telefoonnummer 8] zich naar Capelle aan den IJssel. Beide telefoonnummers maakten in de avond regelmatig contact. Om 00.59 uur gebruikten beide telefoonnummers de zendmast aan de Bazuin 2 te Capelle aan den IJssel. Een minuut eerder, om 00.58 uur, was de Daihatsu aangekomen op de [adres 14] te Capelle aan den IJssel, waarna deze om 01.16 uur weer vertrok. De vriendin van [neef van verdachte] woonde aan de [adres 15] te Capelle aan den IJssel. Dat is in de nabijheid van de [adres 14] . De telefoon van [neef van verdachte] was tussen 00.24 uur en 02.36 uur in de omgeving van de [adres 14] . [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij ‘ [bijnaam van verdachte] ’ (het hof begrijpt: [verdachte] ) naar Capelle aan den IJssel had gebracht waar ‘ [bijnaam van verdachte] ’ een ontmoeting had met iemand. Uit het voorgaande leidt het hof af dat in de nacht van 30 december 2021 op 31 december 2021 in Capelle aan den IJssel een ontmoeting tussen [neef van verdachte] en [verdachte] heeft plaatsgevonden waar [medeverdachte] bij is geweest. Op 31 december 2021 om 03.17 uur stuurde [neef van verdachte] een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met het verzoek hem te laten weten wanneer hij ‘het’ kan brengen. Diezelfde dag om 16.34 uur liet [neef van verdachte] via een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] weten dat hij er is. Op dat moment straalden de telefoonnummers [telefoonnummer 8] en [telefoonnummer 9] de zendmast aan de Groene Tuin te Rotterdam aan. Die zendmast is gelegen in de directe nabijheid van de [adres 13] te Rotterdam. Om 16.34 uur was er ongeveer gedurende 74 seconden contact tussen beide telefoonnummers. Daarna zijn beide telefoonnummers niet meer gebruikt. [neef van verdachte] heeft op 11 januari 2022 bij de politie verklaard dat hij de Opel Corsa eerst had opgehaald en vervolgens had weggebracht naar de [adres 13] te Rotterdam waar hij de sleutels van de Opel Corsa had gegeven aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Nadat hij was gearriveerd had hij een sms-bericht verzonden met de mededeling dat hij er was. [medeverdachte] heeft op 31 maart 2022 tegenover de politie verklaard dat hij op 31 december 2021 eerst naar het huis van ‘ [bijnaam van verdachte] ’ was gegaan. Die had hem gevraagd of hij bij het paadje wilde gaan staan omdat iemand een auto zou komen brengen. Ook had ‘ [bijnaam van verdachte] ’ hem gevraagd de sleutel aan te nemen. De [adres 13] en de [adres 12] liggen in de directe nabijheid van elkaar. Tussenconclusie Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [verdachte] en [medeverdachte] via [neef van verdachte] en een andere tussenpersoon de Opel Corsa hebben aangeschaft die is gebruikt bij het onderhavige schietincident. Daarbij heeft [verdachte] het initiatief genomen. Uit de onderlinge communicatie volgt dat de auto niet zuinig hoefde te zijn, omdat het slechts tijdelijk was en dat de ramen liefst donker moesten zijn. Dit vormt op zichzelf een duidelijke aanwijzing dat die auto is aangeschaft voor criminele doeleinden. Bij de communicatie rondom het aanschaffen en afleveren van de Opel Corsa hebben zij gebruikt gemaakt van telefoonnummers die vanaf het moment dat de Opel Corsa was afgeleverd niet meer in gebruik waren.
Volledig
Een aantal uren daarvoor had [neef van verdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gestuurd met daarin de mededeling dat hij een auto had gevonden en de vraag of hij het moest voorschieten. De gebruiker van [telefoonnummer 4] liet daarop weten dat hij contant betaalt. Ook vroeg hij of [neef van verdachte] het kan afleveren, omdat hij zelf geen vervoer heeft. In de ochtend en middag van 29 december 2021 was er een aantal keren telefonisch contact tussen [neef van verdachte] en [verdachte] . Daarin liet [neef van verdachte] weten nog niet te kunnen bellen, maar [verdachte] wilde contact over ‘die adje’ (naar het hof begrijpt: de eerder bedoelde advertentie waarin een Opel Corsa te koop werd aangeboden) . Uiteindelijk was er om 17.29 uur telefonisch contact tussen hen. Op 29 december 2021 omstreeks 18.23 uur reed [medeverdachte] in de Daihatsu naar de woning van [partner van verdachte] gelegen aan de [adres 11] te [plaats 1] in België. [verdachte] had hem gevraagd om hem en zijn kinderen daar op te halen. Omstreeks 19.54 uur reden [medeverdachte] en [verdachte] terug naar Nederland. In Dordrecht werden de kinderen van [verdachte] afgezet bij het adres [adres 9] te Dordrecht. Om 21.09 uur vertrokken [medeverdachte] en [verdachte] vanaf de [adres 9] te Dordrecht in de richting van Rotterdam. Gedurende die rit werd omstreeks 21.15 uur een prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: [telefoonnummer 8] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer een zendmast aan de Markettenweg 22b te Dordrecht aan. De Markettenweg ligt in de buurt van de [adres 10] te Dordrecht. Kort daarna werd een tweede prepaid telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: [telefoonnummer 9] ) geactiveerd. Op dat moment straalde het nummer de zendmast aan de K.P. van de Mandelelaan te Rotterdam aan, die naast de Rijksweg A16 tussen Dordrecht en Rotterdam staat. Beide telefoonnummers straalden zendmasten aan die liggen op de route die de Daihatsu op de bewuste avond reed. Het telefoonnummer [telefoonnummer 9] straalde omstreeks 22.30 uur de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De Beukelsdijk 179 ligt in de nabije omgeving van de woning van [neef van verdachte] aan de [adres 6] te Rotterdam. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 december 2021 samen met [verdachte] naar de [adres 6] te Rotterdam was gereden. [verdachte] had een afspraak met [neef van verdachte] die om 22.20 uur in de [adres 6] was. Om 22.36 uur reden [medeverdachte] en [verdachte] naar het woonadres van de moeder van [verdachte] aan de [adres 12] te Rotterdam. Volgens de verklaring van [medeverdachte] verbleef [verdachte] daar een aantal dagen. Het telefoonnummer [telefoonnummer 8] was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur en had alleen contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten. Het telefoonnummer gebruikte voornamelijk zendmasten in de directe omgeving van de [adres 12] te Rotterdam. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer [telefoonnummer 8] vanaf 29 december 2021 te 21.15 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [verdachte] . Op 31 december 2021 te 16.34 uur gebruikte het telefoonnummer de zendmast aan de Groene Tuin 277-299 te Rotterdam. Die zendmast ligt nabij de woning aan de [adres 12] te Rotterdam. Het telefoonnummer [telefoonnummer 9] werd op 30 december 2021 vanaf 10.42 uur weer gebruikt. Het telefoonnummer straalde voornamelijk de zendmast aan de Beukelsdijk 179 te Rotterdam aan. De [adres 6] valt binnen het bereik van de deze zendmast. Het telefoonnummer had alleen contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 8] en eenmalig een servicenummer voor het versturen van sms-berichten. Het telefoonnummer was in gebruik tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden op dat het telefoonnummer [telefoonnummer 9] vanaf 29 december 2021 te 22.30 uur tot en met 31 december 2021 te 16.34 uur in gebruik was bij [neef van verdachte] en dat hij dat telefoonnummer op 30 december 2021 had gekregen van [verdachte] . Op 30 december 2021 om 15.12 uur stuurde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een sms-bericht aan [neef van verdachte] met daarin de vraag of [neef van verdachte] naar de [adres 13] kan komen, omdat hij geen vervoer heeft. In de avond van 30 december 2021 verplaatste het telefoonnummer [telefoonnummer 9] zich naar Capelle aan den IJssel. Rond middernacht verplaatste ook het telefoonnummer [telefoonnummer 8] zich naar Capelle aan den IJssel. Beide telefoonnummers maakten in de avond regelmatig contact. Om 00.59 uur gebruikten beide telefoonnummers de zendmast aan de Bazuin 2 te Capelle aan den IJssel. Een minuut eerder, om 00.58 uur, was de Daihatsu aangekomen op de [adres 14] te Capelle aan den IJssel, waarna deze om 01.16 uur weer vertrok. De vriendin van [neef van verdachte] woonde aan de [adres 15] te Capelle aan den IJssel. Dat is in de nabijheid van de [adres 14] . De telefoon van [neef van verdachte] was tussen 00.24 uur en 02.36 uur in de omgeving van de [adres 14] . [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij ‘ [bijnaam van verdachte] ’ (het hof begrijpt: [verdachte] ) naar Capelle aan den IJssel had gebracht waar ‘ [bijnaam van verdachte] ’ een ontmoeting had met iemand. Uit het voorgaande leidt het hof af dat in de nacht van 30 december 2021 op 31 december 2021 in Capelle aan den IJssel een ontmoeting tussen [neef van verdachte] en [verdachte] heeft plaatsgevonden waar [medeverdachte] bij is geweest. Op 31 december 2021 om 03.17 uur stuurde [neef van verdachte] een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] met het verzoek hem te laten weten wanneer hij ‘het’ kan brengen. Diezelfde dag om 16.34 uur liet [neef van verdachte] via een sms-bericht aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] weten dat hij er is. Op dat moment straalden de telefoonnummers [telefoonnummer 8] en [telefoonnummer 9] de zendmast aan de Groene Tuin te Rotterdam aan. Die zendmast is gelegen in de directe nabijheid van de [adres 13] te Rotterdam. Om 16.34 uur was er ongeveer gedurende 74 seconden contact tussen beide telefoonnummers. Daarna zijn beide telefoonnummers niet meer gebruikt. [neef van verdachte] heeft op 11 januari 2022 bij de politie verklaard dat hij de Opel Corsa eerst had opgehaald en vervolgens had weggebracht naar de [adres 13] te Rotterdam waar hij de sleutels van de Opel Corsa had gegeven aan de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Nadat hij was gearriveerd had hij een sms-bericht verzonden met de mededeling dat hij er was. [medeverdachte] heeft op 31 maart 2022 tegenover de politie verklaard dat hij op 31 december 2021 eerst naar het huis van ‘ [bijnaam van verdachte] ’ was gegaan. Die had hem gevraagd of hij bij het paadje wilde gaan staan omdat iemand een auto zou komen brengen. Ook had ‘ [bijnaam van verdachte] ’ hem gevraagd de sleutel aan te nemen. De [adres 13] en de [adres 12] liggen in de directe nabijheid van elkaar. Tussenconclusie Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [verdachte] en [medeverdachte] via [neef van verdachte] en een andere tussenpersoon de Opel Corsa hebben aangeschaft die is gebruikt bij het onderhavige schietincident. Daarbij heeft [verdachte] het initiatief genomen. Uit de onderlinge communicatie volgt dat de auto niet zuinig hoefde te zijn, omdat het slechts tijdelijk was en dat de ramen liefst donker moesten zijn. Dit vormt op zichzelf een duidelijke aanwijzing dat die auto is aangeschaft voor criminele doeleinden. Bij de communicatie rondom het aanschaffen en afleveren van de Opel Corsa hebben zij gebruikt gemaakt van telefoonnummers die vanaf het moment dat de Opel Corsa was afgeleverd niet meer in gebruik waren.
Volledig
Wie zaten ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa? Het hof gaat er van uit dat [verdachte] en [medeverdachte] ook degenen zijn geweest die ten tijde van de schietpartij in de Opel Corsa hebben gezeten. Hierbij heeft het hof de volgende aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. Uit de Track & Trace gegevens is gebleken dat de Daihatsu op 31 december 2021 omstreeks 15.30 uur van de [adres 8] te Rotterdam naar de Steenhagen te Rotterdam reed. De Steenhagen ligt in de directe nabijheid van zowel de Noorderhagen als de [adres 12] . De Daihatsu stond vervolgens een uur stil op de Steenhagen. In dat uur vond de overdracht van de Opel Corsa bij de [adres 13] plaats. Om 16.47 uur reed de Daihatsu weer terug naar de [adres 8] , waarna de Daihatsu om 17.01 uur via de Bandeloodijk 330 weer terugreed naar de Noorderhagen. Onderweg naar de Noorderhagen is om 17.08 uur met de pinpas behorende bij de bankrekening van [medeverdachte] een betaling met bijbehorende pincode bij [restaurant] gedaan. Deze vestiging van [restaurant] ligt in de directe omgeving van de Bandeloodijk. De Daihatsu kwam om 17.30 uur aan op de Noorderhagen en werd de rest van de avond tot 23.55 uur niet meer gebruikt. Uit camerabeelden is gebleken dat op 31 december 2021 omstreeks 18.04 uur de Opel Corsa te Rotterdam over de Oosterhagen reed, komende uit de richting van de Hollandse Tuin. Omstreeks 18.22 uur reed de Opel Corsa over de Breeweg in de richting van de [adres 2] . Enkele minuten later, omstreeks 18.25 uur, reed de Opel Corsa over de [adres 4] komende uit de richting van de [adres 2] . Omstreeks 19.19 uur kwam een scooter aangereden over de [adres 4] , komend uit de richting van de [adres 17] . De scooter sloeg linksaf de [adres 2] in. Ongeveer 45 seconden daarna reed de Opel Corsa de [adres 2] uit en sloeg rechtsaf de [adres 4] in. Verder is uit de Track & Trace gegevens gebleken dat de Daihatsu om 23.55 uur naar de [adres 8] te Rotterdam reed en daar vijf minuten later aan kwam. Op 1 januari 2022 om 00.09 uur reed de Daihatsu naar de [adres 10] te Dordrecht. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [verdachte] om 00.30 uur naar Dordrecht heeft gebracht. Voorts is van belang hetgeen de getuige [zus van verdachte] , de zus van [verdachte] , heeft verklaard over de avond van 31 december 2021 en oud en nieuw. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat [partner van verdachte] na haar avonddienst op 31 december 2021 alleen naar de woning aan de [adres 9] te Dordrecht was gekomen. De kinderen van [verdachte] en [partner van verdachte] waren al een paar dagen eerder gekomen. Rond middernacht was [zus van verdachte] alleen met [partner van verdachte] en haar neefjes in de woning. [zus van verdachte] dacht toen nog: “Iets klopt niet”. Pas na middernacht hebben [verdachte] en [medeverdachte] zich bij het gezelschap gevoegd. [zus van verdachte] had toen tegen hen gezegd dat het al twaalf uur was geweest en dat zij zo laat waren. Normaal waren zij met oud en nieuw altijd samen. [partner van verdachte] had eerder die dag omstreeks 10.52 uur twee WhatsApp-berichten aan de moeder van [verdachte] verzonden, inhoudende: “Ik ga proberen vanavond na werk te komen. Ik werk tot 22.00 uur als ik het redt. Alvast een fijne & voorspoedige jaarwisseling met de allerbeste wensen toegewenst. Love you”. Dat [partner van verdachte] en haar kinderen met oud en nieuw in de woning aan de [adres 10] waren, volgt ook uit een met de telefoon van [zus van verdachte] opgenomen video. Daarop is te zien dat [partner van verdachte] het oude jaar aftelt met op de achtergrond een televisie waarop het logo van RTL4 is te zien. Op een andere video is de stem van [partner van verdachte] en die van haar kinderen te horen. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [verdachte] om half een (het hof begrijpt: 00.30 uur) naar zijn moeder in Dordrecht had gebracht. Daar is hij anderhalf uur gebleven. [zus van verdachte] heeft verder bij de politie verklaard dat zij van [partner van verdachte] had gehoord dat ‘ze’ wraak hadden genomen omdat de broer van [verdachte] en [zus van verdachte] was overleden. Er moest wraak worden genomen op de mensen die te maken hadden met de moord op haar broer [broer van verdachte 2] . Uit het dossier blijkt dat [broer van verdachte 2] (hierna: [broer van verdachte 2] ) op 29 mei 2020 voor de ouderlijke woning, gelegen aan de [adres 12] te Rotterdam, is doodgeschoten, nadat hij zou zijn verraden door [broer van slachtoffer] . Laatstgenoemde is de broer van [slachtoffer] . [partner van verdachte] had ook tegen [zus van verdachte] gezegd dat [verdachte] een tijdje weg zou zijn van huis en dat hij zich aan het verschuilen was. [partner van verdachte] had het telefoonnummer van [verdachte] verwijderd uit de telefoon van [zus van verdachte] . In die telefoon stond hij opgeslagen als ‘ [bijnaam van verdachte] ’. Alle berichten van en aan ‘ [bijnaam van verdachte] ’ waren verwijderd. Volgens [partner van verdachte] moest het worden verwijderd voor de politie. Zij had daarbij gezegd: “We hebben geen contact. We hebben hem lang niet gezien”. Uit een opname vertrouwelijke communicatie volgt dat [medeverdachte] op enig moment tegen een politiemedewerker heeft gezegd dat zijn familie iemand heeft gedood op straat en dat hij zijn neefje heeft geholpen. Dat het motief voor de onderhavige schietpartij wraak was voor de dood van [broer van verdachte 2] volgt ook uit de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige. Volgens de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige had de moeder van [verdachte] druk uitgeoefend op haar zoons omdat zij wraak wilde voor de dood van [broer van verdachte 2] . Het was eigenlijk de bedoeling dat [broer van slachtoffer] zou worden doodgeschoten. Hij was namelijk degene die [broer van verdachte 2] op de avond van zijn dood in de val had gelokt. Bij de onderhavige schietpartij was een AK gebruikt, die door [verdachte] was aangeschaft. [verdachte] had geschoten en [medeverdachte] had de auto bestuurd. Zij waren die avond twee of drie keer in de straat geweest. Zij hadden lang in de auto moeten wachten voordat er iemand kwam. [medeverdachte] had samen met [verdachte] de plaats delict verlaten. [verdachte] was degene die bepaalde wat er ging gebeuren. Tussenconclusie Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat het [verdachte] en [medeverdachte] zijn geweest die ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa hebben gezeten. [medeverdachte] is de bestuurder van de Opel Corsa geweest en [verdachte] heeft op [slachtoffer] geschoten. Vervolgens hebben zij samen de plaats delict in de Opel Corsa verlaten. Verweren van de verdediging Het hof zal ingaan op de verweren van de verdediging. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de anonieme getuige De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de anonieme getuige niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer voorop dat de vraag of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt beoordeeld door de rechter-commissaris en niet door de zittingsrechter. De zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruik maakt van de resultaten van het in artikel 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 21 september 2022 beslist om een getuige die anoniem wenste te blijven aan te merken als bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv. De verdediging heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 1 november 2022 is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Volledig
Wie zaten ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa? Het hof gaat er van uit dat [verdachte] en [medeverdachte] ook degenen zijn geweest die ten tijde van de schietpartij in de Opel Corsa hebben gezeten. Hierbij heeft het hof de volgende aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. Uit de Track & Trace gegevens is gebleken dat de Daihatsu op 31 december 2021 omstreeks 15.30 uur van de [adres 8] te Rotterdam naar de Steenhagen te Rotterdam reed. De Steenhagen ligt in de directe nabijheid van zowel de Noorderhagen als de [adres 12] . De Daihatsu stond vervolgens een uur stil op de Steenhagen. In dat uur vond de overdracht van de Opel Corsa bij de [adres 13] plaats. Om 16.47 uur reed de Daihatsu weer terug naar de [adres 8] , waarna de Daihatsu om 17.01 uur via de Bandeloodijk 330 weer terugreed naar de Noorderhagen. Onderweg naar de Noorderhagen is om 17.08 uur met de pinpas behorende bij de bankrekening van [medeverdachte] een betaling met bijbehorende pincode bij [restaurant] gedaan. Deze vestiging van [restaurant] ligt in de directe omgeving van de Bandeloodijk. De Daihatsu kwam om 17.30 uur aan op de Noorderhagen en werd de rest van de avond tot 23.55 uur niet meer gebruikt. Uit camerabeelden is gebleken dat op 31 december 2021 omstreeks 18.04 uur de Opel Corsa te Rotterdam over de Oosterhagen reed, komende uit de richting van de Hollandse Tuin. Omstreeks 18.22 uur reed de Opel Corsa over de Breeweg in de richting van de [adres 2] . Enkele minuten later, omstreeks 18.25 uur, reed de Opel Corsa over de [adres 4] komende uit de richting van de [adres 2] . Omstreeks 19.19 uur kwam een scooter aangereden over de [adres 4] , komend uit de richting van de [adres 17] . De scooter sloeg linksaf de [adres 2] in. Ongeveer 45 seconden daarna reed de Opel Corsa de [adres 2] uit en sloeg rechtsaf de [adres 4] in. Verder is uit de Track & Trace gegevens gebleken dat de Daihatsu om 23.55 uur naar de [adres 8] te Rotterdam reed en daar vijf minuten later aan kwam. Op 1 januari 2022 om 00.09 uur reed de Daihatsu naar de [adres 10] te Dordrecht. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [verdachte] om 00.30 uur naar Dordrecht heeft gebracht. Voorts is van belang hetgeen de getuige [zus van verdachte] , de zus van [verdachte] , heeft verklaard over de avond van 31 december 2021 en oud en nieuw. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat [partner van verdachte] na haar avonddienst op 31 december 2021 alleen naar de woning aan de [adres 9] te Dordrecht was gekomen. De kinderen van [verdachte] en [partner van verdachte] waren al een paar dagen eerder gekomen. Rond middernacht was [zus van verdachte] alleen met [partner van verdachte] en haar neefjes in de woning. [zus van verdachte] dacht toen nog: “Iets klopt niet”. Pas na middernacht hebben [verdachte] en [medeverdachte] zich bij het gezelschap gevoegd. [zus van verdachte] had toen tegen hen gezegd dat het al twaalf uur was geweest en dat zij zo laat waren. Normaal waren zij met oud en nieuw altijd samen. [partner van verdachte] had eerder die dag omstreeks 10.52 uur twee WhatsApp-berichten aan de moeder van [verdachte] verzonden, inhoudende: “Ik ga proberen vanavond na werk te komen. Ik werk tot 22.00 uur als ik het redt. Alvast een fijne & voorspoedige jaarwisseling met de allerbeste wensen toegewenst. Love you”. Dat [partner van verdachte] en haar kinderen met oud en nieuw in de woning aan de [adres 10] waren, volgt ook uit een met de telefoon van [zus van verdachte] opgenomen video. Daarop is te zien dat [partner van verdachte] het oude jaar aftelt met op de achtergrond een televisie waarop het logo van RTL4 is te zien. Op een andere video is de stem van [partner van verdachte] en die van haar kinderen te horen. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [verdachte] om half een (het hof begrijpt: 00.30 uur) naar zijn moeder in Dordrecht had gebracht. Daar is hij anderhalf uur gebleven. [zus van verdachte] heeft verder bij de politie verklaard dat zij van [partner van verdachte] had gehoord dat ‘ze’ wraak hadden genomen omdat de broer van [verdachte] en [zus van verdachte] was overleden. Er moest wraak worden genomen op de mensen die te maken hadden met de moord op haar broer [broer van verdachte 2] . Uit het dossier blijkt dat [broer van verdachte 2] (hierna: [broer van verdachte 2] ) op 29 mei 2020 voor de ouderlijke woning, gelegen aan de [adres 12] te Rotterdam, is doodgeschoten, nadat hij zou zijn verraden door [broer van slachtoffer] . Laatstgenoemde is de broer van [slachtoffer] . [partner van verdachte] had ook tegen [zus van verdachte] gezegd dat [verdachte] een tijdje weg zou zijn van huis en dat hij zich aan het verschuilen was. [partner van verdachte] had het telefoonnummer van [verdachte] verwijderd uit de telefoon van [zus van verdachte] . In die telefoon stond hij opgeslagen als ‘ [bijnaam van verdachte] ’. Alle berichten van en aan ‘ [bijnaam van verdachte] ’ waren verwijderd. Volgens [partner van verdachte] moest het worden verwijderd voor de politie. Zij had daarbij gezegd: “We hebben geen contact. We hebben hem lang niet gezien”. Uit een opname vertrouwelijke communicatie volgt dat [medeverdachte] op enig moment tegen een politiemedewerker heeft gezegd dat zijn familie iemand heeft gedood op straat en dat hij zijn neefje heeft geholpen. Dat het motief voor de onderhavige schietpartij wraak was voor de dood van [broer van verdachte 2] volgt ook uit de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige. Volgens de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige had de moeder van [verdachte] druk uitgeoefend op haar zoons omdat zij wraak wilde voor de dood van [broer van verdachte 2] . Het was eigenlijk de bedoeling dat [broer van slachtoffer] zou worden doodgeschoten. Hij was namelijk degene die [broer van verdachte 2] op de avond van zijn dood in de val had gelokt. Bij de onderhavige schietpartij was een AK gebruikt, die door [verdachte] was aangeschaft. [verdachte] had geschoten en [medeverdachte] had de auto bestuurd. Zij waren die avond twee of drie keer in de straat geweest. Zij hadden lang in de auto moeten wachten voordat er iemand kwam. [medeverdachte] had samen met [verdachte] de plaats delict verlaten. [verdachte] was degene die bepaalde wat er ging gebeuren. Tussenconclusie Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat het [verdachte] en [medeverdachte] zijn geweest die ten tijde van het schietincident in de Opel Corsa hebben gezeten. [medeverdachte] is de bestuurder van de Opel Corsa geweest en [verdachte] heeft op [slachtoffer] geschoten. Vervolgens hebben zij samen de plaats delict in de Opel Corsa verlaten. Verweren van de verdediging Het hof zal ingaan op de verweren van de verdediging. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de anonieme getuige De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de anonieme getuige niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer voorop dat de vraag of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt beoordeeld door de rechter-commissaris en niet door de zittingsrechter. De zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruik maakt van de resultaten van het in artikel 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 21 september 2022 beslist om een getuige die anoniem wenste te blijven aan te merken als bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv. De verdediging heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 1 november 2022 is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Volledig
Daarmee is de status van bedreigde getuige definitief geworden. Op 28 februari 2023 is de anonieme getuige door de rechter-commissaris gehoord. Na een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in hoger beroep heeft de rechter-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2025 uiteengezet op welke wijze hij de betrouwbaarheid van de anonieme getuige heeft onderzocht en heeft hij geconcludeerd dat de getuige en de afgelegde verklaring van die getuige als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. In een document van 20 augustus 2025 heeft de rechter-commissaris aanvullende vragen van de verdediging hierover beantwoord. Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van de anonieme getuige toegewezen, in die zin dat de verdediging de gelegenheid is geboden om aan de anonieme getuige nadere vragen te stellen naar aanleiding van de op 28 februari 2023 door de anonieme getuige afgelegde verklaring. De anonieme getuige heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd waarin hij/zij, voor zover mogelijk, antwoord heeft gegeven op de op schrift gestelde vragen die voorafgaand aan het verhoor door de verdediging en het openbaar ministerie waren ingediend. In een proces-verbaal van bevindingen van februari 2026 heeft de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en de inhoud van de door hem/haar afgelegde verklaring beoordeeld. De raadsheer-commissaris is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om de anonieme getuige en zijn/haar verklaring niet betrouwbaar te achten. Het hof stelt vast dat de procedure die in acht is genomen bij de totstandkoming van de verklaringen van de anonieme getuige in overeenstemming is met de voorschriften en waarborgen die zijn neergelegd in artikel 226a Sv. Verder stelt het hof vast dat zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en zijn/haar verklaringen heeft onderzocht en daarover in een proces-verbaal van bevindingen rekenschap heeft afgelegd. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdediging voorafgaand aan het verhoor schriftelijke vragen heeft opgegeven, dat alle door het openbaar ministerie en door de verdediging opgegeven vragen zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord en dat, voor zover de antwoorden niet in het proces-verbaal van verhoor zijn opgenomen, dit nodig was om de identiteit van de getuige verborgen te houden. De beperking en daarbij gevoegd de inbreuk op het ondervragingsrecht van een anonieme getuige voor de procespartijen, vormen de grondslag voor de bepalingen in Sv, die nadere regels stellen voor het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen voor het bewijs. Deze houden in dat de zittingsrechter behoedzaam dient te zijn bij de waardering en het gebruik van zo’n verklaring voor de bewijsvoering. Mede op grond hiervan is aangenomen dat de zittingsrechter zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme getuige dient te beoordelen. Het hof beschikt over het gehele dossier en het betrouwbaarheidsoordeel heeft betrekking op de samenhang tussen de verklaringen van de anonieme getuige en alle overige processtukken. Het hof baseert zijn oordeel hierover op grond van alle voorgaande bevindingen en bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, waarvan in het bijzonder worden vermeld de verklaringen van [zus van verdachte] en [medeverdachte] , de bevindingen omtrent de situatie omstreeks het tijdstip van het schietincident op de plaats delict en de omstandigheid dat op camerabeelden is te zien dat enkele minuten na het schietincident twee personen de bij het schietincident betrokken Opel Corsa verlaten. Ook blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen dat [verdachte] de initiator is geweest en een motief had. Daarnaast is de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. Met het oog op het beantwoorden van de vraag of de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar is voor het bewijs is het bepaalde in de artikelen 344a Sv en 360 Sv van belang. In artikel 344a, eerste lid, Sv is bepaald dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op schriftelijke bescheiden met verklaringen van anonieme getuigen. Het hof is van oordeel dat hieraan is voldaan, nu de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd is en steun vindt in de bewijsmiddelen zoals hierboven genoemd. Ook is naar het oordeel van het hof voldaan aan het bepaalde in artikel 344a, tweede lid, Sv. De anonieme getuige is door de raadsheer-commissaris als bedreigde getuige gehoord en het onder 1 tenlastegelegde feit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en levert gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar acht voor het bewijs. Hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht, noopt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt in zoverre dan ook verworpen. Alternatieve lezing van [verdachte] De verdediging heeft gesteld dat [verdachte] voorafgaand en ten tijde van het schietincident niet in Rotterdam was maar dat hij op dat moment bij [partner van verdachte] in België was. Hij was in de middag met [partner van verdachte] meegereisd naar haar werk in [plaats 2] . Laat in de avond zijn zij samen naar Dordrecht gegaan. Deze lezing vindt volgens de verdediging steun in de historische telefoongegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] dat bij [verdachte] in gebruik was. Het hof overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling van het verweer neemt het hof, evenals de rechtbank, als uitgangspunt dat in zijn algemeenheid een verklaring aan geloofwaardigheid wint als deze vroeg in het opsporingsonderzoek wordt afgelegd en daarna bevestiging vindt in onderzoeksresultaten of in getuigenverklaringen van (objectieve) derden. Verder kunnen de algemene (on)waarschijnlijkheid of mate van voorstelbaarheid een rol spelen bij het waarderen van een op die verklaring gebaseerd scenario. In de onderhavige zaak stelt het hof vast dat [verdachte] zich tegenover de politie telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Bij de rechter-commissaris en in raadkamer heeft hij evenmin een verklaring afgelegd. Pas na ruim 20 maanden in voorlopige hechtenis te hebben verbleven en na kennis te hebben kunnen nemen van het dossier, heeft [verdachte] op 25 oktober 2023 voor het eerst een verklaring bij de politie afgelegd. Volgens zijn verklaring, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, zou [verdachte] – zoals hiervoor reeds weergegeven - ruim zes uur in een auto in [plaats 2] hebben zitten wachten op [partner van verdachte] die op dat moment aan het werk was. Nadat zij klaar was met werken, zijn zij laat in de avond samen naar Dordrecht gereden, waar hij tot na middernacht buiten en alleen op de komst van zijn moeder zou hebben gewacht, terwijl [partner van verdachte] meteen bij aankomst de woning aan de [adres 9] is binnengegaan waar hun kinderen al enkele dagen verbleven. Nog los van het feit dat het afleggen van een verklaring in een zo laat stadium niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid daarvan, is het op zichzelf al niet geloofwaardig dat [verdachte] gedurende zes uren in een auto heeft zitten wachten nabij het werk van [partner van verdachte] . Bovendien is die verklaring in strijd met de eerste verklaring van [partner van verdachte] en vindt die weerlegging in de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte] en [zus van verdachte] , de historische belgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 8] , de videofilmpjes op de telefoon van [zus van verdachte] omstreeks oud en nieuw op 31 december 2021 en de WhatsApp-berichten die [partner van verdachte] op 31 december 2021 omstreeks 10.52 uur aan de moeder van [verdachte] heeft verzonden.
Volledig
Daarmee is de status van bedreigde getuige definitief geworden. Op 28 februari 2023 is de anonieme getuige door de rechter-commissaris gehoord. Na een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in hoger beroep heeft de rechter-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2025 uiteengezet op welke wijze hij de betrouwbaarheid van de anonieme getuige heeft onderzocht en heeft hij geconcludeerd dat de getuige en de afgelegde verklaring van die getuige als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. In een document van 20 augustus 2025 heeft de rechter-commissaris aanvullende vragen van de verdediging hierover beantwoord. Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van de anonieme getuige toegewezen, in die zin dat de verdediging de gelegenheid is geboden om aan de anonieme getuige nadere vragen te stellen naar aanleiding van de op 28 februari 2023 door de anonieme getuige afgelegde verklaring. De anonieme getuige heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd waarin hij/zij, voor zover mogelijk, antwoord heeft gegeven op de op schrift gestelde vragen die voorafgaand aan het verhoor door de verdediging en het openbaar ministerie waren ingediend. In een proces-verbaal van bevindingen van februari 2026 heeft de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en de inhoud van de door hem/haar afgelegde verklaring beoordeeld. De raadsheer-commissaris is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om de anonieme getuige en zijn/haar verklaring niet betrouwbaar te achten. Het hof stelt vast dat de procedure die in acht is genomen bij de totstandkoming van de verklaringen van de anonieme getuige in overeenstemming is met de voorschriften en waarborgen die zijn neergelegd in artikel 226a Sv. Verder stelt het hof vast dat zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van de anonieme getuige en zijn/haar verklaringen heeft onderzocht en daarover in een proces-verbaal van bevindingen rekenschap heeft afgelegd. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdediging voorafgaand aan het verhoor schriftelijke vragen heeft opgegeven, dat alle door het openbaar ministerie en door de verdediging opgegeven vragen zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord en dat, voor zover de antwoorden niet in het proces-verbaal van verhoor zijn opgenomen, dit nodig was om de identiteit van de getuige verborgen te houden. De beperking en daarbij gevoegd de inbreuk op het ondervragingsrecht van een anonieme getuige voor de procespartijen, vormen de grondslag voor de bepalingen in Sv, die nadere regels stellen voor het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen voor het bewijs. Deze houden in dat de zittingsrechter behoedzaam dient te zijn bij de waardering en het gebruik van zo’n verklaring voor de bewijsvoering. Mede op grond hiervan is aangenomen dat de zittingsrechter zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme getuige dient te beoordelen. Het hof beschikt over het gehele dossier en het betrouwbaarheidsoordeel heeft betrekking op de samenhang tussen de verklaringen van de anonieme getuige en alle overige processtukken. Het hof baseert zijn oordeel hierover op grond van alle voorgaande bevindingen en bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, waarvan in het bijzonder worden vermeld de verklaringen van [zus van verdachte] en [medeverdachte] , de bevindingen omtrent de situatie omstreeks het tijdstip van het schietincident op de plaats delict en de omstandigheid dat op camerabeelden is te zien dat enkele minuten na het schietincident twee personen de bij het schietincident betrokken Opel Corsa verlaten. Ook blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen dat [verdachte] de initiator is geweest en een motief had. Daarnaast is de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. Met het oog op het beantwoorden van de vraag of de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar is voor het bewijs is het bepaalde in de artikelen 344a Sv en 360 Sv van belang. In artikel 344a, eerste lid, Sv is bepaald dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op schriftelijke bescheiden met verklaringen van anonieme getuigen. Het hof is van oordeel dat hieraan is voldaan, nu de verklaring van de anonieme getuige gedetailleerd is en steun vindt in de bewijsmiddelen zoals hierboven genoemd. Ook is naar het oordeel van het hof voldaan aan het bepaalde in artikel 344a, tweede lid, Sv. De anonieme getuige is door de raadsheer-commissaris als bedreigde getuige gehoord en het onder 1 tenlastegelegde feit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en levert gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de anonieme getuige bruikbaar acht voor het bewijs. Hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht, noopt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt in zoverre dan ook verworpen. Alternatieve lezing van [verdachte] De verdediging heeft gesteld dat [verdachte] voorafgaand en ten tijde van het schietincident niet in Rotterdam was maar dat hij op dat moment bij [partner van verdachte] in België was. Hij was in de middag met [partner van verdachte] meegereisd naar haar werk in [plaats 2] . Laat in de avond zijn zij samen naar Dordrecht gegaan. Deze lezing vindt volgens de verdediging steun in de historische telefoongegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] dat bij [verdachte] in gebruik was. Het hof overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling van het verweer neemt het hof, evenals de rechtbank, als uitgangspunt dat in zijn algemeenheid een verklaring aan geloofwaardigheid wint als deze vroeg in het opsporingsonderzoek wordt afgelegd en daarna bevestiging vindt in onderzoeksresultaten of in getuigenverklaringen van (objectieve) derden. Verder kunnen de algemene (on)waarschijnlijkheid of mate van voorstelbaarheid een rol spelen bij het waarderen van een op die verklaring gebaseerd scenario. In de onderhavige zaak stelt het hof vast dat [verdachte] zich tegenover de politie telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Bij de rechter-commissaris en in raadkamer heeft hij evenmin een verklaring afgelegd. Pas na ruim 20 maanden in voorlopige hechtenis te hebben verbleven en na kennis te hebben kunnen nemen van het dossier, heeft [verdachte] op 25 oktober 2023 voor het eerst een verklaring bij de politie afgelegd. Volgens zijn verklaring, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, zou [verdachte] – zoals hiervoor reeds weergegeven - ruim zes uur in een auto in [plaats 2] hebben zitten wachten op [partner van verdachte] die op dat moment aan het werk was. Nadat zij klaar was met werken, zijn zij laat in de avond samen naar Dordrecht gereden, waar hij tot na middernacht buiten en alleen op de komst van zijn moeder zou hebben gewacht, terwijl [partner van verdachte] meteen bij aankomst de woning aan de [adres 9] is binnengegaan waar hun kinderen al enkele dagen verbleven. Nog los van het feit dat het afleggen van een verklaring in een zo laat stadium niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid daarvan, is het op zichzelf al niet geloofwaardig dat [verdachte] gedurende zes uren in een auto heeft zitten wachten nabij het werk van [partner van verdachte] . Bovendien is die verklaring in strijd met de eerste verklaring van [partner van verdachte] en vindt die weerlegging in de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte] en [zus van verdachte] , de historische belgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 8] , de videofilmpjes op de telefoon van [zus van verdachte] omstreeks oud en nieuw op 31 december 2021 en de WhatsApp-berichten die [partner van verdachte] op 31 december 2021 omstreeks 10.52 uur aan de moeder van [verdachte] heeft verzonden.
Volledig
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [verdachte] steun vindt in de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] verwijst het hof naar de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen met nummer 1112, waarin de bevindingen van het onderzoek naar het alibi van [verdachte] zijn gerelateerd, en dan in het bijzonder naar hetgeen in de alinea’s 5 en 6 op bladzijde 8 van het proces-verbaal is gerelateerd. Hierbij betrekt het hof ook hetgeen op bladzijde 2 van het proces-verbaal met nummer [nummer 2] van de Federale Gerechtelijke Politie van het arrondissement Oost-Vlaanderen is gerelateerd, te weten: “Bij dataverkeer wordt telkens de GSM-mast weerhouden waaronder het toestel gecapteerd wordt bij aanvang van het dataverkeer. Ook als het toestel nadien verplaatst wordt en eigenlijk gebruik maakt van andere GSM-masten”. Het hof komt alles overwegende tot zijn oordeel dat het door [verdachte] geschetste alternatieve scenario als niet geloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Dit brengt mee dat ook dit verweer wordt verworpen. Voorwaardelijk verzoek De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een telecomdeskundige indien het hof de alternatieve lezing van [verdachte] niet zou volgen. Het hof wijst het verzoek af. Daargelaten dat het verzoek - zonder nadere onderbouwing gedaan in een zeer laat stadium - naar het oordeel van het hof onvoldoende is onderbouwd, betekent de enkele omstandigheid dat het telefoonnummer [telefoonnummer 10] op de door de verdediging genoemde tijdstippen een zendmast in [plaats 2] heeft aangestraald niet zonder meer dat [verdachte] op al die momenten de gebruiker van die telefoon is geweest. Overigens acht het hof nader onderzoek door een telecomdeskundige ook niet noodzakelijk. Medeplegen op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] ? Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat tussen [verdachte] en [medeverdachte] sprake was van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Uit de aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte] door middel van tussenpersonen de Opel Corsa hebben aangeschaft die tijdens het schietincident is gebruikt. Daarbij is het initiatief voor het aanschaffen van die Opel Corsa uitgegaan van [verdachte] . Bij de communicatie rondom die aanschaf hebben zij gebruik gemaakt van telefoonnummers die uitsluitend voor dat doeleinde zijn gebruikt, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat die telefoonnummers, zodra de auto was afgeleverd, buiten gebruik waren. Op 31 december 2021 omstreeks 16.34 uur is de Opel Corsa afgeleverd in de nabijheid van de woning aan de [adres 12] te Rotterdam waar [verdachte] op dat moment verbleef. [medeverdachte] heeft op verzoek van [verdachte] de sleutels van de Opel Corsa in ontvangst genomen. Omstreeks 18.04 uur zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de Opel Corsa in de richting van de [adres 2] te Rotterdam gereden. [medeverdachte] was de bestuurder van de Opel Corsa. Omstreeks 19.19 uur is [slachtoffer] op zijn scooter de [adres 2] ingereden. Daar heeft [verdachte] met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan vanaf een korte afstand in de richting van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is daarbij in zijn hoofd en lichaam geraakt en ter plekke aan zijn verwondingen overleden. [verdachte] en [medeverdachte] zijn omstreeks 19.20 uur in de Opel Corsa de [adres 2] uitgereden en in de richting van de [adres 5] te Rotterdam gereden. Aan de [adres 5] his de Opel Corsa geparkeerd en in brand gestoken. Vervolgens zijn zij samen weggerend. Dat [verdachte] en [medeverdachte] met voorbedachte raad hebben gehandeld leidt het hof af uit de omstandigheid dat zij ruim de tijd hebben gehad om over hun besluit en de gevolgen daarvan na te denken. Zij zijn immers ruim een maand voor het schietincident gestart met de aanschaf van de Opel Corsa, zij zijn die bewuste dag omstreeks 18.04 uur in de richting van de [adres 2] gereden en hebben ruim een uur gewacht voordat zij [slachtoffer] in het vizier kregen. Dat het opzet was gericht op het doden van [slachtoffer] volgt reeds uit de omstandigheid dat er op korte afstand meermalen met een (semi) automatisch geweer op hem is geschoten. Conclusie van het hof Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/ op het hoofd en /of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van moord. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan moord door met een (semi)automatisch vuurwapen meermalen op het hoofd en het lichaam van het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer is ter plekke op straat aan zijn verwondingen overleden. Door zo te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft onherstelbaar leed toegebracht bij de nabestaanden, onder wie zijn minderjarige kinderen en de overige naasten van het slachtoffer. Zij zullen moeten leven met het onomkeerbare verlies van een dierbare. Het enorme leed dat aan de nabestaanden is toegebracht komt duidelijk tot uiting in de in deze procedure ter terechtzitting afgelegde en overgelegde slachtoffer-verklaringen. Daarbij komt dat het schietincident heeft plaatsgevonden op oudejaarsavond omstreeks 19.30 uur op straat, vlakbij de ouderlijke woning van het slachtoffer. Op dat moment waren er mensen, onder meer op straat, die getuige hiervan zijn geweest. Zij hebben de schoten gehoord en het slachtoffer op straat zien liggen. Het is een geluk dat er door het handelen van de verdachte en zijn mededader die avond niet meer slachtoffers zijn gevallen.
Volledig
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [verdachte] steun vindt in de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] verwijst het hof naar de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen met nummer 1112, waarin de bevindingen van het onderzoek naar het alibi van [verdachte] zijn gerelateerd, en dan in het bijzonder naar hetgeen in de alinea’s 5 en 6 op bladzijde 8 van het proces-verbaal is gerelateerd. Hierbij betrekt het hof ook hetgeen op bladzijde 2 van het proces-verbaal met nummer [nummer 2] van de Federale Gerechtelijke Politie van het arrondissement Oost-Vlaanderen is gerelateerd, te weten: “Bij dataverkeer wordt telkens de GSM-mast weerhouden waaronder het toestel gecapteerd wordt bij aanvang van het dataverkeer. Ook als het toestel nadien verplaatst wordt en eigenlijk gebruik maakt van andere GSM-masten”. Het hof komt alles overwegende tot zijn oordeel dat het door [verdachte] geschetste alternatieve scenario als niet geloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Dit brengt mee dat ook dit verweer wordt verworpen. Voorwaardelijk verzoek De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een telecomdeskundige indien het hof de alternatieve lezing van [verdachte] niet zou volgen. Het hof wijst het verzoek af. Daargelaten dat het verzoek - zonder nadere onderbouwing gedaan in een zeer laat stadium - naar het oordeel van het hof onvoldoende is onderbouwd, betekent de enkele omstandigheid dat het telefoonnummer [telefoonnummer 10] op de door de verdediging genoemde tijdstippen een zendmast in [plaats 2] heeft aangestraald niet zonder meer dat [verdachte] op al die momenten de gebruiker van die telefoon is geweest. Overigens acht het hof nader onderzoek door een telecomdeskundige ook niet noodzakelijk. Medeplegen op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] ? Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat tussen [verdachte] en [medeverdachte] sprake was van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] . Uit de aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte] door middel van tussenpersonen de Opel Corsa hebben aangeschaft die tijdens het schietincident is gebruikt. Daarbij is het initiatief voor het aanschaffen van die Opel Corsa uitgegaan van [verdachte] . Bij de communicatie rondom die aanschaf hebben zij gebruik gemaakt van telefoonnummers die uitsluitend voor dat doeleinde zijn gebruikt, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat die telefoonnummers, zodra de auto was afgeleverd, buiten gebruik waren. Op 31 december 2021 omstreeks 16.34 uur is de Opel Corsa afgeleverd in de nabijheid van de woning aan de [adres 12] te Rotterdam waar [verdachte] op dat moment verbleef. [medeverdachte] heeft op verzoek van [verdachte] de sleutels van de Opel Corsa in ontvangst genomen. Omstreeks 18.04 uur zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de Opel Corsa in de richting van de [adres 2] te Rotterdam gereden. [medeverdachte] was de bestuurder van de Opel Corsa. Omstreeks 19.19 uur is [slachtoffer] op zijn scooter de [adres 2] ingereden. Daar heeft [verdachte] met een (semi)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov (AK-47) of een afgeleide hiervan vanaf een korte afstand in de richting van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is daarbij in zijn hoofd en lichaam geraakt en ter plekke aan zijn verwondingen overleden. [verdachte] en [medeverdachte] zijn omstreeks 19.20 uur in de Opel Corsa de [adres 2] uitgereden en in de richting van de [adres 5] te Rotterdam gereden. Aan de [adres 5] his de Opel Corsa geparkeerd en in brand gestoken. Vervolgens zijn zij samen weggerend. Dat [verdachte] en [medeverdachte] met voorbedachte raad hebben gehandeld leidt het hof af uit de omstandigheid dat zij ruim de tijd hebben gehad om over hun besluit en de gevolgen daarvan na te denken. Zij zijn immers ruim een maand voor het schietincident gestart met de aanschaf van de Opel Corsa, zij zijn die bewuste dag omstreeks 18.04 uur in de richting van de [adres 2] gereden en hebben ruim een uur gewacht voordat zij [slachtoffer] in het vizier kregen. Dat het opzet was gericht op het doden van [slachtoffer] volgt reeds uit de omstandigheid dat er op korte afstand meermalen met een (semi) automatisch geweer op hem is geschoten. Conclusie van het hof Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 31 december 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/ op het hoofd en /of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van moord. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan moord door met een (semi)automatisch vuurwapen meermalen op het hoofd en het lichaam van het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer is ter plekke op straat aan zijn verwondingen overleden. Door zo te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft onherstelbaar leed toegebracht bij de nabestaanden, onder wie zijn minderjarige kinderen en de overige naasten van het slachtoffer. Zij zullen moeten leven met het onomkeerbare verlies van een dierbare. Het enorme leed dat aan de nabestaanden is toegebracht komt duidelijk tot uiting in de in deze procedure ter terechtzitting afgelegde en overgelegde slachtoffer-verklaringen. Daarbij komt dat het schietincident heeft plaatsgevonden op oudejaarsavond omstreeks 19.30 uur op straat, vlakbij de ouderlijke woning van het slachtoffer. Op dat moment waren er mensen, onder meer op straat, die getuige hiervan zijn geweest. Zij hebben de schoten gehoord en het slachtoffer op straat zien liggen. Het is een geluk dat er door het handelen van de verdachte en zijn mededader die avond niet meer slachtoffers zijn gevallen.
Volledig
Meer in het algemeen kan worden gezegd dat een schietincident op straat gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt. Strafblad Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (onder meer) vuurwapenbezit en geweldsmisdrijven. De op te leggen straf Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de onomkeerbaarheid daarvan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan, en de impact ervan op de samenleving. Daarnaast heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep besproken en straffen die in het algemeen voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Moord rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles bij elkaar acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden in beginsel in deze strafzaak passend en geboden. Dit is een gevangenisstraf van kortere duur dan door het openbaar ministerie is gevorderd, nu de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 18 februari 2021. De rechtbank heeft op 22 december 2023 uitspraak in de onderhavige zaak gedaan. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 6 maanden. Namens de verdachte is op 3 januari 2024 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2024 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van 6 maanden. Op 13 december 2024 heeft een regiebehandeling van de onderhavige zaak plaatsgevonden. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris bij dit hof voor het horen van 2 getuigen. In verband met de omstandigheid dat de verdediging aanvullende onderzoekswensen had ingediend, heeft op 27 juni 2025 een tweede regiebehandeling van de zaak plaatsgevonden. De zaak is opnieuw verwezen naar de raadsheer-commissaris om (onder meer) andermaal de anonieme getuige te horen. Op 10 en 11 maart 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden. Op 1 april 2026 is het onderzoek gesloten, waarna op 15 april 2026 arrest wordt gewezen. Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 11 maanden heeft plaatsgevonden. Het hof ziet in de mate van overschrijding, waarbij het hof tevens de duur van de procedure in het geheel heeft betrokken, alsmede de complexiteit van de zaak, aanleiding die te verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal aan de verdachte daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren opleggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv aan de orde is. Vorderingen tot schadevergoeding In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, te weten - [benadeelde partij 1] , de partner van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 113.790,00, bestaande uit een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade en een bedrag van € 110.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 2] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 89.785,00, bestaande uit een bedrag van € 29.785,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 3] , de minderjarige zoon van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 99.900,00, bestaande uit een bedrag van € 39.900,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 4] , de moeder van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 5] , de vader van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 37.500,00, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en - [benadeelde partij 6] , de zus van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 65.057,87, bestaande uit een bedrag van € 10.057,87 aan materiële schade en een bedrag van € 55.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig het vonnis dient te worden beslist Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak. Mocht niet tot vrijspraak worden geoordeeld, dan heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat enkel de door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade en de kosten van de begrafenis voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de gevorderde overlijdensschade (kosten opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen van het slachtoffer) heeft de verdediging gesteld dat die schadepost naar haar civiele aard een zeer ingewikkelde vordering is en voorts onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft verzocht die schadepost telkens af te wijzen. Subsidiair heeft zij gevraagd de benadeelde partijen ten aanzien van die schadepost telkens niet-ontvankelijk in hun vordering te verklaren. Wat de verdediging betreft dient de door [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 6] gevorderde shockschade telkens te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht genoemde benadeelde partijen ten aanzien van die schadepost niet-ontvankelijk in hun vordering te verklaren. Algemene overwegingen ten aanzien van de vorderingen Juridisch kader De benadeelde partij kan op grond van artikel 51f in verbinding met artikel 361 lid 2, aanhef en onder b, Sv in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging(en) van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW).
Volledig
Meer in het algemeen kan worden gezegd dat een schietincident op straat gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt. Strafblad Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (onder meer) vuurwapenbezit en geweldsmisdrijven. De op te leggen straf Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de onomkeerbaarheid daarvan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan, en de impact ervan op de samenleving. Daarnaast heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep besproken en straffen die in het algemeen voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Moord rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles bij elkaar acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden in beginsel in deze strafzaak passend en geboden. Dit is een gevangenisstraf van kortere duur dan door het openbaar ministerie is gevorderd, nu de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 18 februari 2021. De rechtbank heeft op 22 december 2023 uitspraak in de onderhavige zaak gedaan. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 6 maanden. Namens de verdachte is op 3 januari 2024 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2024 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van 6 maanden. Op 13 december 2024 heeft een regiebehandeling van de onderhavige zaak plaatsgevonden. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris bij dit hof voor het horen van 2 getuigen. In verband met de omstandigheid dat de verdediging aanvullende onderzoekswensen had ingediend, heeft op 27 juni 2025 een tweede regiebehandeling van de zaak plaatsgevonden. De zaak is opnieuw verwezen naar de raadsheer-commissaris om (onder meer) andermaal de anonieme getuige te horen. Op 10 en 11 maart 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden. Op 1 april 2026 is het onderzoek gesloten, waarna op 15 april 2026 arrest wordt gewezen. Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van 16 maanden, maar dat er een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 11 maanden heeft plaatsgevonden. Het hof ziet in de mate van overschrijding, waarbij het hof tevens de duur van de procedure in het geheel heeft betrokken, alsmede de complexiteit van de zaak, aanleiding die te verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal aan de verdachte daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren en 6 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren opleggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv aan de orde is. Vorderingen tot schadevergoeding In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, te weten - [benadeelde partij 1] , de partner van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 113.790,00, bestaande uit een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade en een bedrag van € 110.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 2] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 89.785,00, bestaande uit een bedrag van € 29.785,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 3] , de minderjarige zoon van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 99.900,00, bestaande uit een bedrag van € 39.900,00 aan materiële schade en een bedrag van € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 4] , de moeder van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; - [benadeelde partij 5] , de vader van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 37.500,00, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en - [benadeelde partij 6] , de zus van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 65.057,87, bestaande uit een bedrag van € 10.057,87 aan materiële schade en een bedrag van € 55.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig het vonnis dient te worden beslist Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak. Mocht niet tot vrijspraak worden geoordeeld, dan heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat enkel de door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade en de kosten van de begrafenis voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de gevorderde overlijdensschade (kosten opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen van het slachtoffer) heeft de verdediging gesteld dat die schadepost naar haar civiele aard een zeer ingewikkelde vordering is en voorts onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft verzocht die schadepost telkens af te wijzen. Subsidiair heeft zij gevraagd de benadeelde partijen ten aanzien van die schadepost telkens niet-ontvankelijk in hun vordering te verklaren. Wat de verdediging betreft dient de door [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 6] gevorderde shockschade telkens te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht genoemde benadeelde partijen ten aanzien van die schadepost niet-ontvankelijk in hun vordering te verklaren. Algemene overwegingen ten aanzien van de vorderingen Juridisch kader De benadeelde partij kan op grond van artikel 51f in verbinding met artikel 361 lid 2, aanhef en onder b, Sv in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging(en) van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW).
Volledig
Schokschade Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’). Voor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7). Affectieschade Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. De wetgever heeft in artikel 6:108, derde lid, van het BW bepaald dat in geval van overlijden een beperkte kring gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade per categorie naasten vaste normbedragen vastgesteld. Aantasting in de persoon op andere wijze Met betrekking tot dit ‘ander nadeel’ bepaalt artikel 6:106, aanhef en onder b, BW dat een benadeelde onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5). Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van de materiële schade Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd dat tot een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 110.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 20.000,00 (affectieschade); € 50.000,00 (schokschade), en € 40.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW, namelijk de levensgezel van het slachtoffer ten tijde van de tenlastegelegde periode. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Vast staat dat de benadeelde partij niet aanwezig is geweest ten tijde van het schietincident zelf en ook niet rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder dat schietincident heeft plaatsgevonden. De eerste directe confrontatie met de gevolgen van het schietincident vond plaats in het ziekenhuis waar de benadeelde partij met het lichaam van het overleden slachtoffer is geconfronteerd. De raadsman van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat dit heeft te gelden als een onverhoedse en onvermijdelijke confrontatie, die heeft geleid tot ernstig en objectiveerbaar geestelijk letsel. Alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan, acht het hof een nadere onderbouwing van de gestelde immateriële schade noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Of het schenden van het recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens de benadeelde partij kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 23.790,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade toewijzen met ingang van 17 november 2023, te weten de datum van de vordering tot schadevergoeding, nu bijlage 3 bij de vordering slechts een ongedateerde factuur betreft en het hof niet kan vaststellen wat de exacte datum is waarop deze schade is ontstaan. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan.
Volledig
Schokschade Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’). Voor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7). Affectieschade Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. De wetgever heeft in artikel 6:108, derde lid, van het BW bepaald dat in geval van overlijden een beperkte kring gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade per categorie naasten vaste normbedragen vastgesteld. Aantasting in de persoon op andere wijze Met betrekking tot dit ‘ander nadeel’ bepaalt artikel 6:106, aanhef en onder b, BW dat een benadeelde onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5). Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van de materiële schade Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd dat tot een bedrag van € 3.790,00 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 110.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 20.000,00 (affectieschade); € 50.000,00 (schokschade), en € 40.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW, namelijk de levensgezel van het slachtoffer ten tijde van de tenlastegelegde periode. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Vast staat dat de benadeelde partij niet aanwezig is geweest ten tijde van het schietincident zelf en ook niet rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder dat schietincident heeft plaatsgevonden. De eerste directe confrontatie met de gevolgen van het schietincident vond plaats in het ziekenhuis waar de benadeelde partij met het lichaam van het overleden slachtoffer is geconfronteerd. De raadsman van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat dit heeft te gelden als een onverhoedse en onvermijdelijke confrontatie, die heeft geleid tot ernstig en objectiveerbaar geestelijk letsel. Alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan, acht het hof een nadere onderbouwing van de gestelde immateriële schade noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Of het schenden van het recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens de benadeelde partij kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 23.790,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade toewijzen met ingang van 17 november 2023, te weten de datum van de vordering tot schadevergoeding, nu bijlage 3 bij de vordering slechts een ongedateerde factuur betreft en het hof niet kan vaststellen wat de exacte datum is waarop deze schade is ontstaan. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan.
Volledig
Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige dochter van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van haar vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ten aanzien van de immateriële schade Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige zoon van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen.
Volledig
Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige dochter van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van haar vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ten aanzien van de immateriële schade Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] Ten aanzien van de materiële schade (overlijdensschade) De benadeelde partij is een minderjarige zoon van het slachtoffer. Als minderjarig kind van het slachtoffer heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 1, onder a, BW recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij verwezen naar de website [website] en een schadeberekening opgevoerd. Naar het oordeel van het hof hebben vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn deze complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het staat de strafrechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij voorts vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Gelet op het onderzoek van het hof kan de berekening zoals door de benadeelde partij opgevoerd ten aanzien van dit deel van de vordering, de vordering (nog) niet geheel dragen. Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan informatie waaruit de (eerdere) verdeling van de kosten van onderhoud tussen de moeder van de benadeelde partij en het slachtoffer volgt. Wel is voldoende duidelijk dat er in ieder geval sprake is van gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat het hof het gederfde levensonderhoud thans vaststelt op € 20.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in dat deel van de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen.
Volledig
Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 17.500,00 (affectieschade); € 40.000,00 (schokschade), en € 20.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c, BW namelijk de moeder van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Het hof overweegt dat op grond van het dossier, waaronder de op 31 december 2021 tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring van de benadeelde partij, niet kan worden vastgesteld op welk moment en onder welke omstandigheden zij met de gevolgen van het schietincident is geconfronteerd. Gelet op die stand van zaken, alsmede gelet op de omstandigheid dat deze schadepost door de verdediging is betwist, acht het hof een nadere onderbouwing en verdere behandeling noodzakelijk, alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter toelichting van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Zij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 5] Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c BW, namelijk de vader van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor hem zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Hij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00 en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 6] Ten aanzien van de materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 10.057,87 aan materiële schade gevorderd.
Volledig
Aantasting in de persoon op andere wijze De vordering van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze heeft betrekking op schending van artikel 8 EVRM: het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing voorts aangevoerd dat het zonder vader opgroeien schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Er zijn door het overlijden van het slachtoffer minder middelen ter beschikking, hetgeen zorgt voor een grotere kans op schoolprestaties, wat leidt tot een lager opleidingsniveau en dus kansen op de arbeidsmarkt, aldus de benadeelde partij. Of het veroorzaken van nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van een (minderjarig) kind een zelfstandige onrechtmatigheidsgrondslag jegens het (minderjarige) kind kan opleveren, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 40.000,00 en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Ten aanzien van de materiële schade zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het (grotendeels) gaat om toekomstige schade. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een bedrag van in totaal € 77.500,00 aan immateriële schade gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 17.500,00 (affectieschade); € 40.000,00 (schokschade), en € 20.000,00 (aantasting in de persoon op andere wijze). Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c, BW namelijk de moeder van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Schokschade Het hof overweegt dat op grond van het dossier, waaronder de op 31 december 2021 tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring van de benadeelde partij, niet kan worden vastgesteld op welk moment en onder welke omstandigheden zij met de gevolgen van het schietincident is geconfronteerd. Gelet op die stand van zaken, alsmede gelet op de omstandigheid dat deze schadepost door de verdediging is betwist, acht het hof een nadere onderbouwing en verdere behandeling noodzakelijk, alvorens tot een toewijzing van (een deel van) de gevorderde schokschade te kunnen overgaan. Naar het oordeel van het hof zou dit – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter toelichting van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Zij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 5] Affectieschade De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c BW, namelijk de vader van het slachtoffer. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof worden toegewezen. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van dit deel van de vordering volstaan met de stelling dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor hem zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet onderbouwd. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Nu de benadeelde partij als nabestaande deze vergoeding van immateriële schade vordert, ligt de toewijzing van deze vordering, gelet op de aard van de normschending en met inachtneming van de reeds gevorderde en toe te wijzen affectieschade niet zonder meer zonder (nadere) onderbouwing voor de hand. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Hij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Conclusie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00 en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 6] Ten aanzien van de materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 10.057,87 aan materiële schade gevorderd.
Volledig
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 9.490,00 (begrafeniskosten), en € 567,87 (kosten muziek set). Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd dat tot een bedrag van € 10.057,87 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade Schokschade Het hof overweegt dat uit het dossier volgt dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met de gevolgen van het schietincident. Uit haar op 31 december 2021 ten overstaan van de politie als getuige afgelegde verklaring en het proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer 3] blijkt immers dat zij kort na het schietincident ter plaatse is gekomen en aldaar het op dat moment reeds overleden slachtoffer, haar broer, op de grond zag liggen. Uit de stukken volgt voorts dat zij als gevolg van die directe confrontatie geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het voorgaande maakt de benadeelde partij aanspraak op vergoeding van schokschade. Het hof dient de hoogte van de schokschade vast te stellen naar billijkheid. Hierbij houdt het hof rekening met de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, alsmede met de inhoud van de brief van Indigo van 26 oktober 2023 betreffende de benadeelde partij en het door haar doorlopen behandeltraject. Gelet hierop zal het hof de schokschade thans vaststellen op een bedrag van € 10.000,00. Voor het overige zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Zij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor door haar geleden immateriële schade op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen, zonder meer een grove inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer betreft. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 6] Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] toewijzen tot een bedrag van € 20.057,87 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade eveneens toewijzen. De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt per schadepost bepaald als volgt: 10 januari 2022 over een bedrag van € 9.490,00 (begrafeniskosten), en 31 december 2021 over een bedrag van € 567,87 (kosten muziek set). Hoofdelijkheid In artikel 6:166 lid 1 BW is bepaald dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Het hof stelt vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een delict waarbij de medepleger van dat delict in civielrechtelijke zin verantwoordelijk én aansprakelijk is voor het geheel van het door de groep gepleegde geweld en de gevolgen daarvan. Gelet hierop is in de onderhavige zaak sprake van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 lid 1 BW. Dit betekent dat de vorderingen, voor zover toegewezen, hoofdelijk zullen worden toegewezen. Kostenveroordeling Nu de vorderingen van de benadeelde partijen geheel dan wel gedeeltelijk worden toegewezen, dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, eveneens vooralsnog begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregelen nabestaanden Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte telkens de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van de nabestaanden op de wijze als in het dictum vermeld. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 23.790,00 (drieëntwintigduizend zevenhonderdnegentig euro) bestaande uit een bedrag van € 3.790,00 (drieduizend zevenhonderdnegentig euro) aan materiële schade en een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Volledig
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten: € 9.490,00 (begrafeniskosten), en € 567,87 (kosten muziek set). Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd dat tot een bedrag van € 10.057,87 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade Schokschade Het hof overweegt dat uit het dossier volgt dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met de gevolgen van het schietincident. Uit haar op 31 december 2021 ten overstaan van de politie als getuige afgelegde verklaring en het proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer 3] blijkt immers dat zij kort na het schietincident ter plaatse is gekomen en aldaar het op dat moment reeds overleden slachtoffer, haar broer, op de grond zag liggen. Uit de stukken volgt voorts dat zij als gevolg van die directe confrontatie geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het voorgaande maakt de benadeelde partij aanspraak op vergoeding van schokschade. Het hof dient de hoogte van de schokschade vast te stellen naar billijkheid. Hierbij houdt het hof rekening met de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, alsmede met de inhoud van de brief van Indigo van 26 oktober 2023 betreffende de benadeelde partij en het door haar doorlopen behandeltraject. Gelet hierop zal het hof de schokschade thans vaststellen op een bedrag van € 10.000,00. Voor het overige zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Zij kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Aantasting in de persoon op andere wijze De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor door haar geleden immateriële schade op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW in verband met aantasting in de persoon op andere wijze. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen, zonder meer een grove inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer betreft. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Of sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, is naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag. Partijen zijn in deze strafprocedure niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om hun stellingen en de onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren brengen. Naar het oordeel van het hof zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 6] Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] toewijzen tot een bedrag van € 20.057,87 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, waarbij het hof bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 31 december 2021, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade eveneens toewijzen. De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt per schadepost bepaald als volgt: 10 januari 2022 over een bedrag van € 9.490,00 (begrafeniskosten), en 31 december 2021 over een bedrag van € 567,87 (kosten muziek set). Hoofdelijkheid In artikel 6:166 lid 1 BW is bepaald dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Het hof stelt vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een delict waarbij de medepleger van dat delict in civielrechtelijke zin verantwoordelijk én aansprakelijk is voor het geheel van het door de groep gepleegde geweld en de gevolgen daarvan. Gelet hierop is in de onderhavige zaak sprake van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 lid 1 BW. Dit betekent dat de vorderingen, voor zover toegewezen, hoofdelijk zullen worden toegewezen. Kostenveroordeling Nu de vorderingen van de benadeelde partijen geheel dan wel gedeeltelijk worden toegewezen, dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, eveneens vooralsnog begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregelen nabestaanden Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte telkens de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van de nabestaanden op de wijze als in het dictum vermeld. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 23.790,00 (drieëntwintigduizend zevenhonderdnegentig euro) bestaande uit een bedrag van € 3.790,00 (drieduizend zevenhonderdnegentig euro) aan materiële schade en een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.